GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1311 en 24/1312
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van
de erven [belanghebbende] ,
hierna: belanghebbenden,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 juli 2024, nummers BRE 21/1374 en 21/5484, in het geding tussen belanghebbenden, de inspecteur en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2006 en 2007 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslagen). Tevens heeft hij bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikkingen).
Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
De inspecteur heeft stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Het hof heeft de onderhavige zaken in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.
De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak gedaan op 21 mei 2025. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de in 1.6 bedoelde stukken gerechtvaardigd is en heeft de zaken verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt en het procesdossier, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, in handen van die kamer gesteld.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbenden, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/1313 en 24/1314.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2. Feiten
Wijlen [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ) is in de jaren 2006 en 2007 gehuwd met wijlen [naam] (hierna: [naam] ).
In zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2006 en 2007 heeft [belanghebbende] een voordeel uit sparen en beleggen van € 349, respectievelijk nihil aangegeven en een verzamelinkomen van € 21.805, respectievelijk € 11.699. Hij heeft in de aangiften geen bankrekening in Zwitserland vermeld. De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2006 en IB/PVV 2007 opgelegd.
Op verzoek van de inspecteur hebben de Zwitserse autoriteiten op 1 oktober 2018 gegevens verstrekt over Nederlanders die een bankrekening aanhielden bij de Zwitserse bank “BNP Paribas (Suisse) S.A.” (hierna: de Zwitserse bank). Uit die ontvangen informatie volgt dat [belanghebbende] en [naam] een bankrekening aanhielden bij de Zwitserse bank waarvan het saldo op 2 februari 2013 (omgerekend naar euro’s) € 140.659 en op 1 februari 2014 € 75.899 bedroeg (hierna: de Zwitserse bankrekening). Verder volgt uit de ontvangen informatie dat [belanghebbende] en [naam] op 15 juni 2014 de Zwitserse bank hebben verzocht om het aldaar aanwezige saldo op twee Franse bankrekeningen ten name van hen over te boeken. De Zwitserse bankrekening is op 1 juli 2014 opgeheven.
Naar aanleiding van een verzoek om informatie over de Zwitserse bankrekening heeft [belanghebbende] in een brief van 4 juli 2019 aan de inspecteur verklaard dat hij een bankrekening bij de Zwitserse bank heeft geopend in verband met de werkzaamheden die hij vanaf 1970 had verricht voor een internationaal bedrijf. Bij de brief is een overzicht gevoegd van de Zwitserse bankrekening, waarin de volgende saldi zijn genoemd:
Datum
Saldo (in CHF)
31.01.2013
172'673.41
31.12.2013
93'166.06
31.12.2014
0'000.00
Op 19 december 2019 heeft de inspecteur een verzoek bij het Central Liaison Office (hierna: het CLO) gedaan om de Zwitserse en Franse bankgegevens van [belanghebbende] en [naam] op te vragen over de jaren 2010 tot en met 2015.
De inspecteur heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat het saldo van de
Zwitserse bankrekening ten onrechte niet in de aangiften IB/PVV 2006 van [belanghebbende] en [naam] was opgenomen. De inspecteur heeft het saldo op die bankrekening voor het jaar 2006 geschat op € 562.636 (te weten vier maal het saldo op 2 februari 2013 van € 140.659) en de helft daarvan (door de inspecteur afgerond op € 281.300) aan [belanghebbende] als bezittingen in box 3 voor het jaar 2006 toegerekend.
