Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-077134-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Vught te Vught.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ veroordeeld tot een taakstraf van veertien uren, subsidiair zeven dagen vervangende hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één week.
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 september 2024, te Tilburg ( [adres 1] ), wederrechtelijk is binnengedrongen in een aldaar gelegen pand en/of gebouw (vestiging van het [bedrijf] ) ( [adres 1] ), in elk geval in een besloten lokaal, en in gebruik bij het [bedrijf] , althans bij een ander of anderen dan bij hem, verdachte, immers was/is aan hem, verdachte, door/namens het [bedrijf] , op 20 december 2023, in elk geval in de maand december 2023, een pandverbod opgelegd en/of uitgereikt en/of per aangetekende post verstuurd, waarin is bepaald dat het hem, verdachte, niet was/is toegestaan zich te bevinden en/of zich te begeven in een vestiging van het [bedrijf] (waaronder die vestiging te Tilburg) in de periode van 20 december 2023 tot 20 december 2025).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 september 2024, te Tilburg ( [adres 1] ), wederrechtelijk is binnengedrongen in een aldaar gelegen pand (vestiging van het [bedrijf] ) ( [adres 1] ), in elk geval in een besloten lokaal, en in gebruik bij het [bedrijf] , immers was aan hem, verdachte, namens het [bedrijf] , op 20 december 2023, een pandverbod opgelegd en uitgereikt, waarin is bepaald dat het hem, verdachte, niet was toegestaan zich te bevinden en zich te begeven in een vestiging van het [bedrijf] (waaronder die vestiging te Tilburg) in de periode van 20 december 2023 tot 20 december 2025.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij een eventuele veroordeling, er rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdachte zit momenteel een straf uit in een andere zaak en is op de dag van de terechtzitting overgeplaatst naar het [psychiatrisch ziekenhuis] (hierna: [psychiatrisch ziekenhuis] ) van P.I. Vught waar behandeling in een penitentiair kader centraal zal komen te staan. Verdachte is gemotiveerd voor behandeling, wil werken aan zijn verslaving en wil weerbaarder worden. Om deze reden verzoekt de raadsvrouw een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, subsidiair een lichtere taakstraf dan opgelegd door de politierechter.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in strijd met een pandverbod wederrechtelijk binnendringen van een gebouw dat in gebruik is bij het [bedrijf] , waarbij hij zich bovendien intimiderend en dreigend heeft gedragen. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat dit niet de eerste keer is dat de verdachte dit heeft gedaan. Dit betreft een ergerlijk en overlastgevend feit en het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 februari 2026. Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte een aanzienlijk strafblad heeft en eerder meerdere malen onherroepelijk, voor onder meer huisvredebreuk, bedreiging, belediging en vernieling, is veroordeeld. Daarbij zijn aan hem ook al eerder onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen opgelegd en in 2018 zelfs een ISD-maatregel.
Tevens heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van reclasseringsadviezen van 14 augustus 2025 en 24 november 2025. Uit deze adviezen, die zijn opgesteld in het kader van een andere strafzaak, volgt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat en dat de verdachte hulp nodig heeft - zoals verdachte ook zelf aangeeft en inziet - maar dat die hulp tot nu toe, onder meer vanwege verdachtes houding, niet van de grond is gekomen. Zo stelt de reclassering:
“De 35-jarige heer [verdachte] wordt verdachte van het plegen van zowel vermogensdelicten als geweldsdelicten of een combinatie daarvan uit 2022 en 2023. Zo moet hij onder andere voorkomen voor het plegen van een mishandeling, winkeldiefstal, huisvredebreuk, bedreiging, geweld tegen beroepsbeoefenaars, zoals reclasseringswerkers en OV-medewerkers. Er is sprake van een zorgelijk delictpatroon wat maar niet doorbroken wordt. De heer [verdachte] is niet alleen een veelpleger, hij zorgt daarnaast ook voor veel overlast waarvoor politie-inzet nodig is en hij is grensoverschrijdend naar bijvoorbeeld winkelpersoneel en politie. (…) Betrokkene kreeg al eens een ISD-maatregel opgelegd. Na afloop van die ISD-maatregel is hij ook een tijd uit beeld geweest van politie en justitie. Op basis van het procesdossier, referenteninformatie en de contacten bij de reclassering uit het verleden wordt er een duidelijk en zeer zorgelijk patroon zichtbaar.
Betrokkene is bij aanvang gemotiveerd en kan enthousiast een hulpvraag formuleren (soms ingegeven door anderen), wordt hij echter geconfronteerd met beperkingen in die zorg dan wordt hij direct grensoverschrijdend of als hij wordt geconfronteerd met voor hem ongewenste regels en afspraken dan zien wij datzelfde grensoverschrijdende gedrag. Ook onttrekt hij zich aan de aangeboden zorg waar hij in eerste instantie zelf om gevraagd heeft. Betrokkene weet met zijn gedrag telkens weer de hulpverleningstrajecten die erop gericht zijn om hem te helpen, stuk te laten lopen. (…) Het lastige daarbij is dat hij ook vaak wordt afgewezen als hij wordt aangemeld bij een passende zorginstelling. De problematiek van de betrokkene wordt als te complex beschouwd. Er is sprake van een verstandelijke beperking met antisociaal gedrag en een middelenverslaving. Betrokkene is in beeld in het kader van de Levensloopaanpak (een samenwerking voor mensen met onbegrepen gedrag en een hoog veiligheidsrisico). Voor hen is het nodig dat forensische zorg langdurig betrokken blijft en er samenhang is tussen ondersteuning, zorg en veiligheid. Doel: een veiligere samenleving door in te zetten op stabiliteit. Echter, komt er niets van de grond als gevolg van zijn houding. (…) De indruk van de reclassering is, voor zover wij dat kunnen en mogen beoordelen, dat hij continu overvraagd wordt omdat hij door zijn verstandelijke beperking de wereld om zich heen maar moeilijk begrijpt, maar er ook sprake is van antisociaal gedrag wat onder invloed van alcohol alleen maar heviger wordt.”
De reclassering heeft blijkens het advies van 24 november 2025 ernstige twijfels bij de uitvoerbaarheid van een taakstraf, zoals in deze zaak wel is opgelegd door de politierechter. Er is geadviseerd een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdachte is op 6 januari 2026, in de andere strafzaak, onherroepelijk veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Naast wat door de raadsvrouw naar voren is gebracht en hiervoor is weergegeven, heeft de verdachte verklaard dat hij door medicatie al 6,5 jaar clean is, dat zijn lichaam door die medicatie kapot is en dat hij hulp nodig heeft omdat er misbruik van hem is gemaakt. Hij wil hulp voor zijn middelenverslaving en andere psychische problemen. In het [psychiatrisch ziekenhuis] van P.I. Vught zal naar het hof aanneemt worden bezien welke mogelijkheden er zijn om binnen de tenuitvoerlegging van zijn openstaande vrijheidsbenemende straffen, die eindigen in februari 2027, passende hulp te bieden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard die hulp graag te willen aanvaarden.
Tegen de achtergrond van het voorgaande, en in het bijzonder gelet op de inhoud van de meest recente reclasseringsadviezen en het feit dat thans binnen een penitentiair kader gezocht wordt naar mogelijkheden om de verdachte passende hulp te bieden die hij ook wenst te aanvaarden, acht het hof alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, die - wanneer deze uitspraak onherroepelijk is geworden - kan worden benut om de verdachte in het verlengde van zijn huidige detentiestraf de gewenste hulp vanuit een penitentiair kader te bieden, zodat die straf niet alleen recht doet aan het strafdoel van vergelding, maar in het bijzonder ook aan het strafdoel van speciale preventie.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 138 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers,
en op 17 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.