ECLI:NL:GHSHE:2026:1723

ECLI:NL:GHSHE:2026:1723

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 01-07-2026
Datum publicatie 01-07-2026
Zaaknummer 24/1172
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:4625

Samenvatting

Navorderingsaanslag IB/PVV 2007. Hoger beroep wordt door het hof ongegrond verklaard. Diverse geschilpunten. Het hof is van oordeel: dat in het midden kan worden gelaten of het afgeleid verschoningsrecht is geschonden, dat artikel 8:42 Awb en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet zijn geschonden, dat belanghebbende in 2007 terecht als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, dat navordering mogelijk was omdat er sprake was van een nieuw feit danwel belanghebbende in zoverre te kwader trouw was, de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag voldoende voortvarend heeft gehandeld, de schatting van het belastbaar inkomen redelijk is geweest en belanghebbende het verlangde tegenbewijs niet heeft geleverd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1172

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [plaats 1] , [Staat] (Verenigde Staten van Amerika),

met gekozen domicilie in [plaats 2] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 juli 2024, nummer BRE 22/5543 in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2007 opgelegd. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

De zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . Belanghebbende werd daarnaast vergezeld door [toehoorder] , die bij de zitting aanwezig was als toehoorder. Namens de inspecteur zijn verschenen [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2. Feiten

Feiten met betrekking tot het verloop van de procedure

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2007 als buitenlands belastingplichtige. Belanghebbende heeft op 16 maart 2009 aangifte gedaan, waarbij hij een verzamelinkomen van € 2.645 heeft aangegeven. De inspecteur heeft, zonder nadere beoordeling, de aanslag opgelegd overeenkomstig de aangifte.

De inspecteur heeft op 31 oktober 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 aan belanghebbende opgelegd, waarbij – naast het door belanghebbende in de aangifte aangegeven inkomen – een bedrag van € 1.300.000 aan resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking is genomen (hierna: de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag). Daartegen heeft belanghebbende op 15 november 2013 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft die navorderingsaanslag in zijn geheel verminderd, nadat het fiscale geschil is beslecht door middel van een vaststellingsovereenkomst, die mede betrekking had op een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2010.

De inspecteur heeft op 8 december 2020 informatie ontvangen van de FIOD afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek tegen belastingadviseur [naam 3] (hierna: [naam 3] ). In de in beslag genomen administratie van [naam 3] zijn documenten en bestanden met betrekking tot belanghebbende aangetroffen. De aangetroffen documenten zijn voor de inspecteur aanleiding geweest om op 29 december 2020 een tweede navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 aan belanghebbende op te leggen, waarbij wordt uitgegaan van een verzamelinkomen van € 12.877.645. Dit is de navorderingsaanslag die in onderhavige procedure aan de orde is (hierna: de navorderingsaanslag). De inspecteur heeft daarbij € 2.707.890 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur in de toelichting bij de navorderingsaanslag laten weten dat hij zich niet langer gebonden acht aan de vaststellingsovereenkomst.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij hij het verzamelinkomen van belanghebbende als binnenlands belastingplichtige heeft verminderd tot € 11.577.645. Dat bedrag is als volgt opgebouwd:

€ 7.600.000 aan resultaat uit overige werkzaamheden vanwege de overdracht van intellectuele eigendomsrechten door belanghebbende aan [LLC 1] LLC;

€ 3.500.000 als vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in verband met de liquidatie van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] );

€ 475.000 als voordeel uit aanmerkelijk belang wegens een verkapte winstuitdeling aan belanghebbende van [LLC 2] LLC;

en € 2.645 door belanghebbende (en dus niet in geschil) in de aangifte reeds opgegeven inkomen uit sparen en beleggen.

De inspecteur heeft de heffingsrente daarbij verlaagd naar € 2.397.753.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De inspecteur heeft in beroep de correctie van € 475.000 (verkapte winstuitdeling [LLC 2] LLC) laten vallen. Mede met een beroep op interne compensatie heeft de inspecteur zich in beroep op het standpunt gesteld dat de volgende bedragen tot het verzamelinkomen van belanghebbende dienen te worden gerekend:

€ 7.600.000 aan resultaat uit overige werkzaamheden vanwege de overdracht van intellectuele eigendomsrechten door belanghebbende aan [LLC 1] LLC;

€ 3.650.000 als vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in verband met de liquidatie van [bedrijf 1] ;

€ 55.500 als voordeel uit aanmerkelijk belang wegens een verkapte winstuitdeling aan belanghebbende van [bedrijf 2] Ltd;

en € 2.645 door belanghebbende (en dus niet in geschil) in de aangifte opgegeven inkomen uit sparen en beleggen;

en aldus het verzamelinkomen nader moet worden vastgesteld op € 11.308.145.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, en is van oordeel dat de inspecteur de correctie in verband met het gestelde vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in verband met de liquidatie van [bedrijf 1] ten onrechte heeft toegepast. De rechtbank heeft de navorderingsaanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.600.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van [het hof begrijpt, een kennelijke verschrijving van de rechtbank] € 55.500 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.645, en heeft de heffingsrente in overeenstemming daarmee gewijzigd.

Feiten met betrekking tot de woonplaats

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij stond tot 26 januari 2006 in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie personen (hierna: BRP). Daarna stond hij ingeschreven in Cyprus, en vervolgens in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS).

Belanghebbende was tot 1 februari 2012 gehuwd met [ex-partner] (hierna: [ex-partner] ). Uit het huwelijk is op [datum] 1980 een zoon, [zoon] (hierna: de zoon) geboren. Op 28 februari 2006 hebben belanghebbende en [ex-partner] bij notariële akten alsnog uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding en de huwelijkse voorwaarden gewijzigd naar een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. In de akten wordt overwogen dat belanghebbende Nederland zal verlaten om ergens anders te gaan wonen en dat [ex-partner] wellicht later datzelfde zal doen.

Belanghebbende was tot 2 juli 2007 samen met [ex-partner] eigenaar van de woning aan [adres 1] in [plaats 3] (hierna: [adres 1] ). Belanghebbende bezat 2/3e deel van het eigendom en [ex-partner] het overige deel. [adres 1] is op 2 juli 2007 verkocht.

[ex-partner] en de zoon stonden tot 25 juli 2007 in de BRP ingeschreven op [adres 1] , en vanaf dan tot 1 september 2012 op het adres [adres 2] in [plaats 4] (hierna: [adres 2] ).

Het recht van bewoning van [adres 2] is op 6 juli 2007 gekocht door [naam 4] (hierna: [naam 4] ), een bekende van belanghebbende. [naam 4] stond van 13 juli 2007 tot 9 april 2010 in de BRP ingeschreven op dat adres. Voor en na die periode stond hij in het BRP vanaf 1 november 2001 steeds ingeschreven op het adres [adres 3] in [plaats 5] .

Belanghebbende had in 2007 bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en Van Lanschot Bankiers.

Belanghebbende verbleef in het jaar 2007 in totaal 102 dagen in Nederland.

Belanghebbende heeft vanaf 26 oktober 2005 een appartement gehuurd van [naam 5] (hierna: [naam 5] ) in [plaats 6] op Cyprus.

Op 1 mei 2013 heeft belanghebbende het volgende digitale bericht aan een medewerker van Van Lanschot Bankiers gestuurd:

“Geachte heer/mevrouw,

Wij zijn inderdaad verhuisd van [adres 2] , [postcode 1] [plaats 4] naar het nieuwe adres: [adres 4] [postcode 2] [plaats 7] .”

Feiten met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst

In de onder 2.2 vermelde vaststellingsovereenkomst staat onder meer het volgende:

1. Partijen

Belanghebbende,

(…)

Hierna te noemen partij A

en

de Belastingdienst

hierbij vertegenwoordigd door:

(…) (inspecteur)

(…) (Ontvanger)

Hierna te noemen partij B

(…)

2. Omschrijving van het geschil/de onzekerheid

De kwestie waarover partijen van mening verschillen of in onzekerheid verkeren, luidt als

volgt:

De correctie welke zijn doorgevoerd door de Belastingdienst voor het jaar 2007 van € 1.300.000 en voor het jaar 2010 van € 500.000. (…)

(…)

4. Feiten

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

De reden van deze vaststelling wordt mede ingegeven omdat partijen nog verschil van inzicht hebben en/of nog onduidelijkheid bestaat bij de partijen omtrent de feiten en omstandigheden en de daarbij behorende fiscale vertaling daarvan. De onduidelijkheid (…) heeft mede betrekking op de gehele dan wel gedeeltelijk verdeling van de vergoeding omtrent “vastgoed in America (waar partij A al die tijd al woonachtig is) en/of glasvezel in Nederland”.