Op 16 december 2019 heeft de inspecteur overeenkomstig zijn standpunt aan [belanghebbende] de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 opgelegd en daarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verhoogd met € 11.252 (4% van € 281.300) tot € 11.601 (€ 349 + € 11.252). Tegelijkertijd heeft hij € 1.501 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Op 2 juli 2020 heeft de inspecteur van het CLO stukken met betrekking tot de Zwitserse bankrekening ontvangen. Die stukken bevatten onder andere documenten met betrekking tot de opening van een bankrekening door [belanghebbende] en [naam] bij Mees Pierson (Switzerland) Ltd. (een rechtsvoorganger van de Zwitserse bank) met daarbij kopieën van paspoorten van [belanghebbende] en [naam] die (zoals blijkt uit de Machine Readable Zone onderaan de houderpagina’s) geldig waren tot 17 januari 2007 respectievelijk 28 februari 2001. Tot die stukken behoren ook Portfolio Management Reports waaruit onder meer de volgende saldi van de Zwitserse bankrekening blijken:
Datum
Saldo (in euro’s)
01.01.2011
€ 287.339
01.01.2012
€ 199.725
01.01.2013
€ 144.220
01.01.2014
€ 75.899
De inspecteur heeft vervolgens ook voor het jaar 2007 het standpunt ingenomen dat het saldo van de Zwitserse bankrekening ten onrechte niet in de aangiften IB/PVV van [belanghebbende] en [naam] was opgenomen. De inspecteur heeft het saldo op die bankrekening voor het jaar 2007 geschat op € 532.000 en de helft daarvan (€ 266.000) aan [belanghebbende] als bezittingen in box 3 toegerekend.
Overeenkomstig zijn standpunt heeft de inspecteur met dagtekening 22 januari 2021 de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 aan belanghebbenden opgelegd en daarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 10.640 (4% van € 266.000). Tegelijkertijd heeft hij € 1.560 aan heffingsrente in rekening gebracht.
De rechtbank heeft de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen vernietigd en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 98 en de proceskosten van € 1.312,50 aan belanghebbenden moet vergoeden.
3. Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
Meer specifiek is in principaal hoger beroep in geschil het antwoord op de volgende vragen:
i. i) Heeft [belanghebbende] de vereiste aangiften IB/PVV 2006 en 2007 gedaan;
ii) en zo nee, heeft de inspecteur een redelijke schatting gemaakt van de door [belanghebbende] in 2006 en 2007 in het buitenland aangehouden banksaldi;
iii) en als niet, is de helft van € 287.339 dan een redelijke schatting?
Indien het hof tot bevestigende beantwoording komt van vraag (ii) of (iii), is in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in geschil,
iv) of de inspecteur bevoegd was om na te vorderen;
v) en zo ja, of de inspecteur de navorderingsaanslagen tijdig heeft vastgesteld;
vi) en zo ja, of de navorderingsaanslagen tijdig aan [belanghebbende] (de navorderingsaanslag IB/PVV 2006) en belanghebbenden (de navorderingsaanslag IB/PVV 2007) zijn bekendgemaakt?
De inspecteur concludeert in principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en primair tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van, naar het hof begrijpt, € 6.095 (2006) respectievelijk € 5.746 (2007).
Belanghebbenden concluderen in principaal hoger beroep tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en tot toekenning van een immateriële schadevergoeding voor het tijdsverloop tussen de indiening van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 en de uitspraak van het hof. In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep concluderen belanghebbenden tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de navorderingsaanslagen en veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.
4. Gronden
Vooraf en ambtshalve
Het hof zal allereerst de ontvankelijkheid van het door belanghebbenden ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep beoordelen.
Het incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. De hogerberoepsrechter kan deze termijn verlengen.
Het hof heeft de gronden van het hoger beroep van de inspecteur aan belanghebbenden verzonden op 15 oktober 2024 en belanghebbenden daarbij tot uiterlijk 26 november 2024 gelegenheid gegeven voor het indienen van het verweer en het instellen van incidenteel hoger beroep. Het hof heeft daarbij aangegeven dat voor het instellen van incidenteel hoger beroep geen uitstel kan worden gegeven.
Belanghebbenden hebben op 31 december 2024 (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Dat is na afloop van de door het hof gestelde termijn en dus te laat. Belanghebbenden hebben gesteld dat uitstel voor het indienen van het verweer is gegeven tot uiterlijk 31 december 2024 en dat zij ervan uitgegaan zijn dat dit uitstel ook gold voor het instellen van incidenteel hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is de door belanghebbenden gestelde reden niet voldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat bij de termijnstelling voor het instellen van incidenteel hoger beroep uitdrukkelijk is aangegeven dat voor het instellen van incidenteel hoger beroep geen uitstel kan worden verleend. Het hof zal het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Ter zitting heeft gemachtigde gevraagd om hetgeen is aangevoerd bij het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep (ook) te behandelen als verweren tegen het principaal hoger beroep. De inspecteur heeft aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben. Naar het oordeel van het hof staat er in het onderhavige geval - waarin de rechtbank het beroep van belanghebbenden gegrond heeft verklaard en de navorderingsaanslagen volledig heeft vernietigd – geen rechtsregel aan in de weg om de in het incidenteel hoger beroep aangevoerde grieven te behandelen als verweren tegen het principaal hoger beroep. Het hof zal dat dan ook doen en ziet aanleiding deze verweren als eerste te behandelen.
Ten aanzien van het geschil
Nieuw feit en navorderingstermijn (punten iv, v en vi)
Belanghebbenden stellen dat de inspecteur niet bevoegd was om na te vorderen omdat hij niet beschikte over een nieuw feit dat de navorderingen rechtvaardigt, de navorderingsaanslagen te laat zijn vastgesteld en deze te laat bekend zijn gemaakt.
Ter onderbouwing van hun stelling dat de inspecteur bij de navorderingen niet over een nieuw feit beschikte, voeren belanghebbenden aan dat de inspecteur alleen informatie had over een bankrekening in Zwitserland over de jaren vanaf 2010, en niet over de jaren 2006 en 2007.
De inspecteur voert daartegen aan dat de informatie die hij op 1 oktober 2018 van de Zwitserse autoriteiten kreeg over de Zwitserse bankrekening aanleiding was voor nader onderzoek en dat daaruit bleek dat [belanghebbende] en [naam] de Zwitserse bankrekening al voor 2006 hadden geopend.
Voor navordering over de jaren 2006 en 2007 is in beginsel een nieuw feit vereist. Dat is een feit dat de inspecteur bij het opleggen van de (primitieve) aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Dat [belanghebbende] en [naam] een rekening bij een Zwitserse bank aanhielden werd de inspecteur pas bekend op 1 oktober 2018 en dus na het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2006 en 2007. De inspecteur beschikt dus over een nieuw feit dat de navorderingen rechtvaardigt.
Volgens belanghebbenden heeft [belanghebbende] zijn aangiften zonder uitstel en tijdig ingediend en hadden de navorderingsaanslagen IB/PVV 2006 en 2007 uiterlijk op 31 december 2018, respectievelijk 31 december 2019 vastgesteld moeten worden. Omdat de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 op 16 december 2019 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 op 22 januari 2021 zijn gedagtekend, zijn deze te laat opgelegd, aldus belanghebbenden.
De inspecteur voert daartegen aan dat de navorderingstermijn wordt verlengd met het gevraagde en verleende uitstel voor het doen van de aangiften. Hij heeft gesteld dat aan de toenmalige gemachtigde van [belanghebbende] voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2006 uitstel is verleend tot 1 april 2008 (12 maanden uitstel) en voor de aangifte IB/PVV 2007 uitstel is verleend tot 1 mei 2009 (13 maanden uitstel). Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij systeemprints ingebracht van de Belastingdienst Centrale Verwerking Uitstel regeling.
De vraag die voorligt is of [belanghebbende] voor het indienen van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2006 en 2007 uitstel heeft gevraagd, en zo ja, of dit uitstel hem (al dan niet via zijn gemachtigde) duidelijk kenbaar is verleend. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, gelet op de door hem in hoger beroep ingebrachte systeemprints, aannemelijk gemaakt dat de gemachtigde van [belanghebbende] voor het indienen van de aangiften om uitstel heeft gevraagd op grond van de Becon-regeling. Eveneens is aannemelijk dat dit uitstel van 12 maanden voor de aangifte IB/PVV 2006 en 13 maanden voor de aangifte IB/PVV 2007 duidelijk kenbaar aan de gemachtigde is verleend omdat uit de systeemprints blijkt dat de aangifte IB/PVV 2006 is ingediend op 17 december 2007 en de aangifte IB/PVV 2007 op 15 april 2009. Dat van het verleende uitstel niet volledig gebruik is gemaakt, is niet relevant. De navorderingstermijn wordt verlengd met de periode waarvoor het uitstel is gegeven. De navorderingsaanslagen zijn dus tijdig vastgesteld.
Omdat de inspecteur beschikt over een nieuw feit dat de navorderingen rechtvaardigt en de navorderingsaanslagen tijdig zijn vastgesteld, faalt het standpunt van belanghebbenden dat de inspecteur niet bevoegd was om na te vorderen.
Belanghebbenden stellen ook dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2006 en 2007 niet voor 31 december 2019, respectievelijk voor 31 januari 2021 en daarmee dus te laat aan [belanghebbende] respectievelijk belanghebbenden zijn toegezonden. Zij betogen dat de navorderingsaanslagen dan ook te laat zijn bekendgemaakt en dat deze dus moeten worden vernietigd.
De inspecteur stelt dat de navorderingsaanslagen zoals gebruikelijk vóór hun dagtekening naar het juiste adres zijn verzonden. Hij legt een systeemprint over waaruit blijkt dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 op 10 december 2019 is aangemaakt en een systeemprint van de aantekeningen van de aanslagregelaar waarop is vermeld dat zij op 10 december 2019 bericht heeft gekregen van “av verwerking” dat de navordering aan [belanghebbende] is verzonden met dagtekening 16 december 2019. Volgens de inspecteur is de stelling van belanghebbenden ongeloofwaardig omdat deze niet voor de zitting in eerste aanleg is betrokken en belanghebbenden niet aangeven op welke datum de navorderingsaanslagen zijn ontvangen. Ook wijst de inspecteur op het door de zoon van [belanghebbende] en [naam] namens zijn vader gemaakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006. Als verklaring voor de overschrijding van de bezwaartermijn verwijst de zoon daarin niet naar een te late bekendmaking van de navorderingsaanslag, maar geeft hij aan dat hij de navorderingsaanslag aantrof toen zijn moeder hem geruime tijd na de crematie van zijn vader vroeg om de administratie van zijn vader op te schonen.
Ter zitting heeft het hof aan de gemachtigde van belanghebbenden gevraagd waarop hij zijn stelling dat de Belastingdienst de navorderingsaanslagen te laat heeft verzonden, baseert. Daarop heeft gemachtigde aangegeven dat hij dit standpunt heeft ingenomen omdat het procesdossier geen bewijs van verzending van de navorderingsaanslagen bevat. Op de vervolgvraag of hij bij belanghebbenden heeft nagevraagd wanneer de navorderingsaanslagen zijn ontvangen heeft gemachtigde geantwoord dat door het overlijden van [belanghebbende] niet meer is na te gaan wanneer hij de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 heeft ontvangen en dat de zoon heeft aangegeven niet meer te weten wanneer hij de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 heeft ontvangen.
In het algemeen mogen aan de motivering van een stelling als de onderhavige geen zware eisen worden gesteld, omdat een belastingplichtige nu eenmaal niet in de keuken van de Belastingdienst, de verzender, kan kijken. Maar wat hij wel kan, is aangeven of en wanneer hij de navorderingsaanslag heeft ontvangen. Nu vaststaat dat [belanghebbende] respectievelijk belanghebbenden de navorderingsaanslagen hebben ontvangen, maar belanghebbenden niet kunnen aangeven wanneer, komt het hof tot het oordeel dat niet is voldaan aan de plicht om gemotiveerd te stellen dat de navorderingsaanslagen te laat zijn verzonden. Hierbij neemt het hof ook in aanmerking dat belanghebbenden voor het eerst in hoger beroep melding hebben gemaakt van een te late bekendmaking van de navorderingsaanslagen. Om deze redenen faalt het standpunt van belanghebbenden en is de slotsom dat de inspecteur bevoegd was om na te vorderen en dit tijdig heeft gedaan. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
Vereiste aangifte en redelijke schatting
De inspecteur stelt dat [belanghebbende] in 2006 en 2007 een substantieel tegoed had op de Zwitserse bankrekening en dat hij voor die jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan door dit tegoed niet aan te geven als bezitting in box 3. Omdat belanghebbenden niet overtuigend hebben doen blijken dat de navorderingsaanslagen onjuist zijn, had het beroep ongegrond moeten worden verklaard, aldus de inspecteur.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Verder worden inhoudelijke gebreken in de aangifte slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast.
De inspecteur onderbouwt zijn stelling dat de Zwitserse bankrekening al voor 2006 bestond met verwijzing naar de verklaring van [belanghebbende] (zie 2.4) dat hij een rekening bij de Zwitserse bank heeft geopend in verband met zijn werkzaamheden vanaf 1970. Verder verwijst de inspecteur naar de stukken voor de opening van de Zwitserse bankrekening en met name de daaraan gehechte kopie van het paspoort van [naam] die geldig was tot 28 februari 2001. Hij leidt daaruit af dat de Zwitserse bankrekening voor die datum moet zijn geopend. Voor de berekening van het gemiddelde banktegoed in 2006 en 2007 verwijst de inspecteur naar het saldo op 1 januari 2011 van € 287.339 en naar het feit dat dit saldo in de drie daarop volgende jaren met gemiddeld € 70.000 per jaar is afgenomen. Hij verwijst ook naar de door de Belastingdienst opgestelde notitie “Memo groepsverzoeken Zwitserland (UBS) - Redelijke schatting navorderingsaanslagen 2003-2004” zoals dit door hem in geschoonde vorm is bijgevoegd bij het verweerschrift in eerste aanleg. Belanghebbenden stellen dat [belanghebbende] en [naam] in 2006 en 2007 geen tegoeden op buitenlandse bankrekeningen hadden.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat de Zwitserse bankrekening al voor 2006 bestond. Hetgeen belanghebbenden hebben aangevoerd over de mogelijkheid dat banken in de jaren 2006 en 2007 bij de identificatie mogelijk genoegen zouden hebben genomen met een verlopen paspoort is niet aannemelijk en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Verder heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat het saldo op de Zwitserse bankrekening in 2006 en 2007 niet (veel) lager is geweest dan het saldo van € 287.339 op 1 januari 2011. Uit de verklaring van [belanghebbende] blijkt immers dat zijn tegoed bij de Zwitserse bank is gevoed door de betalingen van zijn werkgever en belanghebbenden hebben aangegeven dat [belanghebbende] tot circa het jaar 2000 heeft gewerkt. Dat het tegoed van [belanghebbende] en [naam] bij de Zwitserse bank ook vanuit een andere bron is gevoed, is gesteld noch gebleken. Het is dan ook aannemelijk dat er vanaf circa 2000 voor [belanghebbende] en [naam] geen bedragen meer bij de Zwitserse bank zijn gestort en dat het banktegoed in 2006 en 2007 niet (veel) lager is geweest dan het saldo op 1 januari 2011. Door het tegoed bij de Zwitserse bank niet op te nemen in zijn aangiften heeft [belanghebbende] foute aangiften IB/PVV 2006 en 2007 ingediend. De volgens die foute aangiften verschuldigde belasting is op zichzelf bezien en ook verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de over die jaren werkelijk verschuldigde belasting. Dat ook buitenlandse banktegoeden behoren tot de bezittingen in box 3 is van algemene bekendheid. Hieruit volgt dat [belanghebbende] bij het doen van zijn aangiften IB/PVV 2006 en IB/PVV 2007 heeft geweten dat de volgens deze aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting. De bewijslast is dan ook omgekeerd en verzwaard.
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat echter onverlet dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen dient uit te gaan van een redelijke schatting, welke redelijke schatting de inspecteur aannemelijk dient te maken. Dit vereiste van een redelijke schatting heeft tot doel te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld. Wanneer de door de inspecteur gemaakte schatting redelijk moet worden geacht, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbenden, wanneer zij de op basis van deze schatting vastgestelde aanslagen betwisten, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.
De inspecteur heeft zijn schatting van het saldo van de Zwitserse bankrekening in 2006 en 2007 gebaseerd op extrapolatie van de banksaldi (en de dalende trend daarvan) in de jaren 2011 tot 2014. Een dergelijke extrapolatie is in beginsel slechts verantwoord indien er voldoende grond is om aan te nemen dat de feitelijke situatie over de jaren 2006 tot 2014 een vergelijkbaar beeld vertoont met de feitelijke situatie over de jaren 2011 tot 2014. Naarmate de periode tussen de referentieperiode en de periode waarnaar geëxtrapoleerd wordt toeneemt is er minder grond om aan te nemen dat het feitelijke beeld vergelijkbaar is. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende grond om aan te nemen dat het saldo op de Zwitserse bankrekening al vanaf 2006 in dezelfde mate daalt als na 1 januari 2011. Naar het oordeel van het hof kan het saldo van de Zwitserse bankrekening in 2006 en 2007 in redelijkheid op € 287.339 worden geschat, zijnde het via het CLO gerenseigneerde banksaldo op 1 januari 2011 (zie 2.8) en niet hoger. [belanghebbende] en belanghebbenden hebben slechts informatie verstrekt over het banksaldo op de Zwitserse bankrekening in 2013 en 2014 en hebben ook niet op andere wijze overtuigend aangetoond dat het banksaldo in 2006 en 2007 lager dan € 287.339 was. Het hof volgt de inspecteur daarom niet in zijn primaire maar wel in zijn subsidiaire standpunt. Omdat het saldo op de Zwitserse bankrekening voor de jaren 2006 en 2007 dient te worden geschat op € 287.339 wordt de helft daarvan (€ 143.669) aan [belanghebbende] als bezittingen in box 3 toegerekend. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient daarom te worden vastgesteld op € 6.095 (navorderingsaanslag IB/PVV 2006) respectievelijk € 5.746 (navorderingsaanslag IB/PVV 2007). De heffingsrente dient dienovereenkomstig te worden verminderd.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding immateriële schade
Belanghebbenden hebben niet in de beroepsfase, maar voor het eerst in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van het belastinggeschil. In een zodanig geval heeft te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.
De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift (tegen de navorderingaanslag IB/PVV 2006) ontvangen op 12 februari 2020. Het hof doet uitspraak op 24 juni 2026. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd moet worden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met 29 maanden. Voor de vergoeding van immateriële schade wordt als uitgangspunt een bedrag gehanteerd van € 500 per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. Dit betekent dat belanghebbenden recht hebben op een vergoeding van immateriële schade van € 2.500 voor de onderhavige zaken en de zaken met nummer 24/1313 en 24/1314 gezamenlijk, daarbij overwegende dat de zaken door de inspecteur, de rechtbank en het hof gelijktijdig zijn behandeld en in hoofdlijnen betrekking hebben op dezelfde juridische vraagstukken. De vergoeding van de schade wordt verder naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de inspecteur en de minister. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase van (afgerond) 7 maanden, zal het hof de inspecteur veroordelen tot het betalen van een vergoeding van € 301,50 (de helft van € 603, 7/29e deel). De minister zal worden veroordeeld voor het overige, te weten € 948,50 (de helft van € 1.897). Het hof merkt de minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
In de omstandigheid dat aan belanghebbenden een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van het belastinggeschil wordt toegekend, vindt het hof aanleiding om de inspecteur en de minister ieder voor de helft te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt het hof tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tevens worden daarbij de onderhavige zaken en de zaken met nummer 24/1313 en 24/1314 aangemerkt als samenhangende zaken.
Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het hoger beroep daarom vast op de helft van 1 (punt) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 116,75.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, M.E. Smorenburg en J. Wessels, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.