ECLI:NL:GHSHE:2026:1585

ECLI:NL:GHSHE:2026:1585

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 16-06-2026
Datum publicatie 16-06-2026
Zaaknummer 200.351.187_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

personen- en familierecht; gezag van gewijsde, onrechtmatige daad

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.351.187/01

arrest van 16 juni 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. A.M. Holmes te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. R.R.F.J. Palmen te Brunssum,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 april 2025 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/316296 / HA ZA 23-154 gewezen vonnis van 18 september 2024.

Vooraf

Deze procedure gaat over de vraag of de vordering van de man uit hoofde van onrechtmatige daad afstuit op het gezag van gewijsde, en zo niet, of sprake is van een onrechtmatige daad van de vrouw jegens de man.

5. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6. De beoordeling

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

a. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

De echtscheiding is op 8 november 2018 uitgesproken door de rechtbank Limburg. De echtscheidingsbeschikking is op 18 maart 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De man heeft tijdens het huwelijk fotoalbums gemaakt van onder meer de vakanties van het gezin. De albums zijn afgedrukt door Albelli. Ze werden in de echtelijke woning bewaard. Deze albums zullen hierna “de fotoalbums” worden genoemd.

De man heeft op 1 maart 2017 de echtelijke woning verlaten. De vrouw is in de echtelijke woning blijven wonen totdat zij een huurwoning had gevonden. Zij heeft daarvan op 14 juli 2017 de sleutel gekregen. Op 1 augustus 2017 is de man naar de (voormalige) echtelijke woning teruggekeerd.

In de echtscheidingsbeschikking van 8 november 2018 staat, voor zover in deze zaak van belang, het volgende:

“2.7. Verdeling

Partijen hebben verzocht dat de rechtbank de verdeling vaststelt op de wijze als door partijen verzocht. (...)

Andere punten ter zake de afwikkeling van de ontbonden gemeenschap

(...)

Inboedel

(...)

De man heeft een lijst van ontbrekende inboedel overgelegd. Hij heeft deze goederen niet in de woning aangetroffen toen hij daarin is teruggekeerd (nadat de vrouw de woning had verlaten). Hij is van oordeel dat daaraan de conclusie moet worden verbonden dat de vrouw die goederen heeft meegenomen. Hij verzoekt die goederen aan de vrouw toe te delen met uitzondering van de fotoalbums van de kinderen: die albums verzoekt hij aan hem toe te delen. Daaraan koppelt hij ook het verzoek de vrouw tot afgifte met een dwangsom te veroordelen. De vrouw heeft aangaande deze inboedelverzoeken aangegeven dat de betreffende "ontbrekende" inboedel in de woning is achtergebleven toen zij de woning met de kinderen heeft verlaten, zodat deze inboedel onder de man moet zijn.

De rechtbank oordeelt over de "ontbrekende inboedel" als volgt.

Partijen zijn het erover eens dat de inboedel op deze lijst van "ontbrekende inboedel" van de man ook tot de te verdelen inboedel behoort. De rechtbank bepaalt dat deze "ontbrekende inboedel” aan de man kan worden toebedeeld zonder dat de waarde ervan hoeft te worden verrekend met de vrouw.

(…) Een en ander geldt ook voor de foto albums met foto 's van de kinderen die de man kennelijk van jaar tot jaar heeft gemaakt.

(…)

3. De beslissing

De rechtbank:

(...)

deelt de inboedel die onder de vrouw is aan haar toe (...) en deelt de inboedel die onder de man is (inclusief de "ontbrekende" inboedel op de door hem als productie 7 c overgelegde lijst) aan de man toe en bepaalt dat de vrouw ter zake overbedeling aan de man dient uit te keren het bedrag van € 235,00”

f) Tegen de echtscheidingsbeschikking is hoger beroep ingesteld bij dit hof. Bij beschikking van 19 december 2019 heeft het hof, voor zover in deze zaak van belang, het volgende overwogen:

“4.21. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man een lijst met ontbrekende inboedel heeft overgelegd, die hij niet in de woning heeft aangetroffen toen hij daarin terugkwam. De vrouw heeft betwist dat zij die inboedelgoederen heeft meegenomen. De rechtbank heeft die goederen aan de man toegedeeld zonder verrekening. De man stelt in hoger beroep dat de vrouw of haar familie die goederen onder zich heeft en hij vraagt daarom te bepalen dat die goederen vermeld op de lijst van ontbrekende goederen, met uitzondering van de aan hem toe te delen fotoalbums, aan de vrouw worden toegedeeld met verrekening van de waarde, zijnde € 2.442,50. ; subsidiair, voor zover de vrouw de fotoalbums niet meer heeft, dient zij de man € 250,- per album te vergoeden.

Het hof stelt het volgende voorop. (...)

De man heeft gesteld dat de betreffende goederen bij de vrouw zijn. Gelet op de betwisting daarvan door de vrouw had het op de weg van de man gelegen bewijs van zijn stellingen aan te dragen dan wel aan te bieden, nu dat niet is gebeurd, kan het hof niet vaststellen dat de betreffende goederen zich bij de vrouw bevinden, zodat het verzoek van de man om de goederen aan de vrouw toe te delen niet zal worden toegewezen.

6. De beslissing

Het hof:

(...)

- bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige.”

De man heeft vervolgens de vrouw gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Limburg en, voor zover van belang, veroordeling van de vrouw gevorderd tot afgifte van de fotoalbums aan de man. Bij vonnis van 28 oktober 2020 heeft de kantonrechter het volgende geoordeeld:

“4.4. De kantonrechter stelt vast dat het in deze procedure om dezelfde rechtsbetrekking tussen dezelfde partijen gaat als in de twee vorige procedures. Het gaat namelijk om de verdeling van de boedel. De toetsing daarvan heeft al plaatsgevonden door de rechtbank van de locatie Maastricht, terwijl het gerechtshof nogmaals in hoger beroep een oordeel heeft geveld. Dit houdt in dat de toetsing inmiddels kracht en gezag van gewijsde heeft en dat hierover niet nog een keer kan en mag worden beslist. Het feit dat de man stelt over nieuw bewijsmateriaal te beschikken, doet hieraan niet af.

Kort en goed komt het er dus op neer dat de vordering van de man afstuit op het bepaalde in artikel 236 Rv. De overige aangevoerde verweren behoeven daarom geen verdere bespreking.”

Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

De procedure bij de rechtbank

De man heeft, na verduidelijking ter zitting en wijziging van eis, in reconventie, bij de rechtbank, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen:

“primair

A. (…) tot afgifte van de partijen genoegzaam bekende fotoalbums als bedoeld op productie 7c, meer in het bijzonder de onder 5.6 genoemde fotoalbums binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 voor iedere dag waarop [appellante] in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000, althans een bedrag en maximum door de rechtbank in goede justitie juist geraden.

B. (…)

subsidiair

C. (…) tot betaling van een schadevergoeding van € 12.045,20 aan [geïntimeerde] . te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

primair en subsidiair

D. (…) in de kosten van dit geding, waaronder het salaris van de advocaat van [geïntimeerde] en de nakosten.”

Aan deze vorderingen heeft de man, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie beriep de man zich op nakoming van de verdeling. Nadat op de mondelinge behandeling duidelijk was geworden dat die grondslag afstuit op gezag van gewijsde en partijen hadden ingestemd met wijziging van eis, heeft de man aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij het eigendomsrecht met betrekking tot de fotoalbums heeft en recht heeft op schadevergoeding als de vrouw hem die fotoalbums niet kan geven.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

In het tussenvonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank de man opgedragen te bewijzen dat de vrouw middellijk of onmiddellijk houder is van de 15 fotoalbums en heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden.

In het eindvonnis van 18 september 2024 heeft de rechtbank de primaire vordering (sub A) van de man afgewezen, omdat hij niet is geslaagd in de bewijsopdracht omdat hij bij akte na tussenvonnis heeft afgezien van nadere bewijslevering en heeft de rechtbank:

de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een schadevergoeding van € 12.045,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling;

de vrouw veroordeeld in de proceskosten van € 2.271,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;

de vrouw veroordeeld tot betaling van € 92,-- plus de kosten van betekening als de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

het meer of anders gevorderde afgewezen.

De procedure bij het hof

De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een schadevergoeding van € 12.045,20 alsnog af te wijzen;

veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

Zij heeft hiertoe zeven grieven aangevoerd. Deze grieven komen er in de kern genomen op neer dat de vordering van de man afstuit op het gezag van gewijsde (grief 1), subsidiair dat niet is voldaan aan de vereisten van onrechtmatige daad (grief 2 en 3), meer subsidiair dat de schade ten onrechte is begroot op een bedrag van € 12.045,20 (grief 4 tot en met 6). Grief 7 richt zich tegen de proceskostenveroordeling.

De man heeft de grieven van de vrouw weersproken. Hij concludeert tot, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar grieven, althans afwijzing van die grieven;

bekrachtiging van het bestreden vonnis;

veroordeling van de vrouw in de daadwerkelijke proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf twee dagen na betekening van dit arrest.

