ECLI:NL:GHSHE:2026:1666

ECLI:NL:GHSHE:2026:1666

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 23-06-2026
Datum publicatie 25-06-2026
Zaaknummer 200.361.445_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Kort geding. Betaling van een geldsom. Uitleg Garantiestelling. Vordering deels voldoende aannemelijk.

Uitspraak

5. Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6. De verdere beoordeling

Waar gaat deze zaak over?

LLOB heeft op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden verricht voor MDrivers. MDrivers heeft de door LLOB verstuurde facturen niet betaald. LLOB heeft daarop Intergroup aangesproken op grond van een garantiestelling. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft LLOB er gerechtvaardigd op vertrouwd dat Intergroup hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld van MDrivers aan LLOB. Nu LLOB een deel van het gevorderde bedrag niet met facturen heeft onderbouwd en Intergroup deze heeft betwist, zal het hof een deel van het gevorderde bedrag afwijzen.

De feiten

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

Intergroup is samen met SchieGotthard B.V. (hierna: SchieGotthard) aandeelhouder van Rail4ward B.V. (hierna: Rail4ward). Rail4ward en Sbcn B.V. (hierna: Sbcn) zijn via Mthode Rail Alliance B.V. (hierna: Mthode) indirect aandeelhouder van MDrivers B.V. (hierna: MDrivers). Bestuurder en aandeelhouder van Intergroup is [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Bestuurder en aandeelhouder van SchieGotthard en Rail4ward is T.T.M. [persoon B] (hierna: [persoon B] ). Aandeelhouder van Sbcn is T. [persoon C] (hierna: [persoon C] ).

MDrivers is opgericht op 24 november 2023 en biedt goederenvervoer per spoor en overige spoorwegdiensten aan in Europa. Enig bestuurder van MDrivers is [persoon C] .

LLOB verleent diensten aan spoorwegondernemingen, zoals MDrivers. LLOB levert personeel voor spoorwegdiensten, waaronder machinisten, rangeerders, wagoncontroleurs en safety managers, en biedt daarnaast ondersteuning in de bedrijfsvoering.

Om haar activiteiten te kunnen uitoefenen, had MDrivers een bedrijfsvergunning/licentie van de Inspectie Leefomgeving & Transport (hierna: ILT) nodig. Deze bedrijfsvergunning/licentie is op enig moment aangevraagd. De ILT heeft in een e-mailbericht van 12 december 2024 het volgende aan Mthode bericht:

“Hierbij info mbt een garantstelling:

Aangetoond moet worden dat de financiële positie van de spoorwegonderneming toereikend is om ten minste gedurende een jaar te voldoen aan haar bestaande en toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit de huidige dan wel de voorgenomen bedrijfsvoering.

Wat moet er tenminste in de garantstelling staan?

De aandeelhouders CQ investeerders genaamd…moeten schriftelijk verklaren zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden. (vergelijk de verklaring in het concernrecht artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek.

Het zou mooi zijn als jullie die garantstelling morgen tijdens het overleg al aan ons zouden kunnen voorleggen.”

Daarop is namens Mthode, met in de cc [persoon C] , als volgt gereageerd:

“We nemen deze tekst mee in de opzet van een verklaring zodat dit morgenochtend als input kan gelden.”

Op 12 december 2024 is door Intergroup, Sbcn, SchieGotthard en Rail4Ward een zogenaamde “Garantiestelling aandeelhouders ten aanzien van MDrivers” (hierna: de Garantiestelling) ondertekend. Namens Intergroup heeft [persoon A] getekend. De Garantiestelling houdt het volgende in:

“Aan: Inspectie Leefomgeving & Transport

T.n.v. (…)

Mdrivers B.V. is als Spoorwegonderneming met ERA veiligheidscertificaat in de start-up fase en geeft met de onderstaande garantiestelling vanuit aandeelhouders expliciet aan dat zij haar bestaande en toekomstige financieel economische verplichtingen voor ten minste een jaar (2025) kunnen waarborgen welke voortvloeien uit de huidige dan wel voorgenomen bedrijfsvoering.

Genoemde aandeelhouders geven hierbij aan garant te zullen staan alsook zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden (artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek).

Aandeelhouders welke garant staan voor MDrivers B.V. zijn respectievelijk:

(…)

Intergroup B.V.

(…)”.

Op 13 december 2025 is door ILT een bedrijfsvergunning/licentie aan MDrivers verleend.

