Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 maart 2025, op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-088758-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Nieuwegein te Nieuwegein.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 121.550,96 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 111.550,96. Daarnaast heeft de politierechter de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, vastgesteld op 1.080 dagen.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 87.334,36 en aan de betrokkene een verplichting tot betaling aan de Staat zal opleggen van € 78.600,00.
Door de verdediging is primair bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen. Daarbij zijn door de verdediging vier voorwaardelijke verzoeken gedaan. Subsidiair hebben de raadslieden betoogd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld, dient te worden gematigd. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht de schending van de redelijke termijn te verdisconteren in de betalingsverplichting en de in de strafzaak verbeurdverklaarde geldbedragen op deze betalingsverplichting in mindering te brengen. Tot slot heeft de verdediging het hof verzocht om de duur van de gijzeling te beperken tot één dag.
Voorwaardelijke verzoeken verdediging
Tijdens de beraadslaging in raadkamer is het hof gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
In zijn arrest van 29 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1523) heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“2.4.1
Op de ontnemingsprocedure is artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing. Dat betekent onder meer dat ook in de ontnemingsprocedure het – mede in artikel 6 lid 2 EVRM gewaarborgde – recht van een persoon om voor onschuldig te worden gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, dient te worden gerespecteerd. (Vgl. HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, rov. 6.1, en EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk), § 39 en 40.)
2.4.2
De ontnemingsprocedure heeft een ander karakter dan de strafprocedure. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan op grond van artikel 338 Sv door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. In de ontnemingsprocedure is de rechter echter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan artikel 511f Sv waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In verband daarmee gelden in de ontnemingsprocedure andere regels van procesrecht dan in de strafprocedure. (Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424.) Artikel 6 EVRM staat er daarbij niet aan in de weg dat de rechter in de ontnemingsprocedure gebruik maakt van bewijsrechtelijke vermoedens (“presumptions of fact or of law”; vgl. EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk), § 40) en dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene (vgl. HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182).
2.4.3
Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel mede betrekking hebben op het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten waaromtrent “voldoende aanwijzingen” bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan.
2.4.4
Indien de rechter in de ontnemingsprocedure oordeelt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, dient (de totstandkoming van) dat oordeel binnen het in 2.4.2 bedoelde eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming te zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.”
Bewijslastverdeling
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er in de ontnemingsperiode drie hennepoogsten hebben plaatsgevonden. Hierbij heeft de advocaat-generaal zich gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (dossierpagina’s 29-36), waarin wordt uitgegaan van drie eerder gerealiseerde oogsten in de eerste kweekruimte op grond van de volgende indicatoren:
De verdediging stelt zich op het standpunt dat er slechts één oogst heeft plaatsgevonden, te weten de oogst die in de kelderbox bij de ex-partner van de betrokkene is aangetroffen. Dit standpunt vindt in de visie van de verdediging onder meer steun in de omstandigheid dat de betrokkene van 5 juli 2020 tot 18 september 2020 in Iran verbleef en de berichtgevingen in het dossier waaruit zou blijken dat de hennepkweek die de betrokkene voor het eerst heeft opgestart vanaf september 2020 kennelijk niet geslaagd is. Bovendien heeft de betrokkene verklaard dat er in het laatste kwartaal van 2020 op meerdere dagen schilders rond en in zijn (huur)woning zijn geweest, dat er in diezelfde periode een digitale elektriciteitsmeter in de woning is geïnstalleerd en dat in zijn woning de luchtinstallatie is vervangen wegens problemen met de geiser. De in het ontnemingsrapport bedoelde indicatoren zijn in de visie van de verdediging onvoldoende om te kunnen concluderen dat één of meerdere succesvolle oogsten hebben plaatsgevonden.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor bedoelde indicatoren uit het ontnemingsrapport met betrekking tot de aangetroffen koolstoffilters, lampen en zonnebloemolie, voorshands nauwelijks lijken te discrimineren tussen de stelling waarvan in het ontnemingsrapport wordt uitgegaan, te weten dat er drie voltooide oogsten hebben plaatsgevonden, en de stelling van de verdediging dat er minder dan drie oogsten hebben plaatsgevonden. De betrokkene heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat er minder dan drie oogsten hebben plaatsgevonden. Op grond van artikel 6 EVRM en de hiervoor bedoelde jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent onder meer de bewijslastverdeling, is het hof van oordeel dat de verdediging een redelijke kans moet worden geboden om haar stellingen nader te kunnen onderbouwen, temeer nu deze stellingen voldoende concreet en verifieerbaar zijn en niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de resultaten van het nadere onderzoek bij bevestiging van de stellingen van de betrokkene, de positie van de verdediging kan verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak in het voordeel van de betrokkene kan beïnvloeden.
Het hof oordeelt met betrekking tot de door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken dan ook als volgt.
