GERECHTSHOF DEN BOSCH
kenmerken 25/1174 tot en met 25/1177
uitspraak van de meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 1 juli 2025 in de zaak met kenmerken BRE 23/11171 tot en met 23/11174 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een rentevergoeding over de aanvankelijk te veel geheven IB/PVV voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020.
Belanghebbende heeft met dagtekening 9 mei 2023 de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) geven van een beschikking op zijn verzoeken met betrekking tot de jaren 2019 en 2020, en verzocht om toekenning van een dwangsom. Met dagtekening 29 juni 2023 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld voor het niet (tijdig) geven van een beschikking op zijn verzoeken met betrekking tot de jaren 2017 en 2018,. Belanghebbende heeft voorts verzocht om toekenning van dwangsommen.
Bij brief met dagtekening 3 november 2023 heeft de inspecteur de verzoeken van belanghebbende om toekenning van een rentevergoeding afgewezen.
Belanghebbende heeft op 27 november 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij brief met dagtekening 4 januari 2024 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat hij geen dwangsommen verschuldigd is en dat er geen bezwaarmogelijkheid openstaat tegen zijn beslissing.
Bij uitspraak heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Beide partijen zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen, het Hof heeft daarom afgezien van het opmaken van een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.
2. Feiten
De aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2020 zijn verminderd naar aanleiding van het zogenaamde kerstarrest van de Hoge Raad (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963).
Belanghebbende heeft verzoekschriften ingediend om een rentevergoeding over het bedrag van de vermindering van de aanslagen IB/PVV 2017, 2018, 2019 en 2020. Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om dwangsommen inzake het niet tijdig beslissen op deze verzoekschriften.
De inspecteur heeft de verzoekschriften om een rentevergoeding afgewezen.
De inspecteur heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom.
3. Geschil in hoger beroep
Evenals bij de rechtbank is in geschil of belanghebbende recht heeft op de door hem verzochte dwangsommen.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:
“Niet-tijdig beslissen
5. Ten aanzien van de door belanghebbende ingestelde beroepen in verband met het niet tijdig beslissen op de verzoekschriften overweegt de rechtbank als volgt.
Omdat de inspecteur in de beroepsfase alsnog heeft beslist op de verzoekschriften van belanghebbende, ontvalt het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep in zoverre. De rechtbank verklaart de beroepen van belanghebbende, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de verzoekschriften daarom niet-ontvankelijk.
Dwangsom
Artikel 4:17, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt op het moment dat een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Volgens het derde lid van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Belanghebbende stelt recht te hebben op een dwangsom omdat de inspecteur niet tijdig heeft beslist op de verzoekschriften. De Belastingdienst heeft volgens belanghebbende vier wettelijke dwangsommen, vermeerderd met de wettelijke rente, verbeurd voor het niet tijdig beslissen op de verzoeken.
De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van belanghebbende geen beschikkingen op aanvraag vormen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde dwangsom samenhangt met die (geweigerde) beslissing. In een dergelijk geval staat ook tegen de beslissing om geen dwangsom toe te kennen geen bezwaar en beroep open.2 De beroepen van belanghebbende zijn dus niet-ontvankelijk.
Voor zover belanghebbende verzoekt om vervangende vergoedingen is de civiele rechter als restrechter bevoegd hierover te oordelen.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de beroepen dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.”
5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De stukken waar hij op doelt heeft hij (onder andere) opgesomd in zijn brief aan de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2024. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur niet gehandeld heeft in strijd met art. 8:42 lid 1 Awb omdat geen van de hiervoor bedoelde stukken gelet op hetgeen hierna wordt overwogen van belang is voor de beslechting van het geschil.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 5. en 5.1. is juist. Het Hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.
De verzoeken van belanghebbende om een rentevergoeding zijn verzoeken om een besluit te nemen. Het zijn immers verzoeken om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhouden. Aangezien het voorts besluiten betreft die niet van algemene strekking zijn, is sprake van beschikkingen (zie art. 1:3 Awb).
Anders dan de rechtbank is het Hof dan ook van oordeel dat de beslissingen van de inspecteur op de verzoeken van belanghebbende om een rentevergoeding zijn aan te merken als beschikkingen op aanvraag.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:756, blijkt dat in het geval waarin een belanghebbende verzoekt om vergoeding van rente indien met de in box 3 geheven belasting inbreuk wordt gemaakt op het EVRM en het eerste protocol bij dat verdrag, onder voorwaarden een rentevergoeding moet worden toegekend met toepassing van art. 8:73 Awb (schadevergoeding bij een gegrond beroep).
Omdat een verzoek om toekenning van schadevergoeding op de voet van art. 8:73 Awb normaliter aan de orde komt in een procedure betreffende een belastingaanslag, een voor bezwaar vatbare beschikking, een voldoening of afdracht op aangifte, of de door een inhoudingsplichtige ingehouden belasting, is de beslissing op het verzoek gelijk te stellen met een ingevolge de belastingwet genomen beslissing.
Als de belanghebbende tegen het besluit op een dergelijk verzoek bezwaar maakt in een geval als het onderhavige waarin niet een procedure zoals bedoeld in overweging 5.5. wordt gevoerd, dient de inspecteur dat bezwaar bij uitspraak niet-ontvankelijk te verklaren. De wet voorziet immers niet in de mogelijkheid om op een zelfstandig verzoek om schadevergoeding bij voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de inspecteur in zijn beslissingen op de verzoeken van belanghebbende om rentevergoeding, terecht heeft overwogen dat tegen die beslissing geen bezwaar kan worden gemaakt.
In een geval als het onderhavige waarin tegen de beslissing van de inspecteur tot rentevergoeding geen rechtsmiddel open staat, dient het bezwaar tegen de in samenhang met dat verzoek gedane dwangsombeslissing niet-ontvankelijk te worden verklaard. De inhoudelijk daarmee overeenkomende beslissing van de inspecteur dat geen bezwaar mogelijk is tegen zijn beslissing dat geen dwangsom verschuldigd is, is derhalve juist. Het subsidiaire betoog van de inspecteur dat belanghebbende hem niet rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld behoeft geen behandeling.
De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Uit het vorenoverwogene volgt dat de beroepen voor zover zij zien op de dwangsombeslissingen ongegrond hadden moeten worden verklaard. Omdat belanghebbende bij wijziging van het dictum geen rechtens relevant belang heeft, zal het Hof de uitspraak van de rechtbank in stand laten.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet.
6. Kosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:10 juni 2026.