ECLI:NL:GHSHE:2026:1537

ECLI:NL:GHSHE:2026:1537

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 11-06-2026
Zaaknummer 25/26
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:8412

Samenvatting

Artikel 3.125 e.v. Wet IB 2001, artikel 6.17 e.v. Wet IB 2001 en artikel 6.32 e.v. Wet IB 2001. Betaalde premies voor inkomensvoorzieningen. Specifieke zorgkosten. Giften. De inspecteur neemt ter zitting van het hof uit coulance het standpunt in dat een hoger bedrag wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit kan worden toegekend. Belanghebbende heeft de overige door haar geclaimde kosten en giften die uitkomen boven de drempel niet aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van de betaalde premies voor inkomensvoorzieningen is niet aannemelijk gemaakt dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 25/26

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 december 2024, nummer BRE 23/9163, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting, op 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026 en 16 april 2026, diverse nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het hof. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze pleitnota.

Op de zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 25/27 van de partner van belanghebbende, [partner] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

Na sluiting van het onderzoek heeft het hof op 4 mei 2026 berichten ontvangen van belanghebbende met betrekking tot de vergoeding van proceskosten. Het hof heeft daarin geen aanleiding gezien tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het bericht zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten.

2. Feiten

Belanghebbende woont samen met haar partner, [partner] (hierna: partner). Tussen belanghebbende en de partner is sprake van een fiscaal partnerschap. Belanghebbende en haar partner hebben twee kinderen (hierna tezamen: het gezin), [dochter 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 (hierna: dochter 1), en [dochter 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1994 (hierna: dochter 2). Dochter 1 is in het jaar 2016 woonachtig bij belanghebbende en haar partner en dochter 2 is in het jaar 2016 woonachtig in [plaats 1] .

Aangifte en aanslagfase

Belanghebbende heeft, na twee maal eerder een (herziene) aangifte IB/PVV (beide keren overigens gelijkluidend) voor het jaar 2016 te hebben ingediend, op 14 juni 2017 een tweede herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend.

In de eerste twee aangiften waren inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en inkomsten uit vroegere dienstbetrekking begrepen en voorts had belanghebbende daarin rekening gehouden met een aftrek wegens giften. Deze aangiften zijn door de Inspecteur bij het vaststellen van een (eerste) voorlopige aanslag IB/PVV 2016 gevolgd.

In de tweede (herziene) aangifte van 14 juni 2017 waren inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en inkomsten uit vroegere dienstbetrekking begrepen en heeft belanghebbende rekening gehouden met een aftrek voor uitgaven wegens specifieke zorgkosten en een aftrek wegens giften en verder heeft belanghebbende daarin een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen begrepen van € 9.091. Het uit de aangifte volgende verzamelinkomen is als volgt opgebouwd:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 17.839

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 9.091

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 93

- Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 1.307

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 3.749

- Dieetkosten

€ 2.200

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 1.050

- Genees- en heelkundige hulp

€ 1.616

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 984)

€ 15.281

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 25.296

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 1.183

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 24.113

Giften (overige andere giften):

- IVN (kosten i.v.m. vrijwilligerswerk)

€ 172

- Natuurmonumenten (kosten i.v.m. vrijwilligerswerk)

€ 190

- Gaia (kosten i.v.m. vrijwilligerswerk)

€ 448

- Greenpeace

€ 23

- Artsen zonder grenzen

€ 36

- WorldChild

€ 50

- Unicef

€ 50

Totaalbedrag andere giften

€ 969

Drempel andere giften

€ 492

Maximale aftrek andere giften

- € 477

Verzamelinkomen

€ 2.340

Deze (herziene) aangifte is door de inspecteur bij het vaststellen van een (tweede) voorlopige aanslag IB/PVV 2016 gevolgd.

Bij brief van 14 juli 2018 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht informatie te verstrekken over de onder 2.2.3 bedoelde aangifte.

Bij kennisgeving “afwijking aangifte” (hierna: de correctiebrief) van 12 november 2019 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat hij, nu belanghebbende niet op de onder 2.3 bedoelde brief heeft gereageerd, heeft besloten af te wijken van de aangifte in die zin dat de uitgaven voor specifieke zorgkosten en de giften niet in aanmerking zullen worden genomen.

Met dagtekening 29 november 2019 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.839 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.091 en het verzamelinkomen vastgesteld op € 26.930 (de aanslag). Tevens is bij beschikking € 717 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking belastingrente).

Aan de partner van belanghebbende is een aanslag IB/PVV 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.314 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0.

Bezwaarfase

Belanghebbende heeft tegen de aan haar opgelegde aanslag en de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 april 2020 heeft de inspecteur belanghebbende (opnieuw) verzocht informatie te verstrekken. Hierin is, onder meer, het volgende vermeld:

“U heeft op 14 juni 2017 de definitieve aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 ingestuurd. In de brieven, dagtekening 14 juli 2018 en 12 november 2019, is om nadere stukken gevraagd om te kunnen beoordelen of de zorgkosten en giften correct zijn aangegeven. Er is geen reactie van u vernomen op beide brieven, waardoor de zorgkosten en giften zijn gecorrigeerd. Hierdoor is de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 vastgesteld zoals die er nu ligt. U geeft aan de betreffende brieven niet ontvangen te hebben en het niet eens te zijn met de aanslag. Hierdoor stel ik u in de gelegenheid om de gevraagde informatie alsnog aan te leveren voor een correcte beoordeling. (…)”

Verder heeft de inspecteur in deze brief per, door belanghebbende in de herziene aangifte geclaimde, aftrekpost (zie 2.2.3) te kennen gegeven welke informatie en/of stukken de inspecteur van belanghebbende wenst te ontvangen.

Tot de stukken van het geding behoort een door belanghebbende opgemaakt gespreksverslag van 10 mei 2020 van een gesprek dat zij en haar partner op 7 mei 2020 met een medewerker van de Belastingdienst hebben gevoerd.

Bij brief van 16 juni 2020 heeft de inspecteur belanghebbende, bij herhaald verzoek om informatie, verzocht de bij brief van 24 april 2020 verzochte informatie te verstrekken op uiterlijk 30 juni 2020.

