GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1352
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 juli 2024, nummer BRE 22/5997, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 24 juli 2017 tot en met 30 september 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een boete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de boete.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft het hoger beroep nadien aangevuld.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen
namens belanghebbende [naam 1] , bijgestaan door [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] als gemachtigden van belanghebbende,
en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting twee pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
.
2. Feiten
Belanghebbende is in Nederland gevestigd en haar ondernemingsactiviteiten
bestaan onder meer uit handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische
producten en handel in brandstoffen.
[bedrijf 1] B.V. is enig aandeelhouder van belanghebbende. Alle aandelen
van [bedrijf 1] B.V. worden gehouden door [bedrijf 2] B.V. [bedrijf 3]
is gevestigd in België en is enig aandeelhouder van [bedrijf 2] B.V.
[naam 2] ( [naam 2] ) is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 3]
.
Bij brief van 29 maart 2019 is namens de inspecteur een boekenonderzoek bij
belanghebbende aangekondigd voor een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de
aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.
Bij brief van 29 mei 2020 heeft de inspecteur zijn voornemen aan belanghebbende
kenbaar gemaakt om een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete op te gaan leggen.
Voor de motivering daarvan verwees de inspecteur naar het bij die brief gevoegde ‘Verslag
bevindingen [belanghebbende] B.V.’.
Bij brief van 26 juni 2020 heeft de inspecteur het rapport van het boekenonderzoek
(het rapport) naar belanghebbende gezonden. In die brief staat onder meer:
“Hierbij zend ik u een afschrift van het openbaar deel van het rapport dat werd opgemaakt
naar aanleiding van het ingestelde boekenonderzoek. (...) Indien u van mening bent:
- dat de aangekondigde aanslag en/of de boete afwijkt van de gemaakte afspraak; dan wel
- dat de boete ten onrechte, dan wel tot een te hoog bedrag is opgelegd, kunt u bezwaar aantekenen tegen zowel de naheffingsaanslag als de boete. (...).”
In het rapport staat, voor zover relevant, vermeld:
“10 Slotopmerkingen
Op 29 mei 2020 werd de kennisgeving boete met als bijlage het verslag van bevindingen naar
belastingplichtige gestuurd. Het poststuk kon niet aan belastingplichtige worden overhandigd
daarop werd een afhaalbericht achter gelaten. Het poststuk werd niet door belastingplichtige bij
PostNL opgehaald. Daarom is niet bekend of de belastingplichtige en zijn adviseur akkoord gaan
met de naheffingsaanslag omzetbelasting zoals in dit rapport is vermeld.”
Namens belanghebbende is bij brief van 10 juli 2020 op het rapport gereageerd. In
deze brief staat, voor zover van belang, vermeld:
“Op pagina 14 van het rapport staat onder de slotopmerkingen het volgende vermeld:
"Op 29 mei 2020 werd de kennisgeving boete met als bijlage het verslag van bevindingen naar
belastingplichtige gestuurd. Het poststuk kon niet aan belastingplichtige worden overhandigd
daarop werd een afhaalbericht achter gelaten. Het poststuk werd niet door belastingplichtige bij
PostNL opgehaald. Daarom is niet bekend of de belastingplichtige en zijn adviseur akkoord gaan
met de naheffingsaanslag omzetbelasting zoals in dit rapport is vermeld."
Die opmerking verbaast cliënte. Aanbieding van poststukken geschiedt gedurende normale
kantoortijden. Het bedrijf van cliënte is van maandag tot en met vrijdag van 8:00 tot 18:00 uur
geopend en daar is altijd iemand aanwezig. Ook op zaterdag is het bedrijf van cliënte geopend,
maar dan tot 12:00 uur. Cliënte weigert nimmer poststukken (aldus bevreemdt uw toelichting
cliënte).
Verder is er ook geen bericht aangetroffen dat cliënte een poststuk bij een postkantoor diende op
te halen. Dezerzijds wordt dan ook de toezending van de kennisgeving ter discussie gesteld.
Dit dringt temeer nu tegenover de controlemedewerkers is aangegeven dat alle correspondentie
(ook) naar ondergetekende gezonden dient te worden. Ook op mijn kantooradres heb ik geen
stukken mogen ontvangen.
Ik verzoek u vriendelijk het volledige dossier zo spoedig mogelijk aan mij te doen toekomen.
Namens cliënte zal dan alsnog worden gereageerd op het voornemen tot boeteoplegging.”
De inspecteur heeft op 20 en 21 juli 2020 telefonisch contact gehad met een
kantoorgenoot van de gemachtigde. Het door de inspecteur opgestelde verslag van dat
contact luidt, voor zover van belang, als volgt:
“2020-7-20, 10:15 uur, gebeld naar [gemachtigde 1] van [Advocatenkantoor] inzake brief van 10-7-2020
ontvangen door bd op 14-7-2020. Ontvangen door mij via interne mail op vrijdag 17-7-2020. Hij is
niet aanwezig, ik word teruggebeld.
2020-7-20, 15:02 uur, ik word teruggebeld door mw [naam 3] . Ik heb het gevoel dat ik op
de speaker word gezet, maar informeer er niet naar ( Ik hoor mijzelf namelijk praten). [gemachtigde 1] is
niet aanwezig. Ik heb gezegd dat de aanslagen al gedagtekend zijn en niet meer tegen gehouden
kunnen worden. Ik heb gevraagd of [gemachtigde 1] de onderhavige brief als een bezwaar tegen de
aanslag aangemerkt wil hebben of dat er in een later stadium alsnog bezwaar gemaakt wordt. [naam 3]
vroeg mij naar een kopie van de mededeling en toezending van het dossier. Ik heb
geantwoord dat ik kopie van de mededeling moest navragen en dat toezending niet aan de orde is
omdat er geen inzage recht bestaat in deze fase.
(…)
2020-7-21, 13.55 uur, gebeld met [naam 3] . Afgesproken dat ik een kopie naar [gemachtigde 1] opstuur. Daarnaast afgesproken dat de ontvangen brief van 10 juli jl als een pro forma bezwaar in laat boeken tegen de opgelegde boete. Expliciet nagevraagd maar enkel tegen de boete niet tegen de
enkelvoudige omzetbelasting. Zij vroeg mij nog hoe eea gaat lopen met de termijnen indien de brief aangemerkt wordt als een pro forma. Ik heb gezegd dat ik dat niet weet. Ik heb verteld dat in eerste instantie een termijn van 4 weken wordt gesteld daarna een rappel met twee weken. Ik heb verder aangegeven dat in overleg, zonder dat er sprake is van misbruik van de termijnen verder uitstel mogelijk is. Verder afgesproken dat [naam 3] mij vrijdag morgen voor 12:00 uur belt of de naheffingsaanslagen zijn ontvangen. Is dat niet het geval dan krijgt zij van mij een naam en telefoonnummer waarmee zij contact kan opnemen.”
De naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking zijn
gedagtekend 25 juli 2020.
De inspecteur heeft in zijn brief van 27 juli 2020 aan de gemachtigde geschreven:
“Geachte [gemachtigde 1] ,
Op 14 juli 2020 ontving ik uw schrijven met kenmerk [kenmerk] , waarin u namens uw
cliënte [belanghebbende] B.V. bezwaar maakt tegen de boetebeschikking met beschikkingnummer
[aanslagnummer] en dagtekening 25 juli 2020.
Zoals besproken in ons telefonisch gesprek op 21 juli 2020 merk ik uw brief aan als een
zogenaamd pro forma bezwaarschrift tegen de boetebeschikking. Het bezwaarschrift kan nog niet
in behandeling worden genomen omdat het niet, zoals wettelijk vereist, de gronden van het
bezwaar bevat.
Ik stel u in de gelegenheid om, uiterlijk 24 augustus 2020, de gronden van het bezwaar aan te
vullen.
Na ontvangst van de gronden van het bezwaar zal ik het bezwaarschrift verder in
behandeling laten nemen.”
De inspecteur heeft in zijn brief van 25 augustus 2020 aan de gemachtigde
geschreven:
“Geachte [gemachtigde 1] ,
Op 19 augustus jl ontving ik uw e-mail met daarin een kopie van uw brief van 28 juli 2020 met
kenmerk [kenmerk] , waarin u namens uw cliënte [belanghebbende] B.V. verzoekt om verlenging van de
termijn voor het aanvullen van de gronden van uw bezwaar tegen de boetebeschikking met
beschikking-nummer [aanslagnummer] en dagtekening 25 juli 2020. Ik verleng de termijn,
in deze brief licht ik een en ander toe.”
Belanghebbende heeft bij brief van 21 september 2020 de gronden van haar
bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking aangevoerd. Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht de naheffingsaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking te herroepen.
De inspecteur heeft in zijn kennisgevingen uitspraken op bezwaar van
30 november 2022 het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking wegens
termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de inspecteur is eerst in de brief
van 21 september 2020 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaar tegen de
vergrijpboete is ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende volgens de inspecteur met
de motivering van de boete in het rapport van 26 juni 2020 redelijkerwijs kon menen dat de
boetebeschikking reeds tot stand was gekomen. De brief van 10 juli 2020, die op 14 juli
2020 door de inspecteur is ontvangen (zie 2.7), is als een bezwaarschrift tegen de
boetebeschikking aangemerkt. De inspecteur heeft de boete verminderd en een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase.
De rechtbank heeft de vergrijpboete vernietigd maar het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond verklaard.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Heeft de inspecteur het verdedigingsbeginsel geschonden?
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing naar de inspecteur. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Het hof stelt voorop dat, anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen, de bewijslast dat tijdig bezwaar is gemaakt, op haar rust.
De aard van de beroepstermijn, die meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het betrokken bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (zie HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1755). Dat sluit echter niet uit dat zich de situatie voordoet dat een belanghebbende aan een uitlating van het bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennis neemt binnen de wettelijke beroepstermijn (HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8419). Dit betekent dat uitsluitend omstandigheden die zich hebben voorgedaan binnen de bezwaartermijn, van invloed kunnen zijn op de vraag of belanghebbende tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking. De nadien voorgevallen omstandigheden, zoals de inhoud van het hoorgesprek en het pas in de beroepsfase verstrekken van het verslag van de telefoongesprekken (zie 2.8), spelen bij de beoordeling geen rol.
Voor de beoordeling van de belangrijkste vraag in deze procedure is dus van belang om een overzicht te maken van de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór de ommekomst van de bezwaartermijn. Dat zijn de gebeurtenissen die zijn vermeld onder 2.4 tot en met 2.11 van deze uitspraak. Tussen partijen is niet in geschil dat de brief van 21 september 2020 te laat is ingediend om als tijdig bezwaarschrift in aanmerking te kunnen worden genomen.
Het hof stelt voorop dat de door de inspecteur verzonden brieven geen enkele aanwijzing bevatten dat belanghebbende na ommekomst van de bezwaartermijn nog rechtsgeldig bezwaar kon maken. De inspecteur heeft een dergelijke uitlating ook niet op een andere manier gedaan. Dat betoogt belanghebbende ook niet. Belanghebbende betoogt wel dat de inspecteur op de hoogte was van haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag. De inspecteur heeft stellig weersproken dat hij binnen de bezwaartermijn op de hoogte was van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Het hof kan bekendheid bij de inspecteur uit de in het dossier aanwezige stukken niet afleiden. Het hof motiveert dit als volgt.
De brief 10 juli 2020 (2.7) kan niet als een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag worden aangemerkt. De gemachtigde van belanghebbende verbaast zich niet over de geciteerde laatste zin (“Daarom is niet bekend of de belastingplichtige en zijn adviseur akkoord gaan met de naheffingsaanslag omzetbelasting zoals in dit rapport is vermeld.”), maar over de gang van zaken rond het aanbieden van de kennisgeving boete. In de brief staat niet dat belanghebbende het niet eens is met de boete en bezwaar wil maken. Sterker nog, belanghebbende verzoekt om het dossier en wil alsnog reageren op het voornemen om een vergrijpboete op te leggen. De inspecteur heeft deze brief uit coulance aangemerkt als tijdig bezwaarschrift tegen de boetebeschikking. Dat, zoals belanghebbende ter zitting van het hof heeft gesteld, ten tijde van deze brief de naheffingsaanslag al tot stand was gekomen, is niet juist, zoals volgt uit het verslag van de telefoongesprekken (2.8). Gelet op de inhoud van de brief ging belanghebbende daar ook niet van uit. Althans, dit staat niet in deze brief, die uitsluitend betrekking had op de boetebeschikking.
De inspecteur heeft twee keer telefonisch geïnformeerd naar de omvang van het bezwaar. Het hof heeft, anders dan belanghebbende, geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van het verslag te twijfelen. De notities zijn nauwkeurig gedateerd en gedetailleerd, en bevatten de naam van de gesprekspartner aan de zijde van het kantoor van de gemachtigde ( [naam 3] ). Dat de inspecteur de eerste keer geen gehoor kreeg en later werd teruggebeld, beschouwt het hof niet als een initiatief van belanghebbende om contact op te nemen met de inspecteur (zie ook 4.8). Belanghebbende heeft ondanks de concrete verzoeken van de inspecteur niet aangegeven dat het bezwaar mede de naheffingsaanslag betrof. Dat het gespreksverslag pas in de beroepsfase is overgelegd, acht het hof niet van belang. Er was immers nog geen sprake van een bezwaar en de inspecteur is niet verplicht om telefoonnotities direct met de belastingplichtige of diens gemachtigde te delen. De gemachtigde had ook aantekening van de gesprekken kunnen maken. Belanghebbende heeft voorts in de brieven van de inspecteur van 27 juli 2020 en 25 augustus 2020 geen aanleiding gezien om alsnog bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag (4.7).
In de brief van 27 juli 2020 (2.10) heeft de inspecteur expliciet beschreven dat hij de brief van 10 juli 2020 aanmerkt als een bezwaarschrift tegen de boetebeschikking. Indien belanghebbende de brief zorgvuldig had gelezen, had zij kunnen begrijpen dat alsnog bezwaar moest worden gemaakt tegen de naheffingsaanslag om haar rechten veilig te stellen. Dit geldt ook voor de brief van de inspecteur van 25 augustus 2020 (2.11). Uit deze twee brieven en het gespreksverslag leidt het hof af dat de inspecteur een tijd in het ongewisse was tegen welke besluiten belanghebbende bezwaar maakte.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de gemachtigde contact heeft opgenomen met de inspecteur, maar heeft dit niet concreet gemaakt. Het hof acht dit ook niet aannemelijk, omdat in het dossier geen aanwijzingen van dergelijk contact zijn te vinden (zoals een telefoonnotitie of een bevestiging van een dergelijk contact) en de inspecteur dit heeft weersproken. Hierbij komt dat gemachtigde [gemachtigde 1] desgevraagd heeft verklaard dat hij in de desbetreffende periode niet aanwezig was. Hij kan dus niet uit eigen wetenschap verklaren over enig contact met de inspecteur. De collega die de inspecteur te woord heeft gestaan, is inmiddels niet meer aan zijn kantoor verbonden.
Belanghebbende heeft ter zitting van het hof een beroep gedaan op artikel 24a Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Artikel 24a Awr is gelet op artikel XVI, onderdeel f, Fiscale verzamelwet 2023 niet van toepassing in de onderhavige periode. Deze overgangsbepaling is als volgt toegelicht in de memorie van toelichting (het hof heeft de voetnoten weggelaten):
“4.10. Inwerkingtreding
De voorgestelde wijzigingen treden in werking met ingang van 1 januari 2023. Om te voorkomen dat de voorgestelde wijzigingen invloed hebben op lopende bezwaar- en beroepsprocedures, waaronder lopende bezwaar- en beroepsprocedures die hun oorsprong vinden in de afwijzing van een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag IB of bepaalde voor bezwaar vatbare beschikking(en) waarvan een bedrag op hetzelfde aanslagbiljet is vermeld, zijn de voorgestelde wijzigingen voor het eerst van toepassing met betrekking tot een aanslagbiljet met een dagtekening op of na 1 januari 2023. Onmiddellijke werking zou namelijk voor de Belastingdienst en de rechterlijke macht tot praktische problemen leiden die bovendien tot gevolg kunnen hebben dat procedures langer duren.
Met voormeld overgangsrecht wordt gestreefd naar duidelijkheid van de procedurele mogelijkheden voor alle betrokken partijen. Mede vanwege dit streven zorgt voormeld overgangsrecht er ook voor dat de voorgestelde wijzigingen voor het eerst van toepassing zijn op verzoeken om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag IB en voor bezwaar vatbare beschikking(en) waarvan een bedrag op hetzelfde aanslagbiljet is vermeld met een dagtekening op of na 1 januari 2023. Nieuwe verschillen tussen procedures die hun oorsprong vinden in een bezwaar en beroep tegen een belastingaanslag IB of bepaalde voor bezwaar vatbare beschikking(en) en een bezwaar tegen een afwijzing van een ambtshalve vermindering van die belastingaanslag IB of bepaalde voor bezwaar vatbare beschikking(en) worden daarmee voorkomen.”
Het hof leidt uit de overgangsbepaling en de memorie van toelichting voorts af dat er vanuit het perspectief van de wetgever geen plaats is voor de door belanghebbende bepleite soepele beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar in de periode vóór de inwerkingtreding van artikel 24a Awr. De versoepeling die de hoogste bestuursrechters recent hebben aangebracht in de jurisprudentie baat belanghebbende niet (ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406; CRvB 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:932; HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en HR 19 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:625). Dat er bijzondere omstandigheden zijn die tot verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn aanleiding kunnen geven, is immers niet gebleken. Belanghebbende heeft in dit verband geen concrete omstandigheden – voorgevallen tijdens de bezwaartermijn – aangevoerd.
Ten overvloede overweegt het hof dat het betrekken van de omzetbelasting in het hoorgesprek geen aanwijzing is dat de inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ontvankelijk achtte, omdat de omzetbelasting de grondslag van de vergrijpboete is en de inspecteur binnen de termijn van vijf jaar na het opleggen ambtshalve de belastingaanslag beoordeelt. Het hof voegt hieraan toe dat de inspecteur tijdens de procedure niet de indruk heeft gewekt laat staan medegedeeld dat het bezwaar toch ontvankelijk zou worden verklaard (4.2 in combinatie met 4.4).
De conclusie luidt dat belanghebbende niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de vermeende, niet rechtsgeldige mondelinge intrekking van het bezwaar tijdens de telefoongesprekken behoeft geen behandeling omdat dit de uitkomst van de procedure niet wijzigt. Het hof heeft de brief van 10 juli 2020 waarop dit standpunt ziet, immers niet als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag aangemerkt.
De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen belanghebbende over het verdedigingsbeginsel heeft aangevoerd, kan niet aan de orde komen. Dit standpunt raakt immers aan de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag, en daarover kan het hof geen oordeel geven gelet op de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Het lot van de naheffingsaanslag treft ook de rentebeschikking.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door A. van Dongen, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Wijkstra, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
De griffier, De voorzitter,
R. Wijkstra A. van Dongen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.