Ten aanzien van de digitale elektriciteitsmeter
De betrokkene heeft verklaard dat de elektriciteitsmeter in zijn woning circa acht maanden voor zijn aanhouding is vervangen. De verdediging heeft het hof derhalve verzocht een proces-verbaal te laten opmaken door de politie waarin door [netbeheerder] antwoord wordt gegeven op de vraag op welke exacte datum de digitale meter is geplaatst die in de huurwoning van de betrokkene is aangetroffen op de dag van de aanhouding. Het hof zal dit verzoek toewijzen en de advocaat-generaal de opdracht geven om door de politie nader onderzoek te laten doen naar de vraag of door [netbeheerder] in de ontnemingsperiode een digitale elektriciteitsmeter is geplaatst en of daarbij bijzonderheden met betrekking tot de elektrische aansluiting zijn opgevallen. Te denken valt aan het horen door de politie van een medewerker van [netbeheerder] die daarover uit eigen waarneming en/of wetenschap kan verklaren, maar ook aan het opvragen van daaromtrent van belang zijnde documenten die in het bezit zijn van [netbeheerder] .
Ten aanzien van de schilderwerkzaamheden en de luchtinstallatie
De betrokkene heeft tevens verklaard dat in de ontnemingsperiode in opdracht van [verhuurder] schilderwerkzaamheden in/aan zijn (huur)woning en dat de luchtinstallatie in de woning is vervangen wegens problemen met de geiser. De verdediging heeft het hof derhalve verzocht om een proces-verbaal te laten opmaken door de politie waarin door [verhuurder] , de verhuurder van de woning waarin de betrokkene woonde, onder andere antwoord wordt gegeven op de vraag of het klopt dat er in de ontnemingsperiode (schilder/installatie)werkzaamheden hebben plaatsgevonden, waar die (schilder/installatie)werkzaamheden precies uit bestonden. Het hof zal deze verzoeken van de verdediging toewijzen in die zin dat het hof de advocaat-generaal de opdracht geeft een proces-verbaal te laten opmaken omtrent de vraag of en zo ja wat voor soort werkzaamheden in 2020 in/aan de woning van de betrokkene zijn verricht en in het bijzonder in welke periode. Tevens dient de vraag te worden beantwoord of die werkzaamheden binnen of buiten de woning plaatsvonden en of er bij die werkzaamheden bijzonderheden zijn opgevallen.
Ten aanzien van het verblijf van de betrokkene in Iran
Tot slot heeft de verdediging het hof verzocht een proces-verbaal te laten opmaken door de politie, waarin wordt gerelateerd of er in de periode van 5 juli 2020 tot 18 september 2020, zijnde de periode waarin de betrokkene in Iran verbleef, is gebleken van enige aanwijzing dat de hennepteelt in de woning van de betrokkene is voortgezet door hemzelf of een waarnemer. Het hof zal dit verzoek afwijzen, nu dit niet relevant is voor enig te nemen beslissing in de onderhavige zaak. Indien de politie geen aanwijzingen zou vinden dat de hennepteelt in de woning van de betrokkene is voortgezet tijdens zijn verblijf in Iran, zou die enkele omstandigheid immers niet zonder meer betekenen dat er in die periode dus ook daadwerkelijk geen hennep is geteeld.
Het hof:
heropent het onderzoek ter terechtzitting;
geeft de advocaat-generaal de opdracht om een proces-verbaal te laten opstellen door de politie waarin de volgende vragen door [netbeheerder] B.V. worden beantwoord:
o is in de ontnemingsperiode een digitale elektriciteitsmeter geplaatst in de woning aan de [adres] ?;
o zo ja, zijn er bij de plaatsing daarvan bijzonderheden opgevallen met betrekking tot de elektrische aansluiting?;
geeft de advocaat-generaal de opdracht om een proces-verbaal te laten opstellen door de politie waarin de volgende vragen door woningbouwcorporatie [verhuurder] worden beantwoord:
o hebben er in 2020 in of aan de woning aan de [adres] werkzaamheden plaatsgevonden, in het bijzonder schilderwerkzaamheden of werkzaamheden aan de luchtinstallatie?;
o zo ja, in welke periode vonden die werkzaamheden plaats?;
o waar bestonden die werkzaamheden uit?;
o vonden die werkzaamheden plaats aan de binnen- of buitenzijde van de woning?;
o zijn er bij deze werkzaamheden bijzonderheden opgevallen?;
stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal met voormeld doel;
bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting (aan te brengen bij MK12, verwachte behandelduur: 45 minuten);
beveelt de oproeping van de betrokkene tegen de datum en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting;
beveelt de kennisgeving van de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting aan de raadslieden van de betrokkene.
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 4 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Burgmeijer is buiten staat dit tussenarrest mede te ondertekenen.