Bij brief van 24 augustus 2020 heeft de inspecteur belanghebbende en haar partner nogmaals verzocht informatie te verstrekken. De brief ziet op bezwaarschriften van de partner voor de jaren 2015 en 2017 en van belanghebbende voor het jaar 2016. De inspecteur heeft in de brief per jaar vermeld wat de stand van zaken is ten aanzien van de (verzochte) aanlevering van stukken en belanghebbende voor het jaar 2016 nogmaals in de gelegenheid gesteld stukken (“die duidelijk zijn en de juiste vormvereisten hebben”) aan te leveren ten aanzien van de uitgaven voor specifieke zorgkosten en de giften in dat jaar. De brief vermeldt een reactietermijn tot uiterlijk 13 september 2020.

Bij e-mailbericht van 4 september 2020 heeft belanghebbende op het onder 2.10 vermelde verzoek gereageerd. In het e-mailbericht is onder meer het volgende vermeld:

“Onlangs ontvingen wij uw brief d.d. 24 -08-2020. eerlijk gezegd begrijpen we er niets meer van. U heeft het over meerdere jaren, waarvan, voor zover wij weten, alleen 2016 bij u ligt.

2015: De [partner] : dit ligt allemaal bij uw collega (…). Wij hebben hem een usb-stick gestuurd met al de gevraagde gegevens. Hij heeft wel aangegeven dat hij deze stick heeft ontvangen, maar voor zover wij weten, ligt dat al ongeveer een jaar te wachten op antwoord.

2016: [belanghebbende] : dit ligt inderdaad nog voor u te wachten. Wij zijn hiermee bezig en sturen u zo spoedig mogelijk de gevraagde gegevens.

(…)

Nogmaals zullen we u binnenkort de gevraagde gegevens over 2016 sturen en hopelijk is het nu zover klaar.”

Op 4 september 2020 heeft de inspecteur per e-mailbericht gereageerd en uiteengezet wat de stand van zaken is voor de in het onder 2.10 vermelde verzoek genoemde jaren en voor belanghebbende samengevat hetgeen nog van belanghebbende verwacht wordt.

2.11.3.Vervolgens heeft in de periode 4 september 2020 tot en met 25 november 2020 tussen partijen hierover correspondentie per e-mail plaatsgevonden. In deze periode is afgesproken dat belanghebbende vooralsnog de gevraagde informatie niet hoeft aan te leveren, in afwachting van de beoordeling door de Belastingdienst van de informatie die op de voor het jaar 2015 voor de partner aangeleverde USB-stick (USB-stick 1) is aangeleverd en dat partijen op korte termijn in gesprek zullen gaan waarna verder zal worden gesproken over de in geschil zijnde jaren. Dit gesprek heeft vervolgens niet plaatsgevonden in verband met destijds geldende maatregelen in verband met COVID-19. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 november 2020 te kennen gegeven om welke reden bepaalde kosten niet voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende is vervolgens bij e-mailbericht van 23 november 2020 in de gelegenheid gesteld stukken aan te leveren tot uiterlijk 6 december 2020.

Vervolgens heeft belanghebbende de inspecteur een USB-stick (USB-stick 2) toegezonden met daarop diverse stukken, zoals bonnen, bankafschriften, een dieetverklaring voor het jaar 2016 en door haar opgestelde kostenoverzichten ter onderbouwing van de door haar in de aangifte in aanmerking genomen uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften.

Tot de door belanghebbende overgelegde kostenoverzichten behoren een opstelling van de zorgkosten 2016 van het gezin die optelt tot een totaalbedrag van € 8.929, een opstelling van de zorgkosten 2016 van de partner, een opstelling van ziektereizen 2016 van belanghebbende, de partner en dochter 1 die optelt tot een totaalbedrag aan kosten van € 2.031 en een aftrek (kennelijk door afronding) tot een totaalbedrag van € 2.181. Ter zake van de giften heeft belanghebbende een kostenoverzicht overgelegd met giften aan Natuurmonumenten, SOS kinderdorpen, Unicef, Artsen zonder Grenzen, De Zonnebloem en Kerk, dat optelt tot een totaalbedrag van (afgerond) € 186 (€ 185,50). Daarbij is nog gevoegd een los afschrift waaruit een gift van € 1,50 aan Stichting War Child zou volgen.

Bij brief van 12 november 2021 heeft de inspecteur belanghebbende een “Vooraankondiging uitspraak op bezwaar” gezonden. Bij brief met dagtekening 25 november 2021 heeft belanghebbende de inspecteur te kennen gegeven een hoorgesprek op prijs te stellen. Op 18 juli 2022 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

Vervolgens heeft in de periode 31 mei 2023 tot en met 5 juni 2023 tussen partijen correspondentie per e-mail plaatsgevonden over nog aan te leveren stukken, die belanghebbende tijdens het hoorgesprek van 18 juli 2022 heeft toegezegd te zullen aanleveren. Bij e-mailbericht van 2 juni 2023 heeft belanghebbende nogmaals toegezegd de stukken te zullen aanleveren. Bij e-mailbericht van 5 juni 2023 heeft belanghebbende de inspecteur bericht alles al eerder te hebben overgelegd en niet meer stukken te hebben.

Bij brief van 22 juni 2023 heeft de inspecteur belanghebbende de “motivering uitspraak op het bezwaar” toegezonden. In de brief verklaart de inspecteur het bezwaar gegrond en kent hij alsnog een aftrek uitgaven wegens specifieke zorgkosten voor de hierna onder 2.15.2 tot en met 2.15.4 genoemde posten toe. Ter zake van giften is geen aftrek verleend.

Ter zake van uitgaven voor hulpmiddelen kent de inspecteur alsnog een bedrag toe van in totaal € 142, ter zake van batterijen voor een trilschijf (€ 26,67) en verzekering van een CI-implantaat (€ 115,45) in verband met de slechthorendheid van belanghebbende.