Op 21 februari 2025 is er telefonisch contact geweest tussen LLOB en [persoon D] , Operations Manager van MDrivers. Op 22 februari 2025 heeft LLOB een offerte gestuurd aan MDrivers.

Op 30 mei 2025 heeft Intergroup (samen met Rail4ward en SchieGotthard) een verklaring uitgebracht getiteld “Intrekking c.q. herroeping”, waarbij Intergroup (kort samengevat) verklaart van mening te zijn dat de Garantiestelling niet rechtsgeldig is en er geen beroep op kan worden gedaan door wie dan ook.

Op 5 juni 2025 heeft de advocaat van LLOB de aandeelhouders genoemd in de Garantiestelling, waaronder Intergroup, hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de vordering van LLOB op MDrivers en heeft zij de aandeelhouders gesommeerd het openstaande bedrag te betalen.

Bij brief van 10 juni 2025 heeft de advocaat van Intergroup, Rail4ward en SchieGotthard het bestaan en de omvang van de gestelde vordering van LLOB betwist. Voorts is aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Bij vonnis van 29 juli 2025 is het faillissement van MDrivers uitgesproken.

De procedure bij de voorzieningenrechter

LLOB heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter Intergroup veroordeelt tot betaling van € 148.156,88 aan openstaande facturen, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 2.256,57 aan LLOB, binnen twee dagen na betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de respectieve facturen tot aan de dag van algehele voldoening. Voorts heeft LLOB gevorderd dat Intergroup wordt veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Aan haar vorderingen heeft LLOB ten grondslag gelegd dat zij vanaf 22 februari 2025 voor MDrivers diverse opdrachten heeft uitgevoerd. Voorafgaand hieraan heeft MDrivers aan LLOB de Garantiestelling verstrekt. De facturen van LLOB zijn door MDrivers erkend. LLOB heeft, als gevolg van het uitblijven van betaling door MDrivers, Intergroup aangesproken op grond van de Garantiestelling. LLOB mocht, gelet op de duidelijke bewoordingen van de Garantiestelling en de professionele hoedanigheid van Intergroup, er gerechtvaardigd op vertrouwen dat deze verklaring ook tegenover haar als (toekomstig) schuldeiser van MDrivers werking had, aldus LLOB.

Intergroup heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

Bij mondeling vonnis van 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van LLOB toegewezen.

Het vonnis was ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep door Intergroup nog niet uitgevoerd.

De procedure in hoger beroep

Intergroup is in hoger beroep gekomen en heeft zes grieven geformuleerd. Intergroup vordert dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter zal vernietigen en de vorderingen van LLOB alsnog zal afwijzen en LLOB zal veroordelen tot terugbetaling aan Intergroup van al hetgeen Intergroup op grond van het vonnis van 28 oktober 2025 heeft betaald, met veroordeling van LLOB in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.

LLOB concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Intergroup in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Door partijen wordt de hiervoor in rechtsoverweging 6.2.5 omschreven Garantiestelling op verschillende manieren in de processtukken geduid en omschreven, bijvoorbeeld als garantstelling of garantieverklaring. Het hof zal als terminologie telkens hanteren “Garantiestelling”.

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat LLOB spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Voor zover in grief 5 melding wordt gemaakt dat deze grief ook is gericht tegen het aannemen van spoedeisend belang door de voorzieningenrechter is dit door Intergroup niet van een inhoudelijke motivering voorzien. Daarom gaat het hof hieraan voorbij.

Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, dient, zo nodig ambtshalve, mede te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van het door het hof te wijzen arrest (ex nunc).

LLOB heeft bij dagvaarding in eerste instantie haar spoedeisend belang toegelicht en daarbij gewezen op (kort gezegd) de nijpende financiële positie waarin zij verkeert. Intergroup heeft dat ook in hoger beroep niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden. Naar het oordeel van het hof heeft LLOB voldoende gesteld voor haar spoedeisend belang.

Maatstaf betaling geldsom in kort geding

Als in een kort geding veroordeling tot betaling van een geldsom wordt gevorderd, is de voorzieningenrechter gehouden daarmee terughoudend om te gaan (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA5519). Bij de beoordeling of de gevraagde voorziening toewijsbaar is, moet de voorzieningenrechter daarom onderzoeken of (i) het bestaan van de geldvordering voldoende aannemelijk is en (ii) daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Vervolgens moet de voorzieningenrechter de belangen van partijen afwegen en daarin (iii) betrekken wat het risico is van de onmogelijkheid van terugbetaling door de eiser in kort geding, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

Alhoewel de voorzieningenrechter het toetsingskader anders heeft omschreven, gaat het hof ervan uit dat de voorzieningenrechter de hiervoor bedoelde maatstaf heeft gehanteerd. Ook het hof zal deze maatstaf toepassen.

