Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 oktober 2018, in de strafzaak met parketnummer 02-821002-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) [in het jaar] 1975,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit en verzocht om teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 767.540,00. Subsidiair, in geval van een veroordeling, is verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, dan wel aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2015 tot en met 1 oktober 2018 te [pleegplaatsen] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van 767.740,00 euro, althans enig(e) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 2 juli 2015 tot en met 1 oktober 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van 767.540,00 euro, de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende is, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is – zoals uitvoerig verwoord in drie pleitnota’s – aangevoerd dat het in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen geldbedrag van € 767.540,00 volledig aan de verdachte toebehoort en dat dit geld niet afkomstig is uit enig (eigen) misdrijf, maar legale inkomsten zijn uit de exploitatie van zijn coffeeshop. Deze inkomsten konden niet op een zakelijke rekening gestort worden, omdat banken weigerden daaraan mee te werken, waardoor de verdachte genoodzaakt was die inkomsten mee naar huis te nemen. Nu de verdachte echter tot tweemaal toe slachtoffer is geworden van een overval en hij (maar vooral zijn echtgenote) het geld daarom niet meer in huis wilde bewaren, heeft de verdachte het geld aan zijn vriend [medeverdachte 1] in bewaring gegeven. De verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 1] hierover sluiten op elkaar aan en worden bovendien bevestigd door derden en vinden steun in de overgelegde stukken. De verdachte heeft derhalve een verklaring over de herkomst van het geld gegeven die concreet en min of meer verifieerbaar is en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (maar juist betrouwbaar en aannemelijk). Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende nader onderzoek gedaan en waar al onderzoek is gedaan is sprake van “confirmation bias” oftewel tunnelvisie.
Niet alleen is uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar de verklaring van de verdachte(n) niet gebleken dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden, maar in onderhavige zaak kan volgens de verdediging zelfs op basis van de financiële bescheiden worden gereconstrueerd dat een legale herkomst van de gelden, zoals door de verdachte(n) verklaard, daarin past. Dit wordt onderschreven door onafhankelijke deskundigen en is door het Openbaar Ministerie ook niet weerlegd, waardoor vrijspraak dient te volgen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Toetsingskader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Feiten en omstandigheden
Op 18 mei 2015 heeft in het kader van het onderzoek naar een gewapende overval op een filiaal van Albert Heijn een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de in die zaak aangemerkte verdachte [medeverdachte 2] aan de [adres] . Dit betreft het ouderlijk huis van [medeverdachte 2] en is daarmee tevens de woning van zijn vader, de medeverdachte [medeverdachte 1] .
Tijdens die doorzoeking blijkt dat op de zolderverdieping van voornoemde woning, aan de rechterzijde, een bed staat en dat het rechterdeel van de zolderverdieping onder het dak tot een hoogte van ongeveer 80 centimeter is afgesloten door schotten. Uiterst rechts waren twee schotten opengeschoven en in de ruimte achter die schotten zijn door de politie diverse goederen aangetroffen. Het schot direct naast het bed werd weggeschoven en daarachter, ter hoogte van het hoofdeinde van het bed, is een dichtgeknoopte, donkergrijze plastic vuilniszak aangetroffen. Deze vuilniszak is door de politie geopend en daarin bleek nog een tweede vuilniszak te zitten. In die binnenste vuilniszak zijn 11 pakketten bankbiljetten aangetroffen met coupures van (onder meer) € 50,00, € 100,00, € 200,00 en € 500,00, samengebonden met elastiek en verpakt in huishoudfolie. In de vuilniszak is tevens een witte plastic zak aangetroffen, waarin nog eens 18 pakketten bankbiljetten zijn aangetroffen.
De pakketten bankbiljetten zijn door de politie in beslag genomen en met behulp van een geldtelmachine geteld, waaruit het volgende naar voren is gekomen:
- 16 biljetten van € 10,00 = € 160,00
- 474 biljetten van € 20,00 = € 9.480,00
- 6.574 biljetten van € 50,00 = € 328.700,00
- 1.661 biljetten van € 100,00 = € 166.100,00
- 350 biljetten van € 200,00 = € 70.000,00
- 386 biljetten van € 500,00 = € 193.000,00 +
Totaal € 767.440,00
Bij het natellen van de bankbiljetten bij de ABN AMRO Bank is gebleken dat het totaalbedrag € 100,00 meer moet zijn (vanwege twee niet meegetelde biljetten van € 50,00). Het totaalbedrag van de in de woning van de verdachte aangetroffen en in beslag genomen bankbiljetten komt daarmee op € 767.540,00.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij met zijn ouders – medeverdachte
[medeverdachte 1] en diens vrouw [betrokkene] – in de desbetreffende woning woont, dat de zolderverdieping van hem is en dat hij daar slaapt. Tevens heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij niet werkt. Hij heeft elke wetenschap van het geld ontkend.
[medeverdachte 1] is ook over het aangetroffen geld gehoord. Hij heeft verklaard dat ook hij geen werk heeft en dat hij evenmin een uitkering ontvangt. Hij heeft voorts verklaard dat alleen zijn vrouw werkt en dat het gezin van haar inkomen net kan rondkomen.
Uit voormelde bewijsmiddelen volgt dat op 18 mei 2015 in de woning van de twee medeverdachten in [pleegplaats] een groot contant geldbedrag van € 767.540,00 is aangetroffen in verschillende coupures, waaronder coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00. Het geld lag in een vuilniszak achter een schot op de zolderverdieping en was verdeeld in met huishoudfolie verpakte pakketten.
Vermoeden van witwassen
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het aangetroffen geldbedrag en een bepaald specifiek misdrijf. Het getapte telefoongesprek tussen de twee medeverdachten ( [medeverdachte 1] en zoon [medeverdachte 2] ), welk gesprek zou kunnen duiden op de handel in hasj, is daartoe onvoldoende. Ook voor een door de verdachte gepleegd eigen misdrijf bevindt zich geen bewijs in het dossier. In een dergelijk geval – wanneer geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen een specifiek misdrijf en een aangetroffen geldbedrag – kan niettemin bewezen worden verklaard dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp – althans in het onderhavige geval een enigszins lager dan tenlastegelegd geldbedrag van € 767.540,00 – uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat de herkomst van het aangetroffen geld niet kan worden verklaard met gegevens uit eigen legaal inkomen van de twee medeverdachten. Zij hebben immers verklaard dat zij geen inkomen hebben en met het enkele inkomen van [betrokkene] kan het geldbedrag niet worden verklaard.
Gelet op de wijze waarop het geld was opgeslagen en de grote coupures waaruit het bedrag (mede) bestond is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat meerdere typologieën van witwassen op deze zaak van toepassing zijn en dat op basis daarvan zonder meer een
vermoeden van witwassen jegens de medeverdachten is gerechtvaardigd. Een dergelijke wijze van opslag brengt immers een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich en criminaliteit gaat veelal gepaard met grote hoeveelheden contant geld in diverse coupures, vaak ook grote coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00, die in het normale betalingsverkeer in Nederland een zeldzaamheid zijn.
Gezien dit vermoeden van witwassen mag van de verdachten worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.
Verklaringen en nader onderzoek
Nadat op 18 mei 2015 het geldbedrag van € 767.540,00 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen, heeft de politie hem hierover op 21 mei 2015 als verdachte willen horen, maar heeft hij zich toen inhoudelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Vervolgens is [medeverdachte 1] op 6 juli 2015 op het politiebureau verschenen met een op 2 juli 2015 ondertekende schriftelijke verklaring van de verdachte. In die schriftelijke verklaring heeft de verdachte gesteld dat het bedrag van € 770.000,00 zijn eigendom is, dat hij dit geld in de afgelopen jaren bij [medeverdachte 1] uit veiligheidsoverwegingen heeft neergelegd en dat [medeverdachte 1] het geld telkens in zijn bijzijn heeft nageteld. De verdachte heeft in die schriftelijke verklaring voorts gesteld dat hij het geld in de afgelopen jaren heeft verdiend met zijn coffeeshop en dat zijn boekhouder het geld altijd als box 3 vermogen heeft aangegeven op de aangifte Inkomstenbelasting.
Tijdens het daaropvolgende verhoor van 6 juli 2015 heeft [medeverdachte 1] een soortgelijke verklaring afgelegd over de alternatieve herkomst van het aangetroffen geld.
Het hof is van oordeel dat deze verklaringen over de herkomst van het geld concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk zijn. Het ligt vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te verrichten naar deze gestelde alternatieve herkomst van het geld.
De verdediging heeft in dat kader nog betoogd dat de bewijslast door dit “stappenplan” wordt omgekeerd. Immers, eerst ontstaat een vermoeden van witwassen, vervolgens moet de verdachte zelf zijn onschuld bewijzen door de legale herkomst van het geld aannemelijk te maken, waarna door de politie en het Openbaar Ministerie nader onderzoek wordt gedaan en waarbij, volgens de verdediging, sprake is van “confirmation bias” (tunnelvisie). Voor zover de verdediging heeft betoogd dat daardoor sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), overweegt het hof dat uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat ten aanzien van het volgen van een dergelijk “stappenplan” in geval van een witwasvermoeden geen sprake is van een verboden omkering van de bewijslast. Voorts volgt het hof de verdediging niet in de stelling dat in het nadere onderzoek sprake is geweest van tunnelvisie, nu naar het oordeel van het hof juist uitgebreid onderzoek is gedaan naar de verklaringen van de verdachte(n). Het hof heeft geconstateerd dat in de onderhavige zaak financieel onderzoek is verricht naar de geldstromen binnen de coffeeshop van de verdachte. Ook zijn de boekhouder, de vennoot en medewerkers van de coffeeshop alsmede de echtgenote van de verdachte als getuigen gehoord bij de rechter-commissaris dan wel de raadsheer-commissaris. Voorts is forensisch sporenonderzoek verricht en bevinden zich uitgewerkte tapgesprekken in het dossier.
Daarnaast is door de verdediging nog een “Expertise document” van mr. G.J.M.E. de Bont en mr. P.J. Draijer d.d. 16 december 2024 ingediend teneinde aan te tonen dat de verdachte over voldoende contant geld kon beschikken. Hoewel het hof (mede) op grond van de door de verdediging ingebrachte stukken wel wil aannemen dat de verdachte in de periode voorafgaand aan 18 mei 2015 over een legaal contant geldbedrag van minstens
€ 767.540,00 kon beschikken en voorts dat hij slachtoffer is geworden van een gewapende overval (en een poging daartoe), hecht het hof op grond van de uitkomsten van het nadere onderzoek en met name vanwege de wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] evenwel geen geloof aan die gestelde alternatieve herkomst van het geld. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
In tegenstelling tot hetgeen in de schriftelijke verklaring van de verdachte staat, heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat de verdachte het geld in één keer naar hem toe heeft gebracht en dus niet in delen “in de afgelopen jaren”. Op verzoek van de verdachte zou [medeverdachte 1] het geld vervolgens hebben nageteld, maar dat natellen heeft niet plaatsgevonden in het bijzijn van de verdachte. In een later stadium heeft de verdachte, in afwijking van zijn eerdere schriftelijke verklaring, wel verklaard dat hij het geld in één keer naar [medeverdachte 1] heeft gebracht en dat het geld niet in zijn bijzijn door [medeverdachte 1] is nageteld. Dat zijn schriftelijke verklaring afwijkt van de andere verklaringen is volgens de verdachte gelegen in de omstandigheid dat die schriftelijke verklaring in enkele minuten door zijn advocaat is opgesteld en zijn advocaat hem verkeerd heeft begrepen. Met de rechtbank acht het hof deze uitleg niet geloofwaardig. Het is naar het oordeel van het hof onaannemelijk dat een verklaring, waarmee zulke grote belangen zijn gemoeid, in enkele minuten wordt opgesteld en wordt ondertekend zonder te weten wat er exact in staat, terwijl een juiste weergave van de details van groot belang kan zijn in een strafzaak, hetgeen bij zijn advocaat bekend moet zijn. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in eerste instantie verklaard dat de verklaring aan hem is voorgelezen voordat hij deze heeft ondertekend. Het hof houdt de verdachte aan deze verklaring. Dat de verdachte op een later moment ter terechtzitting, na gelegenheid tot overleg met zijn raadsman, (min of meer) is teruggekomen op zijn eerste verklaring overtuigt het hof niet, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Voorts betrekt het hof hierbij dat de verdachte over de gang van zaken die dag anders heeft verklaard dan de medeverdachte [medeverdachte 1] . Volgens de verdachte was hij die dag bij zijn advocaat samen met [getuige] , een medewerker van zijn coffeeshop, terwijl de medeverdachte desgevraagd bij de politie heeft verklaard dat hij die dag samen met de verdachte naar diens advocaat is gegaan, maar dat alleen de verdachte naar binnen is gegaan en dat hij toen in de auto op hem heeft gewacht. Volgens de medeverdachte was er niemand anders bij aanwezig.
De verdachte heeft verder verklaard dat op sommige pakketten bankbiljetten schimmel zat vanwege het vocht en omdat het geld zo lang bewaard was. Bij het aantreffen van het geld in de woning van de medeverdachte noch bij het fotograferen, het tellen en het afstorten daarvan is gebleken van schimmel op de biljetten. Door de politie is bovendien juist uitdrukkelijk opgemerkt dat het opvallend was dat er in de ruimte op de zolderverdieping waar het geld was opgeslagen weinig tot geen stof werd aangetroffen en, zou er wel schimmel op de pakketten zijn aangetroffen, deze bijzonderheid zeer zeker in het proces-verbaal zou zijn vermeld (als daderwetenschap). Ook de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft niet verklaard dat hij tijdens het aannemen, tellen of verpakken van het geld schimmel op de bankbiljetten heeft waargenomen.
Voor zover de verdediging nog heeft gesteld dat de verdachte zijn onschuld niet kan bewijzen door het alsnog laten verrichten van (nader) onderzoek, dan wel contra-expertise van de bankbiljetten (op schimmel en dactyloscopische sporen van de verdachte), nu deze biljetten niet meer beschikbaar zijn, overweegt het hof als volgt. Voor wat betreft onderzoek dan wel contra-expertise met betrekking tot zowel de aanwezigheid van schimmel als dactyloscopische sporen op de bankbiljetten, is het hof van oordeel dat de verdediging door het niet kunnen laten uitvoeren van (nader) onderzoek hiernaar niet in betekenisvolle mate in haar belangen is geschaad. Daarbij is van belang dat het aantreffen van dactyloscopische sporen van de verdachte en/of schimmel op de bankbiljetten nog niet maakt dat de (mede) door de verdachte gestelde herkomst van het geld geloofwaardig is te achten. Het hof zou ook als de uitkomst van het nadere onderzoek zou zijn geweest dat er dactyloscopische sporen van de verdachte en/of schimmel op de bankbiljetten zouden zijn aangetroffen, niet tot een ander oordeel over de bewezenverklaring ten laste van de verdachte zijn gekomen. Aldus levert het niet kunnen laten uitvoeren van (nader) onderzoek naar dactyloscopische sporen en/of schimmel, zoals door de verdediging gewenst, ook niet op enigerlei wijze een schending op van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Voorts hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat (ook) de aangetroffen biljetten van € 500,00 uit de coffeeshop van de verdachte afkomstig zijn. Uit de kasboekhouding van de coffeeshop blijkt evenwel dat op de kasboekformulieren geen ruimte aanwezig is om daarop ontvangen bankbiljetten van € 500,00 aan te geven. Ook staat daarop niet vermeld dat er bankbiljetten van € 500,00 in ontvangst zijn genomen. De stelling van de verdachte dat hij wel eens van klanten afkomstige biljetten van € 500,00 wisselde voor kleinere coupures en deze biljetten dan meteen mee naar huis nam (het hof begrijpt: zonder dit in het kasboek te noteren), wordt weliswaar bevestigd door getuigen, maar acht het hof desalniettemin geen aannemelijke verklaring voor hetgeen is aangetroffen. Immers, in de pakketten met bankbiljetten zijn maar liefst 386 biljetten van € 500,00 aangetroffen, terwijl de coffeeshop slechts hoeveelheden van 5 gram wiet per klant mocht verkopen (ter waarde van € 50,00 - € 60,00), biljetten van € 500,00 in Nederland geen gebruikelijk betaalmiddel zijn nu deze niet uit een pinautomaat kunnen worden opgenomen en doorgaans ook niet door winkels en bedrijven als betaalmiddel worden geaccepteerd. Het hof overweegt voorts dat uit voornoemde kasboekformulieren tevens blijkt dat door de klanten van de coffeeshop ook bijna nooit met biljetten van € 200,00 en € 100,00 werd betaald, terwijl wel 350 biljetten van € 200,00 en 1.661 biljetten van € 100,00 zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] . Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat de hoeveelheid grote coupures kan worden verklaard door de inkomsten van de coffeeshop, nu daar door klanten voornamelijk met biljetten van € 10,00, € 20,00 en 50,00 werd betaald en slechts sporadisch met biljetten van een grotere coupure.
De verklaringen van de verdachten volgend zou de verdachte, nadat hij slachtoffer was geworden van een gewapende overval (en een eerdere poging daartoe), een geldbedrag van bijna € 770.000,00 in een of meer plastic zakken naar de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gebracht en dit zonder enige veiligheidsmaatregelen te treffen – voor het geld, dan wel voor de persoon – aan de medeverdachte ter bewaring hebben gegeven. Het hof overweegt in dat kader dat het een feit van algemene bekendheid is dat het voorhanden hebben van zoveel contant geld in een woning grote risico’s met zich meebrengt – de omstandigheid dat de verdachte tweemaal is overvallen onderstreept dat risico – en dat het bovendien hoogst ongebruikelijk is in het geval dat geld op legale wijze is verkregen. Indien het geld al niet op een (zakelijke dan wel particuliere) bankrekening gestort kon worden, is bewaring van een zodanig groot geldbedrag in een brandwerende kluis een veiligere en logischere optie dan in een plastic zak achter een schot op zolder. Daarbij acht het hof het ook bevreemdend dat de verdachte geen concrete afspraken met [medeverdachte 1] heeft gemaakt over bijvoorbeeld de duur en de wijze van bewaring van zo’n groot geldbedrag.
Voorts is over de tap op het telefoonnummer van [betrokkene] , de echtgenote van de medeverdachte [medeverdachte 1] , op 8 juli 2015 een telefoongesprek gekomen waarin wordt gesproken over dat “hij” heeft gezegd dat “het” niet van hem is maar van “iemand anders”, dat “hij” in ieder geval “de oplossing” heeft gevonden en dat [betrokkene] niet weet wie hem heeft “overgehaald”, maar dat “hij die afspraak had”, “hij kwam” en “hij had die oplossing gevonden en zei beter iets dan niets”. In het tapgesprek wordt tevens over het afnemen van DNA gesproken en het weigeren om daaraan mee te werken. Het hof overweegt daarbij dat de medeverdachte destijds heeft geweigerd om DNA af te staan. Verder wordt in dat tapgesprek gezegd dat “hij” al drie dagen vast zit. De medeverdachte [medeverdachte 1] zat op dat moment ook drie dagen vast: hij is immers op 6 juli 2015 in verzekering gesteld en het tapgesprek dateert van 8 juli 2015. Bij het hof bestaat derhalve geen enkele twijfel dat dit gesprek over [medeverdachte 1] en het in de woning aangetroffen geld gaat. Dat tijdens het tapgesprek ook wordt gesproken over vrouwen die nog vastzitten of alweer vrij en thuis bij hun kinderen zijn, terwijl in de onderhavige zaak geen vrouwen in voorarrest hebben verbleven, maakt het oordeel van het hof dat tijdens het tapgesprek (ook) over de medeverdachte en de onderhavige zaak wordt gesproken niet anders.
[medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat hij, nadat hij het geld had nageteld, de pakketten bankbiljetten heeft verpakt in folie en dat hij meerdere pakketten heeft voorzien van briefjes met daarop zijn naam. Dat [medeverdachte 1] zijn naam op een aantal pakketten heeft gezet, zodat de verdachte zou weten dat hij het geld van hem had gekregen wanneer hij het geld zou teruggeven, acht het hof ongeloofwaardig, temeer omdat het natellen en verpakken van een zodanig groot geldbedrag door de medeverdachte, hetgeen volgens hem twee dagen in beslag heeft genomen, op zichzelf al bijzonder is. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij een bedrag van € 770.000,00 aan [medeverdachte 1] in bewaring heeft gegeven, te weten 77 pakketten van € 10.000,00, terwijl ‘slechts’ een bedrag van € 767.540,00 bij de medeverdachte op zolder is aangetroffen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet weet wie het missende bedrag van € 2.460,00 heeft weggenomen en dat hij, ook nadat hem dit bekend is geworden, niet met de medeverdachte hierover heeft gesproken. De medeverdachte heeft hierover zelf evenmin een verklaring afgelegd. Dat sprake was van schimmel, hetgeen volgens de verdediging een bevestiging zou zijn voor de stelling dat het geld van de verdachte afkomstig is, is naar het oordeel van het hof (en zoals hiervoor reeds overwogen) niet aannemelijk geworden, terwijl overigens naar het oordeel van het hof het aantreffen van schimmel op zich ook niet of nauwelijks ondersteuning aan (enkel) de verklaring van de verdachte en [medeverdachte 1] over de herkomst van het geld zou bieden.
Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat, mede op basis van de resultaten van het nadere onderzoek naar de alternatieve herkomst van het geldbedrag, het niet anders kan zijn dan dat het bij de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 1] het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 767.540,00 op 18 mei 2015 heeft witgewassen en dat de verdachte hem vervolgens, vanaf 2 juli 2015, heeft geholpen dit te verhullen door te verklaren dat het geld een legale herkomst heeft en aan hem toebehoort. Het hof is daarbij van oordeel dat de verdachte door deze gang van zaken, minst genomen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld van [medeverdachte 1] van enig misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.
Medeplegen
Gelet op vorenstaande gang van zaken, is het hof van oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 1] en dat derhalve sprake is van het medeplegen van het feit.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 2 juli 2015 tot en met 1 oktober 2018, de werkelijke aard en/of herkomst heeft verhuld van het bij de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen contante geldbedrag van in totaal € 767.540,00 en dat hij heeft verhuld wie daarvan de rechthebbende is, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig was. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van schuldwitwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen van een geldbedrag van € 767.540,00 door in strijd met de waarheid te verklaren dat dit legaal door hem verdiend geld zou betreffen. Door aldus te handelen heeft de verdachte, samen met de medeverdachte, geld afkomstig uit misdrijf onttrokken aan het zicht van justitie en de Belastingdienst, waarmee de integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast. Het (schuld)witwassen van crimineel geld werkt bovendien het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.
Het hof heeft bij de straftoemeting ook acht geslagen op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld en derhalve als “first offender” dient te worden beschouwd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en in het bijzonder uit de Voorlichtingsrapportage d.d. 6 december 2024, opgemaakt door [rapporteur] , werkzaam als forensisch adviseur/rapporteur bij Forensisch Maatwerk. Daaruit volgt onder meer dat de tweede vrouw van de verdachte in 2020 is overleden en dat de verdachte sindsdien alleen de zorg draagt voor hun vier kinderen, waarvan de jongste nog minderjarig is (thans 8 jaar oud). De verdachte exploiteert de coffeeshop niet meer en leeft momenteel van verhuurinkomsten. Hij lijdt aan de ziekte van Crohn, hetgeen maakt dat hij de rest van zijn leven elke twee maanden in het ziekenhuis een infuus met medicatie toegediend moet krijgen. Ook ervaart hij pijnklachten en wordt hij regelmatig aanvullend poliklinisch behandeld.
Rekening houdend met voornoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, is het hof (desondanks) van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de hoogte van het witgewassen geldbedrag en de specifieke rol die de verdachte daarbij heeft gehad, in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarbij wordt opgemerkt dat het hof het handelen van de verdachte heeft gekwalificeerd als het medeplegen van schuldwitwassen, terwijl de rechtbank en de advocaat-generaal zijn uitgegaan van het medeplegen van witwassen. Mede daarom komt het hof tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.
Anderzijds kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de verdediging verzochte schuldigverklaring zonder oplegging van straf, nu daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zou moeten leven. De redelijke termijn bedraagt in dit geval 24 maanden per instantie, nu de verdachte zijn strafproces grotendeels (op 4 dagen voorarrest na) in vrijheid heeft afgewacht.
In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep fors is overschreden. Immers, de redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 14 september 2015, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 24 oktober 2018. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. In eerste aanleg is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 13 maanden. Namens de verdachte is vervolgens op 25 oktober 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 3 juni 2026 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ruim 5 jaar en ruim 7 maanden overschreden. Het hof acht geen (zodanig) bijzondere omstandigheden aanwezig die voornoemde overschrijdingen geheel of gedeeltelijk rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de aan de verdachte op te leggen straf.
Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zou, zoals hiervoor overwogen, naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn zeer fors is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.
Beslag
Het op 18 mei 2015 in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen geldbedrag van in totaal € 767.540,00 is (op naam van diens zoon [medeverdachte 2] ) in beslag genomen. Nu het hof heeft geoordeeld dat dit geld aan [medeverdachte 1] toebehoorde, is het volledige geldbedrag in diens strafzaak, bij arrest van dit hof van 3 juni 2026 onder parketnummer 20-003512-18, verbeurd verklaard. Het hof is derhalve van oordeel dat teruggave daarvan aan de verdachte, zoals door de verdediging is verzocht, reeds hierom niet aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 3 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Coert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.