Ter zake van dieetkosten kent de inspecteur alsnog een bedrag toe van in totaal € 1.100. Hierbij heeft de inspecteur rekening gehouden met twee van de vijf door de huisarts voorgeschreven diëten die voorkomen in een door belanghebbende aangeleverde

dieetverklaring. De dieetverklaring noemt de volgende diëten, waarbij op grond van artikel 37, lid 3, onder a en c, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 de volgende aftrekbare bedragen horen:

35

Energieverrijkt t.a.v. ziektebeeld oncologie

€ 700

36

Koemelkeiwitvrij t.a.v. overige ziektebeelden

€ 300

20

Energieverrijkt t.a.v. ziektebeeld maag-lever en darmziekten

€ 700

42

Koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij t.a.v. overige ziektebeelden

€ 350

43

Koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij en kippen-eiwitvrij t.a.v.

overige ziektebeelden

€ 400

De inspecteur heeft slechts de volgende diëten in aftrek toegestaan:

“(…) is het totale aftrekbaar bedrag aan dieetkosten in uw geval € 1.100. De reden hiervoor is dat diëten die voorgeschreven zijn voor hetzelfde ziektebeeld, slechts eenmaal in aftrek gebracht kunnen worden. In de situatie van uw partner mag € 700 in aftrek gebracht worden voor het dieet dat koemelkeiwitvrij, kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij is. Daarnaast mag uw partner € 400 in aftrek brengen voor het dieet dat energieverrijkt is.”.

Ter zake van uitgaven voor kleding en beddengoed heeft de inspecteur een aftrek toegekend tot een bedrag van € 300.

In totaal accepteert de inspecteur daarmee een totaalbedrag van € 1.542 aan uitgaven wegens specifieke zorgkosten. Rekening houdend met een drempel van € 1.183, komen de aftrekbare specifieke zorgkosten daarmee op € 359.

Het vorenstaande leidt tot de volgende opstelling:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 17.839

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 9.091

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 0

- Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 142

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 0

- Dieetkosten

€ 1.100

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 300

- Genees- en heelkundige hulp

€ 0

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 984)

€ 0

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 1.542

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 1.183

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 359

Giften (overige andere giften):

Totaalbedrag andere giften

€ 0

Maximale aftrek andere giften

- € 0

Verzamelinkomen

€ 26.571

Met dagtekening 27 juni 2023 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar (de uitspraak op bezwaar) aan belanghebbende gezonden. In de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 17.480, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 9.091 en het verzamelinkomen op € 26.571. Tevens is de belastingrente nader vastgesteld op € 703.

Beroepsfase

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. In de beroepsfase heeft belanghebbende diverse stukken ingediend. Dit betreffen onder meer diverse bonnen, bankafschriften, vervoersbewijzen, en nadere opstellingen/overzichten van door haar (nader) in aftrek geclaimde uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften. In reactie op het verweerschrift van de inspecteur heeft belanghebbende in de beroepsfase voor een aantal van de door haar geclaimde uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften een reactie en/of kostenopstelling ingezonden.

Ter zake van de dieetkosten heeft belanghebbende in de beroepsfase een opstelling ingediend waarin zij haar eerdere opstelling daarvan “verbetert”. Zij stelt daarin met de hierna volgende diëten voor een (hogere) aftrek van in totaal € 3.400 in aanmerking te komen:

18

Fermenteerbare oligosachariden, disachariden, monosachariden en polyolen beperkt (FODMAP) t.a.v. maag-, darm- en leverziekten

€ 900

22

Energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt/lactosevrij t.a.v. maag-, darm- en leverziekten

€ 1.200

38

Lactosebeperkt/lactosevrij t.a.v. voedselovergevoeligheid

€ 200

45

Koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij en al dan niet tarwevrij t.a.v. voedselovergevoeligheid

€ 1.100

Verder heeft belanghebbende een opstelling “zorgkosten (…), onvergoed” overgelegd, die ziet op dochter 2, en optelt tot een bedrag van € 75,87 en een zorgkostenoverzicht dat optelt tot een totaalbedrag van € 2.845,32.

De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 9 december 2024 het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de rechtbank per post behandeld welke posten en bedragen al dan niet voor aftrek in aanmerking komen en kent zij alsnog een aftrek uitgaven specifieke zorgkosten voor de hierna onder 2.18.2 en 2.18.3 genoemde posten toe. Ter zake van giften is geen aftrek verleend. De rechtbank heeft in haar uitspraak het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.339 met handhaving van de overige elementen van de aanslag, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, een proceskostenvergoeding van € 110,64 (reiskosten van belanghebbende en de partner) toegekend en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.

De rechtbank heeft de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit, nu de hoogte van die kosten niet duidelijk is geworden, schattenderwijs bepaald op € 200.

De rechtbank heeft wegens uitgaven voor kleding en beddengoed, naast de al bij uitspraak op bezwaar toegekende aftrek van € 300, een aanvullend bedrag van € 300 (gelijk de door de Inspecteur in de beroepsfase ingenomen stelling) in aftrek toegestaan, zodat voor die post een totaalbedrag van € 600 in aanmerking komt voor aftrek.

De totale extra aftrek wegens uitgaven specifieke zorgkosten, die door de rechtbank is toegekend, bedraagt daarmee € 500.

De uitspraak van de rechtbank leidt dan tot de volgende opstelling:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 17.839

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 9.091

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 0

- Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 142

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 200

- Dieetkosten

€ 1.100

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 600

- Genees- en heelkundige hulp

€ 0

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 984)

€ 0

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 2.042

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 1.183

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 859

Giften (overige andere giften):

Totaalbedrag andere giften

€ 186

Drempel andere giften

€ 519

Maximale aftrek andere giften

- € 0

Verzamelinkomen

€ 26.071

Bij verminderingsbeschikking van 7 januari 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.980 (belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aangifte van € 17.839 minus bij de uitspraak op bezwaar alsnog in aftrek toegestane kosten van € 359 minus de door de rechtbank alsnog in aftrek toegekende bedragen van in totaal € 500) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.091 en het verzamelinkomen vastgesteld op € 26.071 (de verminderingsbeschikking). Tevens is de belastingrente verminderd tot € 685.

Hogerberoepsfase

In hoger beroep heeft belanghebbende op 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026 en 16 april 2026 een grote hoeveelheid aan nadere (al dan niet nieuwe) stukken bij het hof ingediend. Hieronder vallen, naast onder meer diverse bonnen en rekeningafschriften, onder meer de volgende stukken:

- een stuk “Voorwoord pensioen” en een stuk “Voorzieningen pensioen” waarin belanghebbende, onder verwijzing naar een aantal op dat punt bijgevoegde stukken, aanspraak maakt op een aanvullende aftrek van € 13.949 wegens “openen van een pensioenvoorziening”;

een stuk “Afspraken [Ziekenhuis] ” ten aanzien van belanghebbende, met daarin opgenomen afspraken bij diverse behandelend personen op het gebied van C1 logopedie, maatschappelijk werk, C1 fitting, C1 audiometrie en CTR. otologie. Verder zijn enkele afspraakbevestigingen van [Ziekenhuis] , operatieve geneeskunde overgelegd;

een “voorwoord extra onkosten (dochter 1)” en een opstelling “Kurzweil onkosten” tot een totaalbedrag van € 1.720;

een opstelling van ziektereizen 2016 van belanghebbende, de partner en dochter 1 die optelt tot een totaalbedrag van € 1.775,15;

een “textielverklaring medische verklaring voor belasting-forfait in zake textiel”, waarin de huisarts van belanghebbende verklaart dat dochter 1 levenslang een chronische huidziekte heeft, “waardoor kleding, beddengoed enz.” extra veel verschoond en gewassen moet worden;

een “textielverklaring medische verklaring voor belasting-forfait in zake textiel”, waarin de huisarts van belanghebbende verklaart dat de partner levenslang een chronische huidziekte heeft, “waardoor kleding, beddengoed enz.” extra veel verschoond en gewassen moet worden en dat door de licht ontvlambare aard extra zorg “heel erg nodig” is;

een stuk “Textiel forfait voor (de partner)”, waarin de partner (onder meer) verklaart “wegens gebruik van vetten en olie en gevoeligheid voor “vuil” moet mijn textiel vaker gewassen worden”;

een overzicht “zorgkosten 2016” met een opsomming van kosten voor (de leden van) het gezin tot een totaalbedrag van € 10.673;

een dieetbevestiging van mei 2020 van huisarts [naam 1] op naam van de partner, waarin de diëten 18, 35, 36, 42 en 20 worden vermeld; en

een afschrift van een brief van 18 februari 2016 van de zorgverzekering van belanghebbende, waarin een op 9 februari 2016 door de verzekeraar ontvangen declaratie zittend ziekenvervoer is afgewezen.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Komt belanghebbende, in aanvulling op de aangifte, in aanmerking voor een aftrek voor betaalde premies voor inkomensvoorzieningen tot een bedrag van € 13.949?

II. Komt belanghebbende in aanmerking voor een nadere aftrek voor uitgaven wegens specifieke zorgkosten?

III. Komt belanghebbende in aanmerking voor een aftrek wegens giften?

IV. Is het inkomen uit sparen en beleggen tot een te hoog bedrag vastgesteld?

V. Is terecht belastingrente berekend?

Belanghebbende beantwoordt vragen I tot en met IV bevestigend en vraag V ontkennend; de inspecteur beantwoordt deze vragen tegengesteld.

Ter zitting van het hof is komen vast te staan dat belanghebbende ten aanzien van de dieetkosten aanspraak maakt op het in de aangifte in aanmerking genomen bedrag van € 2.200.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, tot vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen en tot vernietiging van de beschikking belastingrente.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Belanghebbende stelt in hoger beroep het volgende. Het is voor belanghebbende tot op heden onduidelijk (gebleven) welke stukken (op welke manier) van haar worden verlangd ter zake van de door haar in aanmerking genomen uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften. De kosten moeten aannemelijk worden gemaakt en deze moeten op belanghebbende drukken. Onduidelijk blijft voor belanghebbende hoe zij dit moet verantwoorden. De informatie van de Belastingdienst is, aldus belanghebbende, misleidend en de Belastingdienst is stukken kwijtgeraakt en vervolgens doet de rechtbank of deze stukken nooit zijn overgelegd. Met betrekking tot de vereiste stukken is de informatie van de Belastingdienst en de rechtbank niet onderling in overeenstemming, dit voelt als willekeur. Het op digitale wijze moeten aanleveren van stukken, dan wel procederen, leidt tot ongelijke behandeling, nu dit niet voor iedereen mogelijk is en de bewijsvoering bemoeilijkt, zo stelt belanghebbende. Ook ervaart belanghebbende dit als een inbreuk op haar privacy en is de verregaande digitalisering privacygevoelig. Belanghebbende heeft het recht medische gegevens alleen ter inzage vrij te geven. Dit recht is belanghebbende ontzegd. De bewijsregels voor de twee soorten aftrekposten voor uitgaven wegens vervoer in verband met ziekte en invaliditeit (met autoritten dan wel met openbaar vervoer) verschillen, waarbij geldt dat de uitgaven voor autoritten gemakkelijker te bewijzen zijn. Belanghebbende kan zich geen belastingadviseur permitteren, waardoor het onderbouwen van de aftrekposten wordt bemoeilijkt. Dit levert een ongelijke behandeling op. Nu de afhandeling van het jaar 2016 lange tijd op zich heeft laten wachten, kan niet worden verwacht dat alles bewaard is gebleven, aldus belanghebbende. De diverse aftrekposten zijn onvolledig behandeld en ook niet goed behandeld. Alle aftrekposten zijn door belanghebbende aannemelijk gemaakt en de bewijsstukken waren oorspronkelijk goed geordend tot deze door toedoen van de Belastingdienst opnieuw moesten worden aangeleverd. Alle stukken zijn, anders dan de inspecteur stelt en de rechtbank in haar uitspraak schrijft, aangeleverd. Ten aanzien van een aantal giften geldt dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor een algemeen nut beogende instelling (ANBI), welke kosten belanghebbende niet heeft gedeclareerd en daarom in aftrek mag brengen. Belanghebbende heeft immers vooraf met de ANBI’s de afspraak gemaakt dat zij zulke kosten niet zal declareren en als een gift beschouwt. Belanghebbende verzoekt het hof alsnog de (tweede herziene) aangifte te volgen en in aanvulling daarop rekening te houden met een aftrek van € 13.949 voor betaalde premies voor inkomensvoorzieningen. Volgens belanghebbende is belastingrente geheven terwijl de Belastingdienst zelf traag heeft gehandeld. Voorts stelt belanghebbende dat sprake is van dubbele heffing ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen.

De inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist en stelt dat de uitspraak van de rechtbank op alle punten juist is en dat belanghebbende evenmin in aanmerking komt voor een eerst in hoger beroep verzochte aftrek voor betaalde premies voor inkomensvoorzieningen van € 13.949, nu aan de hand van de door belanghebbende overgelegde stukken niet is vast te stellen dat aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek is voldaan. Verder is de aangifte gevolgd ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen en volgt uit de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 die aan de partner is opgelegd, dat bij de partner geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen. Ook is de belastingrente over de juiste periode berekend.

Vooraf

Belanghebbende stelt dat tijdens het onder 2.8 bedoelde gesprek met een medewerker van de Belastingdienst door belanghebbende en haar partner op verzoek van de medewerker stukken zijn achtergelaten teneinde daarvan kopieën te kunnen maken en dat, anders dan is afgesproken, belanghebbende deze stukken niet meer heeft teruggekregen, waardoor zij daar niet meer de beschikking over heeft en in bewijsnood verkeert. De inspecteur heeft dit ter zitting van het hof gemotiveerd weersproken. Hij heeft contact opgenomen met de medewerker van de Belastingdienst die het hoorgesprek heeft gevoerd en die heeft verklaard gehandeld te hebben overeenkomstig het bij de Belastingdienst geldende beleid dat geen stukken worden ingenomen tijdens een hoorgesprek en dat eventueel gewenste kopieën van die stukken direct ter plekke worden gemaakt. De medewerker heeft, aldus de inspecteur, verklaard dat afspraken zijn gemaakt over het indienen van aanvullende stukken, dat hij alle stukken tijdens het hoorverslag heeft bekeken en dat hij geen stukken heeft ingenomen. Het hof heeft, mede gelet op de inhoud van het door belanghebbende van dit verslag opgemaakte gespreksverslag (zie 2.8) dat geenszins over ingenomen stukken rept, geen reden hier aan te twijfelen. Deze stelling van belanghebbende faalt derhalve. Belanghebbende persisteert, ook nog ter zitting, in zijn stelling dat de Belastingdienst (enige) stukken heeft ingenomen en niet heeft geretourneerd. Het hof hecht er daarom aan over deze kwestie nog het volgende op te merken. Indien voor de zaak relevante stukken ontbreken dient het hof zich doorgaans te buigen over de vraag welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden en daarmee voor wiens rekening en risico het ontbreken van die stukken moet komen. In dit geval acht het hof het antwoord op die vraag van ondergeschikt belang. De complexiteit van deze zaak wordt namelijk niet opgeroepen door de vraag of er stukken ontbreken die voor belanghebbende tot bewijs van enige stelling kunnen dienen, maar louter en alleen door de volstrekt ongestructureerde wijze waarop de (wel aanwezige) honderden stukken ook weer bij het hof zijn ingebracht. Het heeft de rechtbank al doen verzuchten dat het zo wel heel erg moeilijk wordt om de juistheid van de aftrekposten te controleren. Het moet de inspecteur dan ook worden nagegeven dat die zich – zelfs nog ter zitting van het hof – tot het uiterste heeft ingespannen om die controle uit te voeren.

Het hof volgt belanghebbende ook niet in haar stelling dat het op digitale wijze (moeten) aanleveren van (bewijs)stukken leidt tot ongelijke behandeling, nu dit niet voor iedereen mogelijk is en de bewijsvoering bemoeilijkt. Allereerst is belanghebbende niet verplicht stukken digitaal aan te leveren, hoewel dat gelet op de omvang wel wenselijk is, maar uit het indienen van de bewijsstukken via een USB-stick blijkt bovendien dat belanghebbende daarin wel is geslaagd. Verder geldt dat zowel de wijze van bewijsvoering voor de door belanghebbende gewenste aftrekposten als de wijze van procederen geldt voor iedere belastingplichtige, zodat van de door belanghebbende gestelde discriminatie geen sprake is.

Belanghebbende stelt verder dat sprake is van schending van haar privacy nu zij geacht wordt medische gegevens te overleggen. Gelet op artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt voor een ieder die in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet is betrokken een geheimhoudingsplicht. Deze geldt dus zowel voor alle medewerkers van de Belastingdienst, waaronder de inspecteur, als voor alle medewerkers van de rechtbank en het hof. Nu belanghebbende aanspraak maakt op aftrek wegens betaalde premies voor inkomensvoorzieningen, specifieke zorgkosten en giften, is het aanleveren van het wettelijk vereiste bewijs daarvoor dan ook een vereiste om aanspraak te kunnen maken op die aftrek, waarbij geldt dat al deze informatie onder de geheimhoudingsplicht valt van allen die deze in dit verband onder ogen krijgen.

Ten aanzien van het geschil

Betaalde premies voor inkomensvoorzieningen

Belanghebbende maakt in hoger beroep, in aanvulling op de door haar ingediende aangifte, aanspraak op een aftrek van € 13.949 wegens betaalde premies voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.124 e.v. Wet IB 2001). Deze kosten komen voor aftrek in aanmerking indien onder meer aan de volgende voorwaarden is voldaan: belanghebbende moet de premies zelf betalen of stortingen doen, en belanghebbende moet een pensioentekort hebben (er moet jaarruimte zijn dan wel reserveringsruimte). Belanghebbende had aan de hand van een verifieerbare berekening en met onderbouwing van bewijsstukken aannemelijk moeten maken dat er sprake was van een pensioentekort, hetgeen zij niet heeft gedaan. De enkele overlegging van een financieel jaaroverzicht van de ABN AMRO met: ‘Inleg/Inbreng in 2016 € 13.806,65’ en ‘Totale inleg aftrekbaar, als dit past binnen uw jaar- en reserveringsruimte: EUR 5.564,00’ is onvoldoende. Er bestaat om die reden geen recht op aftrek.

Specifieke zorgkosten; uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de persoonsgebonden aftrek in het algemeen en de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit in het bijzonder het volgende overwogen:

“3. Op belanghebbende, die persoonsgebonden aftrek claimt, rust de last om aannemelijk te maken dat de bedragen waarvoor zij aftrek claimt aftrekbaar zijn.

Voor aftrek van zorgkosten moet zij daarom aannemelijk maken dat die bedragen (i) betrekking hebben op in de wet (artikel 6.17 Wet IB 2001) genoemde zorgkosten (ii) door haar of haar partner zijn betaald en op hen drukken, dat wil zeggen dat de kosten niet vergoed (kunnen) worden door de verzekering en (iii) niet onder het eigen risico vallen, omdat voor kosten die onder het eigen risico vallen aftrek is uitgesloten.

Voor aftrek van giften moet zij aannemelijk maken dat die giften zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (anbi). Voor zover sprake is van vrijwilligerswerk kan alleen aftrek worden verleend vanwege het afzien van een vrijwilligersvergoeding indien de anbi verklaart dat belanghebbende aanspraak kan maken op een vrijwilligersvergoeding en de anbi bereid en in staat is die vergoeding uit te keren.[1]

(…)

Vervoer

De inspecteur heeft geen kosten van vervoer geaccepteerd omdat belanghebbende geen auto heeft en de opgevoerde kosten van vervoer naar ziekenhuizen, artsen, audioloog en podoloog niet aannemelijk gemaakt acht. Belanghebbende heeft een overzicht overgelegd van reiskosten dat uitkomt op een totaalbedrag aan kosten van € 2.031 en aftrek van € 2.181 (kennelijk door afronding).

Tot de door belanghebbende opgevoerde reiskosten behoren onder meer de reiskosten voor training van dochter [naam 2] , hydrotherapie van de partner, een contactdag in [plaats 2] en een lotgenotenbijeenkomst in [plaats 3] . De rechtbank acht niet aannemelijk dat dat behandelingen waren door een arts of onder toezicht van een arts. De kosten daarvan kunnen dan niet worden aangemerkt als kosten wegens ziekte of invaliditeit en de vervoerskosten evenmin.

Uit het overzicht blijkt overigens niet hoe belanghebbende de reiskosten heeft berekend en ter zitting is daar ook geen duidelijkheid over gekomen. Uit het overzicht blijkt wel dat gerekend wordt met € 1 à € 2 per kilometer. Artikel 6.17, zesde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat voor vervoer aftrekbaar is (a) bij reizen per auto anders dan per taxi € 0,21 per kilometer en (b) bij reizen op andere wijze de werkelijke kosten. Belanghebbende heeft gesteld dat zij voor het vervoer soms de auto van de buren leent maar dat ze meestal met openbaar vervoer reist. Ter zitting is niet komen vast te staan welke reizen belanghebbende op welke data heeft gemaakt en ook niet hoe zij die reizen heeft gemaakt (met openbaar vervoer of een geleende auto). Wel is aannemelijk dat zij en haar partner zijn gereisd naar het ziekenhuis in [plaats 4] en [plaats 5] , de huisarts, de homeopatisch arts, de tandarts en de audicien, maar over de frequentie daarvan is geen duidelijkheid omdat belanghebbende geen afsprakenkaarten heeft overgelegd. Het zijn wel reizen in verband met ziekte en daarom behoren de daarvoor gemaakte reiskosten tot de (aftrekbare) zorgkosten. Omdat de hoogte van die kosten niet duidelijk is, zal de rechtbank ze in redelijkheid schatten op € 200.

[1] Artikel 6.36 Wet IB 2001.”

Belanghebbende heeft in hoger beroep een nadere opstelling van ziektereizen 2016 van belanghebbende, de partner en dochter 1 overgelegd, die optelt tot een totaalbedrag van (afgerond) € 1.775.

Ter zitting heeft de inspecteur zich bereid verklaard deze opstelling te beoordelen en zich nader op het standpunt gesteld dat in zijn totaliteit ter zake van vervoerskosten een bedrag van € 1.575 alsnog voor aftrek in aanmerking komt en dat voor een bedrag van € 200 geldt dat deze kosten niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden om voor aftrek in aanmerking te komen. Het hof sluit zich ten aanzien van de resterende € 200 aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de onder 4.7 aangehaalde overwegingen en heeft geen aanleiding te veronderstellen dat er meer kosten voor aftrek in aanmerking komen, nu belanghebbende niet op georganiseerde (en chronologische) wijze een opstelling met achterliggende bewijsstukken heeft aangereikt, aan de hand waarvan het hof in redelijke tijd kan beoordelen of ook voor het resterende bedrag aanspraak kan worden gemaakt op een aftrek wegens uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit. Voorts heeft de inspecteur er terecht op gewezen dat een deel van de resterende kosten ziet op behandelingen ten aanzien waarvan niet aannemelijk is geworden dat deze zijn verricht door of onder toezicht van een arts, waardoor deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten wegens ziekte of invaliditeit en de daarmee verband houdende vervoerskosten evenmin. De resterende € 200 komt dan ook niet voor aftrek in aanmerking.

Het hof zal rekening houdend met vorenstaande de aanslag verminderen, in die zin dat rekening wordt gehouden met een totaalbedrag van € 1.575 aan uitgaven wegens vervoer in verband met ziekte en invaliditeit. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.980, zoals dit is vastgesteld bij de onder 2.19 vermelde verminderingsbeschikking, in ieder geval wordt verlaagd tot € 15.605 (€ 16.980 minus € 1.375, zijnde het verschil tussen het bedrag dat in de beroepsfase reeds is toegestaan van € 200 en het door de inspecteur ter zitting van het hof uit coulance toegestane bedrag van € 1.575).

Overige specifieke zorgkosten

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de extra kosten van kleding en beddengoed het volgende overwogen:

“2.2.4. De extra kosten van kleding en beddengoed zijn beperkt tot het in artikel 38 URIB genoemde bedrag van € 300. Ter zitting is komen vast te staan dat deze aftrek verdubbeld moet worden tot € 600."

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de dieetkosten (zie ook 3.2), kosten voor medicijnen, zorgkosten dochter tot een totaalbedrag van € 115,09 (die in de beroepsfase in aanvulling op de aangifte zijn opgevoerd), kosten voor hulpmiddelen en kosten voor extra gezinshulp, het volgende overwogen:

Zorgkosten

(…)

Tot de door belanghebbende opgevoerde reiskosten behoren onder meer de

reiskosten voor training van dochter [naam 2] , hydrotherapie van de partner, een contactdag in

[plaats 2] en een lotgenotenbijeenkomst in [plaats 3] . De rechtbank acht niet aannemelijk dat dat

behandelingen waren door een arts of onder toezicht van een arts. De kosten daarvan

kunnen dan niet worden aangemerkt als kosten wegens ziekte of invaliditeit en de

vervoerskosten evenmin.

(…)

Dieet

Artikel 37, lid 3, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2016) beperkt de aftrek van extra dieetkosten, genoemd in het eerste lid, voor (a) eenzelfde dieettypering die meerdere keren in aanmerking zou komen tot éénmaal het bedrag behorende bij die dieettypering; (b) verschillende dieettyperingen die in aanmerking zouden komen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening tot elk van de bij die dieettyperingen behorende bedragen; en (c) deels overeenkomende dieettyperingen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening, tot alleen het hoogste van de voor het van toepassing zijnde ziektebeeld en aandoening geldende bedragen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de diëten met de nummers 35 en 20 betrekking op eenzelfde dieettypering, en zijn de diëten met de nummers 36, 42 en 43 deels overeenkomend terwijl zij kennelijk betrekking hebben op hetzelfde ziektebeeld (lactose-intolerantie). De inspecteur heeft dus terecht de aftrek voor de diëten 35 en 20 beperkt tot

€ 700 en voor de diëten met de nummers 36, 42 en 43 tot € 400. Dat naast de in 2.2.2 vermelde diëten ook rekening gehouden moet worden met een dieet wegens darmproblemen is niet aannemelijk gemaakt, reeds omdat de door de huisarts gegeven dieetverklaring daar niet over rept.

Medicijnen

Tot de stukken behoren verder overzichten van de ziektekostenverzekering van de dochter ( [dochter 2] ) die in [plaats 1] woonde. Daaruit blijkt dat de dochter kosten heeft gemaakt die niet door de verzekering zijn vergoed en ook niet onder het eigen risico vielen. Tevens heeft belanghebbende aftrek geclaimd van medicijnen voor haar en haar partner.

Voor de medicijnen heeft de inspecteur aftrek niet toegestaan omdat niet duidelijk is of het ging om medicijnen/farmaceutische hulpmiddelen die zijn voorgeschreven door een arts. Belanghebbende heeft daarover ook geen duidelijkheid verschaft, onder meer doordat zij de omschrijving van de medicijnen op de facturen onleesbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende het recht op aftrek voor deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt.

Zorgkosten dochter

Belanghebbende heeft de volgende kosten van de dochter opgevoerd:

Soort zorg

Datum

Bedrag

Tandarts

19-02-2016

€ 25,94

Alternatieve genezer

21-04-2016

€ 42,50

Tandarts

07-09-2016

€ 5,02

Tandarts

21-09-2016

€ 32,38

Tandarts

04-11-2016

€ 9,25

€ 115,09

De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat dit geen kosten zijn wegens ziekte. Dat geldt ook voor de kosten van de alternatieve genezer omdat de verzekering daarvan een deel heeft betaald.

Uit het overzicht blijkt dat de verzekering deze bedragen heeft voorgeschoten en dat de dochter ze aan de verzekering moest terugbetalen. Volgens belanghebbende heeft zij die kosten betaald omdat de dochter studeerde en geen inkomsten had. Enig bewijs is daarvan echter niet overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de enkele mededeling door belanghebbende onvoldoende bewijs is van die betaling. Zij acht daarom niet aannemelijk gemaakt dat die bedragen door belanghebbende zijn betaald. Daarom behoort dit bedrag van € 115,09 niet tot de aftrekbare zorgkosten.

Hulpmiddelen

De hulpmiddelen waarvoor aftrek niet is geaccepteerd hebben betrekking op rekeningen van de audicien ( [audiciën 1] en [audiciën 2] ) en schoenen ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ). Van de rekeningen van de audicien ontbreken betaalbewijzen en er is ook geen bewijs dat de verzekering die bedragen niet heeft vergoed. Datzelfde geldt voor de schoenen. Voor de schoenen geldt bovendien dat de kosten daarvan alleen aftrekbaar zijn als het gaat om schoenen die niet door gezonde mensen gedragen worden. Er is echter geen enkel bewijs dat het hier om aangepaste schoenen gaat. Al met al is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze voor hulpmiddelen opgevoerde kosten aftrekbaar zijn.

Extra gezinshulp

Van het bedrag ad € 16.265 dat belanghebbende heeft opgevoerd als kosten voor extra gezinshulp is ter zitting komen vast te staan dat het hier de kosten van begeleiding van de dochter betreft. Zoals in 3.2.1. is overwogen zijn de daarvoor gemaakt kosten niet aftrekbaar.

Conclusie

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aftrekbare zorgkosten moeten worden verhoogd met € 300 (zie 2.2.4) en € 200 (zie 3.2.2).”

De door de rechtbank verleende extra aftrek wegens extra kosten voor kleding en beddengoed (zie 2.2.4 en 3.8 van de uitspraak) is reeds in de onder 2.19 vermelde verminderingsbeschikking verwerkt.

Het hof acht de onder 4.11 en 4.12 aangehaalde overwegingen van de rechtbank op juiste en goede gronden gegeven, maakt die overwegingen tot de zijne en heeft geen aanleiding te veronderstellen dat er meer kosten voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt en ook in hoger beroep niet op een toegankelijke wijze verifieerbaar bewijs geleverd dat tot een hogere aftrek moet leiden. Overigens heeft belanghebbende ter zitting van het hof bevestigd dat de uitgaven wegens extra gezinshulp niet zien op huishoudelijke hulp maar zien op door belanghebbende gemaakte kosten die sinds het afschaffen van het PGB op belanghebbende drukken zonder dat daar een compensatie tegenover staat. Gelet op de overwegingen 3.2.1 en 3.7 van de rechtbank kan dit niet op de door belanghebbende voorgestane wijze alsnog in aftrek komen. De wetgever heeft de categorieën uitgaven die voor aftrek in aanmerking komen benoemd en de gemaakte uitgaven vallen onder geen van deze categorieën, althans belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven onder één van deze categorieën aftrekbaar zouden zijn. Er bestaat dan ook geen aanspraak op een aanvullende aftrek wegens specifieke zorgkosten, buiten het onder 4.10 vermelde bedrag van € 1.375.

Giften

De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de giften het volgende overwogen:

Giften

Belanghebbende heeft een overzicht overgelegd van de in 2016 gedane giften, uitkomend op een bedrag van € 185,50 (Natuurmonumenten, SOS kinderdorpen, Unicef, Artsen zonder grenzen, Zonnebloem en de kerk). Daarnaast claimt zij aftrek voor werkzaamheden voor de instellingen IVN, Natuurmonumenten en Gaia. Zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij of haar partner recht zou hebben op een vrijwilligersvergoeding voor die werkzaamheden van die instellingen en evenmin dat zij kosten heeft gemaakt die door die instellingen vergoed zouden moeten worden. Daarom bestaat er geen recht op enige aftrek in verband met de werkzaamheden voor IVN, Natuurmonumenten en Gaia. De andere giften blijven onder de drempel voor aftrek van € 519.”

Het hof acht deze beslissing op juiste en goede gronden gegeven, maakt de hiervoor geciteerde overweging tot de zijne en heeft geen aanleiding te veronderstellen dat er een bedrag wegens giften voor aftrek in aanmerking komt. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende verklaard dat de door haar geclaimde aftrek voor werkzaamheden voor de instellingen IVN, Natuurmonumenten en Gaia niet ziet op het afzien van een vrijwilligersvergoeding voor die werkzaamheden waarop zij recht zou hebben, maar ziet op het maken van kosten om het vrijwilligerswerk te kunnen verrichten, die zij vervolgens niet declareert bij de instellingen. De (eventueel) door haar gemaakte kosten, en het bestaan van de mogelijkheid om deze te declareren, acht het hof echter onvoldoende onderbouwd. Er bestaat dan ook geen recht op een aftrek wegens giften.

Inkomen uit sparen en beleggen

Belanghebbende stelt dat sprake is van dubbele heffing ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen, omdat met een familielid gehouden gezamenlijke rekeningen bij ieder voor het geheel in de heffing zijn betrokken. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende echter verklaard dat dit in een ander jaar speelt. Het hof zal zich daarover verder dan ook niet uitlaten, omdat belanghebbende hier geen enkel financieel belang bij heeft.

Slotsom met betrekking tot het (verzamel)inkomen

Het vorenstaande leidt dan tot de volgende opstelling:

Inkomen uit werk en woning (box 1)

€ 17.839

Inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

€ 9.091

Uitgaven voor specifieke zorgkosten:

- Kosten medicijnen

€ 0

- Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 142

- Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

€ 1.575

- Dieetkosten

€ 1.100

- Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 600

- Genees- en heelkundige hulp

€ 0

- Uitgaven voor extra gezinshulp

(na toepassing drempel van € 984)

€ 0

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 3.417

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten

- € 1.183

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

- € 2.234

Giften (overige andere giften):

Totaalbedrag andere giften

€ 186

Drempel andere giften

€ 519

Maximale aftrek andere giften

- € 0

Verzamelinkomen

€ 24.696

Het inkomen uit werk en woning (box 1) dient, rekening houdend met de toe te kennen specifieke zorgkosten, derhalve te worden bepaald op € 15.605 (€ 17.839 minus € 2.234).

Belastingrente

Belanghebbende stelt dat ten onrechte, althans teveel, belastingrente is geheven, omdat de Belastingdienst zelf traag heeft gehandeld. Het hof ziet, nog daargelaten wat het gevolg zou zijn als belanghebbende in die stelling zou worden gevolgd, in het dossier geen aanleiding voor de conclusie dat de lange duur van de procedure over de onderhavige aanslag louter is te wijten aan de inspecteur, nu juist ook de handelwijze van belanghebbende met regelmaat tot de nodige vertraging heeft geleid. Andere gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft belanghebbende niet aangevoerd. Dat overigens in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de beschikking belastingrente te worden verminderd gelet op het onder 4.10 en 4.18 overwogene (€ 1.375 hogere aftrek uitgaven vervoer in verband met ziekte en invaliditeit).

Slotsom

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond in die zin dat belanghebbende alsnog voor een nadere aftrek wegens specifieke zorgkosten (uitgaven vervoer in verband met ziekte en invaliditeit) in aanmerking komt in verband waarmee het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt verminderd en de beschikking belastingrente evenredig wordt verminderd.

Ten aanzien van het griffierecht

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank (gedeeltelijk) wordt vernietigd.

De rechtbank heeft reeds vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht gelast. Het hof laat deze beslissing in stand.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze kosten vast aan de hand van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Het hof stelt de tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting van € 57,46 (op basis van openbaar vervoer tweede klasse). De partner van belanghebbende ontvangt een tegemoetkoming in de zaak met nummer 25/27.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt.

De rechtbank heeft reeds een vergoeding toegekend voor de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep. Het hof laat deze beslissing in stand.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door T.A. de Hek, voorzitter, A. van Dongen en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van E.J. Nederveen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.

De griffier, De voorzitter,

E.J. Nederveen T.A. de Hek

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026080407 V-N Vandaag 2026/1620 FutD 2026-1419 V-N 2026/38.17.4
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand