Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 oktober 2025, parketnummer
02-183159-25 en de van dat vonnis deeluitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers
02-256934-21 en 02-208859-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 maart 2025 (p. 6-10), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangever] , namens [benadeelde] :
2. Het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres 2] ) d.d. 19 maart 2025 (p. 13-18), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
3. Het geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2025, zaaknummer 2025.03.27.087 (aanvraag 001) (p. 32-34), opgemaakt door rapporteur [naam rapporteur] , voor zover inhoudende:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
blijkens de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 19 januari 2026 in de Basisregistratie Personen (BRP) sedert 1 september 2025 ingeschreven te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ten aanzien van ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van
€ 718,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. De benadeelde partij is in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter. Tevens heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf inzake parketnummer 02-256934-21 toegewezen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, en is de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf inzake parketnummer 02-208859-23 afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering gedeeltelijk toe zal wijzen, te weten tot een bedrag van € 718,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de overige gevorderde schade heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze schade niet toegewezen dient te worden. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen inzake parketnummers 02-256934-21 en 02-208859-23 zal toewijzen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Met betrekking tot de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, inzake parketnummers 02-256934-21 en 02-208859-23, heeft de verdediging primair en subsidiair bepleit dat het hof deze vorderingen zal afwijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 maart 2025 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander, toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 maart 2025 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een ruit die aan [benadeelde] toebehoorde heeft vernield.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, basisteam Leijdal, registratienummer PL2000-2025066448, gesloten d.d. 9 mei 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 39). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan:
Plaats delict: Ter hoogte van [adres 2] ( [benadeelde] ).
Op 16 maart 2025 om 06.40 uur zag ik ter hoogte van de fysioruimte dat er glas op de grond lag. Ik zag dat er een donkere kei buiten op de grond, tussen het glas lag. Ik zag dat er een schroevendraaier in de hoek bij het kozijn lag. Ik zag dat er binnen op de vloer ook een aantal glasscherven lagen. Vannacht om 03.00 uur is er nog een ronde gereden door de beveiliging en toen waren er geen bijzonderheden.
Op 16 maart 2025, omstreeks 08.18 uur, kwam ik voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] .
Bevindingen
Ik startte mijn onderzoek op de parkeerplaats aan de achterzijde van het
behandelcentrum. Ik zag dat het uitzetraam van de linker raampartij openstond. Ik zag dat de ruit, voorzien van dubbelglas, kapot was en dat er een opening in de ruit was ontstaan. Ik zag dat de opening een geschatte grootte had van 60 cm bij 40 cm. Ik zag dat zich op de randen van het uitzetraam bloedsporen bevonden. Staande op de parkeerplaats en kijkend in de richting van de achtergevel van het gebouw zag ik linksonder, op de rand van het uitzetraam, een bloedspoor. Door mij werd dit bloedspoor bemonsterd op de aanwezigheid van humaan DNA-houdend celmateriaal. De bemonstering werd veiliggesteld en voorzien van SIN [AASM6529NL]. Op het kozijn onder het uitzetraam zag ik, ter hoogte van de raam een bloedspoor. Door mij werd dit bloedspoor bemonsterd op de aanwezigheid van humaan DNA-houdend celmateriaal. De bemonstering werd veiliggesteld en voorzien van SIN [AASM6527NL]. Tussen de stukken glas zag ik meerdere stukken metaal liggen van, vermoedelijk, de omlijsting van het uitzetraam. Op het voorste stuk metaal zag ik een bloedspoor die door mij werd bemonsterd op de aanwezigheid van humaan DNA-houdend celmateriaal. De bemonstering werd door mij veiliggesteld en voorzien van SIN [AASM7554NL].
Samenvatting
Op basis van het totale sporenbeeld en de verkregen informatie van de medewerker kon de vermoedelijke werkwijze van de dader(s) worden vastgesteld. Vermoedelijk heeft/hebben de dader(s) gepoogd met een schroevendraaier het uitzetraam aan de achterzijde van de fysioruimte te forceren, waarbij de schroevendraaier is gebroken. Hierna werd met een steen de ruit in het uitzetraam vernield waarna de raamboom kon worden bediend en het raam kon worden geopend. Vermoedelijk is bij het
vernielen van de ruit (ten minste één) van de dader(s) bloedend gewond geraakt.
Tabel 1: Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsman van de verdachte heeft naar voren gebracht dat er in de nabijheid van de plaats delict die nacht twee mannen zijn gezien door een beveiliger en dat gelet hierop, ondanks de aangetroffen bloedsporen, niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de vernieling heeft gepleegd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ten aanzien van het door de raadsman van de verdachte geschetste alternatieve scenario overweegt het hof dat de raadsman van de verdachte dit scenario stellenderwijs heeft opgeworpen, terwijl dit niet een betoog betreft dat op enigerlei wijze wordt onderbouwd door verklaringen van de verdachte. De verdachte heeft namelijk verklaard zich niets te kunnen herinneren. Bovendien ontbreekt naar het oordeel van het hof ieder begin van aannemelijkheid van dit alternatieve scenario, nu het politiedossier geen enkele aanwijzing bevat dat de twee mannen die op de fiets zijn gesignaleerd iets te maken hebben gehad met de bewezenverklaarde vernieling of dat er anderen dan de verdachte in de buurt zijn geweest van de vernielde ruit. Het hof schuift dit scenario dan ook als onaannemelijk terzijde.
Op grond van de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit. Door dit feit te plegen heeft hij een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de rechthebbende. Uit zijn handelen spreekt ook minachting voor andermans eigendom. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 24 september 2025. Hieruit volgt dat er sprake is van een zorgelijk delictpatroon met een hoge kans op recidive. De belangrijkste delictgerelateerde criminogene factoren zijn het middelengebruik en het psychosociaal functioneren van de verdachte. Hij is bekend met een harddrugsverslaving en er
is sprake van emotieregulatie problemen. Daarnaast is er sprake van instabiliteit op de overige leefgebieden. Het ontbreekt de verdachte aan huisvesting, inkomen en dagbesteding. Ook is de verdachte wisselend in zijn motivatie tot gedragsverandering en meewerken aan reclasseringsinterventies. Tot op heden is het de verdachte niet gelukt om met de geboden hulpverlening, waaronder ook een aantal klinische opnames en een ISD-maatregel, gedragsverandering te bewerkstelligen. In de afgelopen jaren is getracht diverse trajecten in gang te zetten, onder andere gericht op huisvesting, inkomen en dagbesteding en ook was de verdachte vanuit de bijzondere voorwaarden aangemeld voor een klinische behandeling. Dit reclasseringstoezicht is echter voortijdig negatief geretourneerd. Vanuit de reclassering worden geen mogelijkheden gezien voor gedragsverandering en risicobeperking middels reclasseringsinterventies. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte al enige tijd bij hem uit beeld is, hetgeen doorgaans een goed teken is. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdachte graag een ander leven zou willen, maar dat dit hem niet lukt omdat hij om diverse redenen steeds terugvalt.
Naar het oordeel van het hof kan, alles in aanmerking nemende, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.693,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 718,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist.
Toewijzing
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 718,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij o.g.v. art. 361 lid 2 sub b Sv
Het hof is van oordeel dat voor het overige niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre niet in de vordering worden ontvangen. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 718,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 718,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 7 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 02-256934-21)
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 15 april 2022 onder parketnummer 02-256934-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast.
Vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 02-208859-23)
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 7 december 2023 onder parketnummer 02-208859-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 718,00 (zevenhonderdachttien euro) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 718,00 (zevenhonderdachttien euro) materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 7 (zeven) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 april 2022, gewezen onder parketnummer 02-256934-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 december 2023, gewezen onder parketnummer 02-208859-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R de Bree, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen en mr. J. de Leijer, griffiers,
en op 17 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. J.J. Peters en mr. R. de Bree zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.