Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [plaats] , van 5 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-327023-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van oplichting’
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , bestaande uit
€ 12.250,00 aan materiële schade, geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van voornoemd bedrag.
Door de verdachte is vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdachte bepleit dat de vordering wordt afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust en zal het vonnis dan ook bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de door de politierechter aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het hof een beslissing nemen omtrent het beslag.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
De politierechter heeft op pagina 4 van het vonnis de gebezigde bewijsmiddelen opgesomd.
Het hof zal – nu de meervoudige strafkamer gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
In aanvulling op de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het navolgende bewijsmiddel:
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 17 april 2026.
Vervanging van de bewijsoverweging
Het hof is van oordeel dat de bewijsoverweging op pagina 4 van het vonnis, onder het kopje ‘3.2 De bewijsoverwegingen’ verbetering behoeft. De bewijsoverweging van de politierechter wordt daarom vervangen door de navolgende overweging en komt mitsdien als volgt te luiden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) noch zichzelf wederrechtelijk heeft bevoordeeld. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij mogelijk fouten heeft gemaakt als croupier maar dat dit dan onbewust was. Bovendien kan hij zich niet alles meer herinneren. Tot slot meent hij dat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en [medeverdachte] . Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij het hof verklaard dat hij [medeverdachte] sinds januari 2024 kent uit het [benadeelde] in Brussel, dat hij met hem in [plaats] een kop koffie heeft gedronken en in [plaats] op zijn verzoek een hotelkamer voor hem heeft geboekt, dat hij [medeverdachte] daarvoor niet kende maar wel zijn vader omdat zij wonen in hetzelfde dorp in Roemenië en dat hij [medeverdachte] niet heeft uitgenodigd om naar het [benadeelde] in [plaats] te komen.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte was in de periode van 6 maart 2024 tot en met 12 maart 2024 als croupier werkzaam bij [benadeelde] en werkte in die periode meermaals aan de speeltafel voor Amerikaanse roulette. Medeverdachte [medeverdachte] was in dezelfde periode meermaals als gast aanwezig in [benadeelde] aan de door de verdachte bediende speeltafel voor Amerikaanse roulette. De rapportage fraudeonderzoek die door [benadeelde] is opgesteld – mede op basis van camerabeelden – en die zich in het dossier bevindt beschrijft de in de tenlastelegging opgenomen handelingen van de verdachte die op meerdere dagen tot onterechte uitbetalingen aan [medeverdachte] hebben geleid.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Dat betekent dat bij een bewezenverklaring van medeplegen van het tenlastegelegde delict er bij de verdachte sprake dient te zijn van een – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict die van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen het hof op grond daarvan heeft vastgesteld is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] . Immers, zonder het geconstateerde samenspel tussen de verdachte en de medeverdachte aan de roulettetafel had de oplichting van [benadeelde] zoals beschreven in het fraudeonderzoek niet kunnen plaatsvinden. Het hof wordt gesterkt in zijn overtuiging dat de verdachte samen met [medeverdachte] [benadeelde] heeft opgelicht nu de verdachte ter terechtzitting van het hof – en in afwijking van zijn eerdere verklaringen bij de politie – heeft verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte] wel kende voordat deze aan zijn roulettetafel verscheen in [plaats] . Uit het dossier volgde al dat de verdachte voor [medeverdachte] in [plaats] in de tenlastegelegde periode een hotelkamer had geboekt maar ter terechtzitting van het hof bleek dat het woonadres van de verdachte en dat van het door de medeverdachte destijds bij de politie opgegeven adres in Roemenië zich op steenworp van elkaar bevinden en dat de verdachte naar eigen zeggen de vader van de medeverdachte kent, alsmede dat de verdachte [medeverdachte] voorafgaand aan de oplichting van [benadeelde] in Brussel had ontmoet.
De verklaring van de verdachte dat hij onbewust fouten heeft gemaakt en [medeverdachte] noch zichzelf wederrechtelijk heeft bevoordeeld schuift het hof op basis van wat hiervoor is overwogen als ongeloofwaardig terzijde.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring in het vonnis van de politierechter is vermeld.
Beslag
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag nog niet heeft teruggekregen. Voor zover er geen conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering rust op het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.550,00, is het hof van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet langer tegen de teruggave verzet, zodat het hof onder die voorwaarde tot teruggave aan de verdachte zal beslissen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bestaat uit € 12.250,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Het hof stelt vast dat het in hoger beroep ingediende wensenformulier is ondertekend door [betrokkene 1] . Wanneer het slachtoffer een niet-natuurlijk persoon betreft, dient een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht van de directie / bestuurder, waaruit blijkt dat de ondertekenaar van het formulier de organisatie of het bedrijf mag vertegenwoordigen, te worden meegestuurd. Uit het dossier blijkt niet dat die stukken in eerste aanleg zijn overgelegd. Voor de terechtzitting in hoger beroep is wel een schriftelijke machtiging overgelegd, ondertekend door [betrokkene 2] , Chief Compliance Officer van [benadeelde] Hierinwordt volmacht verleend aan [betrokkene 1] .
Daarnaast volgt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat [betrokkene 2] bestuurder is van [benadeelde] Kortom, uit voornoemde machtiging blijkt dat [betrokkene 1] is gemachtigd om namens [benadeelde] een civiele vordering in te dienen in dit strafproces.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot € 12.250,00. Uit het dossier volgt immers dat de benadeelde partij een bedrag van in totaal € 12.250,00 heeft afgegeven aan medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele vergoeding, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 12.250,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en doet in zoverre opnieuw recht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1.550,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL2000-2024062805-G2701996 ibn 12-03-2024), doch slechts voor zover er geen conservatoir beslag op dit geldbedrag rust.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.250,00 (twaalfduizend tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.250,00 (twaalfduizend tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 86 (zesentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 maart 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K. Holleman en mr. T.H.J. Menting, griffiers,
en op 12 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.