Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 oktober 2018, in de strafzaak met parketnummer 02-820875-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1972,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het medeplegen van witwassen, zoals primair tenlastegelegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een in beslag genomen contant geldbedrag van € 383.770,00 verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met inbegrip van de beslissing op het beslag en met uitzondering van de strafoplegging en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft integrale vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. In geval van een veroordeling is verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, dan wel aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 18 mei 2015 te [pleegplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van 767.740,00 euro, althans enig(e) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 18 mei 2015 te [pleegplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van 767.740,00 euro, althans enig(e) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl [medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of de verdachte wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van welk misdrijf verdachte, op of omstreeks 18 mei 2015, te [pleegplaats] , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het contante geldbedrag van 767.740,00 euro, althans enig voorwerp, te verpakken en/of te verbergen en/of te bewaren.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 mei 2015 te [pleegplaats] een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van 767.540,00 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat het aangetroffen en in beslag genomen geld niet van misdrijf afkomstig is. Een gronddelict kan niet worden vastgesteld. Hoewel een witwasverdenking “niet gek” is, aldus de raadsman, heeft de verdachte een verklaring over de herkomst van het geld gegeven die concreet en min of meer verifieerbaar is en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De verdachte heeft het geld immers in bewaring genomen voor een vriend van hem, de medeverdachte
[medeverdachte 1] , die dit geld heeft verdiend met zijn coffeeshop. Omdat [medeverdachte 1] in die tijd geen zakelijke rekening kon openen en al tweemaal slachtoffer was geworden van een overval, heeft hij aan de verdachte gevraagd het geld voor hem te bewaren. De verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 1] sluiten op elkaar aan en worden bovendien bevestigd door derden en vinden steun in de overgelegde stukken.
Subsidiair, indien wordt geconcludeerd dat het geld wel uit misdrijf afkomstig is, heeft de verdediging gesteld dat de verdachte geen opzet op het tenlastegelegde heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin. Immers, de verdachte kende [medeverdachte 1] al lange tijd en beschouwt hem als een vriend, hij wist dat [medeverdachte 1] coffeeshophouder was en hij was ook op de hoogte van de overvallen. De verdachte ging ervan uit dat dit de reden was voor het in bewaring geven van het geld en hij heeft toegestemd omdat hij [medeverdachte 1] wilde helpen. De verdachte heeft niet de wetenschap gehad dat het geld uit misdrijf afkomstig was en heeft dat ook niet redelijkerwijs moeten vermoeden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Toetsingskader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Feiten en omstandigheden
Op 18 mei 2015 heeft in het kader van het onderzoek naar een gewapende overval op een filiaal van Albert Heijn een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de in die zaak aangemerkte verdachte [medeverdachte 2] aan de [adres] te [pleegplaats] . Dit betreft het ouderlijk huis van [medeverdachte 2] en is daarmee tevens de woning van zijn vader, de [verdachte] .
Tijdens die doorzoeking blijkt dat op de zolderverdieping van voornoemde woning, aan de rechterzijde, een bed staat en dat het rechterdeel van de zolderverdieping onder het dak tot een hoogte van ongeveer 80 centimeter is afgesloten door schotten. Uiterst rechts waren twee schotten opengeschoven en in de ruimte achter die schotten zijn door de politie diverse goederen aangetroffen. Het schot direct naast het bed werd weggeschoven en daarachter, ter hoogte van het hoofdeinde van het bed, is een dichtgeknoopte, donkergrijze plastic vuilniszak aangetroffen. Deze vuilniszak is door de politie geopend en daarin bleek nog een tweede vuilniszak te zitten. In die binnenste vuilniszak zijn 11 pakketten bankbiljetten aangetroffen met coupures van (onder meer) € 50,00, € 100,00, € 200,00 en € 500,00, samengebonden met elastiek en verpakt in huishoudfolie. In de vuilniszak is tevens een witte plastic zak aangetroffen, waarin nog eens 18 pakketten bankbiljetten zijn aangetroffen.
De pakketten bankbiljetten zijn door de politie in beslag genomen en met behulp van een geldtelmachine geteld, waaruit het volgende naar voren is gekomen:
- 16 biljetten van € 10,00 = € 160,00
- 474 biljetten van € 20,00 = € 9.480,00
- 6.574 biljetten van € 50,00 = € 328.700,00
- 1.661 biljetten van € 100,00 = € 166.100,00
- 350 biljetten van € 200,00 = € 70.000,00
- 386 biljetten van € 500,00 = € 193.000,00 +
Totaal € 767.440,00
Bij het natellen van de bankbiljetten bij de ABN AMRO Bank is gebleken dat het totaalbedrag € 100,00 meer moet zijn (vanwege twee niet meegetelde biljetten van € 50,00). Het totaalbedrag van de in de woning van de verdachte aangetroffen en in beslag genomen bankbiljetten komt daarmee op € 767.540,00.
Medeverdachte [medeverdachte 2] , de zoon van de verdachte, heeft verklaard dat hij met zijn ouders – de [verdachte] en zijn vrouw [betrokkene] – in de woning woont, dat de zolderverdieping van hem is en dat hij daar slaapt. Tevens heeft de zoon verklaard dat hij niet werkt. Hij heeft elke wetenschap van het geld ontkend.
De verdachte is ook over het aangetroffen geld gehoord. Hij heeft verklaard dat ook hij geen werk heeft en dat hij evenmin een uitkering ontvangt. De verdachte heeft voorts verklaard dat alleen zijn vrouw werkt en dat het gezin van haar inkomen net kan rondkomen.
Uit voormelde bewijsmiddelen volgt dat op 18 mei 2015 in de woning van de verdachte in [pleegplaats] een groot contant geldbedrag van € 767.540,00 is aangetroffen in verschillende coupures, waaronder coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00. Het geld lag in een vuilniszak achter een schot op de zolderverdieping en was verdeeld in met huishoudfolie verpakte pakketten.
Vermoeden van witwassen
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het aangetroffen geldbedrag en een bepaald specifiek misdrijf. Het getapte telefoongesprek tussen de verdachte en zijn zoon, welk gesprek zou kunnen duiden op de handel in hasj, is daartoe onvoldoende. In een dergelijk geval – wanneer geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen een specifiek misdrijf en een aangetroffen geldbedrag – kan niettemin bewezen worden verklaard dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp – althans in het onderhavige geval een enigszins lager dan tenlastegelegd geldbedrag van
€ 767.540,00 – uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat de herkomst van het aangetroffen geld niet kan worden verklaard met gegevens uit eigen legaal inkomen. De verdachte en zijn zoon [medeverdachte 2] hebben immers verklaard dat zij geen inkomen hebben en met het enkele inkomen van [betrokkene] kan het geldbedrag niet worden verklaard.
Gelet op de wijze waarop het geld was opgeslagen en de grote coupures waaruit het bedrag (mede) bestond is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat meerdere typologieën van witwassen op deze zaak van toepassing zijn en dat op basis daarvan zonder meer een vermoeden van witwassen jegens de verdachte (en zijn zoon) is gerechtvaardigd. Een dergelijke wijze van opslag brengt immers een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich en criminaliteit gaat veelal gepaard met grote hoeveelheden contant geld in diverse coupures, vaak ook grote coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00, die in het normale betalingsverkeer in Nederland een zeldzaamheid zijn.
Gezien dit vermoeden van witwassen mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.
Verklaring en nader onderzoek
De verdachte heeft over de herkomst van het geld een verklaring afgelegd, kort gezegd inhoudende dat het gehele geldbedrag toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), die dat geld zou hebben verdiend met zijn coffeeshop [naam] . De verdachte heeft dit geld voor [medeverdachte 1] bewaard omdat laatstgenoemde geen zakelijke bankrekening kon openen en hij het geld – na tweemaal te zijn overvallen – uit veiligheidsoverwegingen niet meer in zijn eigen huis wilde bewaren.
Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat deze verklaring over de herkomst van het geld concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is. Het ligt vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te verrichten naar deze gestelde alternatieve herkomst van het geld.
Het hof heeft geconstateerd dat in de onderhavige zaak financieel onderzoek is verricht naar de geldstromen binnen de coffeeshop van [medeverdachte 1] . Ook zijn de boekhouder, de vennoot en medewerkers van de coffeeshop, alsmede de echtgenote van [medeverdachte 1] als getuigen gehoord bij de rechter-commissaris, dan wel de raadsheer-commissaris. Voorts is forensisch sporenonderzoek verricht en bevinden zich uitgewerkte tapgesprekken in het dossier.
Hoewel het hof, te meer op grond van het door de verdediging van [medeverdachte 1] ingediende “Expertise document” van mr. G.J.M.E. de Bont en mr. P.J. Draijer d.d. 16 december 2024, dat op verzoek van de raadsman tevens is gevoegd in het onderhavig dossier, wel wil aannemen dat medeverdachte [medeverdachte 1] in de periode voorafgaand aan de pleegdatum over een legaal contant geldbedrag van (in elk geval) € 767.540,00 kon beschikken en dat hij slachtoffer is geworden van een gewapende overval (en een poging daartoe), hecht het hof op grond van de uitkomsten van het nadere onderzoek en met name vanwege de wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 1] evenwel geen geloof aan de gestelde alternatieve herkomst van het geld. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Op 18 mei 2015 is het geldbedrag van € 767.540,00 in de woning van de verdachte aangetroffen. Ter onderbouwing van de door hem gestelde alternatieve herkomst van het geld is de verdachte eerst op 6 juli 2015 verschenen op het politiebureau met een schriftelijke en ondertekende verklaring van [medeverdachte 1] . In die schriftelijke verklaring stelt [medeverdachte 1] dat het bedrag van € 770.000,00 van hem is. Hij zou dit geld in de afgelopen jaren bij de verdachte hebben neergelegd en de verdachte zou het geld telkens in zijn bijzijn hebben nageteld. [medeverdachte 1] zou het geld in die jaren hebben verdiend met zijn coffeeshop en zijn boekhouder zou het geld altijd op de aangifte Inkomstenbelasting als box 3 vermogen hebben aangegeven.
In tegenstelling tot hetgeen in deze schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] staat, heeft de verdachte daarna tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] het geld in één keer naar hem toe heeft gebracht. Op verzoek van [medeverdachte 1] zou de verdachte het geld vervolgens hebben nageteld, maar dat natellen heeft niet plaatsgevonden in bijzijn van [medeverdachte 1] . In een later stadium heeft [medeverdachte 1] , in afwijking van zijn schriftelijke verklaring, verklaard dat hij het geld in één keer naar de verdachte heeft gebracht en dat het geld niet in zijn bijzijn door de verdachte is nageteld. Dat zijn schriftelijke verklaring afwijkt is volgens hem gelegen in de omstandigheid dat die schriftelijke verklaring in enkele minuten door zijn advocaat is opgesteld en zijn advocaat hem verkeerd heeft begrepen. Met de rechtbank acht het hof deze uitleg ongeloofwaardig. Het is naar het oordeel van het hof onaannemelijk dat een verklaring, waarmee zulke grote belangen zijn gemoeid, in enkele minuten wordt opgesteld en wordt ondertekend zonder te weten wat er exact in staat, terwijl een juiste weergave van de details van groot belang kan zijn in een strafzaak, hetgeen bij zijn advocaat bekend moet zijn. Bovendien heeft [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep, welke verklaring op verzoek van de raadsman ook in onderhavige zaak is gevoegd, in eerste instantie verklaard dat de verklaring aan hem is voorgelezen voordat hij deze heeft ondertekend. Het hof houdt [medeverdachte 1] aan deze verklaring. Dat [medeverdachte 1] op een later moment ter terechtzitting, na gelegenheid tot overleg met zijn raadsvrouw, (min of meer) is teruggekomen op zijn eerste verklaring overtuigt het hof niet, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.
[medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat op sommige pakketten bankbiljetten schimmel zat vanwege het vocht en omdat het zo lang bewaard was. Bij het aantreffen van het geld in de woning van de verdachte noch bij het fotograferen, het tellen en het afstorten daarvan is gebleken van schimmel op de biljetten. Door de politie is bovendien juist uitdrukkelijk opgemerkt dat het opvallend was dat er in de ruimte op de zolderverdieping waar het geld was opgeslagen weinig tot geen stof werd aangetroffen en, zou er wel schimmel op de pakketten zijn aangetroffen, deze bijzonderheid zeer zeker in het proces-verbaal zou zijn vermeld (als daderwetenschap). Ook de verdachte heeft niet verklaard dat hij tijdens het aannemen, tellen of verpakken van het geld schimmel op de bankbiljetten heeft waargenomen.
Voorts hebben de verdachte en [medeverdachte 1] verklaard dat ook de aangetroffen biljetten van € 500,00 uit de coffeeshop van [medeverdachte 1] afkomstig zijn. Uit de kasboekhouding van de coffeeshop blijkt evenwel dat op de kasboekformulieren geen ruimte aanwezig is om daarop ontvangen bankbiljetten van € 500,00 aan te geven. Ook staat daarop niet vermeld dat er bankbiljetten van € 500,00 in ontvangst zijn genomen. De stelling van [medeverdachte 1] dat hij wel eens van klanten afkomstige biljetten van € 500,00 wisselde voor kleinere coupures en deze biljetten dan meteen mee naar huis nam, wordt weliswaar bevestigd door getuigen, maar acht het hof geen aannemelijke verklaring voor hetgeen is aangetroffen, nu sprake is van maar liefst 386 biljetten van € 500,00, terwijl de coffeeshop slechts hoeveelheden van 5 gram wiet per klant mocht verkopen, biljetten van € 500,00 in Nederland geen gebruikelijk betaalmiddel zijn nu deze niet uit een pinautomaat kunnen worden opgenomen en doorgaans ook niet door winkels en bedrijven als betaalmiddel worden geaccepteerd. Het hof overweegt voorts dat uit voornoemde kasboekformulieren tevens blijkt dat door de klanten van de coffeeshop ook bijna nooit met biljetten van € 200,00 en € 100,00 werd betaald, terwijl wel 350 biljetten van € 200,00 en 1.661 biljetten van € 100,00 zijn aangetroffen in de woning van de verdachte. Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat de hoeveelheid grote coupures kan worden verklaard door de inkomsten van de coffeeshop, nu daar door klanten voornamelijk met biljetten van € 10,00, € 20,00 en 50,00 werd betaald en slechts sporadisch met biljetten van € 100,00 en € 200,00.
De verklaring van de verdachte(n) volgend zou [medeverdachte 1] , nadat hij slachtoffer was geworden van een gewapende overval, een geldbedrag van bijna € 770.000,00 in een plastic (vuilnis)zak naar de verdachte hebben gebracht en dit zonder enige veiligheidsmaatregelen te treffen – voor het geld, dan wel voor de persoon – aan de verdachte in bewaring hebben gegeven. Het hof overweegt in dat kader dat het een feit van algemene bekendheid is dat het voorhanden hebben van zoveel contant geld in een woning grote risico’s met zich brengt – de omstandigheid dat [medeverdachte 1] is overvallen en daartoe eerder al een poging was gedaan onderstreept dat risico – en dat het bovendien hoogst ongebruikelijk is in het geval dat geld op legale wijze is verkregen. Indien het geld al niet op een (zakelijke dan wel particuliere) bankrekening gestort kon worden, is bewaring van een zodanig groot geldbedrag in een brandwerende kluis een veiligere en logischere optie dan in een plastic zak achter een schot op zolder. Daarbij acht het hof het ook bevreemdend dat [medeverdachte 1] geen concrete afspraken met de verdachte heeft gemaakt over bijvoorbeeld de duur en de wijze van bewaring van zo’n groot geldbedrag.
Voorts is over de tap op het telefoonnummer van [betrokkene] , de echtgenote van de verdachte, op 8 juli 2015 een telefoongesprek gekomen waarin wordt gesproken over dat “hij” heeft gezegd dat “het” niet van hem is maar van “iemand anders”, dat “hij” in ieder geval “de oplossing” heeft gevonden en dat [betrokkene] niet weet wie hem heeft “overgehaald”, maar dat “hij die afspraak had”, “hij kwam” en “hij had die oplossing gevonden en zei beter iets dan niets”. In het tapgesprek wordt tevens over het afnemen van DNA gesproken en het weigeren om daaraan mee te werken. Het hof overweegt daarbij dat de verdachte destijds heeft geweigerd om DNA af te staan. Verder wordt in dat tapgesprek gezegd dat “hij” al drie dagen vastzit. De verdachte zat op dat moment ook drie dagen vast: hij is immers op 6 juli 2015 in verzekering gesteld en het tapgesprek dateert van 8 juli 2015. Bij het hof bestaat derhalve geen enkele twijfel dat dit gesprek over de [verdachte] en het in de woning aangetroffen geld gaat. Dat tijdens het tapgesprek ook wordt gesproken over vrouwen die nog vastzitten of alweer vrij en thuis bij hun kinderen zijn, terwijl in de onderhavige zaak geen vrouwen in voorarrest hebben verbleven, maakt het oordeel van het hof dat tijdens het tapgesprek (ook) over de verdachte en de onderhavige zaak wordt gesproken niet anders.
De verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij het geld had nageteld, de pakketten bankbiljetten heeft verpakt in folie en dat hij meerdere pakketten heeft voorzien van briefjes met daarop zijn naam. Dat hij zijn naam op een aantal pakketten heeft gezet, zodat [medeverdachte 1] zou weten dat hij het geld van de verdachte had gekregen wanneer hij het geld zou teruggeven, acht het hof ongeloofwaardig, temeer omdat het natellen en verpakken van een zodanig groot geldbedrag door de verdachte, hetgeen volgens hem twee dagen in beslag heeft genomen, op zichzelf al bijzonder is. Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij een bedrag van € 770.000,00 aan de verdachte in bewaring heeft gegeven, te weten 77 pakketten van € 10.000,00, terwijl “slechts” een bedrag van € 767.540,00 bij de verdachte op zolder is aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, welke verklaring op verzoek van de raadsman ook in onderhavige zaak is gevoegd, dat hij niet weet wie het missende bedrag van € 2.460,00 heeft weggenomen en dat hij, ook nadat hem dit bekend is geworden, niet met de verdachte hierover heeft gesproken. De verdachte heeft hierover zelf evenmin een verklaring afgelegd. Dat sprake was van schimmel, hetgeen volgens de verdediging een bevestiging zou zijn voor de stelling dat het geld van [medeverdachte 1] afkomstig is, is naar het oordeel van het hof (en zoals hiervoor reeds overwogen) niet aannemelijk geworden, terwijl overigens naar het oordeel van het hof het aantreffen van schimmel op zich ook niet of nauwelijks ondersteuning aan (enkel) de verklaring van de verdachte (en [medeverdachte 1] ) over de herkomst van het geld zou bieden.
Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat, mede op basis van de resultaten van het nadere onderzoek naar de alternatieve herkomst van het geldbedrag, het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Medeplegen
Hoewel in het forensisch onderzoek aanwijzingen zijn te vinden voor de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 2] , de zoon van de verdachte, bij het tenlastegelegde (gelet op van hem aangetroffen dacty- en DNA-sporen op een aantal verpakkingen van het geld), heeft het hof niet met de vereiste mate van zekerheid kunnen vaststellen dat [medeverdachte 2] daadwerkelijk wetenschap had van, dan wel betrokken was bij het witwassen van het aangetroffen geldbedrag. De verdachte en zijn zoon hebben die betrokkenheid ook ontkend. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat derhalve niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het geld samen met zijn zoon voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het medeplegen daarvan. Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte het geld op 18 mei 2015 niet samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad, nu [medeverdachte 1] pas na die datum betrokken is geraakt bij de onderhavige zaak.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 18 mei 2015 een contant geldbedrag van in totaal € 767.540,00 voorhanden heeft gehad, waarvan het niet anders kan zijn dan dat dit geld uit misdrijf afkomstig was en de verdachte van deze afkomst ook wetenschap had. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van witwassen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op: witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van
€ 767.540,00. Door aldus te handelen heeft de verdachte geprobeerd om geld afkomstig uit misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de Belastingdienst, waarmee de integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast. Het witwassen van crimineel geld werkt bovendien het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.
Het hof heeft bij de straftoemeting ook acht geslagen op de het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld en derhalve als “first offender” dient te worden beschouwd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. In dat kader is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte thans in Marokko verblijft, samen met zijn zoon, maar dat zijn vrouw en overige kinderen nog in de huurwoning in [pleegplaats] wonen. De verdachte werkt in Marokko aan zijn geestelijke gezondheid en voorziet in zijn levensonderhoud door klussen te doen voor in de buurt wonende familieleden.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de hoogte van het witgewassen geldbedrag, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Echter, gelet op de omstandigheid dat het hof – zoals hierna wordt overwogen onder het kopje ‘Beslag’ – tevens het gehele in beslag genomen geldbedrag van € 767.540,00 verbeurd zal verklaren, hetgeen een bijkomende staf is en waarmee de verdachte aanzienlijk in zijn financiële vermogen wordt getroffen, acht het hof in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met de door de verdediging verzochte schuldigverklaring zonder strafoplegging, nu daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zou moeten leven. De redelijke termijn bedraagt in dit geval 24 maanden per instantie, nu de verdachte zijn strafproces grotendeels (op 16 dagen voorarrest na) in vrijheid heeft afgewacht.
In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep fors is overschreden. Immers, de redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 6 juli 2015, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 24 oktober 2018. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. In eerste aanleg is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar en ruim 3 maanden. Namens de verdachte is vervolgens op 5 november 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 3 juni 2026 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ruim 5,5 jaar overschreden. Het hof acht geen (zodanig) bijzondere omstandigheden aanwezig die voornoemde overschrijdingen geheel of gedeeltelijk rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de aan de verdachte op te leggen straf.
Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zou, zoals hiervoor overwogen, naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn zeer fors is geschonden, zal – naast voornoemde verbeurdverklaring – worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Het hof merkt daarbij nog op dat het, anders dan de verdediging, van oordeel is dat de verdachte, zodra hij naar (zijn gezin in) Nederland terugkeert, in staat wordt geacht deze taakstraf uit te voeren.
Beslag
Het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 767.540,00 is door de politie in beslag genomen. Echter, het geld is niet onder de verdachte, maar onder zijn zoon
[medeverdachte 2] in beslag genomen, nu de doorzoeking van de woning plaatsvond in het kader van een ander onderzoek waarin [medeverdachte 2] als verdachte was aangemerkt.
Gelet op hetgeen in de onderhavige zaak is bewezenverklaard, is het hof van oordeel dat het in beslag genomen geldbedrag aan de verdachte toebehoorde. Het hof is voorts van oordeel dat dit geld vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het bewezenverklaarde feit is begaan. Anders dan de rechtbank heeft beslist en door de advocaat-generaal is gevorderd, zal het hof derhalve het gehele bedrag van € 767.540,00 verbeurd verklaren in de onderhavige zaak. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een contant geldbedrag van in totaal € 767.540,00 bestaande uit:
- € 160,00 (G268556);
- € 166.100,00 (G268559);
- € 9.480,00 (G268557);
- € 70.000,00 (G268560);
- € 328.000,00 (G268558);
- € 700,00 (G268558);
- € 193.000,00 (G268561);
- € 100,00 (G273407).
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 3 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Coert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.