ECLI:NL:GHSHE:2026:1716

ECLI:NL:GHSHE:2026:1716

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 01-07-2026
Datum publicatie 01-07-2026
Zaaknummer 24/1922
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:7896

Samenvatting

Artikel 6:17 Wet IB 2001 Inkomstenbelasting, aftrek specifieke zorgkosten. Belanghebbende maakt kosten niet aannemelijk, bevallingskosten zijn niet als specifieke zorgkosten aftrekbaar. Inspecteur mag interne compensatie toepassen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1922

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] , Filipijnen,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 november 2024, nummer BRE 24/780, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

De zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen.

Belanghebbende heeft op 15 april 2026 verzocht om de zitting langs digitale weg te kunnen bijwonen. De griffier heeft belanghebbende op 21 april 2026 met een bericht geïnformeerd dat belanghebbende de zitting digitaal kan bijwonen en heeft aan belanghebbende daartoe de gegevens verstrekt.

In dit bericht is onder meer aangegeven:

“U ontvangt hierbij een digitale uitnodiging van de griffie. In deze uitnodiging vindt u de link naar de zitting. Indien u niet beschikt over een computer en een internetverbinding, moet u dit het gerechtshof binnen een week na dagtekening van deze uitnodiging berichten. De griffie neemt dan contact met u op om de mogelijkheden te bespreken.”

Dit bericht is op die dag in Mijn Rechtspraak geplaatst, en tevens is op die dag hiervan een notificatie aan belanghebbende, op het door hem verstrekte e-mailadres, gezonden.

Belanghebbende heeft met een bericht van 24 april 2026 gereageerd en zijn telefoonnummer en e-mailadres verstrekt.

Op 30 april 2026 om 11.00 uur heeft de griffier de verbinding in Microsoft Teams geopend. Omdat belanghebbende niet verscheen in de digitale omgeving, heeft het hof nog vijftien minuten gewacht. Tijdens deze vijftien minuten heeft de griffier belanghebbende nog tweemaal telefonisch proberen te bereiken, maar kreeg hij een in-gesprek-toon op het telefoonnummer van belanghebbende.

Om 11.15 heeft het hof het onderzoek ter zitting geopend, en de digitale verbinding in Microsoft Teams open gehouden en de mobiele telefoon waarmee belanghebbende is gebeld, aan laten staan.

Tijdens de zitting is de griffier op zijn mobiele telefoon gebeld. Het hof heeft de zitting geschorst. De griffier is gebeld door een kennis van belanghebbende die aangaf dat het belanghebbende niet lukte om via Whatsapp in de zitting te komen. De griffier heeft uitgelegd, dat belanghebbende de link bij de uitnodiging in zijn webbrowser moest openen om bij de zitting aanwezig te kunnen zijn. De kennis gaf aan dit te zullen doorgeven aan belanghebbende.

Het hof heeft de zitting heropend. Belanghebbende is tijdens de zitting niet meer digitaal verschenen.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Belanghebbende heeft na het sluiten van het onderzoek een bericht in Mijn Rechtspraak geplaatst.

2. Feiten

Belanghebbende heeft op 28 februari 2022 aangifte IB/PVV 2020 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.968. Dit inkomen bestaat uit inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en vroegere dienstbetrekking van respectievelijk € 12.733 en € 3.019 en een aftrek van specifieke zorgkosten van € 784.

Bij het vaststellen van de aanslag op 10 maart 2023 heeft de inspecteur de inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking gecorrigeerd met € 8.716 en de inkomsten uit vroegere dienstbetrekking met € 2.615. De in de aangifte opgenomen specifieke zorgkosten van in totaal € 784 heeft hij in aftrek toegelaten.

Belanghebbende heeft op 20 maart 2023 een tweede aangifte ingediend, die identiek is aan de aangifte van 28 februari 2022. Deze herziene aangifte is door de rechtbank aangemerkt als tijdig bezwaarschrift. Op 12 mei 2023 heeft belanghebbende een derde aangifte ingediend waarin de aftrek van specifieke zorgkosten is gewijzigd naar € 2.366.

Op 12 en 24 oktober 2023 heeft belanghebbende gereageerd op het informatieverzoek van de inspecteur ten aanzien van de opgevoerde specifieke zorgkosten. In zijn e-mails gaf belanghebbende aan dat hij niet beschikt over alle facturen en dat de opgegeven specifieke zorgkosten zijn gemaakt in verband met de geboorte van zijn op de Filipijnen woonachtige zoon en diens moeder (hierna: de moeder). Ter onderbouwing heeft hij documenten bijgevoegd.

Op 22 november 2023 heeft belanghebbende een e-mail aan de inspecteur gestuurd waarin hij aangeeft dat hij € 200 aan ziekenhuiskosten heeft gemaakt, die volgens hem in aanmerking komen voor aftrek. Ter onderbouwing heeft hij een kostenoverzicht 2020 van CZ (vanaf 26 mei 2020), een bankafschrift en een nota van het ziekenhuis overgelegd. Uit het bankafschrift volgt ook dat belanghebbende kosten van € 117,10 aan ‘ [tandarts] ’ heeft betaald.

De aftrek van specifieke zorgkosten zijn in de aangifte, de aanslag, de meest actuele herziene aangifte en de uitspraak op bezwaar als volgt opgebouwd:

medicijnen

kleding/beddengoed

gezinshulp/ bevalling

oogarts

mondzorg

verhoging

drempel

totaal

eerste aangifte

€ 275

€ 470

€ 298

€ 259

€ 784

aanslag

€ 275

€ 470

€ 298

€ 259

€ 784

tweede aangifte (het bezwaar)

€ 275

€ 470

€ 298

€ 259

€ 784

derde aangifte

€ 275

€ 470

€ 1.130

€ 750

€ 259

€ 2.366

uitspraak op bezwaar

€ 275

€ 470

€ 298

€ 259

€ 784

beroepschrift belanghebbende

€ 275

€ 470

€ 1.130

€ 200

€ 117

€ 830

€ 259

€ 2.763

De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.299. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

- is de aanvullende aftrek van specifieke zorgkosten terecht geweigerd?

- indien belanghebbende recht heeft op meer aftrek van specifieke zorgkosten, kan dit gecompenseerd worden met kosten die bij het opleggen van de aanslag in aftrek zijn toegelaten?

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Vooraf

Uitnodiging zitting

De uitnodiging voor de zitting bij het hof is op 10 februari 2026 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Op 21 april 2026 is aan belanghebbende op zijn verzoek een link naar een Teams-omgeving gestuurd om de zitting digitaal bij te kunnen wonen. Belanghebbende heeft op beide berichten gereageerd, zodat vaststaat dat deze belanghebbende hebben bereikt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Het hof merkt de onder 1.8 vermelde brief aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Belanghebbende merkt op dat bij het verzoek tot betaling van het griffierecht geen link was gevoegd. Dat is juist, maar miskent dat belanghebbende op 21 april 2026 de link heeft ontvangen, op welk bericht belanghebbende heeft gereageerd. Daarbij heeft het hof het belang van belanghebbende om bij de zitting aanwezig te zijn afgewogen tegen het belang om zaken binnen een redelijke termijn af te doen en de proceseconomie. Het hof heeft daarbij meegenomen dat belanghebbende de gelegenheid heeft gekregen om een digitale zitting bij te wonen, dat in het bericht van 21 april 2026 is aangegeven hoe belanghebbende bij de zitting aanwezig kon zijn en dat dit ter zitting door de griffier is herhaald.

Beroep op betalingsonmacht griffierecht

Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de hogerberoepsprocedure verschuldigde griffierecht. De griffier van het hof heeft hierin geen aanleiding gezien van heffing van het griffierecht af te zien.

Het beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als de vereiste actuele gegevens en bewijsstukken en eventuele nadere informatie binnen de daartoe gestelde termijn zijn ontvangen en op grond daarvan aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht doordat (i) het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling van de rechtzoekende, en verder (ii) dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij dienen het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. Het gaat hier om het inkomen en vermogen in de periode tussen het moment dat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn.

Belanghebbende heeft met de stukken die hij in reactie op het verzoek van de griffier en de stukken die hij verder heeft overgelegd in de procedure naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de in 4.4 genoemde criteria. Het hof wijst daarom het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht toe. Belanghebbende is voor deze procedure dus geen griffiegeld verschuldigd.

Ten aanzien van het geschil

Uitgaven voor specifieke zorgkosten

Op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) kunnen uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen als deze op de belastingplichtige hebben gedrukt. In de Wet IB 2001 is opgesomd welke uitgaven als specifieke zorgkosten zijn aan te merken. Onder specifieke zorgkosten vallen onder meer uitgaven voor genees- en heelkundige hulp en geneesmiddelen.

Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op een hogere aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten dan tot nu toe is geaccepteerd. Het geschil op dit punt gaat over de hoogte van de aftrek van uitgaven voor geneeskundige hulp, medicijnen en extra kosten van kleding en beddengoed. De inspecteur heeft gemotiveerd bestreden dat belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek voor de posten die in geschil zijn, dan tot nu toe is verleend.

Het hof zal hierna per post beoordelen of belanghebbende aanspraak kan maken op aftrek voor die uitgaven.

Kosten van gezinshulp/bevalling (€ 1.130)

Belanghebbende is in 2020 vader geworden van een zoon. Deze zoon is geboren op [geboortedatum] 2020 in [woonplaats] op de Filipijnen. Niet meer in geschil is dat belanghebbende de vader als bedoeld in de Wet IB 2001 is. De moeder is Filipijnse, woont in [woonplaats] en is in 2020 niet fiscaal partner van belanghebbende.

Belanghebbende heeft diverse afschriften van rekeningen voor kosten die samenhangen met de geboorte van zijn zoon overgelegd. Belanghebbende heeft de kosten in aftrek genomen als “kosten van gezinshulp”. De facturen die belanghebbende heeft overgelegd zijn van een gynaecoloog, van een kinderarts en van het [naam] . Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van extra kosten van gezinshulp als bedoeld in de Wet IB 2001. Het gaat hier om kosten die samenhangen met de bevalling, en die kosten zijn niet aftrekbaar als ziektekosten. Dit is uitdrukkelijk zo aangegeven in de toelichting bij de wetgeving.

Het hof oordeelt daarom dat deze kosten niet als specifieke zorgkosten in aftrek kunnen worden genomen.

Kosten geneeskundige hulp

Belanghebbende heeft € 200 betaald aan kosten voor oogheelkundige hulp. Daarnaast heeft belanghebbende € 117,10 betaald voor mondzorg. Bij zijn hogerberoepschrift heeft belanghebbende nieuwe bewijsstukken overgelegd. De inspecteur heeft aangegeven op grond van deze nieuwe stukken niet meer te weerspreken dat dit specifieke zorgkosten zijn die op belanghebbende drukken en aftrekbaar zijn. Uit het door belanghebbende overgelegde overzicht van zijn ziektekostenverzekering blijkt bovendien dat een deel van de tandartskosten niet is vergoed door de verzekeraar. Het betreft een bedrag van € 20,66. Het hof oordeelt dat een bedrag van € 200 + € 117,10 + € 20,66 = € 337,76 behoort tot de specifieke zorgkosten die in aftrek kunnen worden genomen.

Interne compensatie

Uit 4.11. volgt dat de inspecteur een bedrag van € 337,76 ten onrechte niet heeft geaccepteerd als specifieke zorgkosten. De inspecteur betoogt dat dit gecompenseerd moet worden met kostenposten die eerder ten onrechte wel zijn toegelaten. In de eerste plaats zijn kosten van medicijnen en extra kosten van kleding en beddengoed geaccepteerd, terwijl niet aan de vereisten voor aftrek is voldaan. Daarnaast is een onjuiste, te lage drempel toegepast. Het hof zal eerst beoordelen of de kosten voor medicijnen en de kosten voor extra kleding en beddengoed terecht als zorgkosten zijn geaccepteerd en vervolgens welke drempel geldt. Daarna zal het hof beoordelen of interne compensatie in dit geval mogelijk is.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van € 275 als kosten van medicijnen aangegeven. De inspecteur heeft deze aftrek bij het opleggen van de aanslag geaccepteerd. In de bezwaarprocedure heeft de inspecteur aangegeven dat niet is voldaan aan de voorwaarden van aftrek van deze zorgkosten, maar dit niet te corrigeren omdat belanghebbende door het indienen van een bezwaarschrift niet in een slechtere positie mag komen te verkeren. In beroep en hoger beroep betoogt de inspecteur dat de kosten van medicijnen niet in aftrek kunnen worden genomen, omdat belanghebbende niet aannemelijk maakt, dat deze medicijnen door een arts zijn voorgeschreven.

Belanghebbende heeft een voorschrift overgelegd, maar dit voorschrift dateert van 2023, terwijl deze procedure over het jaar 2020 gaat. Ook in hoger beroep levert belanghebbende verder geen bewijs dat hij kosten heeft gemaakt voor medicijnen die door een arts zijn voorgeschreven. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat dit specifieke zorgkosten zijn, die voldoen aan de wettelijke voorwaarden om in aftrek te kunnen worden genomen. De inspecteur betoogt daarom terecht dat deze kosten ten onrechte in aftrek zijn toegelaten bij het opleggen van de aanslag.

Belanghebbende heeft kosten voor extra kleding en beddengoed als specifieke zorgkosten voor een bedrag van € 470 in aanmerking genomen. Aftrek voor extra kleding en beddengoed is alleen mogelijk als belanghebbende bewijst dat sprake is van extra kosten die voortvloeien uit ziekte of invaliditeit. Bovendien moet belanghebbende bewijzen dat de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal gaan duren. Belanghebbende heeft geen bewijs overgelegd van de aard en (vermoedelijke) duur van de ziekte of invaliditeit. Belanghebbende heeft ook niet laten blijken dat sprake is van extra kosten ten opzichte van personen die niet ziek zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor aftrek van kosten van extra kleding en beddengoed. Het hof oordeelt dat deze kosten niet als specifieke zorgkosten in aftrek kunnen worden genomen.

In de Wet IB is bepaald dat uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen voor zover deze kosten meer bedragen dan een drempel. Die drempel is in dit geval 1,65% van het inkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Dit betekent de drempel 1,65% van € 27.083, dus € 446 bedraagt. Bij de aanslag is ten onrechte uitgegaan van een drempel van € 259. De drempel die is toegepast, is daardoor € 446 -/- € 259 = € 187 te laag.

Uit 4.11 volgt dat de inspecteur ten onrechte een bedrag van € 337,76 niet heeft geaccepteerd. Uit 4.13 tot en met 4.16 volgt dat bij het opleggen van de aanslag een bedrag van € 784 te veel is geaccepteerd. De inspecteur betoogt dat deze bedragen met elkaar verrekend moeten worden. Belanghebbende vraagt het hof te oordelen dat er niet verrekend kan worden. Deze wijze van verrekenen, interne compensatie genoemd, is op grond van vaste rechtspraak toegestaan. Dit gaat niet zo ver, dat het te betalen bedrag in het nadeel van belanghebbende mag worden gecorrigeerd. De aftrek van ziektekosten, zoals vastgesteld bij de aanslag, was gelet op het bovenstaande te hoog, maar deze blijft in stand.

Dit heeft tot gevolg, dat hoewel belanghebbende op een tweetal punten gelijk krijgt, zijn beroep ongegrond verklaard wordt en de aanslag, zoals vastgesteld na bezwaar, in stand blijft.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door J. Rietveld, voorzitter, J.M. van der Vegt en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx J. Rietveld

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026081208 NLF 2026/1640 V-N Vandaag 2026/1667 FutD 2026-1452
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand