ECLI:NL:GHSHE:2026:1791

ECLI:NL:GHSHE:2026:1791

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 08-07-2026
Zaaknummer 25/131
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2025:10

Samenvatting

Artikel 3.146 van de Wet IB 2001 Het hof heeft eerder geoordeeld dat belanghebbende verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, in tegenstelling tot een eerder genomen besluit door de inspecteur. Het hof is van oordeel dat ondanks het van oorsprong onrechtmatig genomen besluit de ontvangen nabetaling van de werkeloosheidsuitkering belast is in het jaar 2020.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 25/131

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 januari 2025, nummer BRE 24/2592, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Belanghebbende was van 9 september 2013 tot 19 oktober 2017 zorgverlener van haar moeder.

Tussen belanghebbende en haar moeder golden afspraken met betrekking tot de te verlenen zorg, die waren vastgelegd in een zorgovereenkomst. Zij hebben hiervoor een modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) gebruikt genaamd “Zorgovereenkomst met een partner of familielid”.

Belanghebbende heeft een vergoeding voor de door haar verrichte zorg ontvangen vanuit het persoonsgebondenbudget (hierna: PGB) van haar moeder. De SVB heeft voor de moeder van belanghebbende de loonadministratie verzorgd. Bij het uitbetalen van het PGB-budget zijn geen premies werknemersverzekeringen ingehouden.

De moeder van belanghebbende is op 19 oktober 2017 overleden. Na het overlijden van de moeder van belanghebbende heeft belanghebbende bij het UWV een werkloosheidsuitkering aangevraagd. De uitkering is geweigerd met de reden dat belanghebbende niet werkzaam was in een voor de werknemersverzekeringen verzekerde dienstbetrekking.

Bij beschikking van 11 september 2018 heeft de inspecteur beslist dat belanghebbende niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking van 11 september 2018 rechtsmiddelen aangewend. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 20 mei 2021 in hoger beroep geoordeeld dat belanghebbende in de periode 9 september 2013 tot en met 19 oktober 2017 ter zake van de door haar verrichtte PGB-werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot haar moeder stond.

Naar aanleiding van voornoemde uitspraak van het gerechtshof heeft het UWV de werkloosheidsuitkering over de jaren 2017, 2018 en 2019 in het jaar 2020 uitgekeerd (hierna: de nabetaling van de werkloosheidsuitkering). Het betreft een bedrag van € 57.477 waarop € 17.039 aan loonheffing is ingehouden.

Belanghebbende heeft de nabetaling van de werkloosheidsuitkering niet in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 opgenomen.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 april 2022 de definitieve aanslag IB/PVV 2020 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.971 vastgesteld. Daarbij is in afwijking van de aangifte de nabetaling van de werkloosheidsuitkering in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit werk en woning. Ook is het daarop ingehouden bedrag van € 17.039 als ingehouden loonheffing in aanmerking genomen.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

- Is de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag opgelegd? Meer specifiek is in geschil of de in 2020 ontvangen nabetaling van de werkeloosheidsuitkering over de jaren 2017 tot en met 2019 belast is in het jaar 2020.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.494. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Belanghebbende stelt dat de inspecteur artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek niet heeft nageleefd en dat zij door de inspecteur drie jaar geen inkomen heeft gehad. Belanghebbende is het niet eens met de inspecteur die artikel 3.146 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) toepast.

De rechtbank heeft als volgt overwogen:

“5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de nabetaling van de werkloosheidsuitkering ten onrechte in het jaar 2020 in de aanslag IB/PVV is betrokken. Ter onderbouwing voert zij aan dat zij er alles aan heeft gedaan om de uitkering uitbetaald te krijgen in de periode waarin zij daar recht op had, namelijk de jaren 2017 tot en met 2019. Volgens belanghebbende is het de schuld van de belastingdienst dat zij de nabetaling van de werkloosheidsuitkering pas in het jaar 2020 heeft ontvangen.

De door belanghebbende ontvangen nabetaling van de werkloosheidsuitkering is een zogeheten periodieke uitkering.2 Op grond van artikel 3.146 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt een periodieke uitkering geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend is geworden of vorderbaar en inbaar is geworden.

Tussen partijen is niet in geschil dat de nabetaling van de werkloosheidsuitkering door belanghebbende is ontvangen in het jaar 2020. Naar het oordeel van de rechtbank is de nabetaling van de werkloosheidsuitkering dan ook in dat jaar genoten. Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van één van de andere in artikel 3.146 van de Wet IB 2001 genoemde genietingsmomenten. Dat belanghebbende achteraf gezien in de jaren 2017 tot en met 2019 recht had op de werkeloosheidsuitkering maakt nog niet dat deze in die jaren ‘vorderbaar en inbaar’ was als bedoeld in voornoemd wetsartikel. Van “inbaarheid” is namelijk slechts sprake als desgevraagd onverwijld betaling door de schuldenaar zal plaatsvinden. In dit geval het UWV pas in het jaar 2020 tot betaling van de bijstandsuitkering over de jaren 2017 tot en met 2019 overgegaan, naar aanleiding van een gerechtelijke procedure die belanghebbende is gestart.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur een schadevergoeding aan haar moet betalen omdat het de schuld is van de belastingdienst dat de werkloosheidsuitkering over de jaren 2017 tot en met 2019 pas in 2020 is uitbetaald en dat zij daardoor schade heeft geleden. Zij vraagt daarbij om een vergoeding van het door haar geleden renteverlies, de teveel geheven inkomstenbelasting en de ten onrechte teruggevorderde zorgtoeslag.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 8:73 (oud) Awb3 volgt dat de bestuursrechter bevoegd is schadevergoeding toe te kennen indien sprake is van een gegrond beroep. Omdat belanghebbendes beroep ongegrond is, komt de rechtbank aan het toekennen van een schadevergoeding niet toe. Indien belanghebbende meent dat sprake is van schade wegens onrechtmatig handelen van de belastingdienst kan zij zich wenden tot de civiele rechter voor een vordering tot schadevergoeding.”.

Onder vermelding van de voetnoten:

“2 Artikel 3.101, lid 1 aanhef en letter a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3 Artikel 8:73 van de Awb is van toepassing op basis van overgangsrecht waarin is voorzien bij de invoering van titel 8.4 van de Awb, te weten artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in samenhang bezien met de omstandigheid dat artikel 4:126 van de Awb nog niet in werking is getreden (vgl. Stb. 2013, 162).”.

Het hof acht deze overwegingen juist en op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. De omstandigheid dat het besluit over de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekering van oorsprong onrechtmatig tot stand is gekomen maakt nog niet dat de aanslag IB/PVV 2020 onjuist of onrechtmatig is vastgesteld door de inspecteur. De in 2020 ontvangen nabetaling van de werkeloosheidsuitkering over de jaren 2017 tot en met 2019 is belast in het jaar 2020. Voor zover belanghebbende verzoekt om toekenning van schadevergoeding omdat zij schade heeft geleden door de gevolgen van het oorspronkelijke besluit over de werknemersverzekeringen dient belanghebbende zich te wenden tot de civiele rechter.

Ten overvloede wijst het hof belanghebbende op de middelingsregeling van artikel 3.154 Wet IB 2001 die mogelijk nog kan worden toegepast voor het onderhavige jaar.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, B.J. Rubbens en J.W. de Tombe, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx J.M. van der Vegt

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082106 V-N Vandaag 2026/1732 NLF 2026/1738 FutD 2026-1534
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand