GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1656 en 23/1657
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 oktober 2023, nummers BRE 21/4850 en BRE 21/4851, in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en bij beschikkingen een boete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroepen ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende is zonder kennisgeving, niet verschenen.
De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende, bij brief van 12 maart 2026, heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer 1] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres aan [adres 1] , [postcode 1] in [plaats 1] . Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. De uitnodiging voor de zitting is op 17 maart 2026 onbestelbaar retour ontvangen door het hof. Op de retourenvelop is een sticker geplakt met de volgende tekst:
“Betrokkene verblijft niet (meer) op dit adres
RETOUR AFZENDER”
Volgens informatie uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) is belanghebbende met ingang van 12 mei 2025 woonachtig aan [adres 2] , [postcode 2] in [woonplaats] . Hierop is de brief met de uitnodiging, met nummer [nummer 2] , op 17 maart 2026 aangetekend naar dit nieuwe adres verzonden. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 19 maart 2026 is afgeleverd op een PostNL-locatie. Op 3 april 2026 is de uitnodiging voor de zitting retour gestuurd, omdat belanghebbende deze niet heeft afgehaald. Op 7 april 2026 is de uitnodiging voor de zitting nogmaals, deze keer per reguliere post, aan belanghebbende met als adres [adres 2] , [postcode 2] in [woonplaats] verzonden.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende verbleef vanaf 20 mei 2017 tot de (fictieve) einddatum van 18 mei 2025 in detentie.
Volgens de BRP stond belanghebbende, voor zover van belang, op de volgende adressen ingeschreven:
van 12 mei 2015 tot 24 maart 2017: [adres 3] , [postcode 3] , in [plaats 2] ;
van 24 maart 2017 tot 30 januari 2020: [adres 4] , [postcode 4] in [plaats 3] ;
van 30 januari 2020 tot 17 september 2020: [adres 5] , [postcode 5] in [plaats 4] (penitentiaire inrichting);
vanaf 17 september 2020: [adres 1] , [postcode 1] , in [plaats 1] (penitentiaire inrichting).
IB/PVV 2016
De inspecteur heeft met dagtekening 28 februari 2017 een uitnodiging aan belanghebbende verzonden met het verzoek om voor 1 mei 2017 aangifte IB/PVV 2016 te doen. Op grond van de zogeheten beconregeling is aan belanghebbende een jaar uitstel verleend, namelijk tot 1 mei 2018. Op 25 mei 2018 is een herinneringsbrief aan belanghebbende verzonden en op 29 juni 2018 een aanmaning. De aangifte diende uiterlijk 13 juli 2018 door de Belastingdienst te zijn ontvangen.
Belanghebbende heeft de vereiste aangifte niet op, of voor de uiterste termijn van 13 juli 2018, en overigens ook niet nadien, ingediend. De inspecteur heeft de definitieve aanslag op 5 december 2018 ambtshalve vastgesteld naar een te betalen bedrag van € 7.226 aan IB/PVV. Gelijktijdig is € 446 belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd van € 369.
IB/PVV 2017
De inspecteur heeft met dagtekening 28 februari 2018 een uitnodiging aan belanghebbende verzonden met het verzoek om voor 1 mei 2018 aangifte IB/PVV 2017 te doen. Op grond van de zogeheten beconregeling is aan belanghebbende een jaar uitstel verleend, namelijk tot 1 mei 2019. Op 21 mei 2019 is een herinneringsbrief aan belanghebbende verzonden en op 28 juni 2019 een aanmaning. De aangifte diende uiterlijk 12 juli 2019 door de Belastingdienst te zijn ontvangen.
Belanghebbende heeft de vereiste aangifte niet op, of voor de uiterste termijn van 12 juli 2019, en overigens ook niet nadien, ingediend. De inspecteur heeft de definitieve aanslag op 30 oktober 2019 ambtshalve vastgesteld naar een te betalen bedrag van € 1.451 aan IB/PVV. Gelijktijdig is € 83 aan belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd van € 369.
De uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2016 is verzonden naar het adres [adres 3] in [plaats 2] . Alle overige correspondentie, waaronder beide aanslagen, is verzonden aan het voormalige woonadres van belanghebbende aan de [adres 4] in [plaats 3] .
Bezwaarfase
Belanghebbende heeft op 30 juli 2021 een bezwaarschrift ingediend tegen beide aanslagen. Belanghebbende heeft daarbij te kennen gegeven dat hij sinds 20 mei 2017 in een penitentiaire inrichting verblijft. Bij het bezwaarschrift zit een verklaring, gedateerd op 30 januari 2020, van Dienst Justitiële Inrichtingen, Penitentiaire Inrichtingen [plaats 1] , waarop een datum staat vermeld van 20 mei 2017 als begindatum van de detentieperiode en een (fictieve) einddatum van 18 mei 2025.
De inspecteur heeft op 20 oktober 2021 uitspraken op bezwaar gedaan. De uitspraken op bezwaar bevatten twee beslissingen: (i) de inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn, en (ii) de inspecteur heeft de bezwaren ook opgevat als verzoeken om ambtshalve vermindering en besloten om de aanslagen niet ambtshalve te verminderen. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is afgewezen.
Beroepsfase
Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De beroepen zijn gegrond verklaard en de bestreden uitspraken zijn vernietigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien de zaken terug te wijzen naar de inspecteur.
De beroepen met betrekking tot de afwijzing van de verzoeken tot ambtshalve vermindering zijn door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De verzoeken tot ambtshalve vermindering liggen niet voor in hoger beroep.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft uitsluitend het antwoord op de vraag of de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank op dat punt en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.
4. Gronden
Vooraf en ambtshalve
Op de door het hof op 17 maart 2026 retour ontvangen envelop, met daarin de uitnodiging voor de zitting, staat vermeld dat belanghebbende niet meer op het door hem opgegeven adres verbleef. Het poststuk is vervolgens aan het hof retour gezonden.
De griffier heeft onderzocht of belanghebbende op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres. Dat bleek niet het geval te zijn.
Vervolgens heeft de griffier het op de uitnodiging vermelde adres verbeterd en de uitnodiging opnieuw aangetekend verzonden. Belanghebbende heeft de uitnodiging niet op de PostNL-locatie afgehaald. Ook dit stuk is aan het hof retour gezonden. Het hof heeft de uitnodiging vervolgens per gewone post aan belanghebbende verzonden aan het adres zoals volgt uit de BRP. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
Ten aanzien van het geschil
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. De bekendmaking van een besluit geschiedt door toezenden of uitreiking aan belanghebbende. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
De aanslagen zijn gedagtekend respectievelijk 5 december 2018 en 30 oktober 2019. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift voor beide aanslagen op 30 juli 2021 ingediend. Het bezwaarschrift is daarmee (ruim) buiten de termijn van zes weken na dagtekening van beide aanslagen ontvangen.
Het bezwaarschrift wordt bij niet-tijdig indienen in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Een niet-ontvankelijkverklaring kan achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien: (i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig mogelijk als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig bezwaar in te dienen.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting volgt dat belanghebbende uiterlijk op 29 april 2021 feitelijk kennis heeft genomen van de onderhavige aanslagen. Op belanghebbende rust de last om aannemelijk te maken dat hij zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, dat wil zeggen in beginsel binnen zes weken nadat de omstandigheden die het tijdig maken van bezwaar verhinderden zich niet langer voordeden, alsnog bezwaar heeft gemaakt. Belanghebbende heeft geen nadere toelichting gegeven waarom hij niet binnen zes weken, nadat de aanslagen hem alsnog onder ogen zijn gekomen, een bezwaarschrift heeft ingediend. Ook ziet het hof geen aanleiding om uit te gaan van een langere periode dan zes weken. Gelet op het voorgaande is de termijnoverschrijding naar het oordeel van het hof niet verschoonbaar en heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank uitsluitend wordt vernietigd op grond van het door de inspecteur ingestelde hoger beroep.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
R.J.M. de Fouw J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.