Het hof zal de grieven van de vrouw en de reactie van de man daarop hierna bespreken.

Gezag van gewijsde (grief 1)

De grief keert zich tegen rov. 4.7 tot en met 4.7.2 van het tussenvonnis van 31 januari 2024. De rechtbank is van oordeel dat het gezag van gewijsde niet in de weg staat aan de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een schadevergoeding van € 12.045,20. De rechtbank overwoog daartoe als volgt.

“4.7. De ratio achter gezag van gewijsde is dat het ongewenst is dat een eenmaal beslecht geschilpunt in een volgende procedure opnieuw ter discussie wordt gesteld. Evenzeer is het ongewenst als een wezenlijk nieuwe discussie afgesneden zou kunnen worden door een willekeurig citaat uit een willekeurige eerdere beslissing.

Wat het beroep op gezag van gewijsde betreft, is de rechtbank van oordeel dat [appellante] selectief citeert uit de eerdere beslissingen over de fotoalbums. Het is juist dat er al beslist is over de fotoalbums, maar dat is gebeurd in het kader van de afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen, de verdeling van de boedel. Zo heeft ook de kantonrechter het begrepen en gemotiveerd (zie hiervoor onder 2.7, onderstreping toegevoegd door de rechtbank): “De kantonrechter stelt vast dat het in deze procedure om dezelfde rechtsbetrekking tussen dezelfde partijen gaat als in de twee vorige procedures. Het gaat namelijk om de verdeling van de boedel.” Tegen dat oordeel is geen appel ingesteld. Vast staat daarom dat [geïntimeerde] eerder heeft geprocedeerd in het kader van de verdeling van de boedel.

Onderhavige procedure bij de rechtbank houdt geen verband met de verdeling, maar met het eigendomsrecht van [geïntimeerde] . De rechtbank begrijpt de stellingen na wijziging van eis na de zitting van [geïntimeerde] zo dat hij een beroep doet op revindicatie (artikel 5:2 BW) en als revindicatie niet mogelijk is, op vervangende schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Dat is een andere grondslag dan eerder in geschil en ter zitting aan de orde geweest. Daarom is er ook geen gezag van gewijsde dat in de weg staat aan toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] in deze zaak.”

De vrouw heeft haar grief als volgt toegelicht.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het gezag van gewijsde niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een schadevergoeding van € 12.045,20 ter zake van de fotoalbums. In eerder door partijen in 2018, 2019 en 2020 gevoerde procedures over de verdeling van de huwelijksgemeenschap zijn de fotoalbums onderwerp van geschil geweest. Tegen de beslissingen die toen over de fotoalbums zijn genomen is geen hoger beroep ingesteld, zodat die beslissingen in kracht van gewijsde zijn gegaan. Dat de man ter zake van de fotoalbums zijn vordering nu presenteert als een beroep op schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, doet daaraan niet af. Het gaat nog steeds om dezelfde fotoalbums, tussen dezelfde partijen. Het gezag van gewijsde strekt zich niet slechts uit tot de in het dictum opgenomen beslissing, maar ook tot de dragende gronden daarvan. Door te oordelen dat een nieuwe grondslag kan worden aangenomen, heeft de rechtbank miskend dat art. 236 Rv in de weg staat aan een nieuwe beoordeling van dit geschilpunt, dus ook wat betreft de toekenning van een schadevergoeding waarover al in 2018, 2019 en 2020 uitputtend is geprocedeerd. Het vonnis dient daarom te worden vernietigd waarbij de vordering van de man alsnog afgewezen dient te worden.

De man heeft de grief weersproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het gezag van gewijsde kan niet door de vrouw worden ingeroepen (Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667). De grondslag van zijn vordering ter zake van de fotoalbums is een andere grondslag, dan waar in de eerder tussen partijen gevoerde procedures op is beslist. De vordering is thans gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Daarover heeft de rechter zich nog niet eerder uitgelaten, zodat art. 236 Rv daar niet aan in de weg staat.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen is in geschil of het gezag van gewijsde van de beslissing over de fotoalbums in de eerder tussen partijen gevoerde echtscheidingsprocedure bij de rechtbank en het hof, zich uitstrekt over de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw tot betaling van een schadevergoeding ter zake van die fotoalbums. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Artikel 236 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust. Het gezag van gewijsde kan er echter niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden (vgl. Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667).

De vordering die de man in de eerdere procedures in 2018 en 2019 bij de rechtbank respectievelijk het hof heeft ingesteld, is gebaseerd op een andere grondslag. In die procedures vorderde de man afgifte van de fotoalbums. Die vordering is zowel door de rechtbank, als door het hof afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat de vrouw op dat moment de beschikking had over die fotoalbums. De grondslag van de onderhavige vordering uit onrechtmatige daad is hiermee een andere dan die in de voorgaande procedures. Om die reden slaagt het beroep van de vrouw op het gezag van gewijsde van de eerdere tussen partijen gegeven uitspraken niet. De grief faalt mitsdien.

Onrechtmatige daad (grief 2 en 3)

De grieven keren zich tegen rov. 4.8 tot en met 4.8.3 van het tussenvonnis van 31 januari 2024. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van onrechtmatige daad en heeft de vrouw in het eindvonnis van 18 september 2024 veroordeeld tot betaling aan de man van een schadevergoeding van € 12.045,20. De rechtbank overwoog daartoe als volgt.

“4.8. (…). Onbekend is op dit moment waar de fotoalbums zijn (gebleven). Als [appellante] inderdaad niet middellijk of onmiddellijk beschikt over de fotoalbums, kan de vordering tot revindicatie niet worden toegewezen, maar de subsidiaire vordering gegrond op onrechtmatige daad wel, zoals uit de beoordeling hierna volgt.

De eigenaar van een zaak kan deze bij een houder zonder recht opeisen (artikel 5:2 BW). [appellante] was houder van de fotoalbums. (…).

Als zou blijken dat [appellante] geen houder meer is, is dat aan haar te wijten. Voor het vertrek van [geïntimeerde] uit de echtelijke woning waren ze daar namelijk wel, terwijl vast staat dat ze er niet meer waren toen [geïntimeerde] daar terugkeerde. Een houder moet zich als goed huisvader om de gehouden zaken bekommeren. Daaronder moet worden begrepen dat deze zaken niet kwijt raken. Het antwoord van [appellante] ter zitting op de vraag waar de fotoalbums zijn gebleven, inhoudende dat zij [geïntimeerde] op enig moment (gevulde) vuilniszakken heeft meegegeven, begrijpt de rechtbank als suggestie dat de fotoalbums in die vuilniszakken hebben gezeten. Dat al dan niet bedoelde vrijwillige verlies van houderschap is in ieder geval in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en komt voor rekening van [appellante] .

Ook voor het overige is voldaan aan de vereisten van onrechtmatige daad. Als [appellante] de fotoalbums niet weet te vinden, heeft [geïntimeerde] recht op een schadevergoeding. Als gevolg van haar onrechtmatig handelen heeft [geïntimeerde] immers schade geleden, welke schade de rechtbank begroot conform de opgave van [geïntimeerde] die niet is weersproken.”

De vrouw heeft haar grieven als volgt toegelicht. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten van een onrechtmatige daad en heeft de rechtbank haar veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de man. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat het “vrijwillig verlies van houderschap” reeds voldoende is om een onrechtmatige daad aan te nemen. Het enkele feit dat iemand houder is, betekent niet dat ieder verlies automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Er moet sprake zijn van verwijtbaar handelen of nalaten. Er is geen bewijs dat de vrouw bewust of verwijtbaar heeft gehandeld. De rechtbank heeft haar verklaring (“gevulde vuilniszakken meegegeven”) ten onrechte uitgelegd als een erkenning dat de fotoalbums daarin moeten hebben gezeten. Deze conclusie is speculatief en niet gebaseerd op harde feiten. Er is geen bewijs dat zij de fotoalbums heeft weggegooid of heeft achtergehouden. Er is zelfs geen bewijs dat zij wist waar deze zich bevonden. Wat resteert, is een situatie waarin twee partijen elkaar tegenspreken en waarin de feitelijke gang van zaken onduidelijk is. De vrouw weet niet wat er met de fotoalbums is gebeurd. Mogelijk waren de fotoalbums al niet meer aanwezig na het vertrek van de man uit de woning. Mevrouw [persoon a] heeft een schriftelijke verklaring afgelegd op 5 november 2024 (productie C mvg). Zij verklaart op 1 maart 2017 om 19:42 uur een bericht van appellante te hebben ontvangen met het verzoek om naar haar te komen. Bij aankomst trof zij de vrouw overstuur aan en vernam zij van de vrouw dat alles was meegenomen, waaronder de fotoalbums. [persoon a] heeft de lege plek in de boekenkast gezien waar de fotoalbums normaliter stonden. [persoon a] verklaart aldus getuige te zijn geweest van de afwezigheid/vermissing van de fotoalbums na het vertrek van de man.

De man heeft de grieven weersproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vrouw wisselt keer op keer van standpunt als het gaat om de fotoalbums. In eerdere procedures heeft zij beweerd dat de fotoalbums door haar in de woning waren achtergelaten. In eerste aanleg is beweerd dat de fotoalbums aan de man zouden zijn afgegeven in vuilniszakken. En nu wordt beweerd dat de man ze zelf bij zijn vertrek uit de woning heeft meegenomen en daarvoor wordt nu zelfs een getuige gepresenteerd die, na het vertrek van de man, een lege boekenkast zou hebben gezien. De verklaring van die getuige is niet te rijmen met de door de vrouw in een eerdere procedure gedane bewering dat een vriend, de heer [persoon b] , na vertrek van de man uit de woning de fotoalbums bij de vrouw heeft ingezien. Voor de man staat vast dat de fotoalbums in het bezit van de vrouw waren toen hij uit de woning vertrok. Dat was ook de oorspronkelijke stelling van de vrouw. Vast staat ook dat de fotoalbums weg waren toen de man terugkwam in de woning. De rechtbank gaat daar ook terecht van uit en oordeelt volkomen terecht dat vrijwillig verlies van het bezit door de vrouw een onrechtmatige daad oplevert. Bij onvrijwillig verlies zou het debat over de toerekenbaarheid gevoerd kunnen worden om te oordelen of er sprake is van een onrechtmatige daad of niet. De vrouw heeft voldoende kansen gehad in de verschillende procedures om uit te leggen wat er met de fotoalbums is gebeurd. Zelfs als ze eerlijkheidshalve zou bekennen dat zij uit rancune de fotoalbums zou hebben weggegooid dan zou dat weliswaar bedroevend zijn, maar die eerlijkheid zou nog wel te waarderen zijn geweest. Hier iedere keer met aan andere kennelijke leugenachtige verklaring komen is dat niet.

Het hof overweegt als volgt.

Volgens art. 6:162 lid 1 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (lid 2). Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (lid 3).

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de man omdat zij niet als een goed huisvader voor de fotoalbums heeft gezorgd door deze kwijt te raken. Het hof komt tot een ander oordeel dan de rechtbank en overweegt daartoe als volgt.

De vrouw voert tegen ‘goed huisvaderschap’ aan dat zij de fotoalbums niet heeft. Zij heeft ter mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard niet te weten wat er met de fotoalbums is gebeurd. Volgens haar heeft zij nooit over de fotoalbums beschikt. Ter ondersteuning hiervan heeft de vrouw een verklaring overgelegd van haar vriendin, mevrouw [persoon a] , die verklaart direct na het vertrek van de man uit de woning de lege plek in de boekenkast te hebben gezien waar voorheen de fotoalbums stonden. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of sprake is van onrechtmatig handelen van de vrouw ten opzichte van de man. Voor zover de man erop heeft gewezen dat de inhoud van de in hoger beroep door de vrouw overgelegde verklaring van mevrouw [persoon a] haaks staat op hetgeen de heer [persoon b] in een eerdere procedure tussen partijen over de fotoalbums heeft verklaard, doet dat aan dit oordeel niet af nu het de vrouw in deze procedure vrij staat om haar huidige verweer te voeren. De strekking van het verweer van de vrouw in eerdere procedures was overigens ook al dat zij niet over de fotoalbums beschikte. De vrouw heeft dat toen verduidelijkt door te verklaren dat de fotoalbums bij haar vertrek uit de woning zijn achtergebleven. Anders dan de man, ziet het hof daarin geen erkenning dat de vrouw de fotoalbums in bezit heeft gehad.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven van de vrouw slagen. De grieven 4 tot en met 6 van de vrouw over de hoogte van de schade, behoeven daarmee geen bespreking meer.

Proceskosten (grief 7)

Met grief 7 komt de vrouw op tegen de veroordeling door de rechtbank van haar in de proceskosten in reconventie. Bij een juiste afweging had de rechtbank de vorderingen van de man moeten afwijzen en hem vanwege evident nodeloos procederen in de kosten van de procedure moeten veroordelen.

De man heeft verweer gevoerd. Als in het ongelijk gestelde partij heeft de rechtbank de vrouw terecht in de proceskosten veroordeeld.

Het hof overweegt als volgt. Gelet op de uitkomst van de procedure in hoger beroep en op de onderlinge relatie van partijen (zij zijn voormalige echtgenoten), zal het hof de proceskosten in reconventie in eerste aanleg alsook de proceskosten in hoger beroep met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt. De grief van de vrouw slaagt mitsdien gedeeltelijk.

7. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis in reconventie van de rechtbank Limburg van 18 september 2024,

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van de man in reconventie af;

compenseert de proceskosten in reconventie, alsook in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2026.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand