Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-088758-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] ,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Nieuwegein te Nieuwegein.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.
De politierechter heeft de volgende inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard:
Ten aanzien van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen is de teruggave aan de verdachte gelast:
Tot slot heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.367,81 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten, tot dan toe begroot op nihil. Ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] is tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu het hoger beroep niet tijdig is ingesteld.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het vonnis waarvan beroep is op 6 maart 2025 op tegenspraak (ex art. 279 Sv) door de politierechter gewezen, nadat de dagvaarding om op voornoemde zitting te verschijnen blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking in persoon aan de verdachte is betekend op 5 februari 2025. Ingevolge artikel 408, eerste lid, onder a Sv staat voor de verdachte in een dergelijk geval gedurende veertien dagen na de uitspraak hoger beroep open.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep na het verstrijken van de hiervoor bedoelde termijn is ingesteld, te weten op 27 maart 2025. De termijn voor het instellen van hoger beroep is van openbare orde. Overschrijding van voornoemde termijn is slechts dan verschoonbaar indien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de verdachte niet toe te rekenen zijn.
De verdediging heeft zich, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, op het standpunt gesteld dat het hof in dit geval dient af te wijken van de hoofdregel dat binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep dient te worden ingesteld. De verdediging stelt er zeker van te zijn dat de verbeurdverklaring van de geldbedragen van € 45.550,00 en € 2.900,00 niet ter terechtzitting van 6 maart 2025 door de politierechter is uitgesproken. De verdediging was op de terechtzitting aanwezig en heeft meegeschreven met de uitspraak van de politierechter. Eerst na ontvangst van de aantekening mondeling vonnis (hierna: AMV) op 24 maart 2025 zou de verdediging op de hoogte zijn geraakt van de omstandigheid dat de geldbedragen wel verbeurd werden verklaard. Zonder die beslissing over de verbeurdverklaring van de geldbedragen, zag de verdediging geen aanleiding om hoger beroep in te stellen. Dit werd dus anders toen de verdediging door de AMV er kennis van kreeg dat de geldbedragen wel verbeurd werden verklaard.
Gelet op het voorgaande stelt de verdediging zich, mede onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, op het standpunt dat de beroepstermijn in dit geval dient aan te vangen op de dag nadat de verdachte werd geïnformeerd over de inhoud van het AMV. In de visie van de verdediging is het hoger beroep in dit geval dan ook tijdig ingesteld, zodat het hof de verdachte dient te ontvangen in het hoger beroep.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting de kenbron is van het verhandelde ter terechtzitting. Bijgevolg kan in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt vermeld. Op grond van pagina’s 7 en 8 van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg stelt het hof vast dat de onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedragen ter hoogte van respectievelijk € 45.550,00 en € 2.900,00 door de politierechter verbeurd zijn verklaard en dat de politierechter deze beslissing ter zitting heeft uitgesproken. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in het proces-verbaal is vastgelegd, temeer nu onomstotelijk bewijs op basis waarvan aan de inhoud van het proces-verbaal kan worden getwijfeld, ontbreekt. Bovendien volgt uit de e-mail die namens de politierechter op 26 maart 2025 aan de verdediging is gezonden dat uit de aantekeningen van zowel de politierechter als de griffier is gebleken dat de politierechter op de terechtzitting van 6 maart 2025 heeft uitgesproken dat de geldbedragen, voor zover daarop strafrechtelijk beslag rust, verbeurd zijn verklaard.
Resumerend ziet het hof, anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal, geen reden om aan te nemen dat de beslissing die op de AMV is vermeld, een onjuiste weergave is van de beslissing die door de politierechter ter terechtzitting van 6 maart 2025 is uitgesproken. De inhoud van de AMV komt immers overeen met de beslissing als vervat in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, dat als kenbron kan worden aangemerkt van hetgeen ter zitting is verhandeld. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de krachtens artikel 408 Sv geldende hoofdregel dat binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep dient te worden ingesteld.
Gelet op voornoemde omstandigheden – en bij het ontbreken van andere feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het tardief instellen van het hoger beroep in dit geval verschoonbaar zou zijn – zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 4 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Burgmeijer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.