(…)

9. Afwezigheid wilsgebreken/onrechtmatigheid en afzien van schadeclaims

Partij A [hof: belanghebbende] verklaart dat hij alle relevante feiten en omstandigheden waarvan bij deze VSO is uitgegaan (zoals in de correspondentie naar voren is gekomen), stellig, volledig en naar waarheid heeft verstrekt. Indien blijkt dat partij A [hof: belanghebbende] onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt kan partij B [hof: de Belastingdienst] de overeenkomst ontbinden.”

Feiten met betrekking tot het woonplaatsonderzoek voor het jaar 2006

In het kader van een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV van belanghebbende over de jaren 2004 tot en met 2006 heeft de inspecteur ten aanzien van het jaar 2006 onderzoek gedaan naar de feitelijke woonplaats van belanghebbende. De bevindingen zijn op 6 juli 2009 met belanghebbende gedeeld. In dat stuk staat onder meer de volgende passage:

Belastingplicht

Ten aanzien van het jaar 2006 heeft het onderzoek zich gericht op de feitelijke woonplaats van de heer [belanghebbende] . Tijdens het onderzoek is vast gesteld dat de heer [belanghebbende] een aantal malen in Nederland geweest is maar er zijn geen aanwijzingen dat het sociale en maatschappelijke leven van de heer [belanghebbende] zich in Nederland bevindt. De heer [belanghebbende] is voor het jaar 2006 niet aan te merken als binnenlands belastingplichtige.”

Feiten met betrekking tot het ongedateerd memo

De inspecteur heeft in hoger beroep een memo overgelegd, getiteld: “MEMO BIJ INFORMATIE VAN DERDEN TEN BEHOEVE VAN AANSLAGREGELING [belanghebbende] (MET NAME VSO 5 NOVEMBER 2010 EN UITSPRAAK RB. [plaats 9] )”. Het memo is niet voorzien van een datum, en is opgesteld (naar partijen eensluidend hebben verklaard) in het kader van de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag. In het memo staan de volgende passages:

Emigratie van [belanghebbende]

Voor het verdere vervolg kan de woonplaats van de heer [belanghebbende] van belang zijn. In het kader hiervan ga ik in op zijn privé situatie en op de adressen van zijn vennootschappen.

(…)

Gezien het telefoonnummer is het waarschijnlijk dat de heer [belanghebbende] ook een woning heeft in USA. Vermoedelijk [Staat] gezien zijn vennootschappen aldaar.

Voor 27 april 2006 woonde [belanghebbende] (…) op [adres 1] te [plaats 3] . Zijn echtgenote is blijkbaar toen dus achtergebleven. Het toezendadres van de heer [belanghebbende] wijkt echter af van het adres op Cyprus.

(…)

Relevantie met aanslagregeling inkomstenbelasting

Op grond van de huidige informatie (met name de uitspraak van rb. [plaats 9] en de VSO) is mogelijk sprake van onjuiste aangiften IB van de heer [belanghebbende] . De heer [belanghebbende] heeft vermoedelijk € 500.000 ontvangen uit hoofde van samenwerking op het gebied van glasvezel met de heer [naam 6] . Aangenomen kan worden dat dit een bron van inkomen is geweest (ROW of loon) en dat dit in de heffing had moeten worden betrokken (nagekomen bate). Er is sprake van een zakelijke activiteit in het economische verkeer, gericht op het behalen van een financieel voordeel.

Dit had moeten worden aangegeven in de aangifte IB 2007 of IB 2010. Het feit dat hij in buitenland woonachtig is, is niet van belang omdat de beloning ziet op werkzaamheden in Nederland. Hij woonde in die tijd trouwens ook in de Nederland. Gezien de aard van deze bevindingen is mogelijk ook sprake van verwijtbaarheid.

In het kader van de aanslagtermijnen zal de heer [belanghebbende] hiervan spoedig op de hoogte moeten worden gebracht. In het kader van een zo goed mogelijke fiscale beoordeling is het van belang dat de heer [belanghebbende] op grond van artikel 47 AWR verdere informatie verstrekt over deze werkzaamheden. De inspecteur heeft een fiscaal belang om kennis te nemen van het gehele procesdossier inzake de procedure met [naam 6] .”

Feiten met betrekking tot de gedane aangifte

Belanghebbende heeft voor het jaar 2006 zijn aangifte IB/PVV ingediend met een aangifteformulier M (hierna: M-biljet), dat is bedoeld voor personen die door emigratie of immigratie maar een deel van het jaar in Nederland hebben gewoond.

Belanghebbende heeft op 16 maart 2009 zijn aangifte IB/PVV als buitenlands belastingplichtige over het jaar 2007 ingediend. Hem is daartoe door de inspecteur een aangifteformulier C (hierna: C-biljet) uitgereikt (dat is bedoeld voor buitenlands belastingplichtigen) waarna belanghebbende digitaal aangifte heeft gedaan.

Als eerste staat op het papieren C-biljet voor het jaar 2007 het volgende stroomschema:

Hebt u de juiste aangifte ontvangen?

Woonde u heel 2007 buiten Nederland?

>

Ja

U hebt de juiste aangifte ontvangen. Vul dit formulier in of doe elektronisch aangifte. U kunt het aangifteprogramma voor buitenlandse belastingplichtigen downloaden van www.belastingdienst.nl

˅ Nee

Woonde u een deel van 2007 buiten Nederland ?

>

Ja

U woonde een deel van 2007 buiten Nederland. U hebt niet de juiste aangifte. Bestel een M-aangifte. Bel hiervoor de BelastingTelefoon: 0800 - 0543 of de Belasting- Telefoon Buitenland: +31 55 538 53 85. U kunt geen elektronische aangifte doen

˅ Nee

Had u in 2007 winst uit onderneming?

>

Ja

U woonde heel 2007 in Nederland. U hebt niet de juiste aangifte. U bent als ondernemer wettelijk verplicht elektronisch aangifte te doen. U kunt het aangifte programma downloaden van www.belastingdienst.nl

˅ Nee

U woonde heel 2007 in Nederland. U hebt niet de juiste aangifte. Doe elektronisch aangifte. U kunt het aangifteprogramma downloaden van www.belastingdienst.nl.

Of bestel een aangiftebiljet bij de BelastingTelefoon: 0800 - 0543

Belanghebbende heeft in zijn digitale aangifte voor het jaar 2007 aangegeven dat hij woont in [plaats 6] , Cyprus. Verder heeft hij ingevuld dat hij het hele jaar in 2007 in het buitenland woonde, waarbij hij de landcode “XXX” heeft opgegeven. In de toelichting bij het C-biljet staat een tabel met verschillende landcodes. Er staat dat de landcode van het land waar de belastingplichtige woont, dient te worden ingevuld en dat landcode “XXX” dient te worden ingevuld als het land niet in de tabel vermeld staat. Voor het jaar 2007 stond Cyprus niet in de tabel met landcodes vermeld.

Feiten met betrekking tot het inkomen

Correctie 1: € 7.600.000 aan inkomen uit werk en woning

Op 3 mei 2007 is [LLC 1] LLC opgericht door [naam 7] naar Panamees recht en geregistreerd op de Seychellen. [naam 8] (op 3 mei 2007) en [naam 9] (op 17 juli 2007) zijn aangesteld als directeur.

Belanghebbende heeft in een e-mailbericht van 27 november 2008 aan [naam 3] (door hem toegevoegd als bijlage 4 bij zijn hogerberoepschrift) de volgende passage geschreven:

“Stappenoverzicht

Stap 0:

Op 3 mei 2007 is [LLC 1] LLC opgericht. (…)

Volgende stappen:

1. Op 20 september 2007 heeft [belanghebbende] [hof: belanghebbende] zijn intellectuele eigendomsrechten inzake glasvezel overgedragen aan [LLC 1] , LLC voor een bedrag van € 7.600.000,00 (…)”

Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van 11 januari 2009 van [naam 3] aan belanghebbende (door belanghebbende toegevoegd als bijlage 5 bij zijn hogerberoepschrift) met daarin de volgende passages:

“Beste [belanghebbende] ,

Hieronder heb ik een overzicht vermeld van de actuele stand van zaken en de bijbehorende documenten. (…)

• Zoals je aangaf ben jij in Cyprus belast over jouw wereldwijde inkomen, dus ook het inkomen uit de verkoop van de IP rechten aan [LLC 1] op 20-09-2007, voor een bedrag van € 7.600.000, zijnde $ 10.640.000 (koers 20-09-2007) Zie koopovereenkomst. (…)

Graag jou scherpe visie in deze, zodat ik met een afgewerkt verhaal richting [naam 17] kan. Wanneer ben jij weer in Nederland, dan wel ons “beloved” Cyprus? Zijn er nog ontwikkelingen in de “ [naam 6] -case”.

Met vriendelijke groet,

[naam 3] ”

Als bijlage bij deze e-mail is verzonden een niet-ondertekende overeenkomst tussen belanghebbende en [LLC 1] LLC (door belanghebbende toegevoegd als bijlage 5.1 bij zijn hogerberoepschrift) waarin de volgende passage staat:

“• [belanghebbende] has specific knowledge and know how in the area of implementing and applying large-scale IT-fiber projects for consumers and professional providers;

(…)

• [LLC 1] will pay [belanghebbende] for this know how and advising a single compensation of € 7.600.000,00 ($ 10.640.000), being a part of the estimated gross margin that [LLC 1] expects to realise with these IT-fiber projects in Cyprus, the Middle East and Africa;

(…)

• The principle amount does not have to be paid in the event that [belanghebbende] fails in advising [LLC 1] properly in the area of implementing and applying large-scale IT-fiber projects for consumers and professional providers in Cyprus, the Middle East and Africa;

(…)

Date: September 20, 2007”

Verder behoort tot de gedingstukken een e-mailbericht van 9 februari 2009 van belanghebbende aan [naam 3] (door belanghebbende toegevoegd als bijlage 2 bij zijn conclusie van repliek in eerste aanleg) met daarin de volgende passage:

From [email adres 1] >

To Bee

Sent Encrypted

Signed [naam 3] < [email adres 2] >

Bcc [gemachtigde 1] < [email adres 3] >

Sent Monday, February 9, 2009 at 10:45 AM

Encrypted Yes

Signed Yes, by [email adres 1]

“Beste [naam 3] ,

Bijgevoegd de bescheiden waar wij het vorige week over hadden.

De bescheiden zijn:

1. Stappenplan

2. Overeenkomst tussen [LLC 1] en [belanghebbende] dd 17 juli 2007 Te tekenen door [naam 9]

3. Promissory Note dd 20 september 2007 Te tekenen door [naam 9]

4. Assignment of IP and Note to [naam 11] dd 27 december 2007 Te tekenen door [naam 10] en [naam 9] (…)

Toelichting:

Ad 1. Spreekt voor zich.

Ad 2. Engels aangepast etc.

Ad 3. Hier heb ik een Promissory Note gemaakt i.p.v. een lening, daar [LLC 1] geld verschuldigd bleef. Dit is een simpele schuldbekentenis met juridisch dezelfde werking als een leenovereenkomst. Wel heb ik de Promissory Note aangepast aan onze afspraken etc.

Ad 4. Dit document spreekt voor zich. Het gaat hier om de overdracht van alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst ad 2 (van [LLC 1] aan [naam 11] ). (…)

Verder hebben we afgesproken dat na afwikkeling van al deze contracten etc. [LLC 1] in de verkoop mag. Als je iemand weet mag je een voorstel doen.

Met vriendelijke groet,

[belanghebbende] ”

Correctie 2: € 3.650.000 aan inkomen uit aanmerkelijk belang

Belanghebbende is de uiteindelijke gerechtigde van onder meer [bedrijf 1] en [bedrijf 3] S.A. (hierna: [bedrijf 3] ). De vennootschappen zijn in mei 2005 opgericht door [naam 7] naar Panamees recht en staan vermeld in de ICIJ Offshore Leaks Database. [bedrijf 3] is een dochtermaatschappij van [bedrijf 1] .

Belanghebbende heeft een overeenkomst gesloten met [naam 6] (hierna: [naam 6] ), een voormalige zakenpartner, wegens de beëindiging van de samenwerking. Als onderdeel van deze overeenkomst heeft (een rechtspersoon van) [naam 6] een bedrag van € 3.650.000 aan [bedrijf 3] betaald. [bedrijf 3] heeft dat bedrag overgeboekt aan [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft het bedrag uitgeleend aan [bedrijf 4] Inc. Op 15 juli 2007 zijn [bedrijf 1] en [bedrijf 3] ontbonden. De vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 4] Inc. is op dat moment verdwenen.

Correctie 3: € 55.500 aan inkomen uit aanmerkelijk belang

Belanghebbende is in 2005 en 2006, zo heeft hij ter zitting van het hof bevestigd, de uiteindelijke gerechtigde van [bedrijf 5] Ltd. en [bedrijf 2] Ltd.

Tot de gedingstukken behoren bankafschriften waaruit volgt dat [bedrijf 2] Ltd. in 2007 in totaal € 55.500 aan [ex-partner] heeft overgemaakt met de volgende omschrijvingen:

31-1-2007

€ 7.500

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

6-3-2007

€ 7.500

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

15-3-2007

€ 2.500

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

18-4-2007

€ 6.000

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

9-5-2007

€ 10.000

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

11-6-2007

€ 5.000

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

20-6-2007

€ 10.000

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

20-8-2007

€ 5.000

“ [naam 18] PAYMENTS ETC”

4-12-2007

€ 2.000

“ [naam 19] ”

Overige feiten

De inspecteur heeft ter zitting bij het hof een pleitnotitie overgelegd, waarin is opgenomen de volgende tijdlijn met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen de inspecteur en de FIOD:

Augustus 2018

Inval FIOD bij aanbieder [naam 12] . Geen informatie aangetroffen over belanghebbende: hij was geen klant van [naam 12] .

14 juli 2020

Aanhouding van aanbieder [naam 3] op Schiphol: inbeslagname van zijn PC en inbeslagname van fysieke dossiers in [plaats 8] . Bij [naam 3] werden ci. 150 klanten aangetroffen, waaronder de heer [belanghebbende] . In de administratie van [naam 3] zat ook de in deze procedure verstrekte informatie over belanghebbende.

16 en 17 november 2020

Collega's [naam 13] (inmiddels niet meer werkzaam bij de Belastingdienst) en [inspecteur 3] analyseren de bij de heer [naam 3] in beslaggenomen informatie bij de FIOD. Het dossier [belanghebbende] hebben zij toen niet doorgenomen: zij hebben zich eerst op andere dossiers gericht.

30 november 2020

[naam 13] en [inspecteur 3] analyseren opnieuw gegevens bij de FIOD, zogenoemde restinformatie. Daartoe behoorde het dossier [belanghebbende] .

4 december 2020

De documentmap ' [belanghebbende] ' wordt op deze vrijdag aangemaakt op een interne schijf van de Belastingdienst.

7 december 2020

[naam 13] verzoekt direct na het weekend op die maandag o.g.v. artikel 55 AWR aan de Officier van Justitie om het dossier [belanghebbende] te mogen gebruiken voor fiscale doeleinden.

8 december 2020

De OvJ geeft toestemming conform artikel 55 AWR en verstrekt het hele dossier [belanghebbende] .

11 december 2020

Collega [naam 15] behandelt het dossier en belt met een collega van de loonheffing over het dossier, te weten het stamrecht in [bedrijf 6] BV.

15 december 2020

[naam 15] vraagt aan collega [inspecteur 1] het dossier op inzake de eerste navorderingsaanslag en de VSO. [inspecteur 1] overhandigt op kantoor [plaats 9] zijn papieren dossier aan [naam 15] .

29 december 2020

[naam 15] en collega [naam 16] behandelen het dossier voor de inkomstenbelasting. [naam 16] verstuurt de brief waarin de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 wordt aangekondigd en legt de tweede navorderingsaanslag op. Zij kozen ervoor om deze brief plus aanslag na de Kerstdagen (op dinsdag) te versturen.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient bewijsuitsluiting plaats te vinden als gevolg van schending van het informeel verschoningsrecht?

II. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

III. Heeft de inspecteur het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?

IV. Woonde belanghebbende in 2007 in Nederland in de zin van artikel 4, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), zodat de inspecteur hem terecht als binnenlands belastingplichtig heeft aangemerkt?

V. Indien vraag IV bevestigend moet worden beantwoord: slaagt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel, inhoudende dat de inspecteur eerder het standpunt had ingenomen dat belanghebbende in 2007 buitenlands belastingplichtig was?

VI. Heeft belanghebbende de vereiste aangifte niet gedaan, zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast?

VII. Is sprake van een nieuw feit, zoals vereist voor navordering?

VIII. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag?

IX. Indien beoordeling van de voorgaande geschilpunten leidt tot de conclusie dat de inspecteur de navorderingsaanslag mocht opleggen: is deze tot een juist bedrag opgelegd? Daarbij zijn de volgende correcties in geschil:

1. € 7.600.000 aan resultaat uit overige werkzaamheden vanwege de overdracht van intellectuele eigendomsrechten door belanghebbende aan [LLC 1] LLC (correctie 1);

2. € 3.650.000 als vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in verband met de liquidatie van [bedrijf 1] (correctie 2);

3. en € 55.500 als voordeel uit aanmerkelijk belang wegens een verkapte winstuitdeling aan belanghebbende van [bedrijf 2] Ltd (correctie 3).

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de navorderingsaanslag tot een bedrag van € 11.308.145.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

Met een brief van 10 september 2024 heeft belanghebbende aan het hof verzocht om [naam 3] als getuige op te roepen omdat de ervaring en het oordeel van [naam 3] als adviseur van belanghebbende van doorslaggevend belang zijn om tot een correcte en volledige feitenvaststelling te komen, waarbij hij vermeld heeft dat hij zelf niet beschikt over de contactgegevens van [naam 3] .

Met een brief van 17 december 2024 heeft het hof aan belanghebbende laten weten dat het hof vooralsnog geen aanleiding ziet om [naam 3] als getuige in deze zaak op te roepen.

In de uitnodiging voor de zitting, die op 8 augustus 2025 is verstuurd, is belanghebbende erop gewezen dat hij zelf getuigen kan meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot kan oproepen. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een getuige mee te nemen of op te roepen. Ter zitting heeft belanghebbende zijn verzoek ook niet herhaald, maar zich op het standpunt gesteld dat hij [naam 3] niet kon oproepen omdat hij niet beschikte over diens adresgegevens. Het hof werpt belanghebbende in dit geval niet tegen dat hij geen verdere actie heeft ondernomen om [naam 3] op te roepen, mede gelet op het navolgende.

Het hof heeft geen aanleiding gezien om [naam 3] als getuige op te roepen, aangezien het horen van [naam 3] (gelet op de motivering van het verzoek van 10 september 2024 en de toelichting van belanghebbende ter zitting van het hof) redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en derhalve niet van belang is voor enig door het hof te nemen beslissing. Het verzoek heeft naar het oordeel van het hof namelijk geen betrekking op in geschil zijnde feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.

Ten aanzien van het geschil

I. Dient bewijsuitsluiting plaats te vinden als gevolg van schending van het informeel verschoningsrecht?

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het dossier dat de inspecteur heeft ontvangen van de FIOD naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek bij belastingadviseur [naam 3] , ten onrechte zonder enige toetsing of selectie van de stukken aan de inspecteur is verstrekt. Daarmee is sprake van schending van het informeel verschoningsrecht. Belanghebbende verwijst naar de conclusies van Advocaat-Generaal R.J. Koopman van 20 december 2024.

Het hof overweegt dat, anders dan in de zaken waarin conclusie is genomen waar belanghebbende naar verwijst, in onderhavig geval de belastingadviseur zelf als verdachte was aangemerkt. De selectie van de stukken (die al dan niet onder een mogelijk verschoningsrecht vallen) die overgedragen mochten worden aan de inspecteur kon dan ook bezwaarlijk aan deze verschoningsgerechtigde worden opgedragen. Belanghebbende heeft zich ter zitting bij het hof – desgevraagd, en in zoverre weer afwijkend van genoemde conclusie – op het standpunt gesteld dat dan de FIOD in dit geval een selectie had moeten maken, omdat het informatie betreft zoals belastingadviezen en daarbij behorende stukken die gegevens van feitelijke en beschrijvende aard bevatten. Het hof laat in het midden of in dit geval sprake is van schending van het informeel verschoningsrecht. Het hof acht zich in deze zaak namelijk voldoende geïnformeerd (en zal zich daartoe beperken) om een beslissing te nemen op basis van de door de inspecteur overgelegde stukken die niet afkomstig zijn van de FIOD en de door belanghebbende zelf overgelegde stukken. Het hof kan de van belastingadviseur [naam 3] inbeslaggenomen stukken die alleen door de inspecteur zijn overgelegd derhalve buiten beschouwing laten. Voor de goede orde: de hierna in deze uitspraak gehanteerde stukken (en daaruit geciteerde passages, zoals onder 2.24, 2.25, 2.26 en 2.27) zijn weliswaar afkomstig van de FIOD maar zijn eveneens door belanghebbende in de onderhavige procedure ingebracht en overgelegd. Het hof betrekt deze door belanghebbende zelf overgelegde stukken dan ook bij zijn beoordeling. Ter zitting is dat aan belanghebbende al voorgehouden en hij heeft daarmee ingestemd.

II. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd die hij op grond van artikel 8:42, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had moeten overleggen. Er ontbreken namelijk stukken die zien op de informatie-uitwisseling tussen de FIOD en de Belastingdienst.

De inspecteur heeft ter zitting bij het hof in zijn pleitnotitie de onder 2.32 weergegeven tijdlijn overgelegd, met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen de FIOD en de Belastingdienst. Het hof constateert dat deze tijdlijn niet nader is onderbouwd met schriftelijke stukken. Het gaat in dit geval om de vraag of die stukken bestaan en zo dat het geval is, of die stukken ook op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Het hof oordeelt ten aanzien daarvan als volgt.

Allereerst: de stukken die betrekking hebben op de inval van de FIOD in augustus 2018 bij belastingadviseur [naam 12] zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Belanghebbende was namelijk geen klant van deze belastingadviseur, en er is – zo heeft de inspecteur onweersproken gesteld – in het geheel geen informatie over belanghebbende bij deze inval naar boven gekomen. Alleen daarom al is van schending van artikel 8:42, lid 1, Awb geen sprake.

Voorts heeft, volgens de tijdlijn, in 2020 informatie-uitwisseling tussen de FIOD en de Belastingdienst plaatsgevonden naar aanleiding van de aanhouding van belastingadviseur [naam 3] op 14 juli 2020. Ter zitting hebben twee medewerkers van de Belastingdienst die bij de informatie-uitwisseling betrokken waren, [inspecteur 1] en [inspecteur 3] , desgevraagd verklaard dat hetgeen in de tijdlijn staat juist en volledig is. Belanghebbende heeft dat niet betwist, en ook overigens heeft het hof geen aanleiding om aan deze ter zitting door twee ambtenaren afgegeven verklaring te twijfelen. Uit de tijdlijn volgt dat (voor zover het belanghebbende betreft) op 16 en 17 november 2020 door [inspecteur 1] en [inspecteur 3] een analyse is uitgevoerd van de bij [naam 3] in beslaggenomen informatie, maar het dossier van belanghebbende is daarbij niet doorgenomen. Op 30 november 2020 wordt de ‘restinformatie’ wederom geanalyseerd, maar niet gebleken is dat daarbij relevante bevindingen zijn vastgelegd. Op 4 december 2020 wordt een documentmap ‘ [belanghebbende] ’ aangemaakt op een schijf van de Belastingdienst en op 7 en 8 december 2020 wordt formeel toestemming gevraagd en verkregen op grond van artikel 55 van de AWR om het dossier [belanghebbende] voor fiscale doeleinden te mogen gebruiken. Het hof gaat er daarmee van uit dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, aangezien niet aannemelijk is geworden dat van voormelde handelingen aantekening is gemaakt, noch dat met de loutere aanmaak van de documentmap “ [belanghebbende] ” andere stukken zijn bewaard dan die reeds zijn overgelegd.

III. Heeft de inspecteur het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, omdat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de voorgenomen correcties voordat de navorderingsaanslag is opgelegd.

Het hof is van oordeel dat, zo het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in dit geval al van toepassing is, belanghebbendes beroep daarop hem niet kan baten. De navorderingstermijn verliep namelijk op 31 december 2020, en de informatie die aanleiding vormde voor het opleggen van de navorderingsaanslag is pas begin december 2020 bij de inspecteur in beeld gekomen. Zo verkrijgt [naam 15] eerst op 15 december 2020 het dossier inzake de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag en de vaststellingsovereenkomst. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, te weten de zeer korte tijd die de inspecteur resteerde om in deze omvangrijke zaak een navorderingsaanslag te berekenen en ook tijdig (tussen Kerst en oudjaar) op te leggen, was het gerechtvaardigd dat hij belanghebbende niet eerst in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op het voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen. De beperking van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel jegens belanghebbende, indien en voor zover van toepassing, is in dit geval dus gerechtvaardigd.

IV. Woonde belanghebbende in 2007 in Nederland in de zin van artikel 4, lid 1, AWR, zodat de inspecteur hem terecht als binnenlands belastingplichtig heeft aangemerkt?

Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, lid 1, AWR naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het land waar hij woont. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat het voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.