De Garantiestelling

Grief 3 komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Garantiestelling kwalificeert als een “eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling”, waarbij op het moment van ondertekenen de gehoudenheid van Intergroup voor het voldoen van schulden van MDrivers is ontstaan. Volgens Intergroup is de Garantiestelling enkel voor ILT bedoeld en kan ook alleen ILT er een beroep op doen. Voor zover de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat “gelet op de duidelijke bewoordingen” van de Garantiestelling deze betrekking heeft op alle schulden, heeft de voorzieningenrechter de Haviltex-maatstaf miskend. Ten onrechte is de voorzieningenrechter eraan voorbij gegaan dat de Garantiestelling niet kwalificeert als een 403-verklaring. Mocht aangenomen worden dat de Garantiestelling een gerichte verklaring is, dan stemmen de wil en de verklaring niet overeen en geldt de verklaring als ingetrokken. Indien wordt aangenomen dat sprake is van een ongerichte verklaring dan komt LLOB geen beroep toe op de Garantiestelling, omdat zij, door kennisneming van de intrekkingsverklaring niet in redelijkheid op de juistheid van de vermeende veronderstelling heeft kunnen handelen. De conclusie is hoe dan ook dat aan LLOB en andere schuldeisers geen beroep toekomt op de Garantiestelling tegenover Intergroup, aldus Intergroup.

Eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling?

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit rechtshandelingen van MDrivers voortvloeiende schulden door Intergroup een eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling van Intergroup is. Grief 3 komt hier, beargumenteerd en nader onderbouwd met opinies, tegen op. De beantwoording van de vraag of in casu sprake is van een eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling is inmiddels in verschillende bodemprocedures aan de orde gesteld. Het hof zal in deze kort geding procedure het antwoord op de vraag of in casu sprake is van een eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling in het midden laten, nu het hof in deze zaak voorshands van oordeel is dat LLOB een beroep op artikel 3:36 BW toekomt.

Op welk moment was de Garantiestelling bij LLOB bekend?

Tussen partijen is in geschil op welk moment LLOB bekend was met de Garantiestelling. LLOB heeft gesteld dat zij voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van MDrivers de Garantiestelling via MDrivers heeft ontvangen. Via Whatsapp heeft MDrivers op 21 februari 2025 (een foto van) de Garantiestelling naar LLOB verstuurd. Intergroup heeft betwist dat LLOB de Garantiestelling voorafgaand aan de werkzaamheden heeft ontvangen.

LLOB heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zij de Garantiestelling op 21 februari 2025 van MDrivers heeft ontvangen. Uit het relaas van de bestuurder van LLOB in productie 10, waarbij een printscreen is gevoegd, en de mededeling van de advocaat van LLOB tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat hij de whatsapp-conversatie voor zich heeft en dat daaruit blijkt dat de foto van de Garantiestelling op 21 februari 2025 om 18.54u via Whatsapp is verzonden door MDrivers en is ontvangen door LLOB, kan naar het voorlopig oordeel van het hof worden afgeleid dat LLOB de Garantiestelling op 21 februari 2025 heeft ontvangen. De omstandigheid dat LLOB de Whatsapp-conversatie niet in het geding heeft gebracht, doet hieraan niet af.

Uitleg van de Garantiestelling door LLOB

Tussen partijen is niet in geschil dat de Garantiestelling op verzoek van ILT is opgesteld en aan ILT is geadresseerd. De omstandigheid dat de Garantiestelling is geadresseerd aan ILT, heeft niet tot gevolg dat LLOB geen beroep kan doen op de Garantiestelling die zij voorafgaand aan haar werkzaamheden voor MDrivers heeft ontvangen. LLOB heeft naar het voorlopig oordeel van het hof immers te gelden als een derde in de zin van artikel 3:36 BW bij de uitgebrachte Garantiestelling. Weliswaar heeft LLOB geen expliciet beroep gedaan op dit artikel (LLOB plaatst haar gerechtvaardigd vertrouwen in de sleutel van artikel 3:35 BW), maar de door haar gestelde feiten brengen mee dat het hof met toepassing van artikel 25 Rv haar stellingen verstaat als (ook) een beroep op artikel 3:36 BW. Voor zover door Intergroup is aangevoerd dat MDrivers Intergroup onbevoegd heeft vertegenwoordigd doordat MDrivers de Garantiestelling heeft verspreid, miskent Intergroup dat LLOB niet is afgegaan op een (schijn van) vertegenwoordiging door MDrivers van Intergroup; LLOB baseert haar aanspraak rechtstreeks op de verklaring die Intergroup in de Garantiestelling heeft afgelegd en beroept zich op de rechtsgevolgen daarvan.

Nu LLOB heeft te gelden als een derde in de zin van artikel 3:36 BW betekent dat LLOB (kort gezegd) beschermd wordt als zij (i) gerechtvaardigd vertrouwde op (ii) een door een ander gewekte schijn dat (iii) een bepaalde rechtsbetrekking was ontstaan, mits (iv) LLOB voortbouwend op haar vertrouwen heeft gehandeld. Het komt in deze zaak aan op de zin die LLOB in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aan de Garantiestelling mocht toekennen (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AT8969).

LLOB heeft in dit verband naar voren gebracht dat de verklaring in de Garantiestelling geldt jegens alle schuldeisers van MDrivers en vereist was voor de vergunning van MDrivers op grond van artikel 28 Spoorwegwet jo artikel 5a Besluit bedrijfsvergunning en enkele vrijstellingen veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen (hierna: het Besluit). De Garantiestelling bood LLOB de noodzakelijke financiële zekerheid om haar werkzaamheden te verrichten zonder voorafgaande betaling of het verlangen van aanvullende zekerheiden, en maakte het mogelijk een ruimere betalingstermijn te hanteren. Zonder de Garantiestelling had LLOB de werkzaamheden niet uitgevoerd, althans niet onder deze voorwaarden. De Spoorwegwet en de Garantiestelling boden het vertrouwen dat betaling gewaarborgd was. LLOB mocht uit de verwijzing naar artikel 2:403 BW redelijkerwijs afleiden en mocht daarop ook vertrouwen dat Intergroup met de Garantiestelling dezelfde werking heeft beoogd als met een ‘403-verklaring’, te weten hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de schuldeisers van MDrivers.

Naar het voorlopig oordeel van het hof mocht LLOB op grond van de Garantiestelling er gerechtvaardigd op vertrouwen dat Intergroup (samen met de andere aandeelhouders) zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor een (toekomstige) schuld van MDrivers jegens haar. De tekst van de Garantiestelling waarin onder meer is vermeld dat vanuit de aandeelhouders “expliciet” wordt aangegeven dat zij “haar bestaande en toekomstige financieel economische verplichtingen voor ten minste een jaar (2025) kunnen waarborgen welke voortvloeien uit de huidige dan wel voorgenomen bedrijfsvoering” biedt steun voor de uitleg die LLOB aan de Garantiestelling toekent. Dat geldt ook voor de verwijzing naar artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek in de tekst. Dat de Garantiestelling geen 403-verklaring is in de zin van artikel 2:403 BW doet er niet aan af dat LLOB uit die verwijzing mocht afleiden dat het de bedoeling van Intergroup (en de andere aandeelhouders) was dat Intergroup hoofdelijke aansprakelijkheid jegens haar als (toekomstig) schuldeiser van MDrivers aanvaardde. LLOB heeft de Garantiestelling in ieder geval in die zin mogen begrijpen. Voorts is nog van belang dat LLOB reeds gedurende vijftien jaar werkzaam is in het spoorwegvervoer in Europa en naar voren heeft gebracht dat financiële draagkracht voor een onderneming die binnen die branche opereert, vereist is ingevolge de Spoorwegwet en het Besluit. Gelet op deze ervaring en kennis van LLOB, de tekst van de Garantiestelling en de omstandigheid dat de Garantiestelling was gericht aan ILT, een toezichthoudend orgaan van de overheid, op basis waarvan de bedrijfsvergunning is verleend, mocht LLOB redelijkerwijze die betekenis aan de Garantiestelling toekennen, gelijk zij heeft gedaan.

Het hof wil wel aannemen dat (de bestuurder van) Intergroup weinig tot geen ervaring heeft met goederenvervoer over het spoor en dat bij het voorleggen van de Garantiestelling Intergroup mogelijk niet of niet volledig door de andere aandeelhouder Sbcn, in de persoon van [persoon C] , tevens bestuurder van MDrivers is geïnformeerd. De subjectieve beleving van Intergroup over de inhoud van de Garantiestelling is in de relatie tot LLOB echter niet relevant, nu het bij de derdenbescherming van LLOB gaat om de zin die LLOB in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aan de Garantiestelling mocht toekennen. De omstandigheid dat Intergroup mogelijk heeft vertrouwd op [persoon C] , die zou hebben gezegd dat de Garantiestelling uitsluitend jegens ILT zou gelden, betreft een interne kwestie en komt in relatie tot derden, zoals LLOB, voor rekening en risico van Intergroup.

Intrekking/herroeping van de Garantiestelling

De op 30 mei 2025 door Intergroup (samen met Rail4ward en SchieGotthard) uitgebrachte verklaring getiteld “Intrekking c.q. herroeping”, kan Intergroup jegens LLOB niet baten. Nu de Garantiestelling voorafgaand aan de door LLOB uitgevoerde werkzaamheden voor MDrivers bekend was bij LLOB, is bij LLOB het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt. LLOB heeft haar handelen daarop afgestemd, in die zin dat zij de werkzaamheden voor MDrivers heeft uitgevoerd, ervan uitgaande dat Intergroup zich hoofdelijk aansprakelijk had gesteld voor eventuele toekomstige schulden van MDrivers. De latere intrekking/herroeping van de verklaring/Garantiestelling doet niet af aan het gerechtvaardigde vertrouwen dat bij LLOB is ontstaan op basis van de Garantiestelling. Die werkzaamheden waren bovendien afgerond, op het moment dat de intrekking/herroeping LLOB bereikte.

De vordering van LLOB op MDrivers

LLOB heeft gesteld dat op basis van de offerte van 22 februari 2025 een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Vervolgens hebben werkzaamheden plaatsgevonden, uitgevoerd door LLOB ten behoeve van MDrivers. Die werkzaamheden zagen op (onder meer) het organiseren van een locomotief, het leveren van een portofoon, en het dagelijks uitwisselen van treinwagons in Weil am Rhein, Duitsland. Vanaf 1 april 2025 heeft LLOB een safety manager geleverd aan MDrivers. De facturen die LLOB voor de werkzaamheden heeft verstuurd, zijn door MDrivers niet betaald. De vordering van LLOB bedraagt € 148.156,88 aan openstaande facturen die door Intergroup moeten worden betaald, aldus LLOB.

Intergroup betwist dat MDrivers rechtsgeldige opdrachten aan LLOB heeft gegeven, dat tussen MDrivers en LLOB overeenstemming is bereikt over de door LLOB te berekenen prijzen en dat die prijzen zouden corresponderen met de door LLOB toegezonden facturen.

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft LLOB met overlegging van de offerte, de facturen en het Whatsapp-verkeer tussen LLOB en MDrivers (productie 5 bij inleidende dagvaarding) voldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat (stilzwijgend) een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarbij LLOB verschillende werkzaamheden heeft verricht voor MDrivers tegen de prijzen zoals vermeld in de offerte. Uit de facturen volgt bovendien op welke dag de werkzaamheden plaatsvonden, door wie de werkzaamheden werden uitgevoerd en een omschrijving van die werkzaamheden. De vermelde werkzaamheden op de facturen sluiten ten slotte aan bij de prijzen die staan vermeld in de offerte van 22 februari 2025.

LLOB heeft evenwel niet alle facturen overgelegd waaruit de verschillende werkzaamheden kunnen blijken. De vordering van LLOB sluit aan bij het door haar overgelegde overzicht (productie 4 bij inleidende dagvaarding) maar de corresponderende facturen vanaf factuurdatum 30 april 2025 ontbreken. Het aanbod van LLOB tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep om de facturen vanaf factuurdatum 30 april 2025 alsnog over te leggen, acht het hof in dit stadium van de procedure te laat. Het hof is dan ook voorshands van oordeel dat LLOB een vordering heeft op MDrivers van € 79.044,26 (corresponderend met de facturen van 4 maart 2025 tot en met 14 april 2025).

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat het bestaan van een geldvordering van LLOB op Intergroup voldoende aannemelijk is.

Restitutierisico

In grief 5 voert Intergroup aan dat het restitutierisico dat volgens de voorzieningenrechter als “zeer groot” moet worden ingeschat, aanleiding had moeten zijn om de vordering van LLOB af te wijzen.

Zoals het hof hiervoor onder 6.8. voorop heeft gesteld is de voorzieningenrechter, indien in een kort geding veroordeling tot betaling van een geldsom wordt gevorderd, gehouden daarmee terughoudend om te gaan. Naar het oordeel van het hof is de geldvordering van LLOB (met inachtneming van hetgeen het hof onder 6.23. heeft overwogen) voldoende aannemelijk en zijn door LLOB voldoende feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Bij de afweging van de belangen van partijen speelt het restitutierisico een rol, maar is dit niet per se doorslaggevend. Gegeven de aannemelijkheid van de geldvordering en de noodzaak van een onmiddellijke voorziening, staat het restitutierisico in deze zaak niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Grief 5 is tevergeefs voorgesteld.

Wettelijke handelsrente

Grief 6 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de wettelijke handelsrente is verschuldigd door Intergroup over de door LLOB ingestelde vordering.

Tussen partijen is niet in geschil dat de geldvordering van LLOB gebaseerd is op een gesloten handelsovereenkomst tussen MDrivers en LLOB, waarover wettelijke handelsrente verschuldigd is. Zoals hiervoor onder 6.17. is overwogen, mocht LLOB er gerechtvaardigd op vertrouwen dat op grond van de Garantiestelling Intergroup hoofdelijke aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de schulden die voortvloeien uit verbintenissen tussen MDrivers en LLOB. Dat omvat mede de wettelijke handelsrente. Anders dan Intergroup aanvoert, is daarbij niet van belang dat de Garantiestelling zelf niet kwalificeert als een (handels)overeenkomst tussen LLOB en Intergroup. De door Intergroup aanvaarde hoofdelijke aansprakelijkheid leidt er toe dat Intergroup gehouden is tot nakoming onder dezelfde voorwaarden als MDrivers. Grief 6 faalt in zoverre.

Proceskosten en de buitengerechtelijke incassokosten

Grief 6 is mede gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Deze grief kan niet slagen nu Intergroup geldt als de in eerste aanleg op zichzelf terecht in het ongelijk gestelde partij, aangezien de vordering van LLOB deels voor toewijzing in aanmerking komt. Ook indien de voorzieningenrechter het bedrag had toegewezen dat volgens het hof kan worden toegewezen, was Intergroup in de proceskosten van eerste aanleg veroordeeld. Voor de hoogte van de proceskosten in eerste aanleg maakt het lagere toe te wijzen bedrag geen verschil. Nu het hoger beroep van Intergroup deels slaagt, zal LLOB in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Deze worden begroot op:

- dagvaarding in hoger beroep € 119,40

- griffierecht € 6.803,-

- salaris advocaat € 7.594,- (2 punten x Tarief V)

- nakosten € 189,- (plus de verhoging vermeld in de beslissing)

Totaal € 14.705,40

Intergroup zal als de in het incident in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze zal het hof begroten op € 1.290,- (1 punt x Tarief II); de nakosten bedragen € 189,- (plus de verhoging vermeld in de beslissing).

Nu de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke handelsrente ook over het bedrag aan gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, zal het hof dit ambtshalve vernietigen en in plaats daarvan de wettelijke rente daarover toewijzen. Het door het hof toegewezen lagere bedrag leidt bovendien tot aanpassing van het bedrag dat Intergroup als buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel verschuldigd is, te weten een bedrag van € 875,-.

Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de grieven 1 en 2 geen afzonderlijke bespreking. De grieven 3 en 4 leiden tot het oordeel dat de vordering van LLOB op Intergroup deels kan worden toegewezen. De grieven 5 en 6 zijn tevergeefs voorgesteld.

7. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2025, voor wat betreft de beslissing in 4.1, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Intergroup om aan LLOB te betalen een bedrag van € 79.044,26, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt Intergroup om aan LLOB te betalen een bedrag van € 875,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 17 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt LLOB tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep € 14.705,40, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest; als LLOB niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet LLOB € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

veroordeelt LLOB tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zijn voldaan;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Intergroup in de proceskosten in het incident begroot op € 1.479,-, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest; als Intergroup niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Intergroup € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

veroordeelt Intergroup tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zijn voldaan;

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, N.W.M. van den Heuvel en M.C. Schepel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juni 2026.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand