GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/1139
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] , Thailand
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 mei 2025, nummer BRE 24/5688 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) over 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente vergoed.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende woonde in 2021 in Thailand.
Belanghebbende ontving in 2021 een lijfrente-uitkering van de Goudse Schadeverzekeringen N.V. (hierna: de Goudse Schadeverzekeringen) van € 18.504 (hierna: de lijfrente-uitkering).
Belanghebbende heeft als buitenlands belastingplichtige aangifte IB gedaan voor het jaar 2021. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt opgebouwd:
inkomsten
loonheffing
Loon en ziektewetuitkeringen
€ 21.006
€ 11.659
AOW, pensioenen en andere uitkeringen
- ABP
€ 78.732
€ 21.573
- Robein
€ 446.174
€ 225.318
- Robein Leven
€ 19.854
€ 9.927
- Goudse Schadeverzekeringen
€ 18.552
€ 7.165
Elders belast
€ 488.406
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 95.912
De inspecteur heeft renseignementen ontvangen waaruit volgt dat belanghebbende in 2021 de volgende uit Nederland afkomstige inkomsten heeft ontvangen:
inkomsten
loonheffing
Goudse Schadeverzekeringen
€ 18.504
€ 6.851
ABP
€ 78.732
€ 21.573
Ministerie van Financiën
€ 21.006
€ 11.659
Robein Leven
€ 15.783
€ 5.856
Achmea
€ 446.465
€ 221.001
De inspecteur heeft de aanslag IB in afwijking van de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.242. Daarbij is hij uitgegaan van de gerenseigneerde gegevens en heeft hij de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verminderd naar € 462.248. Nederland heeft volgens hem het heffingsrecht over de lijfrente-uitkering die belanghebbende ontvangt. Tevens heeft hij bij beschikking € 20.475 belastingrente vergoed. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of Nederland in 2021 bevoegd is te heffen over de lijfrente-uitkering.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag IB. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Belanghebbende is buitenlands belastingplichtige. Tussen partijen is niet in geschil dat de lijfrente-uitkering op grond van artikel 7.2, lid 2, letter d, Wet inkomstenbelasting 2001 tot het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland behoort. In geschil of Nederland op grond van het Belastingverdrag Nederland-Thailand van 11 september 1975 (hierna: het Verdrag) bevoegd is om te heffen over deze inkomsten.
Artikel 18, lid 1 en lid 2, Verdrag luiden als volgt:
“1. Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel en het eerste lid van artikel 19, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking betaald aan een inwoner van een van de Staten, alsmede aan een zodanige inwoner betaalde lijfrenten slechts in die Staat belastbaar.
2. Die inkomsten mogen echter ook in de andere Staat worden belast, voorzover zij als zodanig ten laste komen van winst, die in die andere Staat is behaald door een onderneming van die andere Staat of door een onderneming die aldaar een vaste inrichting heeft.”.
Belanghebbende betoogt dat de lijfrente-uitkering in zijn woonland Thailand is belast omdat artikel 18, lid 2, Verdrag het woord “mogen’ gebruikt en Thailand als woonland de uitkering al op grond van artikel 18, lid 1 belast. Hierdoor ontstaat dubbele belasting en dat is in strijd met de doelstelling van het Verdrag, aldus belanghebbende. Verder wijst belanghebbende erop dat Thailand gelet op de lage plaats op de zogenoemde corruption perception index ondanks artikel 23, lid 6, Verdrag in de praktijk geen vermindering geeft. Ook acht belanghebbende het begrip ‘winst’ in artikel 18, lid 2, Verdrag niet duidelijk omdat in de bedrijfseconomie daarmee doorgaans ‘jaarwinst’ wordt bedoeld en niet ‘totaal-winst’. Het Verdragsartikel is volgens belanghebbende dus niet duidelijk. Tot slot betoogt belanghebbende dat de Belastingdienst 30 jaar lang het Verdrag heeft toegepast alsof het woonland heft en dat pas sinds enkele jaren een nieuwe uitleg wordt gehanteerd. Dat had volgens belanghebbende alleen na een overgangsperiode gemogen. Daarnaast verzoekt belanghebbende in hoger beroep om een vermindering op grond van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna:Bvdb).
De rechtbank heeft over de heffing over de lijfrente-uitkering als volgt overwogen:
“4.5. De rechtbank overweegt dat in de Overeenkomst geen begripsomschrijving is opgenomen voor de zinsnede ‘ten laste komen van de winst’. Voor de definitie van de zinsnede ‘ten laste komen van de winst’ is voor Nederland uitsluitend relevant welke betekenis hieraan wordt gegeven in de nationale wetgeving.5 Anders dan belanghebbende betoogt, is de rechtbank van oordeel dat de lijfrente-uitkering ten laste van de winst van de Goudse Schadeverzekeringen is gekomen. De winst van een verzekeringsmaatschappij wordt enerzijds bepaald door de ontvangen premies en de op haar beleggingen behaalde rendementen en anderzijds door de uitkeringen die zij op grond van de aangegane verplichtingen verschuldigd is.6 De rechtbank is daarom van oordeel dat de lijfrente-uitkering ten laste van de winst van de Goudse Schadeverzekeringen komt als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Overeenkomst.(…)
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de lijfrente-uitkering ten laste van de winst van de Goudse Schadeverzekeringen is gekomen. Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 18, tweede lid, van de Overeenkomst. De heffingsbevoegdheid van Nederland wordt dus in zoverre niet beperkt door de Overeenkomst.”
Voetnoten:
5 Artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst (tekst 2021).
6 Zie Hoge Raad, 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:215, r.o. 4.3. ”.
Het hof acht deze overweging juist en op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Het gebruik van het woord ‘mogen’ of ‘may’ in de authentieke Engelstalige versie van het Verdrag, maakt dit oordeel niet anders. Dit betekent niets anders dan dat in dit geval Nederland mag heffen en dat dit inkomen niet exclusief aan Nederland is toegedeeld. Het Verdrag beperkt de bevoegdheid van Nederland om IB over de lijfrente-uitkering te heffen dus niet. De omstandigheid dat het in Thailand als woonland wellicht in de praktijk lastig is om voorkoming van dubbele belasting te bewerkstelligen maakt niet dat Nederland niet heffingsbevoegd zou zijn of zou moeten terugtreden.
Voor zover belanghebbende een beroep doet op het Bvdb faalt dat omdat het Bvdb gelet op artikel 1, lid 2, Bvdb slechts van toepassing is in gevallen waarin niet op andere wijze in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien. Aangezien het Verdrag in deze situatie van toepassing is, kan een beroep op het Bvdb belanghebbende niet baten.
Het hof vat tot slot belanghebbendes betoog dat de Belastingdienst niet zonder meer een jarenlange praktijk van woonlandheffing kan wijzigen, op als een beroep op vertrouwen gewekt door beleid. Ook dit betoog kan niet slagen. Dergelijk beleid is het hof namelijk niet gebleken. Evenmin valt uit de rechtspraak op te maken dat pas recentelijk op een andere wijze tegen de uitleg van artikel 18, lid 2, Verdrag wordt aangekeken.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, B.J. Rubbens en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.