Het hof is van oordeel dat belanghebbende in 2007 in Nederland woonde, zodat de inspecteur hem terecht als binnenlands belastingplichtig heeft aangemerkt. Daarvoor is allereerst van belang dat belanghebbende, zoals tussen partijen niet in geschil is, in 2007 102 dagen in Nederland verbleef. Daarnaast acht het hof van belang dat er in Nederland woonruimte was die belanghebbende duurzaam ter beschikking stond. Zo was hij tot 2 juli 2007 samen met [ex-partner] eigenaar van de woning aan [adres 1] . Belanghebbende stelt weliswaar dat hij feitelijk geen toegang had tot deze woning op basis van met [ex-partner] gemaakte afspraken, mede vanwege de slechte verstandhouding met [ex-partner] en zijn zoon die daar op dat moment woonden, maar heeft deze stelling niet of althans onvoldoende onderbouwd. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat belanghebbende geen toegang had tot deze woning, waar hij zelf voor 2/3e deel eigenaar van was.

Hetzelfde geldt voor de woning in [adres 2] , waarvan het hof aannemelijk acht dat deze woning in de tweede helft van het jaar aan belanghebbende duurzaam ter beschikking stond. Het woonrecht van deze woning is op 6 juli 2007 weliswaar aangekocht door een vriend van belanghebbende, [naam 4] . Maar [naam 4] had voor de aankoop beperkte financiële middelen en heeft deze aankoop dan ook gefinancierd met hulp van belanghebbende, hetgeen belanghebbende niet weersproken heeft, en ook in de door belanghebbende overgelegde verklaring van [naam 4] van 16 oktober 2024 bevestigd wordt. Van een aflossingsschema, rentebetalingen of zekerheden is echter niet gebleken, evenals dat van terugbetaling van de restschuld niet gebleken is. [naam 4] heeft verklaard dat hij de schuld (waaraan de verschuldigde rente was toegevoegd) op enig moment niet kon terugbetalen en ook een aanvullende lening van belanghebbende heeft ontvangen. Ook heeft belanghebbende meermaals bedragen van ongeveer € 1.000 naar [naam 4] overgemaakt, welke bedragen volgens [naam 4] als bijdragen in de kosten voor de bewoning van [adres 2] moeten worden gezien. [naam 4] stond verder slechts van 13 juli 2007 tot 9 april 2010 ingeschreven op het adres [adres 2] in [plaats 4] , terwijl hij het woonrecht pas anderhalf jaar daarna, op 1 augustus 2012 heeft verkocht. Zijn huurwoning [adres 3] in [plaats 5] (hierna: de huurwoning) heeft [naam 4] al die tijd aangehouden.

Volgens belanghebbende heeft [naam 4] in de woning [adres 2] gewoond met [ex-partner] , omdat [naam 4] en [ex-partner] destijds een relatie hadden, en hield [naam 4] de huurwoning aan om op te kunnen terugvallen. Het hof overweegt dat [ex-partner] en de zoon weliswaar vanaf 25 juli 2007 tot 1 september 2012 in de BRP ingeschreven stonden op [adres 2] , maar de stelling dat [naam 4] en [ex-partner] op [adres 2] samenwoonden, vindt geen steun in het dossier. Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat [ex-partner] halverwege 2007 naar de VS is verhuisd. Ze wordt per 1 augustus 2007 door de Amerikaanse fiscale autoriteiten als inwoner van de VS beschouwd, zoals op de zitting van het hof door belanghebbende is verklaard. Het hof acht de stelling dat [naam 4] samen met [ex-partner] in de woning [adres 2] woonde in de tweede helft van 2007, dan ook niet geloofwaardig. Veeleer moet worden aangenomen dat [naam 4] slechts is opgetreden als stroman voor belanghebbende.

Alsdan komt het hof tot het oordeel dat de woning belanghebbende (in ieder geval voor de tweede helft van 2007) duurzaam ter beschikking stond. Dit vindt bevestiging in de (onder 2.15 genoemde) mededeling van belanghebbende aan Van Lanschot Bankiers van een verhuizing van [adres 2] naar een ander adres in Nederland.

Het hof acht op grond van het voorgaande aannemelijk dat belanghebbende in de tweede helft van 2007 feitelijk steeds toegang had tot de woning [adres 2] , en dat deze woonruimte duurzaam aan hem ter beschikking stond. Het hof acht daarbij van belang dat belanghebbende betrokken was bij de financiering van de woning en van de kosten van bewoning, en dat zijn stellingen over wie er in de woning woonden, ongeloofwaardig zijn. Daar komt bij dat belanghebbende nog geen begin van bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat hij geen toegang had tot de woning [adres 2] en dat hij in plaats daarvan, wanneer hij in Nederland verbleef, gebruik maakte van hotels en overnachtingen bij bekenden, terwijl hij dat had kunnen doen door bijvoorbeeld afschriften van boekingen of betalingen over te leggen.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat hij niet in Nederland woonde in 2007, omdat hij in 2006 al naar Cyprus was geëmigreerd en daar woonde in 2007 met zijn nieuwe vriendin [naam 5] . Hij heeft in dat kader onder meer gesteld dat hij meer dan de helft van het jaar op Cyprus verbleef, hij daar over een huurwoning en eigen auto beschikte, daar ingeschreven stond, over een Cypriotisch rijbewijs beschikte, een tandarts en een huisarts had en lid was van verenigingen. Het hof overweegt dat het op de weg van belanghebbende ligt om voor de hiervoor relevante feiten en omstandigheden bewijsstukken aan te leveren, en dat hij dat niet of in ieder geval onvoldoende gedaan heeft. Er is geen kopie van genoemd rijbewijs overgelegd, en evenmin nadere gegevens over genoemde zorgverleners en/of sociale contacten. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat belanghebbende in 2007 niet meer in Nederland woonde omdat hij naar Cyprus was geëmigreerd.

Het hof voegt daar, volledigheidshalve, aan toe dat belanghebbende ter zitting, desgevraagd, heeft verklaard dat hij in 2007 in ieder geval niet in de VS woonde.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat hij in 2006 op Cyprus woonde en in 2008 in de VS, zodat het hoe dan ook niet mogelijk is dat in 2007 een duurzame band van persoonlijke aard bestond met Nederland. Het hof overweegt dat het uitgangspunt dat een duurzame band van persoonlijke aard met een land niet kan bestaan voor de duur van slechts één jaar, geen steun vindt in het recht. Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden - dat belanghebbende in ieder geval 102 dagen in Nederland was, dat aan hem in Nederland het gehele jaar woonruimte ter beschikking stond en dat sprake was van sociale binding met Nederland doordat onder meer zijn toenmalige echtgenote en zoon in Nederland woonden - acht het hof in het licht van de in 4.12 genoemde uitgangspunten aannemelijk dat er een duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen belanghebbende en Nederland in 2007, zodat geoordeeld kan worden dat hij er dat jaar woonde.

V. Indien vraag IV bevestigend moet worden beantwoord: slaagt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel, inhoudende dat de inspecteur eerder het standpunt had ingenomen dat belanghebbende in 2007 buitenlands belastingplichtig was?

Aangezien het hof op grond van het voorgaande van oordeel is dat belanghebbende in 2007 in Nederland woonde, zal het hof vervolgens beoordelen of belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel dat de inspecteur eerder het standpunt had ingenomen dat hij in 2007 buitenlands belastingplichtig was en dat belanghebbende daaraan rechten kan ontlenen, slaagt.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur de woonplaats van belanghebbende in 2007 al beoordeeld heeft, namelijk bij de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag en in het kader van de vaststellingsovereenkomst van 15 augustus 2020. De inspecteur stelde zich destijds op het standpunt dat belanghebbende in 2007 in de VS woonde, en niet op Cyprus, en heeft daarover destijds ook vragen gesteld. Uiteindelijk heeft de inspecteur toen geconcludeerd dat belanghebbende in de VS woonde, hetgeen ook in de vaststellingsovereenkomst onder “4. Feiten” (geciteerd onder 2.16 van deze uitspraak) wordt bevestigd door de zinsnede “vastgoed in America (waar [belanghebbende] (…) al die tijd al woonachtig is)”. Daarnaast heeft de inspecteur over het jaar 2006 een woonplaatsonderzoek verricht, waaruit volgde dat belanghebbende voor dat jaar niet als binnenlands belastingplichtig kan worden aangemerkt, wat ook relevant is voor het opvolgende jaar 2007. Belanghebbende wijst op de passage uit de bevindingen die de inspecteur op 6 juli 2009 met belanghebbende heeft gedeeld (geciteerd onder 2.17 van deze uitspraak). Belanghebbende wijst verder op passages uit een door de inspecteur overgelegd ongedateerd memo (geciteerd onder 2.18 van deze uitspraak), waarin zijn emigratie uit Nederland en de woonplaats van belanghebbende in het buitenland genoemd worden. De inspecteur heeft met dit alles het vertrouwen gewekt dat hij het standpunt had ingenomen dat belanghebbende in 2007 buitenlands belastingplichtig was, namelijk in de VS, aldus belanghebbende.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende te kwader trouw is, omdat hij de inspecteur van onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft voorzien tijdens het woonplaatsonderzoek inzake de aangifte IB/PVV over het jaar 2006 en de bezwaarprocedure inzake de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag waaruit de vaststellingsovereenkomst is voortgekomen. Verder stelt de inspecteur zich op het standpunt dat zijn onderzoek in de bezwaarfase inzake de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag zich niet gericht heeft op een mogelijke woonplaats van belanghebbende in Nederland, omdat belanghebbende als buitenlands belastingplichtige werd belast. Er zijn destijds dan ook alleen vragen gesteld om duidelijkheid te verkrijgen of de woonplaats van belanghebbende op Cyprus of in de VS was, omdat dit van belang was voor de vraag welk verdrag van toepassing was en of de heffingsbevoegdheid over de betreffende inkomsten aan Nederland toekwam.

Het hof is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, alleen al omdat belanghebbende onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt ten aanzien van zijn woonplaats. De inspecteur verkeerde (ten onrechte) in de veronderstelling dat belanghebbende in 2007 in de VS woonde, en belanghebbende heeft hem gesterkt en bevestigd in dit onjuiste uitgangspunt – zo volgt uit de onder 4 in de vaststellingsovereenkomst genoemde feiten waarover partijen het eens zijn: “vastgoed in America (waar [belanghebbende] (…) al die tijd al woonachtig is)”. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende (desgevraagd) erkend en bevestigd dat hij in 2007 niet in de VS woonde: “Ik ben in augustus van het jaar 2007 in loondienst getreden bij een werkgever in de VS. In het begin was het zo dat ik daar niet vaak hoefde te zijn, maar naarmate de tijd vorderde, reisde ik vaker voor werk naar de VS. Toen duidelijk werd dat die werkzaamheden nog wel een aantal jaren zouden duren, heb ik mijn woonplaats op Cyprus verruild voor de VS. Ik kwam eind 2007 tot deze conclusie. (…) [inspecteur 1] was van mening dat ik in 2007 in de VS woonde, daar had ik ook vastgoedbeleggingen. Ik was het daar niet mee eens, ik vond dat ik in 2007 in Cyprus woonde. Dat vind ik nog steeds.”.

Belanghebbende wist (mede op grond van onderdeel 9 van de vaststellingsovereenkomst) dat hij gehouden was om alle benodigde feiten en omstandigheden ‘stellig, volledig en naar waarheid’ te verstrekken. Echter, belanghebbende heeft onjuiste inlichtingen verstrekt over zijn woonplaats in 2007 of minst genomen de inspecteur niet gecorrigeerd in diens conclusie waarvan belanghebbende wist dat die onjuist was, zodat dat reeds aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg staat. Daarnaast en aanvullend stelt het hof vast dat de door belanghebbende aangehaalde onderzoeken van de inspecteur zich niet hebben gericht op de mogelijkheid dat belanghebbende in het jaar 2007 in Nederland woonde, en dus binnenlands belastingplichtig was. Belanghebbende kon dan ook redelijkerwijs niet aannemen dat de inspecteur over zijn binnenlandse belastingplicht in het jaar 2007 een weloverwogen standpunt had ingenomen.

VI. Heeft belanghebbende de vereiste aangifte niet gedaan, zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast?

Het hof is van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte niet gedaan heeft.

Zoals hiervoor overwogen heeft belanghebbende de inspecteur onjuist voorgelicht over zijn werkelijke woonplaats (land) in 2007. Deze onjuiste informatie is ook verstrekt in de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV over dit jaar. Belanghebbende heeft deze aangifte op 16 maart 2009 digitaal ingediend, naar (alleen) een verzamelinkomen van € 2.645. De aanslag is (zonder nader onderzoek) conform de aangifte opgelegd.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte vermeld dat hij woont in [plaats 6] , Cyprus. Verder heeft hij ingevuld dat hij het hele jaar in 2007 in het buitenland woonde, waarbij hij de landcode “XXX” heeft opgegeven. Deze landcode is van toepassing voor landen die niet in de daarbij behorende tabel vermeld staan - voor het jaar 2007 stond Cyprus niet in de tabel met landcodes vermeld.

Alsdan heeft belanghebbende een onjuiste opgave gedaan van zijn woonadres, en daarmee niet de vereiste aangifte gedaan. Hij heeft ten onrechte aangifte gedaan als (volledig) buitenlands belastingplichtige en verzuimd de inspecteur te informeren over zijn werkelijke woonplaats, zijnde Nederland. Hij heeft daarmee ook de inspecteur de kans ontnomen om - vanwege de, in ieder geval deels, binnenlandse belastingplicht - met meer dan de gebruikelijke aandacht kennis te nemen van de aangifte.

Bij deze keuze is, gelet op de voorgaande overwegingen, geen sprake van een pleitbaar in te nemen standpunt. Hij moet het belang van de juiste beantwoording van deze vraag onderkend hebben. Belanghebbende heeft zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij in 2007 op Cyprus woonde. In zoverre is dit geval niet op één lijn te stellen met die zaak die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2022.

De beantwoording van voormelde vraag is rechtstreeks gericht op het vaststellen van de omvang van de belastingschuld voor het belastingmiddel en voor het tijdstip of de periode waarop de aangifte betrekking heeft. De vraagstelling is er ook in het algemeen op gericht de inspecteur in staat te stellen om op het spoor te komen van gegevens die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn, en die zo nodig aanleiding kunnen zijn voor onderzoek.

Alsdan is de vereiste aangifte niet gedaan en dat heeft in dit geval tot gevolg dat de in artikel 25, lid 3, AWR en artikel 27e AWR voorziene sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast wordt toegepast. Het niet of onjuist beantwoorden van de desbetreffende vraag is van voldoende gewicht om die zware sanctie te kunnen rechtvaardigen.

Door het niet correct beantwoorden van deze vraag is de kans ontstaan dat te weinig belasting wordt geheven doordat de inspecteur niet op het spoor kan komen van handelingen en inkomsten die uiteindelijk hebben geleid tot de door de inspecteur (hierna te behandelen) aangebrachte correcties in de navorderingsaanslag.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.

VII. Is sprake van een nieuw feit, zoals vereist voor navordering?

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit ten aanzien van zijn woonplaats in het jaar 2007. De inspecteur had namelijk al eerder, in het kader van de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag, onderzoek gedaan naar de woonplaats van belanghebbende. Feiten omtrent de woonplaats van belanghebbende waren de inspecteur immers dan ook al bekend, of hadden hem redelijkerwijs bekend kunnen zijn. Er is dan ook sprake van een ambtelijk verzuim, waardoor navordering niet mogelijk is. Bovendien had de inspecteur al sinds het jaar 2018 de beschikking over de gegevens uit het strafdossier.

Het hof overweegt allereerst dat, zoals hiervóór al vastgesteld, belanghebbende de inspecteur heeft voorzien van onjuiste informatie, op basis waarvan de inspecteur ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat belanghebbende in 2007 niet in Nederland woonde. Navordering is mogelijk ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is, dit wil zeggen indien de belastingplichtige ten aanzien van dat feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Van kwade trouw is in dit geval sprake, als belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist dat, indien deze aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat belanghebbende, gelet op hetgeen hiervoor in 4.13 tot en met 4.17 is overwogen, dat wist. Door aangifte te doen als zijnde woonachtig op Cyprus zouden inkomensbestanddelen buiten de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting blijven. Zo er al sprake is van een gebrek aan een nieuw feit, staat kwade trouw van belanghebbende dan ook in de weg aan een geslaagd beroep op het ontbreken van een nieuw feit.

Het hof is voorts van oordeel dat wel degelijk sprake is van een nieuw feit, zoals vereist voor navordering. De inspecteur heeft namelijk pas op 8 december 2020 informatie ontvangen van de FIOD die betrekking had op belanghebbende en dat was (ruim) na de uitspraak op het bezwaar van 4 september 2020 tegen de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag en de vaststellingsovereenkomst van 15 augustus 2020.

De FIOD beschikte weliswaar al vanaf 14 juli 2020 (datum van inbeslagname) over de administratie van [naam 3] in het kader van het (strafrechtelijk) onderzoek tegen [naam 3] , maar gesteld noch gebleken is dat de FIOD ervan bewust was dat in die administratie stukken en bescheiden waren opgenomen die relevant waren voor de belastingheffing van belanghebbende, daar onderzoek naar gedaan heeft en vervolgens gehouden was die al eerder aan de inspecteur te verstrekken. Eerst op 16 en 17 november 2020, zo volgt uit de door de inspecteur overgelegde tijdlijn, is door [inspecteur 3] en een collega een eerste inventarisatie uitgevoerd op de bij [naam 3] in beslag genomen stukken - ook wel omschreven als ‘restinformatie’ uit een strafrechtelijk onderzoek. Daarbij is nog geen kennisgenomen van het dossier van belanghebbende. Eerst op 4 december 2020 wordt kennisgenomen van het dossier en wordt een map ‘ [belanghebbende] ’ aangemaakt op de interne schijf van de controlemedewerkers. Op 7 december 2020 wordt het Openbaar Ministerie verzocht om het dossier van belanghebbende, behorend tot de in de in beslag genomen stukken, te mogen gebruiken voor fiscale doeleinden.

Aldus is bij de inspecteur eerst (ruim) na de afwikkeling van het bezwaar tegen de in 2013 opgelegde navorderingsaanslag, informatie binnengekomen die relevant is voor de belastingheffing bij belanghebbende, en beschikt de inspecteur pas dan over een (voor de tweede navordering benodigd) ‘nieuw feit’.

Het hof voegt daar nog aan toe dat kennis die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek over de aangelegenheden van een belastingplichtige aanwezig is bij de FIOD, niet zonder meer kan worden toegerekend aan de inspecteur. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de FIOD, en zeker niet de inspecteur, voor het afwikkelen van genoemd bezwaar bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met voor belanghebbende relevante bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek. Verder heeft het eerder verrichte onderzoek naar de woonplaats van belanghebbende in 2007 zich niet gericht op de mogelijkheid van een woonplaats in Nederland, zodat van een ambtelijk verzuim geen sprake is. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, faalt de klacht van belanghebbende dat de opzegging van de vaststellingsovereenkomst onrechtmatig zou zijn.

Het hof merkt afrondend op dat voor zover in geschil is of de verlengde navorderingstermijn terecht is toegepast met betrekking tot de verkoop van de IP-rechten, het volgende heeft te gelden. Vaststaat dat zich in het dossier een “agreement” bevindt waarin de IP-rechten door belanghebbende aan [LLC 1] LLC worden verkocht voor € 7.600.000 en dat deze op 17 juli 2007 is gedateerd. Deze overeenkomst lijkt in essentie op de later gedateerde overeenkomst van 20 september 2007, en geeft aan dat deze is overeengekomen in [plaats 10] , zijnde de vestigingsplaats van [LLC 1] LLC. Het hof houdt het er daarom op dat de overeenkomst van 20 september 2007 eveneens is overeengekomen in de vestigingsplaats van [LLC 1] LLC, namelijk in de Seychellen, althans niet in Nederland. Daarmee staat vast dat de vordering van € 7.600.000 in het buitenland is opgekomen en dat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is.

VIII. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag?

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag. In 2018 startte de FIOD namelijk een onderzoek naar de fiscaal adviseur van belanghebbende, en de inspecteur had toen al inzage in deze gegevens. Ook indien de informatie van de FIOD nog niet bekend was bij de inspecteur vóór 8 december 2020, is er onvoldoende voortvarend gehandeld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 2014 namelijk beslist dat zowel de Belastingdienst als de FIOD aan te merken zijn als belastingautoriteit, zodat bij de beoordeling of voortvarend is gehandeld in dit geval van belang is vanaf welk moment de informatie bij de FIOD bekend was. Nu er twee jaar is gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag, is er niet voortvarend gehandeld en heeft de inspecteur geen bevoegdheid tot navorderen met gebruik van de verlengde navorderingstermijn.

Het hof overweegt dat op 14 juli 2020 administratie in beslag is genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar adviseur [naam 3] . Gesteld noch gebleken is dat daarbij al direct duidelijk was dat hierin voor de belastingheffing van belanghebbende relevante informatie was opgenomen. Uit de hiervoor besproken tijdlijn volgt dat pas medio november de eerste analyses van het materiaal zijn uitgevoerd, maar dat het dossier van belanghebbende daarin niet is betrokken. En dat op 30 november 2020 voor het eerst stukken zijn bestudeerd die betrekking hadden op belanghebbende. Zelfs als moet worden aangenomen dat uitgegaan moet worden van medio juli 2020 (en niet van eind november 2020) en nog daargelaten of de FIOD in dit geval beschouwd dient te worden als onderdeel van de belastingautoriteit, wat naar het oordeel van het hof niet het geval is, heeft de inspecteur binnen zes maanden na inbeslagname de navorderingsaanslag opgelegd. Naar het oordeel van het hof is bij dit tijdsverloop in onderhavig geval hoe dan ook geen sprake van onvoldoende voortvarend handelen. Gelet op het voorgaande kan in dit geval ook in het midden blijven of artikel 64 VWEU (de standstillbepaling) van toepassing is.

IX. Is de navorderingsaanslag tot een juist bedrag opgelegd?

Als gevolg van de omkering van de bewijslast moet het hof beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een (navorderings)aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, moet mede in aanmerking worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt het hof de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.

Wanneer de door de inspecteur gemaakte schatting redelijk moet worden geacht, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, wanneer hij de op basis van deze schatting vastgestelde belastingaanslag betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.

Correctie 1

Het hof is van oordeel dat de door de inspecteur gemaakte schatting van het inkomen van € 7.600.000 als resultaat uit overige werkzaamheden redelijk is. Uit de onder 2.24, 2.25, 2.26 en 2.27 van deze uitspraak geciteerde stukken – die belanghebbende zelf in onderhavige procedure heeft overgelegd – volgt naar het oordeel van het hof dat belanghebbende op 20 september 2007 zijn intellectuele-eigendomsrechten inzake glasvezel heeft verkocht aan [LLC 1] LLC voor een bedrag van € 7.600.000. Steeds wordt met betrekking tot de verkoop van de intellectuele-eigendomsrechten een bedrag van € 7.600.000 genoemd, en steeds wordt specifiek de datum van 20 september 2007 als datum van verkoop genoemd. Deze datum staat ook onder de niet-ondertekende overeenkomst die zich in het dossier bevindt, aangaande de verkoop (zie 2.26).

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verkoop van intellectuele-eigendomsrechten inzake glasvezel niet heeft plaatsgevonden, en dat de stukken betrekking hebben op fictieve scenario’s. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat de emailwisselingen met [naam 3] achteraf bedachte scenario’s betreffen voor het fiscaal gunstig behandelen van verwachtte opbrengsten uit een vastgoedproject in de VS. Als gevolg van de kredietcrisis, die in de VS in 2007 ontstond, hebben deze opbrengsten zich uiteindelijk echter nooit voorgedaan. Belanghebbende heeft deze door hem geschetste gang van zaken echter op geen enkele wijze onderbouwd. Belanghebbende is er dan ook, naar het oordeel van het hof, niet in geslaagd het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren dat de opgelegde navorderingsaanslag op dit punt onjuist is.

Het hof voegt daar aan toe dat ook als er geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, maar van de normale bewijslastverdeling waar de rechtbank van uit is gegaan, de inspecteur gelet op de tot het dossier behorende gedingstukken aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2007 bedoelde intellectuele-eigendomsrechten heeft verkocht voor een bedrag van € 7.600.000.

Correctie 2

De inspecteur is het eens met het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 3.650.000 geniet vanwege het prijsgeven van de vordering door [bedrijf 1] zonder zakelijke redenen of als liquidatie-uitkering door opheffing van [bedrijf 1] . Hij is het echter niet eens met de rechtbank dat hiertegenover een even hoge kapitaalstorting staat vanwege een informele kapitaalstorting van € 3.650.000 in [bedrijf 1] zodat er per saldo geen winst uit aanmerkelijk belang resteert.

Belanghebbende heeft in de visie van de inspecteur namelijk niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een informele kapitaalstorting van € 3.650.000 in [bedrijf 1] . Dit is ook niet terug te zien in jaarstukken van [bedrijf 1] of [bedrijf 3] , aangezien – zo heeft belanghebbende verklaard – die voor de jaren 2005, 2006 en 2007 niet zijn opgesteld.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in privé een vordering van € 3.650.000 had op [naam 6] , en dat ze zijn overeengekomen dat een vennootschap van [naam 6] dat bedrag zou betalen aan [bedrijf 3] , een vennootschap van belanghebbende, en dat dat moet aangemerkt worden als een informele kapitaalstorting. Immers, dit voordeel is door [bedrijf 3] ontvangen buiten de ondernemingssfeer, en alleen opgekomen uit de aandeelhoudersrelatie met belanghebbende.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat belanghebbende een voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten ter hoogte van € 3.650.000 waarbij in het midden kan blijven, zie ook overweging 6.29 van de rechtbank, of dat is verkregen vanwege het prijsgeven van een vordering zonder zakelijke redenen dan wel als liquidatie-uitkering. Belanghebbende heeft dit, deze conclusie van de rechtbank, in hoger beroep ook niet betwist, maar zich beperkt tot de stelling dat dit voordeel wordt gecompenseerd door de daar tegenover staande informele kapitaalstorting.

Wat betreft de door belanghebbende gestelde informele kapitaalstorting overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft de (blote) stelling ingenomen dat hij recht had op een vergoeding van [naam 6] vanwege het door [naam 6] eenzijdig opzeggen van een samenwerkingsovereenkomst. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat de samenwerking zou hebben gezien op aanleg van glasvezel. De expertise van belanghebbende lag ‘op het snijvlak van glasvezel, zorg op afstand en veiligheid’ en hij zou zorgen voor ‘de uitrol van zorg op afstand’, naar het hof begrijpt, bij huisartsen en ziekenhuizen. Uiteindelijk besloot [naam 6] ‘om bepaalde redenen’ de samenwerking met belanghebbende te stoppen. [naam 6] heeft belanghebbende daarvoor een vergoeding betaald van € 3.650.000 voor: ‘mijn kennis, mijn contacten, mijn stukken en de goedkeuringen die ik al had van de overheid. Dat kon hij allemaal gebruiken’. Het bedrag is niet direct aan belanghebbende betaald maar, op aanwijzingen van [naam 6] , aan een vennootschap van belanghebbende, aldus nog steeds belanghebbende ter zitting van het hof.

Het hof stelt vast dat belanghebbende bovenomschreven gang van zaken op geen enkele wijze heeft onderbouwd met stukken, zoals correspondentie met [naam 6] , betaalbewijzen, jaarstukken van bedoelde vennootschappen, stukken waaruit zijn specifieke kennis en/of ervaring en/of deskundigheid blijkt ten aanzien van glasvezel en/of ‘zorg op afstand’ en/of glasvezel en/of ’contacten’ en/of goedkeuringen, dan wel vergunningen dan wel aanvragen daartoe, van de overheid. Belanghebbende is weliswaar enige tijd werkzaam geweest bij een woningbouwvereniging maar van een, aldaar verkregen, specifieke deskundigheid (deels) op terreinen die belanghebbende beschrijft, is niets aannemelijk geworden. Wat resteert is een (in de kern genomen) vaag verhaal van belanghebbende zonder enige onderbouwing, terwijl die onderbouwing (in enigerlei vorm) wel van hem verwacht mag worden.

Het hof overweegt voorts dat belanghebbende geen (begin van een) verklaring of onderbouwing heeft gegeven voor de toch wel opmerkelijke overeenkomst tussen het (niet in geschil zijnde) voordeel uit aanmerkelijk belang ad € 3.650.000 en de (door belanghebbende gestelde) vergoeding door [naam 6] tot hetzelfde bedrag. Voor de hoogte van deze substantiële vergoeding is geen enkele onderbouwing of berekening overgelegd.

Hetzelfde geldt voor de betaling (op aanwijzing van [naam 6] ) aan een vennootschap van belanghebbende: ‘ [naam 6] had hierin de leiding, ik had niets te willen. We kwamen tot een deal, en ik moest het met zijn voorstel doen om zowel de betaling als de ontvangst van het bedrag via een vennootschap te doen. Dat was zijn idee, ik ben akkoord gegaan.’. Voor de stellige keuze van [naam 6] om de betaling op deze wijze af te handelen voor een aan belanghebbende in privé toekomend bedrag is geen begin van verklaring gegeven.

Alles overziend komt het hof tot het oordeel dat belanghebbende zijn stelling dat hij recht had op een vergoeding van € 3.650.000 en dat bedrag is gestort en verwerkt als een informele kapitaalstorting in een van zijn vennootschappen, op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dus ook niet aannemelijk is geworden. Vragen van het hof ter zitting zijn slechts ontwijkend en in algemene termen beantwoord. Het hof acht de door belanghebbende geschetste gang van zaken volstrekt ongeloofwaardig.

Belanghebbende is dan ook, naar het oordeel van het hof, niet erin geslaagd het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren dat de opgelegde navorderingsaanslag op dit punt onjuist is.

Het hof voegt daaraan toe dat ook als er geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast maar van de normale bewijslastverdeling, waar de rechtbank van uit is gegaan, de inspecteur gelet op de tot het dossier behorende gedingstukken aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2007 een voordeel uit aanmerkelijk heeft genoten ter hoogte van € 3.650.000. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur een correctie ter hoogte van € 3.500.000 gehandhaafd. Aangezien de inspecteur in de beroepsfase een correctie groot € 475.000 heeft laten vallen, kan hij nu worden gevolgd in zijn beroep op interne compensatie. Als gevolg daarvan wordt ter zake van correctie 2 het volledige bedrag van € 3.650.000 in aanmerking genomen.

Correctie 3

Het hof is van oordeel dat de door de inspecteur gemaakte schatting van het inkomen van € 55.500 als voordeel uit aanmerkelijk belang redelijk is. Door [bedrijf 2] Ltd is in 2007 in totaal € 55.500 overgemaakt aan [ex-partner] . Belanghebbende is in 2005 en 2006, zo heeft hij ter zitting van het hof bevestigd, de uiteindelijke gerechtigde van [bedrijf 2] Ltd. Aannemelijk is dat belanghebbende, ondanks zijn ontkenning, ook in 2007 de uiteindelijk gerechtigde van [bedrijf 2] Ltd was. In eerste aanleg is namelijk in de conclusie van repliek namens belanghebbende verwoord dat volgens belanghebbende de geldverstrekking een lening door de vennootschap aan hem in privé betrof. Ook blijkt uit een door belanghebbende zelf verstrekte e-mail (bijlage 2 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg) van 9 februari 2009 (zie 2.27) dat hij instructies geeft aan [naam 3] via het mailadres < [email adres 1] >. Alsdan is er sprake van een (verkapte) winstuitdeling van [bedrijf 2] Ltd aan belanghebbende. Aan het voor het in aanmerking nemen van een (verkapte) winstuitdeling vereiste van dubbele bewustheid is bij deze vermogensverschuiving voldaan: gelet op de betrokkenheid van belanghebbende bij [bedrijf 2] Ltd is het aannemelijk dat zowel hij als [bedrijf 2] Ltd zich bewust waren van deze bevoordeling.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een winstuitdeling, omdat het zou gaan om een lening van [bedrijf 2] Ltd. aan belanghebbende in privé. Ten tijde van de overboekingen was nog niet duidelijk dat de overgeboekte bedragen nooit terugbetaald zouden worden, en dat deze gelden daarmee het vermogen van de [bedrijf 2] Ltd definitief hadden verlaten. Daarbij is ook de leningsovereenkomst van 7 december 2005 van belang tussen belanghebbende en [ex-partner] enerzijds en [bedrijf 2] Ltd. anderzijds, waarbij de woning aan [adres 1] als zekerheid dient. Het hof overweegt dat de betalingen echter deels hebben plaatsgevonden na de verkoop van de woning, en dat van aflossing van de gestelde geleende bedragen niet gebleken is. Belanghebbende is dan ook, naar het oordeel van het hof en gelet op de omkering van de bewijslast, niet erin geslaagd het bewijs te leveren dat deze inkomsten zich niet hebben voorgedaan.

Het hof voegt daar aan toe dat ook als er geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast maar van de normale bewijslastverdeling, waar de rechtbank van uit is gegaan, de inspecteur gelet op de tot het dossier behorende gedingstukken aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2007 een voordeel uit aanmerkelijk heeft genoten ter hoogte van € 55.500.

Tussenconclusie

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond en het door de inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep is gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het bij het hof betaalde griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank uitsluitend wordt vernietigd op grond van het door de inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep. Het hof zal de door de rechtbank toegekende vergoeding van het griffierecht echter in stand laten, omdat het beroep in zoverre gegrond was (overeenkomstig het door de inspecteur in beroep nader ingenomen standpunt) omdat de eerder door de inspecteur voorgestane correctie van € 475.000 wegens een verkapte winstuitdeling aan belanghebbende van [LLC 2] LLC is komen te vervallen.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar, van de proceskosten en de vergoeding van immateriële schade

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Het hof zal de door de rechtbank toegekende vergoeding van de (proces)kosten in stand laten omdat het beroep deels gegrond was, zoals hiervóór omschreven (vervallen van de correctie van € 475.000 winstuitdeling [LLC 2] LLC). Ook de door de rechtbank terecht toegekende vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende zal het hof in stand laten.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door A.M. van Amsterdam, voorzitter, A.J. Kromhout en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door A.J. Kromhout, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

De griffier, De raadsheer,

R. Camps A.J. Kromhout

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026090204
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand