ECLI:NL:GHSHE:2026:1558

ECLI:NL:GHSHE:2026:1558

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 11-06-2026
Datum publicatie 11-06-2026
Zaaknummer 200.366.719/01
Rechtsgebied Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 7 jo. 9 Brussel II ter. Sprake van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen. In eerste aanleg is niet komen vast te staan dat de vader zich heeft berust in de situatie. Ook is niet gesteld of gebleken dat voldaan is aan artikel 9 Brussel II-ter, onder b. (perpetuatio fori beginsel) Ondertoezichtstelling is niet uitvoerbaar, omdat het onbekend is waar de moeder en de kinderen thans verblijven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Zaaknummer gerechtshof: 200.366.719/01

Zaaknummer rechtbank: C/01/420582 / JE RK 25-1473

beschikking van 11 juni 2026

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. Ü. Ögüt,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

De zaak gaat over de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: de kinderen.

Als belanghebbenden merkt het hof aan:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C. ten Böhmer.

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertifieerde instelling (GI).

De zaak in het kort

De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is volgens de moeder niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling.

1. De procedure bij de rechtbank en de procedure bij het hof

Bij beschikking van 22 december 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 december 2025 voor de duur van een jaar, te weten tot 22 december 2026.

Voor het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de beschikking waartegen dit hoger beroep is ingesteld.

De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep.

Het hof neemt de volgende stukken mee in zijn beslissing:

het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2026;

het V6-formulier van 30 maart 2026 van de zijde van de moeder met als bijlage het procesdossier in eerste aanleg;

het verweerschrift van de raad met als bijlage het raadsrapport d.d. 30 oktober 2025, ingekomen ter griffie op 20 april 2026;

het V6-formulier van 28 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage.

De mondelinge behandeling bij het hof was op 29 april 2026. Aanwezig waren:

de advocaat van de moeder;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Poolse taal M. Leszczynska;

de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De vader heeft via een digitale verbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling.

De moeder is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Ook heeft zij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om digitaal deel te nemen aan de mondelinge behandeling.

De GI heeft bij brief van 17 april 2026 laten weten niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.

Het hof heeft ook [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per brief uitgenodigd om hun mening te vertellen aan het hof. Deze brief is bij gebreke van een actueel adres van de moeder via de advocaat van de moeder aan de moeder gemaild. Beide kinderen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

2. De feiten

De moeder, de vader en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Poolse nationaliteit.

De ouders zijn op 13 juli 2013 met elkaar gehuwd. Tussen partijen is in Nederland een echtscheidingsprocedure aanhangig.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn tijdens het huwelijk van de ouders geboren.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

De moeder heeft zichzelf met de kinderen op 26 augustus 2025 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) van haar woonplaats [woonplaats] . Zij is in die periode met de kinderen, zonder overleg met de vader en zonder dat hij hiermee heeft ingestemd, vertrokken naar Polen. Het is onbekend waar de moeder en de kinderen thans verblijven.

De vader heeft zich op 10 december 2025 uitgeschreven uit de BRP van zijn woonplaats in [woonplaats] . Hij verblijft sindsdien in Polen.

3. Het verzoek in hoger beroep

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking in zijn geheel te vernietigen en de verzoeken van de raad alsnog integraal af te wijzen, kosten rechtens.

De eerste grief van de moeder ziet op de rechtsmacht en de tweede grief ziet op de inhoudelijke beoordeling van de door de raad verzochte ondertoezichtstelling van de kinderen.

4. De beoordeling

Rechtsmacht

Internationale aspecten

Deze zaak heeft internationale aspecten omdat de vader, de moeder en de kinderen de Poolse nationaliteit hebben. Daarnaast zijn beide ouders vertrokken naar het buitenland. De moeder is in augustus 2025 met de kinderen vertrokken naar Polen. Het is onduidelijk waar zij op dit moment verblijft. De vader is enkele maanden later ook vertrokken naar Polen en heeft zich daar inmiddels definitief gevestigd. Het hof zal hierna eerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze zaak kennis te nemen.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Uit het tweede lid volgt dat het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 8 tot en met 10.

Art. 17 Brussel II-ter bepaalt dat een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt: a) op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, op voorwaarde dat de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen; b) indien de betekening of mededeling van dit stuk moet plaatsvinden voor het bij het gerecht wordt neergelegd, op het tijdstip waarop het door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of mededeling, wordt ontvangen, op voorwaarde dat de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk bij het gerecht neer te leggen; ofc) indien de procedure ambtshalve door het gerecht wordt ingesteld, op het tijdstip waarop de beslissing om de procedure in te stellen door het gerecht wordt genomen, of, indien een dergelijke beslissing niet is vereist, op het tijdstip waarop de zaak ter griffie wordt ingeschreven.

Het hof stelt op basis van genoemd artikel het peilmoment voor de toetsing van zijn internationale bevoegdheid op het moment waarop de zaak aanhangig is gemaakt. Dat is in dit geval op 31 oktober 2025, namelijk de dag waarop het verzoekschrift van de raad door de rechtbank is ontvangen. Het hof legt aan dat oordeel ten grondslag dat vaststaat dat zowel de moeder als de vader het inleidend gedingstuk van de raad via de griffie van de rechtbank tijdig voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben ontvangen. Beide ouders hebben immers naar aanleiding daarvan een bericht gestuurd naar de rechtbank. De vader stuurde een email naar de rechtbank op 25 november 2025 (verzoek om digitale deelname) en mr. Ögüt stuurde namens de moeder op 8 december 2025 een email (verzoek uitstel mondelinge behandeling).

Op grond van artikel 9 Brussel II-ter blijven, in het geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind, de gerechten van de lidstaat waar een kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en:

a. a) enige persoon, of instantie die of ander orgaan dat gezagsrecht bezit, in de overbrenging of niet-terugkeer heeft berust; of

b) het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon, de instantie of het orgaan met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan minstens één van de volgende voorwaarden is voldaan:

er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht of waar het wordt vast gehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind;

een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer is ingetrokken en binnen de onder i) gestelde termijn is geen nieuw verzoek ingediend;

een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer werd door een gerecht van een lidstaat geweigerd op andere gronden dan artikel 13, lid 1, onder b), of artikel 13, lid 2, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, en tegen die beslissing kan geen gewoon rechtsmiddel meer worden aangewend;

er werd geen zaak bij een gerecht aanhangig gemaakt als bedoeld in artikel 29, leden 3 en 5, in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer;

een beslissing over het gezagsrecht die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, is uitgesproken door de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had.

Standpunten

De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de datum van indiening van het verzoekschrift in Nederland was en dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de Nederlandse rechter bevoegd was om van het verzoek kennis te nemen. De moeder voert aan dat de rechtbank in haar beoordeling in overwegende mate betekenis heeft toegekend aan omstandigheden uit het verleden, zoals het feit dat de minderjarigen sinds hun geboorte in Nederland hebben gewoond, hier naar school zijn gegaan en hier hun sociale leven hadden opgebouwd, terwijl voor het bepalen van de gewone verblijfplaats gekeken dient te worden naar de feitelijke omstandigheden ten tijde van indiening van het verzoekschrift. Vaststaat dat de minderjarigen voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot ondertoezichtstelling door de raad Nederland hebben verlaten. Sinds 26 augustus 2025 zijn de minderjarigen niet langer ingeschreven in de BRP en staan zijn geregistreerd als geëmigreerd naar Polen.

Daarnaast stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voldaan is aan de vereisten van de wet om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de zorgen over hun ontwikkeling niet door hulpverlening in een vrijwillig kader kunnen worden weggenomen.

De raad is van mening dat de Nederlandse rechter zich in eerste aanleg terecht bevoegd heeft verklaard, omdat het op dat moment onduidelijk was of de moeder zich met de kinderen tijdelijk of definitief had gevestigd in Polen. De raad refereert zich in hoger beroep ten aanzien van de rechtsmacht en het toepasselijk recht aan het oordeel van het hof.

Daarnaast is de raad van mening dat er nog altijd sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat de in het onderzoek geconstateerde zorgen niet zijn weggenomen.

De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft verklaard om een beslissing te nemen op het verzoek tot ondertoezichtstelling. Hij heeft vernomen dat de moeder met de kinderen vanuit Polen naar Spanje is vertrokken, maar hij weet niet waar zij verblijven. De vader heeft al geruime tijd geen contact meer met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hij hoopt dat door de ondertoezichtstelling het contact kan worden hersteld.

De motivering van de beslissing

Het hof overweegt als volgt.

In beginsel wordt de rechtsmacht in zaken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid beoordeeld op grond van artikel 7 Brussel II-ter en is de rechter bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan de kinderen hun gewone verblijfplaats hebben ten tijde van indiening van het inleidend verzoek. De raad heeft op

31 oktober 2025 het verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op dat moment was de moeder al met de kinderen vertrokken naar Polen en had zij zich met de kinderen al uit de BRP laten uitschrijven. Op het moment van de uitspraak door de rechtbank was het nog niet duidelijk of de moeder definitief uit Nederland was vertrokken. Om die reden heeft de rechtbank voor de beoordeling van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen meerdere omstandigheden in aanmerking genomen. Inmiddels is duidelijk dat de moeder en de kinderen niet meer naar Nederland zijn teruggekeerd en dat zij definitief naar het buitenland zijn vertrokken.

Vaststaat dat de moeder met de kinderen is vertrokken naar Polen zonder overleg met de vader en zonder dat de vader hiermee heeft ingestemd, zodat sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen. Uit artikel 9 Brussel II-ter onder a. volgt dan dat in dat geval de Nederlandse rechter bevoegd blijft, tenzij de vader in de overbrenging heeft berust. Het hof zal hieronder bespreken of dat het geval is.

Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen of de vader berust in de situatie dat de moeder de kinderen naar Polen heeft meegenomen. De vader heeft aanvankelijk verklaard dat hij berust in de situatie dat de moeder met de kinderen is vertrokken naar Polen en niet zal terugkeren naar Nederland. Hij is geen teruggeleidingsprocedure gestart om de kinderen te laten terugkeren naar Nederland. De vader verblijft sinds eind 2025 zelf ook in Polen en hij laat weten dat hij in Polen wil blijven wonen. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij via via heeft vernomen dat de moeder en de kinderen niet langer in Polen verblijven, maar dat zij naar Spanje zijn vertrokken. Hij heeft verklaard dat hij voornemens is om vanuit Polen een teruggeleidingsprocedure te starten om de kinderen vanuit Spanje te laten terugkeren naar Polen. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, waarin de vader in de gelegenheid is gesteld om overleg te voeren met zijn advocaat, heeft de vader een ander standpunt ingenomen. Hij laat weten dat hij niet berust in de situatie dat de kinderen niet terugkeren naar Nederland. De vader heeft al maandenlang geen contact meer met zijn kinderen en hij wil via deze procedure bewerkstelligen dat er weer contact kan worden opgestart. Indien de kinderen terugkeren naar Nederland is de vader bereid om ook terug te keren naar Nederland.

Het hof oordeelt ten aanzien van de vraag of de vader heeft berust in de situatie dat de kinderen niet terugkeren naar Nederland als volgt. Aan berusting worden blijkens de jurisprudentie hoge eisen gesteld. Om te beoordelen of sprake is van berusting dienen alle concrete omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achterblijvende ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de vader - gelet op diens actieve of passieve gedragingen - heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van de kinderen voortaan bij de moeder in Polen zou zijn.

De rechtbank wist van de man alleen dat hij op dat moment in Polen verbleef. De vader is niet verschenen in de procedure in eerste aanleg. Voorts stond vast dat de moeder met de kinderen was vertrokken zonder instemming van de man. De rechtbank had geen enkele aanleiding om ervan uit te gaan dat de man berustte in de situatie, nu daarover in eerste aanleg niets is komen vast te staan. Artikel 9 Brussel II-ter, onder a, is derhalve niet van toepassing.Ook artikel 9 Brussel II-ter, onder b, is niet van toepassing, nu niet gesteld of gebleken is dat aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. De conclusie is dan ook dat, nu sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Polen, de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 en 9 Brussel II-ter aanhef, bevoegd is gebleven. Deze grief van de moeder slaagt dus niet.

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, komt het hof thans aan de tweede grief van de moeder toe. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat bij beide kinderen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Er is geen zicht op de veiligheid, de opvoedsituatie en de schoolgang van de kinderen en op (de noodzaak van) de inzet van eventuele hulpverlening. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn plotseling weggehaald uit hun vertrouwde sociale omgeving. Voorts blijkt uit het raadsrapport dat er zorgen zijn over hun emotieregulatie en hebben zij al bijna twee jaar geen contact met hun vader, hetgeen een belemmering oplevert voor hun identiteitsontwikkeling. De ondertoezichtstelling is derhalve terecht verleend. Echter in hoger beroep is duidelijk geworden dat onbekend is gebleven waar de moeder en de kinderen precies verblijven. Eerdere navraag bij de ouders van de moeder in Polen heeft niets opgeleverd en de suggestie van de vader dat de kinderen met de moeder thans in Spanje zouden verblijven, - wat daar overigens ook van zij- , maakt de situatie er niet duidelijker op. De advocaat van de moeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard niet beter te weten dan dat de moeder met haar partner en kinderen in Polen bij haar ouders verblijven en dat zij op zoek is naar andere woonruimte. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de GI de ondertoezichtstelling niet kan uitvoeren. In zoverre is het hoger beroep gegrond. Gelet hierop zal het hof de ondertoezichtstelling opheffen en de bestreden beschikking met ingang van heden vernietigen.

5. Slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor wat betreft de periode tot heden en met ingang van heden vernietigen.

Gelet op het bepaalde in art. 237 en art. 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto art. 362 Rv, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van

22 december 2025 voor wat betreft de periode tot heden en vernietigt deze met ingang van heden;

en opnieuw rechtdoende:

heft de ondertoezichtstelling met ingang van heden op van

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, A.J.F. Manders en

H.J. Witkamp en is op 11 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. K.J.H. Hoofs in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. K.J.H. Hoofs in tegenwoordigheid van de

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand