ECLI:NL:GHSHE:2026:1721

ECLI:NL:GHSHE:2026:1721

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 01-07-2026
Datum publicatie 01-07-2026
Zaaknummer 25/41 tot en met 25/45
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2025:185

Samenvatting

Aanmaningen wegens achterstand in de betaling van de navorderingsaanslagen. Belanghebbende heeft aanmaningen per post in [land] ontvangen. Het hof is bevoegd om het hoger beroep te behandelen. Het hof oordeelt dat de ontvanger, met het versturen van de aanmaningen die zien op de belastingheffing over Nederlandse bronnen, zijn eigen rechtsmacht uitoefent en geen inbreuk maakt op de jurisdictie van [land]. De emigratie van belanghebbende naar [land] leidt niet tot het wegvallen van de Nederlandse belastingschuld over de periodes voor die emigratie. De ontvanger is bevoegd om de aanmaningen aan belanghebbende in [land] te sturen en daarbij aanmaningskosten in rekening te brengen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 25/41 tot en met 25/45

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ( [land] , de Kanaaleilanden ),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 januari 2025, nummers BRE 24/1996 tot en met 24/2000, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst,

hierna: de ontvanger.

1. Ontstaan en loop van het geding

De ontvanger heeft aanmaningen aan belanghebbende verzonden wegens een achterstand in de betaling van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2008 tot en met 2012, de bij beschikkingen in rekening gebrachte belastingrenten en de opgelegde boetes (hierna: de aanmaningen) en daarbij kosten in rekening gebracht van telkens € 18.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanmaningen en de daarbij in rekening gebrachte kosten. De ontvanger heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, die in Mijn Rechtspraak zijn geplaatst.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

Bij het hof zijn brieven van belanghebbende met dagtekening 1, 2 en 8 juni 2026 binnengekomen, waarin zij onder meer verzoekt om een online zitting, via Teams. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 tot en met 4.7 vermelde gronden afgewezen.

Samenvatting

In deze uitspraak gaat het uitsluitend om de vraag of de ontvanger bevoegd is om de aanmaningen aan belanghebbende te versturen en om € 18 kosten per aanmaning in rekening te brengen. Het hof is bevoegd om hierover te oordelen. Het hof oordeelt dat de ontvanger bevoegd is om de aanmaningen te versturen en dat belanghebbende de aanmaningskosten van in totaal € 90 moet betalen (5x € 18). Het hof oordeelt niet over de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2012, de beschikkingen belastingrenten en boetes, die vallen buiten de omvang van deze procedure in hoger beroep.

2. Feiten

De aanleiding voor de aanmaningen

Belanghebbende woonde van 2008 tot en met 2012 in Nederland. In 2013 is zij met haar fiscaal partner geëmigreerd naar [land] (de Kanaaleilanden) .

De inspecteur heeft met dagtekening 19 juni 2020 navorderingsaanslagen IB/PVV 2008, 2009, 2011 en 2012 en met dagtekening 20 oktober 2020 de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 opgelegd. Tevens zijn bij beschikkingen belastingrenten in rekening gebracht en boetes opgelegd (hierna samen: de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012).

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012 bezwaar gemaakt en - in de bezwaarfase - aan de ontvanger om uitstel van betaling verzocht. De ontvanger heeft daarop verzocht om zekerheid te stellen vanwege de aard en omvang van de navorderingsaanslagen. De ontvanger achtte een reëel risico aanwezig dat, nadat de schuld opeisbaar was geworden, verhaal (gedeeltelijk) onmogelijk zou zijn omdat belanghebbende naar [land] was geëmigreerd. Hierdoor zouden verhaalsmogelijkheden niet (eenvoudig) uitvoerbaar kunnen zijn. Ook was in Nederland onvoldoende vermogen bekend om de navorderingsaanslagen te kunnen verhalen.

Belanghebbende heeft de gevraagde zekerheid niet verstrekt. De ontvanger heeft de verzoeken om uitstel van betaling daarom afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld. Dit beroep is door de directeur van de Belastingdienst afgewezen.

De inspecteur heeft uitspraak gedaan op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. Zij heeft - in de beroepsfase - opnieuw aan de ontvanger om uitstel van betaling gevraagd. De ontvanger heeft deze verzoeken aangemerkt als een zaak waarvoor de directeur reeds op een administratief beroep afwijzend heeft beslist en de verzoeken afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is door de directeur van de Belastingdienst afgewezen.

De rechtbank Gelderland heeft bij uitspraak van 14 november 2025 de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012 gegrond verklaard en die uitspraken op bezwaar vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boetes betreft. Belanghebbende heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden. De procedure in hoger beroep met betrekking tot de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012 is nog aanhangig.

De aanmaningen

De ontvanger heeft met dagtekening 16 februari 2023 aanmaningen aan belanghebbende verzonden omdat zij een achterstand heeft in de betaling van de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012. Belanghebbende heeft deze aanmaningen per post in [land] ontvangen. In elke aanmaning is € 18 aan aanmaningskosten in rekening gebracht (5 aanmaningen x € 18 = € 90). In de aanmaningen staat telkens:

“(…) Kosten van deze aanmaning: € 18.00

Voor het verzenden van een aanmaning worden u op grond van artikel 2 van de Kostenwet kosten in rekening gebracht. (…) Als u het openstaand bedrag volledig heeft betaald voor de dagtekening van deze aanmaning, hoeft u de aanmaningskosten niet te betalen. (…)”.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanmaningen en aanmaningskosten.

De ontvanger heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar staat:

“(…)

U maakt bezwaar tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten. U geeft aan dat de schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Daarnaast stelt u dat de Nederlandse invorderaar handelt in strijd met het Nederlandse Fiscale Verdragsbeleid, het OESO-Modelverdrag en het internationaal recht door invorderingshandelingen te verrichten te [land] . (…)

Op grond van artikel 25.2.5 van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: Leidraad) kan de ontvanger zekerheid eisen ook al zijn de aanslagen nog niet onherroepelijk vastgesteld. (…)

U heeft geen zekerheid gesteld. (…)

Ten aanzien van de bevoegdheid van de ontvanger merk ik het volgende op. (…) Ik ga er vanuit dat de openstaande belastingschuld over 2008 tot en met 2012 terecht in Nederland wordt geheven. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse Belastingdienst heffingsbevoegd is. U stond op dat moment ook ingeschreven op een Nederlands adres. Dit heeft tot gevolg dat de bepalingen van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen van toepassing zijn en dat bij de invordering van de schuld de Invorderingswet 1990 en de Leidraad van toepassing is. Dit is de wettelijke basis. Ik ben van mening dat de aanmaningen terecht zijn verzonden. (…)”

De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbenden tegen de aanmaningen en aanmaningskosten ongegrond verklaard.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of:i) de rechtbank en het hof bevoegd zijn om het beroep en hoger beroep te behandelen; ii) de ontvanger bevoegd is om de aanmaningen te versturen; iii) de ontvanger terecht en op goede gronden de aanmaningen naar belanghebbende in [land] heeft verstuurd en aanmaningskosten in rekening heeft gebracht; en of

iv) de ontvanger nadere, op de zaak betrekking hebbende stukken moet aanleveren?

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de aanmaningen. De ontvanger concludeert ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

Het hof merkt de onder 1.6 vermelde brieven aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in art. 8:68 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Belanghebbende stelt in de brieven dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waardoor zij een belang heeft bij een spoedeisende behandeling en zij verzoekt daarom om een zitting, via Teams. Zij heeft dit verzoek, samengevat, toegelicht als volgt. De ontvanger heeft op 13 maart 2026 een dwangbevel tegen haar uitgevaardigd en een afschrift van het exploot en het dwangbevel overhandigd aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie in Utrecht. Onduidelijk is waar, wanneer en hoe de ontvanger hieraan uitvoering gaat geven. Mogelijk kan beslag worden gelegd op pensioengelden of ander inkomen en vermogen, waar ook ter wereld. De in het dwangbevel opgenomen belastingschulden bevatten boetes. Zowel de hoogte van de navorderingsaanslagen als de boetes staan nog niet onherroepelijk vast. De beoordeling van de navorderingsaanslagen en boetes is aanhangig bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Daarbij vindt vervolging plaats in [land] en erkenning of verlof van de autoriteiten van [land] ontbreekt, aldus belanghebbende.

Het hof heeft hierin, en alles wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd, geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan en de zaak (versneld) op een zitting, via Teams, te behandelen. Het hof licht dat toe als volgt.

Partijen zijn op 1 augustus 2025 schriftelijk geïnformeerd dat het hof zonder mondelinge behandeling zou beslissen, tenzij uiterlijk 15 augustus 2025 om een zitting werd verzocht. Deze brief is naar het door belanghebbende opgegeven buitenlandse adres in [land] gestuurd. Op 9 september 2025 is belanghebbende schriftelijk geïnformeerd dat de inspecteur geen mondelinge behandeling wenste en dat zij uiterlijk 23 september 2025 aan het hof kon berichten als zij wel op een zitting wilde worden gehoord. Belanghebbende heeft toen niet om een zitting verzocht. Zij heeft op 14 november 2025 schriftelijk naar de voortgang van de zaak geïnformeerd en gevraagd wanneer een uitspraak werd verwacht. Op 18 november 2025 heeft de griffier geantwoord dat vanwege de grote voorraad zaken een behandeling pas eind 2027 of begin 2028 mogelijk was, maar dit bleek toch al eerder mogelijk te zijn. Het hof merkt hierbij op dat - anders dan belanghebbende vermoedt - geen sprake is van een verzoek van de inspecteur om een snellere behandeling. Op 22 mei 2026 heeft het hof partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten en binnen zes weken een uitspraak zal volgen.

Belanghebbende heeft vervolgens bij brieven van 1 en 2 juni 2026 alsnog om een zitting verzocht. De griffier van het hof heeft haar partner op 4 juni 2026 telefonisch, en haar bij brief van diezelfde dag schriftelijk geïnformeerd dat er geen aanleiding is voor een heropening van het onderzoek en dat een uitspraak zal volgen. Hoewel haar partner in dat telefoongesprek namens haar heeft verklaard de brief van 22 mei 2026 over de sluiting van het onderzoek niet te hebben ontvangen, is deze naar het door belanghebbende opgegeven buitenlandse adres in [land] gestuurd.

Het hof heeft belanghebbende eerder schriftelijk geïnformeerd dat bij verblijf in het buitenland domicilie in Nederland moet worden gekozen, zodat correspondentie naar een Nederlands adres kan worden gezonden. Zij had vóór 25 februari 2025 een domicilieadres in Nederland moeten opgeven en is er tweemaal op gewezen dat bij het nalaten hiervan het risico van vertraging in de postbezorging voor haar rekening komt. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Zij is erop gewezen dat correspondentie via e-mail niet in behandeling zou worden genomen en zij procedeert niet via Mijn Rechtspraak. Dit alles leidt ertoe dat de onbekendheid met de brief van 22 mei 2026, die volgens belanghebbende niet door haar is ontvangen, voor haar rekening komt.

Het hof beschikt over voldoende informatie om een beslissing te kunnen nemen. De door belanghebbende aan haar verzoek tot heropening en behandeling ter zitting ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat het onderzoek niet volledig is geweest. De na de sluiting van het onderzoek van belanghebbende ontvangen stukken zijn geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, en een zitting kan achterwege blijven.

Ten aanzien van het geschil

i) De bevoegdheid van de rechtbank en het hof

Het geschil betreft allereerst de vraag of de rechtbank en het hof bevoegd zijn om het beroep en hoger beroep te behandelen. Volgens belanghebbende heeft de rechtbank verzuimd ambtshalve een onderzoek uit te voeren naar haar rechtsmacht en belanghebbende verzoekt het hof om dit onderzoek alsnog te doen. Het is volgens belanghebbende, verkort weergegeven, niet in overeenstemming met de internationale openbare orde, het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (hierna: WABB-verdrag) en het Nederlands-Brits Executieverdrag als inwoners van [land] onderworpen kunnen worden aan een vonnis van de Nederlandse rechter en de Nederlandse fiscale wetgeving verbindend zou werken binnen de rechtsorde van [land] .

Het hof is van oordeel dat belanghebbende geen baat heeft bij dit betoog, omdat dit haar geen voordeel kan opleveren. Belanghebbende heeft zelf hoger beroep ingesteld bij het hof. Als haar standpunt dat het hof geen rechtsmacht heeft gegrond wordt verklaard, betekent dit dat het hof zich onbevoegd moet verklaren en het hoger beroep niet inhoudelijk behandelt. In dat geval blijft de uitspraak van de rechtbank in stand, terwijl belanghebbende juist nastreeft dat deze wordt vernietigd, net als de uitspraken op bezwaar en de aanmaningen. Dit alles geldt ook voor haar betoog over de bevoegdheid van de rechtbank. Ook als de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren, dan zouden de uitspraken op bezwaar en de aanmaningen in stand zijn gebleven, terwijl belanghebbende wil dat die worden vernietigd. Daarnaast is onduidelijk wat het belang is bij het corrigeren van de beslissing van de rechtbank van ongegrondverklaring van naar onbevoegdverklaring. Belanghebbende kan ook hierdoor niet in een betere positie worden gebracht, omdat ook in dat geval de uitspraken op bezwaar en de aanmaningen in stand blijven.

Voor zover belanghebbende betoogt dat zowel de rechtbank en het hof, alsmede de ontvanger, geen rechtsmacht hebben om aanmaningen op te leggen of in stand te laten die betrekking hebben op een inwoner van [land] , verwijst het hof naar de overwegingen hierna over de bevoegdheid van de ontvanger.

ii) De bevoegdheid van de ontvanger

Belanghebbende betwist dat de ontvanger rechtsmacht heeft om aanmaningen te sturen naar haar in [land] . Het is volgens haar, samengevat, niet in overeenstemming met de internationale openbare orde, het WABB-verdrag, het Verdrag van Wenen, het EVRM, het BUPO en evenmin met verklaringen van de staatssecretaris van Financiën, de inspecteur en de landsadvocaat van de Nederlandse Staat. Ook stelt zij dat de Nederlandse wetten niet rechtstreeks in [land] gelden vanwege de soevereiniteit van [land] .

Het hof is van oordeel dat de ontvanger met het versturen van de aanmaningen, die zien op de belastingheffing over Nederlandse bronnen, zijn eigen rechtsmacht uitoefent en daarmee geen inbreuk maakt op de jurisdictie van [land] . Belanghebbende woonde gedurende de periode 2008 tot en met 2012 in Nederland en was binnenlands belastingplichtige. Nederland belast het inkomen dat belanghebbende in die periode heeft genoten. De emigratie van belanghebbende van Nederland naar [land] in 2013 leidt niet tot het wegvallen van haar Nederlandse belastingschuld over de periodes vóór die emigratie.

Belanghebbende heeft niet voldaan aan haar verplichting om de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012 te betalen. Door het versturen van een aanmaning krijgt belanghebbende de gelegenheid om alsnog te betalen en daarmee oefent de ontvanger dus geen rechtsmacht in [land] uit. Het gaat dan ook niet om een internationaal geschil, zoals aan de orde was in het door belanghebbende genoemde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Belanghebbende bevindt zich binnen de Nederlandse jurisdictie door haar Nederlandse belastingplicht.

Het Nederlandse recht sluit niet uit dat de ontvanger bevoegd is om aanmaningen naar belanghebbende in [land] te sturen en ook het internationale publiekrecht staat daaraan niet in de weg. De stellingen van belanghebbende dat het territorialiteitsbeginsel hieraan in de weg staat of dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, falen om die redenen eveneens. De ontvanger is bevoegd om de aanmaningen naar het adres van belanghebbende in [land] te sturen en toestemming van [land] is daarvoor niet vereist. Anders dan belanghebbende ook nog stelt, is dit niet onrechtmatig jegens haar.

iii) De aanmaningen en aanmaningskosten

In de wet is bepaald dat een navorderingsaanslag één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar is. Dit geldt ook voor de daarop betrekking hebbende beschikking belastingrente en de in verband daarmee opgelegde boete.

In de wet is ook bepaald dat, indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, de ontvanger hem schriftelijk aanmaant om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen. Voor het verzenden van een aanmaning werd destijds, in 2023, een bedrag van € 18 aan kosten in rekening gebracht bij een gevorderde som van meer dan € 454.

Beroep op verjaring 4.17. Belanghebbende stelt dat versturen van de aanmaningen en het in rekening brengen van de aanmaningskosten ten onrechte heeft plaatsgevonden omdat de belastingschuld op dat moment al was verjaard. Het hof volgt haar hierin niet.

In de wet is bepaald dat de rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. Na voltooiing van de verjaring kan het bestuursorgaan zijn bevoegdheden tot aanmaning niet meer uitoefenen.

De vervaldatum van de navorderingsaanslag IB/PVV 2010, gedateerd 20 oktober 2020, is 20 november 2020 en de vervaldata van de overige navorderingsaanslagen, gedateerd 19 juni 2020, zijn 20 juli 2020. Op die data moesten de te betalen bedragen op de rekening van de Belastingdienst staan. Belanghebbende heeft deze bedragen niet betaald. De ontvanger heeft op 16 februari 2023 de aanmaningen aan belanghebbende gestuurd. Op dat moment waren de betreffende belastingschulden van belanghebbende niet verjaard.

Uitstel van betaling

Belanghebbende stelt dat aan haar ten onrechte de aanmaningen zijn verstuurd en aanmaningskosten in rekening zijn gebracht omdat de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012 nog niet onherroepelijk vaststaan en zij om uitstel van betaling heeft verzocht. Het hof volgt haar hierin niet.

Vast staat dat de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012 zijn opgelegd aan belanghebbende. In de wet is bepaald dat de verplichting tot betaling daarvan niet wordt geschorst door de indiening van een bezwaar- of beroepschrift inzake een belastingaanslag. Belanghebbende is dus gehouden om de navorderingsaanslagen te betalen, ondanks het feit dat zij daartegen een bezwaar-, beroep- en hogerberoepschrift heeft ingediend (zie 2.6).

Ook het feit belanghebbende om uitstel van betaling heeft verzocht, baat haar niet. Weliswaar is het uitgangspunt dat gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure uitstel van betaling wordt verleend, maar het staat de ontvanger vrij om desgewenst zekerheid te verlangen.

Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft de ontvanger belanghebbende verzocht zekerheid te stellen vanwege de aard en omvang van de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012. De ontvanger achtte een reëel risico aanwezig dat verhaal (gedeeltelijk) onmogelijk zou zijn omdat belanghebbende naar [land] was geëmigreerd en in Nederland onvoldoende vermogen bekend was om de navorderingsaanslagen te verhalen. Het hof acht die afweging voldoende gemotiveerd en verdedigbaar. De ontvanger handelt hierbij dan ook niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Omdat belanghebbende de gevraagde zekerheid niet heeft verstrekt, heeft de ontvanger haar verzoeken om uitstel van betaling afgewezen (zie 2.3 tot en met 2.5). Belanghebbende had daarom tot tijdige betaling van de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012 moeten overgaan. Dat is niet gebeurd.

Uit het voorgaande volgt dat de ontvanger bevoegd was om de aanmaningen met dagtekening 16 februari 2023 aan belanghebbende in [land] te sturen en daarbij aanmaningskosten van € 18 per aanmaning in rekening te brengen. Alles wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd maakt dit niet anders.

iv) Op de zaak betrekking hebbende stukken

Tot slot verzoekt belanghebbende om de ontvanger op te dragen alle op zaak betrekking hebbende stukken aan te leveren op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb. Het gaat volgens haar onder meer om achtergehouden stukken vanwege de politiek-bestuurlijke en mediagevoeligheid van deze zaak, een door de landsadvocaat genoemd onderzoek van de Belastingdienst dat uitwees dat een dwangsom oninbaar dan wel niet afdwingbaar is binnen [land] , gedingstukken van een civiele voorzieningenprocedure tot aan de Hoge Raad waarin is beslist dat niet hoefde te worden gewacht met het opleggen van belastingaanslagen, de overwegingen om versneld aanslagen op te leggen ondanks dat nog inlichtingen moesten worden verstrekt door belanghebbende en de interne correspondentie tussen de inspecteur en de ontvanger daarbij, alsmede gedingstukken in verband met een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOO-verzoek) waaruit zou blijken dat de ontvanger stelstelmatig stukken achterhoudt in alle lopende procedures, aldus belanghebbende.

De Hoge Raad heeft overwogen en beslist dat artikel 8:42, lid 1, Awb ertoe strekt dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Een redelijke uitleg van die bepaling brengt mee dat de daarin opgenomen verplichting tot overlegging van stukken zich ook uitstrekt tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen.

Het hof overweegt met inachtneming daarvan als volgt. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is het hof ook niet gebleken dat de door belanghebbende verzochte stukken betrekking hebben op de aanmaningen of de aanmaningskosten. Het hof acht het niet aannemelijk dat deze stukken een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de ontvanger noch dat ze van belang kunnen zijn voor de beslechting van dit geschil daarover. Alles wat belanghebbende in dit verband verder nog heeft aangevoerd, waaronder de uitspraken van het EHRM over het recht op een fair trial, leiden niet tot een ander oordeel.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep tegen de aanmaningen en de aanmaningskosten ongegrond is.

Het hof oordeelt in dit hoger beroep niet over de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2012. Ook de door belanghebbende genoemde verrekeningen, die volgens haar ten onrechte zouden hebben plaatsgevonden op een niet bestaande belastingschuld en een conserverende aanslag IB/PVV 2013 die de ontvanger in 2025 zou hebben opgelegd, vallen buiten de omvang van dit hoger beroep.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

E. Royakkers M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/1671 Viditax (FutD) 2026081403 FutD 2026-1459 NLF 2026/1725 NDFR Nieuws 2026/1295
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand