GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: zie bijlage
Uitspraak op het hoger beroep van
iedere belanghebbende genoemd in de bijlage,
hierna gezamenlijk: belanghebbenden,
tegen de in de bijlage genoemde uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank), in de gedingen tussen belanghebbenden en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbenden hebben verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend.
De inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen.
Belanghebbenden hebben telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur is niet tegemoetgekomen aan de bezwaren tegen de afwijzingen.
Belanghebbenden hebben vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.
In een enkele zaak zijn door belanghebbenden nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
Het hof heeft in al deze zaken bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten. Gemachtigde is namens belanghebbenden akkoord met het doen van één uitspraak met een bijlage waarin de belanghebbenden worden genoemd. De inspecteur is hiermee ook akkoord.
2. Feiten
Belanghebbenden zijn gevestigd in Duitsland dan wel Luxemburg. In nagenoeg alle gevallen betreft het beleggingsfondsen met meerdere participanten. In een enkel geval is er sprake van een fonds met participanten die zijn vrijgesteld van belastingheffing.
Tot de bezittingen van belanghebbenden behoorden in de betreffende jaren aandelen in vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn. Op de dividenden die door deze vennootschappen zijn uitgekeerd is – per saldo – 15 procent Nederlandse dividendbelasting ingehouden.
Belanghebbenden hebben geen vaste inrichting in Nederland voor de vennootschapsbelasting. Belanghebbenden zijn in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbenden recht hebben op teruggaaf van de onder 2.2 genoemde dividendbelasting.
Belanghebbenden concluderen tot teruggaaf van dividendbelasting. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Afdrachtvermindering
Belanghebbenden hebben – voor de jaren waarin de regeling van de afdrachtvermindering geldt – verzocht om teruggaaf van ingehouden dividendbelasting op dividenden die zijn ontvangen van in Nederland gevestigde vennootschappen. Die teruggaaf is door de inspecteur niet verleend. Belanghebbenden stellen wederom dat sprake is van schending van de vrijheid van kapitaalverkeer.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 9 april 2021 geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. De Hoge Raad heeft dit oordeel – in navolging van de Advocaat-Generaal – uitdrukkelijk bevestigd in het arrest van 13 september 2024.
Het hof ziet geen reden – gelet op deze beslissingen van de Hoge Raad – om thans anders te oordelen.
Situatie van vrijgestelde participanten
In het geval er sprake is van vrijgestelde participanten stellen belanghebbenden voorts dat zij recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting, omdat de aandeelhouders/participanten vrijgesteld zijn van belastingheffing en dat deze aandeelhouders/participanten bij rechtstreekse belegging op grond van artikel 10, lid 2, Wet op de dividendbelasting 1965 recht op teruggaaf zouden hebben.
Het hof is van oordeel dat – zelfs al zou de conclusie moeten worden getrokken dat ten aanzien van deze aandeelhouders/participanten sprake is van schending van het Unierecht – belanghebbenden niet zelf enig recht jegens Nederland hebben op een teruggaaf van dividendbelasting.
Gelet op het voorgaande hebben belanghebbenden geen recht op teruggaaf van dividendbelasting, en dus ook geen recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
Het hof heeft kennisgenomen van het door de Europese Commissie op 17 juli 2025 aan Nederland uitgebracht met redenen omkleed advies (‘reasoned opinion’). Aangezien de uitkomst hiervan op dit moment ongewis is en nog lang op zich kan laten wachten, ziet het hof geen reden om hierop te wachten. Het hof zal de onderhavige zaken dan ook niet aanhouden.
Tussenconclusie
De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Bijlage: