GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/15
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 december 2024, nummer BRE 23/10162, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2020 (hierna: de aanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 te doen. Hij heeft geen aangifte gedaan.
De inspecteur heeft ambtshalve de aanslag opgelegd.
De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.240 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 28.879. Tevens is bij beschikking € 901 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een verzuimboete van € 385 opgelegd.
Belanghebbende heeft in het verleden schenkingen gedaan aan algemeen nut beogende instellingen die hij niet (geheel) ten laste van zijn belastbare inkomen heeft kunnen brengen. Voor het niet in aftrek gebrachte deel heeft de inspecteur beschikkingen niet gerealiseerde persoonsgebonden aftrek (hierna: pga) gegeven van in totaal € 606.166. Bij de ambtshalve opgelegde aanslag IB/PVV 2020 is de inspecteur uitgegaan van een inkomen uit werk en woning (box 1) van € 664.406, en heeft de volledige niet gerealiseerde pga verrekend.
De inspecteur heeft in de beroepsfase geconcludeerd dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Met een beroep op interne compensatie heeft hij geconcludeerd dat de aanslag als volgt moet worden verminderd:
- een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 114.406, te verminderen met € 114.406 pga tot nihil, en
- een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 104.802, te verminderen met € 104.802 pga tot nihil, en
- een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 1.061.996, te verminderen met € 386.908 pga tot € 675.088,
- met verrekening van € 32.808 loonheffing en € 159.299 dividendbelasting.
De rechtbank heeft de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 675.038, met verrekening van € 32.808 loonheffing en € 159.299 dividendbelasting, de rentebeschikking evenredig verminderd en de boetebeschikking gehandhaafd.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag, zoals verminderd door de rechtbank, te hoog is vastgesteld en of terecht een verzuimboete is opgelegd.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag tot nihil en vernietiging van de verzuimboete. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat om die reden de bewijslast is omgekeerd en verzwaard.
Het hof dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het bedrag van de aanslag, zoals verminderd door de rechtbank, redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld.In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de door de inspecteur gemaakte berekeningen van het inkomen van belanghebbende redelijk zijn. De inspecteur is uitgegaan van de hem bekende gegevens over het inkomen en vermogen van belanghebbende en belanghebbende heeft de juistheid van die gegevens niet weersproken.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of belanghebbende heeft doen blijken dat de schatting, alhoewel deze redelijk is, te hoog is.
Belanghebbende heeft geen bewijs geleverd waaruit volgt dat de aanslag lager moet zijn dan door de rechtbank is vastgesteld. Voor zover belanghebbende zijn stelling herhaalt dat hij in 2020 een schenking heeft gedaan aan [stichting] van € 650.000, heeft hij daarvan ook in hoger beroep geen bewijs overgelegd. Het hof merkt op dat met de giften in eerdere jaren, waarvoor de inspecteur beschikkingen pga heeft gegeven, rekening is gehouden bij het opleggen van de aanslag (zie 2.4 en 2.5).
Met betrekking tot de verzuimboete heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“3.4. De aan belanghebbende opgelegde boete is een zogenaamde verzuimboete. Belanghebbende was in verzuim doordat hij de aangifte IB/PVV niet heeft ingediend. Dat enkele feit is voldoende reden om in dit geval een verzuimboete op te leggen, tenzij belanghebbende geen enkele schuld heeft aan het verzuim. Dat noemt men ‘afwezigheid van alle schuld’ (avas). Voor het constateren van avas is vereist dat de belanghebbende stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat (tijdig) aangifte zou worden gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet de zorg betracht heeft die van hem verwacht had mogen worden – zelfs in zijn problematische omstandigheden. Belanghebbende heeft een behoorlijk inkomen en is vermogend. Als hij zelf de aangifte niet meer kan doen, mag van hem verwacht worden dat hij daar iemand voor inschakelt. Er is dus geen sprake van avas. Het is ook niet redelijk om de verantwoordelijkheid voor de aangiften en aanslagen op de Belastingdienst af te schuiven. Dat wordt niet anders doordat een medewerker van de Belastingdienst een belafspraak niet nakomt. De rechtbank acht de boete passend en geboden en zal deze dan ook in stand laten.”
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat de boete passend en geboden is en maakt deze overwegingen tot de zijne.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, W.W. Monteiro en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.