Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-281681-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
thans verblijvende in P.I. Vught, PPC, te Vught.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 jaren.
Voorts heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van het beslag heeft de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een in beslag genomen fiets.
De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter hoogte van € 1.335,00 (€ 385,00 aan materiële schade en € 950,00 aan immateriële schade) integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor voormeld totaalbedrag en bepaald dat bij niet-betaling 23 dagen gijzeling kan worden toegepast, alsmede is de verdachte veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de benadeelde partij, tot datum vonnis begroot op € 398,00.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 5 is tenlastegelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Door de verdediging is bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van de onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Voorts is door de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de strafoplegging en de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven op de pagina’s 16 tot en met 19 van het vonnis komt de bewezenverklaring van de feiten 2, 3, en 5 mede te berusten op de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2025, inhoudende:
“De voorzitter deelt mede:
Klopt het dat u op 26 oktober 2023 te Tilburg, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [locatie 1] en/of [locatie 2] en/of kruising [locatie 3] / [locatie 4] en/of [locatie 5] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, immers heeft hij verdachte terwijl hij onder invloed van cannabis verkeerde, meermalen met veel hogere snelheden dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur gereden (te weten snelheden van ongeveer 78 tot en met 88 km per uur en ongeveer 100 km per uur) en met zijn voertuig door een rood verkeerslicht [op kruising [locatie 3] / [locatie 4] ] gereden en met zijn voertuig met hoge snelheid over een fietspad gereden door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was?
De verdachte verklaart dat hij dit bekent.
De voorzitter deelt mede:
Klopt het dat u op 26 oktober 2023 te Tilburg, als bestuurder van een voertuig (Kia Proceed), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC (cannabis), waarvan hij wist, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht?
De verdachte verklaart dat hij dit bekent.
De voorzitter deelt mede:
Klopt het dat u op 26 oktober 2023 te Tilburg, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Kia Proceed), die aan [betrokkene 1] toebehoorde heeft vernield?
De verdachte verklaart dat hij dit bekent.”
Aanvulling van de bewijsmotivering
Het hof is gebleken dat de bewijsoverwegingen in het vonnis waarvan beroep over het onder 1 tenlastegelegde feit (pagina 3 en 4 van het vonnis), mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling behoeven met het navolgende.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 augustus 2025 – kort gezegd – ten aanzien van de omstandigheden tijdens het rijden over het fietspad verklaard dat hij uit paniek heeft gehandeld door aldaar te rijden met een snelheid tussen – naar eigen zeggen – 60 en 70 kilometer per uur. Desondanks had hij naar eigen zeggen overzicht over de situatie, zag hij andere verkeersdeelnemers op zich afkomen, toeterde hij naar hen en had hij zijn alarmlichten aan om hen te waarschuwen. Mede daardoor hadden zij ruim de tijd om veilig weg te komen. Aldus was het niet zijn bedoeling dat er slachtoffers zouden vallen.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof voormelde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij voetgangers en fietsers actief heeft geprobeerd te waarschuwen en dat hij zou zijn uitgeweken, telkens met het doel om slachtoffers te voorkomen, ongeloofwaardig. De achtervolgende verbalisant heeft weliswaar waargenomen dat op enig moment de alarmlichten van de door de verdachte bestuurde witte Kia zijn ingeschakeld (procesdossier p. 9), maar van toeteren of uitwijken is, anders dan in de door de verdachte pas ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, niet gebleken.
Met betrekking tot de door de verdediging in dit kader aangehaalde verklaring van de getuige [getuige] , afgelegd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris, met de strekking dat de verdachte zou zijn uitgeweken, overweegt het hof voorts als volgt. De volledige alinea waarin de verklaring is opgenomen waaraan de verdediging kennelijk refereert luidt als volgt:
“U vraagt mij of ik heb gezien of de witte auto mijn fiets probeerde te ontwijken, bijvoorbeeld door een sturende beweging. Ja. Hij probeerde langs de fiets te rijden. Dit lukte niet want de weg was te smal. Toen reed hij tegen mijn fiets aan.”
Het hof interpreteert deze verklaring van de getuige anders dan de verdediging. Naar het oordeel van het hof dient deze verklaring niet aldus te worden begrepen dat de verdachte geprobeerd heeft de fiets van de getuige [getuige] te ontwijken teneinde ter plaatse geen slachtoffers te maken, maar veeleer in die zin dat de verdachte in het kader van zijn doelstelling om koste wat kost aan de politie te ontkomen een route probeerde te kiezen waarop geen, dan wel zo min mogelijk, obstakels aanwezig waren. Daar komt bij dat gelet op deze verklaring van daadwerkelijk uitwijken geen sprake is geweest (de fiets werd namelijk geraakt), maar enkel van een poging daartoe, die niet kon slagen gelet op de beperkte ruimte ter plaatse. De verwijzing door de verdediging naar deze verklaring van getuige [getuige] kan haar reeds hierom niet baten.
Het hof schaart zich achter het oordeel van de rechtbank dat de verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van dat handelen, de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] en [getuige] zouden komen te overlijden, bewust heeft aanvaard.
Tot slot is er door de raadsman in hoger beroep nog verwezen naar een vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 28 oktober 2008, ECLI:NL:RBZLY:2008:BG3697. Gelet op de voorgaande aanvullende bewijsoverwegingen is naar het oordeel van het hof in deze zaak sprake van wezenlijk andere feiten en omstandigheden dan in genoemd vonnis. De verwijzing naar dat vonnis kan de verdachte daarmee evenmin baten.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen die het voorarrest niet overstijgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan tweevoudige poging tot doodslag, zeer gevaarlijk rijgedrag waarbij levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten was, rijden onder invloed en vernieling van een auto. De verdachte werd gemaand te stoppen door de politie terwijl hij in een personenauto van een ander reed. De verdachte is vervolgens met hoge snelheden op de vlucht geslagen, naar eigen zeggen omdat hij zijn telefoon gebruikte achter het stuur, omdat hij reed zonder rijbewijs en omdat hij reed onder invloed van cannabis. Tijdens de achtervolging is de verdachte op enige moment een fietspad opgereden met snelheden tussen de 78 en 88 kilometer per uur, als gevolg waarvan meerdere personen voor hem hebben moeten uitwijken om niet aangereden te worden. De verdachte is uiteindelijk de controle over het stuur verloren en met de auto over de kop geslagen. Dat er als gevolg van het extreem gevaarlijke rijgedrag van de verdachte geen doden zijn gevallen, is allesbehalve aan de verdachte te danken. De verdachte heeft door aldus te handelen welbewust een levensbedreigend gevaar voor de aangevers in het leven geroepen en heeft zich niets aangetrokken van hun veiligheid of die van de andere verkeersdeelnemers die zich op het fietspad bevonden. De bewezen te verklaren gedragingen van de verdachte hebben grote indruk op de slachtoffers gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks leven, zulks ook in dit geval blijkt uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Het hof rekent het de verdachte ten zeerste aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
In hoger beroep is van de zijde van de verdachte in het kader van de strafmaat nog aangevoerd dat er ten aanzien van de onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten sprake is van eendaadse samenloop, in plaats van meerdaadse samenloop zoals door de rechtbank is geoordeeld in haar vonnis. Het hof is met de verdediging van oordeel dat tussen de onder 2 en onder 3 bewezen te verklaren feiten een zodanige samenhang bestaat dat sprake is van eendaadse samenloop. Het hof zal daar bij de straftoemeting dan ook van uitgaan. Tussen enerzijds de onder 2 en/of 3 bewezen te verklaren feiten en anderzijds het onder 5 bewezen te verklaren feit acht het hof sprake van meerdaadse samenloop. Daarbij is van belang dat laatstgenoemd feit in tijd heeft plaatsgevonden na de eerste twee bewezen te verklaren feiten. Van eenheid van tijd is daarom al geen sprake. Bovendien is het beschermde rechtsgoed telkens wezenlijk verschillend.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 22 januari 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op de meest recente veroordelingen, te weten in 2020 tot een gevangenisstraf voor de duur van een week voor bedreiging, in 2019 tot een geldboete en een voorwaardelijke hechtenis voor rijden zonder rijbewijs, alsmede in 2017 tot 5 jaar gevangenisstraf voor 11 feiten in de vermogenssfeer. De verdachte heeft aldus zowel binnen als buiten de sfeer van verkeersfeiten de strafwet met voeten getreden. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om de onderhavige feiten te plegen. Het hof neemt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte mee in de beslissing omtrent de strafoplegging.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van verschillende persoonlijkheidsonderzoeken naar de verdachte, te weten een pro Justitia psychologisch onderzoek d.d. 21 september 2006 van psycholoog [psycholoog 1] , een pro Justitia psychiatrisch onderzoek d.d. 4 maart 2007 van forensisch psychiater [psychiater 1] , een NIFP-onderzoek geestvermogens d.d. 22 mei 2008 van psychiater [psychiater 2] en psycholoog [psycholoog 2] , een trajectconsult NIFP d.d. 21 november 2023 van psychiater [psychiater 3] en een pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 20 augustus 2024 van psychiater [psychiater 4] en GZ-psycholoog [psycholoog 3] .
Uit het laatstgenoemde PBC-rapport komt – kort gezegd – naar voren dat de verdachte (groten)deels medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Waar de verdachte in de eerder afgenomen onderzoeken in 2006 tot en met 2008 als kortdurend psychotisch werd aangemerkt, zijn er gedurende deze meest recente observatieperiode en in de periode van de onderhavige gepleegde feiten door onderzoekers geen aanwijzingen aangetroffen die een psychiatrische ziekte of een neurobiologische ontwikkelingsproblematiek doen vermoeden. In overeenstemming met eerdere onderzoeken kwamen er echter wel bijzonderheden naar voren met betrekking tot de gewetensfuncties van de verdachte en zijn keuzes om toepassing te geven aan zijn normbesef. De beperkingen aan het onderzoek, hoofdzakelijk veroorzaakt door het niet geheel medewerken van de verdachte, maken echter dat het onduidelijk blijft of er sprake is van een dysfunctioneel patroon van denken, voelen en handelen bij de verdachte. Persoonlijkheidsproblematiek kan om die reden niet worden vastgesteld, noch kan het met zekerheid worden uitgesloten. Datzelfde geldt voor het vaststellen van ontwikkelingsproblematiek. Al met al zijn er volgens de deskundigen onvoldoende aanknopingspunten om gedragskundige conclusies te trekken en kan er geen advies worden gegeven over de toerekenbaarheid van de verdachte. De deskundigen [psychiater 4] en [psycholoog 3] zijn ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 mei 2026 omtrent hun bevindingen bevraagd door het hof, de advocaat-generaal en de verdediging, en hebben deze nader toegelicht.
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof zal niet overgaan tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, al dan niet met dwangverpleging, nu er niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het begaan van de feiten leed aan een gebrekkige ontwikkeling, dan wel aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens (hierna tezamen kortweg te noemen: een stoornis). Daarbij is van belang dat in de meest recente over de verdachte uitgebrachte persoonlijkheidsrapport, bij gebrek aan voldoende medewerking aan het onderzoek door de verdachte, geen uitspraak is gedaan over de vraag of bij de verdachte sprake was van een stoornis. Weliswaar is in de in 2006 en 2007 over de verdachte opgemaakte rapporten wel tot de aanwezigheid van een stoornis geconcludeerd, maar met name gelet op de ouderdom van deze rapporten acht het hof deze rapporten niet (meer) bruikbaar. Gelet hierop is het voor het hof thans niet mogelijk om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen.
Het hof acht het echter wel passend en geboden om aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zoals hierna nader zal worden overwogen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Redelijke termijn
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 26 oktober 2023, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 17 december 2024 vonnis gewezen. De redelijke termijn in eerste aanleg is daarmee niet overschreden.
Tegen het vonnis van de rechtbank is op 27 december 2024 hoger beroep ingesteld door de verdachte. Het hof wijst dit arrest op 10 juni 2026. Tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte op 27 december 2024 en het arrest van het hof van 10 juni 2026 is een termijn van iets meer dan 17 maanden verstreken. De behandeling in hoger beroep wordt derhalve niet afgerond met een eindarrest binnen de hier toepasselijke termijn van zestien maanden na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is sprake van schending van de redelijke termijn met een periode van ruim zes weken.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met deze termijnoverschrijding. In beginsel acht het hof, evenals de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden. Het hof zal evenwel vanwege deze termijnoverschrijding volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 59 maanden, met aftrek van voorarrest.
Bijkomende straf
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 jaren. De tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht
Het hof acht het voorts passend en geboden om aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een dergelijke maatregel is voldaan. De verdachte heeft zich immers – na de invoering van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op 1 januari 2018 – schuldig gemaakt aan een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren of meer is gesteld, te weten het onder 1 bewezenverklaarde feit. Aan de verdachte wordt (mede) ter zake daarvan voorts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.
Daarnaast is naar het oordeel van het hof, mede gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan, alsmede verdachtes strafblad, waaruit blijkt van een of meer eerdere veroordelingen voor zowel geweldsdelicten als voor feiten in de vermogenssfeer (met name diefstallen), waarvoor aan de verdachte ook enkele malen jarenlange gevangenisstraffen zijn opgelegd, en hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte is overwogen in het licht van de verschillende persoonlijkheidsonderzoeken, de oplegging van de maatregel geboden is in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen.
De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
Het hof is gebleken dat de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verbetering behoeft, in die zin dat het maximale aantal dagen gijzeling dat kan worden toegepast bij niet betaling van de schadevergoeding, dient te worden aangepast gelet op de gewijzigde afspraken die hieromtrent zijn gemaakt in het LOVS. Uit praktisch oogpunt zal het hof over de vraag of aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd echter in zijn geheel opnieuw beslissen.
Het hof overweegt in dit verband dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting hij in rechte heeft vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 1.335,00, bestaande uit € 385,00 aan materiële schade en € 950,00 aan immateriële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet reden om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 1.335,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2023, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij, in overeenstemming met de geldende afspraken gemaakt in het LOVS daaromtrent, bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 13 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38z, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 59 (negenenvijftig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) jaren;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.335,00 (duizend driehonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 950,00 (negenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan de hierboven genoemde betalingsverplichting, dan wel aan de in het vonnis waarvan beroep opgelegde betalingsverplichting tot betaling van schadevergoeding (rechtstreeks) aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 26 oktober 2023;
bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen, griffier,
en op 10 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.