ECLI:NL:GHSHE:2026:1538

ECLI:NL:GHSHE:2026:1538

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 11-06-2026
Zaaknummer 25/831 en 25/832
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2025:1625

Samenvatting

Art. 25, lid 3, AWR, art. 27e, lid 1, AWR en art. 27h, lid 2, AWR. Art. 67d AWR. Art. 8:60, lid 4, Awb en art. 8:108, lid 1, Awb. Vereiste aangifte IB/PVV niet gedaan; bewijslast omgekeerd en verzwaard. Redelijke schatting. Vergrijpboete van 40% passend en geboden. Het hof passeert het (getuigen)bewijsaanbod.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 25/831 en 25/832

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [plaats 1] (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2025, nummers BRE 24/4161 en BRE 24/4162, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete en belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1.1 en 1.1.2 bedoelde aanslagen (de aanslagen) en beschikkingen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV gegrond verklaard en het bezwaar tegen de aanslag Zvw ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [belanghebbende] , belanghebbende en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2. Feiten

Belanghebbende stond in 2021 ingeschreven op een adres in [plaats 2] en heeft in dat jaar koeriersdiensten verricht. Hij heeft zijn aangifte IB/PVV ingevuld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.180, waarop volgens hem € 8.060 loonheffing is ingehouden. Volgens belanghebbende gaat het om inkomsten uit loondienst bij [bedrijf 1] B.V.

Belanghebbende heeft middels zijn aangifte verzocht om een voorlopige teruggaaf van € 6.681 en heeft deze ook ontvangen.

De inspecteur heeft meermaals verzocht om informatie over de aangifte. De naar aanleiding van de rappelbrief door belanghebbende verstuurde e-mail bevatte niet de stukken waarnaar in de e-mail werd verwezen. De inspecteur heeft daarop inzage genomen in de bankgegevens van belanghebbende en ten aanzien van belanghebbende een derdenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 2] B.V. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur achtereenvolgens een tweede verzoek om informatie, een voornemen tot afwijking van de aangifte en een mededeling over de vergrijpboete aan belanghebbende gestuurd. Belanghebbende heeft daar niet op gereageerd. Op 15 augustus 2023 heeft de inspecteur de aanslagen opgelegd.

Uit het gebrek aan een renseignering heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende geen inkomen uit loondienst heeft ontvangen van [bedrijf 1] B.V. De inkomsten uit loondienst zijn daarom verlaagd met € 21.180. De inspecteur heeft op basis van de bankgegevens wel een resultaat uit overige werkzaamheden vastgesteld bij belanghebbende.

De aanslag IB/PVV is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 101.902. Tevens is bij beschikking € 2.629 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete van € 20.857 opgelegd.

De aanslag Zvw is vastgesteld naar het maximale bijdrage-inkomen van € 58.311. Bij beschikking is € 40 belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.904, de rentebeschikking evenredig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot € 16.685. De aanslag IB/PVV is gecorrigeerd, omdat sprake was van een telfout. Daarnaast is de boete gematigd tot 40% van de belasting. De aanslag Zvw en de beschikking belastingrente zijn gehandhaafd.

De rechtbank heeft de na de uitspraak op bezwaar verminderde aanslag IB/PVV, de aanslag Zvw, de rentebeschikkingen en de na de uitspraak op bezwaar verminderde boetebeschikking gehandhaafd.

Bij het hoger- beroepschrift heeft belanghebbende een verklaring, uit naam van [bedrijf 1] B.V., gevoegd. De verklaring is gedagtekend 26 april 2025 en ondertekend door de heer [naam 1] . Uit gegevens uit het handelsregister volgt dat [bedrijf 1] B.V. met ingang van 22 november 2022 is opgeheven.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat de vereiste aangifte niet is gedaan?

II. Zijn de aanslagen naar de juiste bedragen vastgesteld?

III. Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering bij de uitspraak op bezwaar, terecht en naar een juist bedrag gegeven?

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en verzoekt voorts de aanslagen vast te stellen conform de door hem gedane aangifte, en de boete vast te stellen op nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat de vereiste aangifte niet is gedaan?

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor het jaar 2021 niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 25, lid 3, en artikel 27e, lid 1, in samenhang met artikel 27h, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Het ligt op de weg van de inspecteur om feiten te stellen, en bij betwisting door belanghebbende aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Bij gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312). Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende geen inkomsten uit loondienst heeft genoten bij [bedrijf 1] B.V., zodat de inkomsten uit loondienst en de daarbij in aanmerking genomen ‘ingehouden loonheffing’ moeten worden verlaagd met respectievelijk € 21.180 en € 8.060. Vast staat dat belanghebbende nooit enige betaling van [bedrijf 1] B.V. heeft ontvangen, hetgeen belanghebbende ter zitting andermaal heeft bevestigd. Het loon en de ingehouden loonheffing zijn door belanghebbende zelf berekend. Belanghebbende heeft de loonheffing getracht te berekenen door middel van informatie op het internet. Van ‘geheven loonbelasting’ zoals bedoeld in artikel 9.2, lid 1, onderdeel a, van de Wet IB 2001 is geen sprake. De in hoger beroep overgelegde verklaring van 26 april 2025 doet aan het voorgaande niet af, nu deze geen relevante informatie bevat. Zo ontbreekt bijvoorbeeld het jaartal waarop de verklaring ziet en ontbreken concrete gegevens over de ingangsdatum en de duur van het dienstverband, afspraken omtrent de omvang van de werkzaamheden en de beloning, alsmede de bevestiging dat belanghebbende daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht zonder hiervoor te zijn beloond. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken, bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst of enige andere schriftelijke (werk)afspraken met [bedrijf 1] B.V., overgelegd waaruit zijn dienstverband zou blijken. Opmerkelijk is ook dat als het waar is wat belanghebbende verklaart, hij lange tijd zou hebben gewerkt zonder (enig zicht op) loon. Dit acht het hof niet aannemelijk. De door belanghebbende aangegeven bedragen zijn voor het hof geenszins controleerbaar en het hof concludeert dat belanghebbende op basis van het voorgaande moet hebben geweten dat hij geen loon heeft genoten in de zin van artikel 3.146 Wet IB 2001 en de in de aangifte opgevoerde loonheffing niet is ingehouden en afgedragen.

De inspecteur stelt zich voorts op het standpunt dat belanghebbende in 2021 inkomsten heeft gegenereerd met koeriersdiensten, die niet in de aangifte zijn opgenomen. Belanghebbende heeft blijkens zijn bankafschriften aanzienlijke bedragen ontvangen op zijn bankrekeningen, welke de inspecteur kwalificeert als resultaat uit overige werkzaamheden:

“Betaalverzoeken Rabobank: € 11.476

[bedrijf 2] BV: € 63.900

[naam 2] : € 23.415

[naam 3] : € 1.113

Totaal € 99.904

Belanghebbende brengt hiertegen het volgende in. De ontvangen bedragen naar aanleiding van betaalverzoeken ad € 11.476 zouden voor het grootste deel afkomstig zijn geweest van de (fiscale) partner van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze bedragen naar eigen zeggen ontvangen, omdat zijn partner wegens een aanstaande verhuizing naar België bedragen moest overmaken. Dat kon volgens belanghebbende enkel via de bankrekening van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze blote stelling onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat uit de informatie van de inspecteur volgt dat de fiscale partner niet de middelen had deze betaalverzoeken zelf te voldoen. Al zou de verklaring van belanghebbende waar zijn, dan nog ontbreken de daarbij horende overmakingen van belanghebbende naar een Belgische bankrekening. De verklaring van belanghebbende acht het hof daarom ongeloofwaardig.

Belanghebbende heeft ter zitting bij het hof erkend dat hij van [bedrijf 2] B.V. geld heeft ontvangen. Echter, deze bedragen zouden zijn ontvangen ten behoeve van de heer [naam 2] (zijn neef), omdat er beslag zou zijn gelegd op de bankrekeningen van de neef. Het is het hof niet duidelijk geworden waarom beslaglegging in de weg zou staan aan betalingen van [bedrijf 2] B.V. op de bankrekening van de neef van belanghebbende. Ook blijft desgevraagd onduidelijk waarom de facturen aan [bedrijf 2] B.V. daartoe op naam van de eenmanszaak van belanghebbende zijn gezet. Opmerkelijk is dat enige aanwijzing dat de bedragen ten goede van de neef zijn gekomen, ontbreekt. Ook wijst het hof erop dat belanghebbende wel betalingen heeft ontvangen van zijn neef (zie 4.4.4.). Ook deze verklaring van belanghebbende acht het hof daarom ongeloofwaardig.

Met betrekking tot de betalingen door zijn neef aan hem verklaart belanghebbende dat deze zijn gedaan om de door belanghebbende voor zijn neef gemaakte kosten terug te betalen. Ter staving van zijn verklaring zijn een factuur van de (ver)huur van een bakwagen, een verklaring van de heer [naam 2] en een kopie van zijn paspoort overgelegd. De verklaring van belanghebbende is geenszins verifieerbaar. Het hof hecht daarom, evenals de rechtbank, geen waarde aan deze verklaring. Ook is onduidelijk hoe belanghebbende de door zijn neef vergoede kosten aan de derde zou hebben betaald. Het hof wijst er voorts op dat deze verklaring van belanghebbende haaks staat op de onder 4.4.3 genoemde verklaring aangezien zijn neef dus wel toegang had tot zijn bankrekening om betalingen aan belanghebbende te doen.

De overgelegde op naam van belanghebbende staande factuur met betrekking tot de bakwagen dateert van 2022, terwijl de kosten zien op het jaar 2021. Belanghebbende verklaart dat de kosten zien op het jaar 2021, maar dat de factuur pas achteraf is opgemaakt en verstrekt, vanwege een discussie tussen hem en de verhuurder over de totale huurprijs. Het hof acht de verklaring dat belanghebbende niet met de bakwagen heeft gereden (althans, anders dan voor het ophalen en terugbrengen) ongeloofwaardig. Het ligt namelijk niet in de lijn der verwachting dat belanghebbende kosten maakt voor een bakwagen waarmee hij niet zelf heeft gereden. Voor zover belanghebbende zegt de significante contante betaling van de factuur voor zijn neef te hebben gedaan, wegens het beslag op diens bankrekening, verwijst het hof naar 4.4.3 en 4.4.4. Ook hier geldt dat de beslaglegging op de rekening van de neef van belanghebbende niet in de weg hoeft te staan aan een contante betaling door de neef zelf. Overigens heeft de inspecteur erop gewezen dat belanghebbende niet de middelen heeft om grote bedragen aan contanten te betalen. Ook deze verklaring van belanghebbende acht het hof daarom ongeloofwaardig.

Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat in de aangifte van belanghebbende meerdere gebreken zitten, waardoor zowel verhoudingsgewijs als op zichzelf beschouwd de belasting tot een aanzienlijk lager bedrag is aangegeven dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende door het op deze wijze indienen van de aangifte ten tijde van het doen van aangifte zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust had moeten zijn geweest, dat als gevolg van die aangifte verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Hier komt bij dat belanghebbende een aanzienlijk bedrag aan fictieve voorheffing heeft geprobeerd te verrekenen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat de bewijsregel van artikel 27e, lid 1, in samenhang met artikel 27h, lid 2, AWR moet worden toegepast. Dit betekent dat op belanghebbende de last komt te rusten om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn.

II. Zijn de aanslagen naar de juiste bedragen vastgesteld?

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van de verzwegen inkomsten (HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, behelst een minder strenge toets dan de beoordeling of en in hoeverre aannemelijk is dat de belastingplichtige een bedrag aan inkomsten niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Die laatste beoordeling moet plaatsvinden op basis van de normale regels van stelplicht en bewijslast (HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.3.2).

De inspecteur heeft de inkomsten van belanghebbende vastgesteld zoals beschreven in 4.4.1. De inspecteur heeft zijn schatting gebaseerd op de bankrekeningen van belanghebbende en de genoemde ontvangsten aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof acht deze werkwijze redelijk.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur onvoldoende rekening heeft gehouden met de door hem gemaakte kosten. De bewijslast wat betreft de kosten rust op belanghebbende, ook bij een normale bewijslastverdeling. Belanghebbende heeft, gelet op hetgeen in 4.4 is overwogen, zijn kosten niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond. Gesteld nog gebleken is om welke (andere) kosten dit gaat. De inspecteur kan geen rekening houden met kosten die hem niet bekend (kunnen) zijn. Het hof ziet evenmin aanleiding om kosten in aanmerking te nemen. Ook in zoverre is de schatting van de inspecteur redelijk.

Gelet op het voorgaande, ziet het hof geen aanleiding voor een aanpassing van de redelijke schatting zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar.

III. Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering bij de uitspraak op bezwaar, terecht en naar een juist bedrag gegeven?

Het niet aangeven van de op zijn bankrekening ontvangen bedragen en het aangeven van niet ingehouden loonheffing in de aangifte (en daarmee verzoeken om een voorlopige teruggaaf van belasting), is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het ontgaan van belasting dat het niet anders kan dan dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van die aangifte van bewust was dat hij aangifte deed naar een te laag bedrag en hij het gevolg, dat bij vaststellen van de aanslagen conform de aangiften te weinig belasting zou worden geheven, bewust heeft aanvaard. Belanghebbende heeft ter zitting van de rechtbank en ter zitting van het hof immers verklaard dat hij wel degelijk werkzaamheden heeft verricht. Het staat daarmee naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat te weinig belasting zou worden geheven. De inspecteur heeft belanghebbende dan ook terecht een vergrijpboete opgelegd als bedoeld in artikel 67d AWR. Deze boete is bij de uitspraak op bezwaar gematigd tot 40%, wegens de omstandigheid dat de boete is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Het hof acht de boete, zoals deze is vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar, passend en geboden. Voor een verdere matiging ziet het hof geen aanleiding.

Getuigen

In zijn ter zitting overgelegde pleitnota verzoekt de gemachtigde van belanghebbende om de heer [naam 2] als getuige te horen. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de heer [naam 2] , zijn neef, inmiddels is komen te overlijden. Hij kan om die reden niet als getuige worden opgeroepen.

Tevens heeft de gemachtigde van belanghebbende de heer [naam 1] (ondertekenaar van de verklaring namens [bedrijf 1] B.V.) als getuige aangeboden. Het hof oordeelt als volgt over dit bewijsaanbod. Voor zover het bewijsaanbod ziet op getuigenbewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting van het hof gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. Op grond van artikel 8:60, lid 4, Awb in samenhang met 8:108, lid 1, Awb kunnen partijen een getuige meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot oproepen. Die partij moet dat uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan het hof en aan de andere partij meedelen met vermelding van de naam en de woonplaats. Dat belanghebbende van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt heeft, komt voor zijn rekening en risico. Belanghebbende heeft ook geen verklaring gegeven waarom hij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Het belang van een doelmatige procesgang weegt dan zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog aangeboden bewijs. Het hof passeert daarom het bewijsaanbod. Het hof ziet ook geen aanleiding zelf getuigen op te roepen.

De beschikking belastingrente

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven tegen de beschikking belastingrente aangevoerd en ook anderszins is het hof niet gebleken dat de belastingrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het in hoger beroep betaalde griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door A. van Dongen, voorzitter, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van D.W. Renes, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.

De griffier, De voorzitter,

D.W. Renes A. van Dongen

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026080401 NLF 2026/1574 V-N Vandaag 2026/1617 FutD 2026-1424 V-N 2026/38.17.24
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand