GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/943 en 24/944
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] BV (voorheen [A BV] ),
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 mei 2024, nummers BRE 21/5262 en 21/5263, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Douane,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft naheffingsaanslagen accijns opgelegd, waarbij voor beide naheffingsaanslagen 4 november 2016 als het tijdvak is vermeld. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen de heer [bestuurder] als bestuurder van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2. Feiten
Belanghebbende had een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP) waar drank onder schorsing van accijns kon worden opgeslagen.
Vanaf januari 2016 werden er in de AGP van belanghebbende partijen sterke drank ingeslagen voor een klant uit Hong Kong, [Ltd] (hierna: [Ltd] ). Al deze drank werd kort na de inslag weer uitgeslagen met de bestemming uitvoer naar ontvangers in Senegal en Cambodja.
Door de Belastingdienst/FIOD kantoor Rotterdam is op 4 november 2016 een strafrechtelijk onderzoek opgestart in het kader van accijnsfraude en valsheid in geschrifte.
Hiervan is op 20 juni 2017 onder de naam " [onderzoek] " en onder kenmerk [kenmerk] een proces-
verbaal opgemaakt met de bevindingen van dit onderzoek inzake een aantal verdachten,
waaronder belanghebbende en haar bestuurder.
Op 9 oktober 2017 heeft de inspecteur per e-mail een bericht van de Container Control Unit van de Cambodjaanse Douane ontvangen. In dit bericht staat onder meer:
“We are the Container Control Unit (CCU) from Cambodia. You might have heard of us from Mr. [persoon 1] who is based in Singapore, he requested our team to assist on a case of 11 containers containing supposedly alcoholic beverages.
First of all, we would like to express our apology for being late in responding to your request. The main reason is that those containers were treated as unclaimed goods because of the exceeding period of time they were in the customs container control area (based on the Law on Customs in Cambodia). Therefore, it needed to go through several legal procedures before the Cambodia Customs could conduct a physical inspection.
After inspection on 27 September 2017 at 9.30am at [B] conducted by the CCU team, other Customs officers and the Customs Chief of Branch, we would like to inform you that all 11 containers were quasi empty. Some seals of the containers were likely to have been broken by smuggler in an attempt to take out the goods. One more interesting thing is the gross weights on all the bills of ladings are approximately 26 tons, but the goods inside all containers are approximately 20 cases of [merk bier] beer.”
Op 20 november 2017 heeft de inspecteur van de Belgische Federale Overheidsdienst Financiën een brief met een bijlage ontvangen, te weten een brief van het Directoraat-Generaal Douane van Senegal. In deze brief staat onder meer:
“Par lettre rappelée en référence, vous avez, dans le cadre de la Recommandation du Conseil de Coopération douanière du 05 décembre 1953 sur l'Assistance mutuelle administrative, sollicite la Direction du Renseignement et des Enquêtes douanières de la Direction générale des Douanes du Sénégal pour une vérification de seize (16) conteneurs disant contenir des boissons alcoolisées.
(…)
Ces conteneurs, exportés vers le Senegal entre les années 2015 et 2016, n'ont fait l'objet d'aucune formalité de dédouanement.
En réponse, je porte à votre connaissance que lesdits conteneurs ont été constitues en dépôt de douane. Aussi, deux requetés d'ouverture ont été adressées au President du Tribunal de Grande Instance de [plaats 1] (voir lettres n° [nummer 1] du 24 mai 2017 et [nummer 2] du 14 juin 2017, ci-jointes), qui ont donné suite à deux ordonnances du juge autorisant l'ouverture des conteneurs.
Ainsi, les seize (16) conteneurs ont été ouverts par 'Unite mixte de Contrôle des Conteneurs (UMCC) sise au Port de [plaats 1] . Les plombs d'origine des conteneurs sont restés intacts a l'exception de deux qui présentent des plombs altères.
Il s'agit des conteneurs numéros : [containernummer 1] (plomb d'ouverture BD [nummer 3] ) et [containernummer 2] (plomb d'ouverture BD [nummer 4] ). Globalement le contrôle a permis de constater que les conteneurs en question sont presque vides. Chaque conteneur contient entre dix (10) et vingt (20) cartons de boissons alcoolisées. “
Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek is door de Belgische en Nederlandse autoriteiten op 16 april 2018 overleg gepleegd. Naar aanleiding van dat overleg heeft de Belgische Federale Dienst Financiën met dagtekening 7 mei 2018 een brief aan de Nederlandse Douane gezonden, waarin – voor zover hier van belang – staat opgenomen:
"Aldaar werd vastgesteld dat voor de in voornoemd PV vermelde elektronische administratieve documenten (e-AD's) er geen bewijs voorlag dat ze op de bestemming zijn aangekomen. Uit de vaststelling blijkt dat de containers bij uitvoer en aankomst in het land van bestemming (Cambodja en Senegal) niet meer dezelfde goederen bevatten dan bij vertrek uit het entrepot van vertrek in Nederland.
Hoewel uit het dossier blijkt dat vermoedelijk de modus operandi erin bestond om accijnsgoederen in o.a. België aan de accijnsschorsingsregeling te onttrekken (waarbij vermoedelijk meer transporten betrokken zijn geweest over een langere periode dan de in het PV weerhouden transporten en incriminatieperiode), konden de Belgische onderzoekers de effectieve onttrekking tijdens het vervoer niet vaststellen, alleszins niet voor de in het PV weerhouden containers.
Overeenkomstig art. 10-4. van de Richtlijn 2008/118/EG van 16/12/2008 meen ik dat de Nederlandse autoriteiten bevoegd zijn om tot invordering van de verschuldigde accijnsrechten over te gaan.
(...)
Ik verzoek u dan ook beleefd om de invordering van de accijnsrechten te willen overnemen.
Aangezien aldus de onregelmatigheid niet wordt geacht in België te hebben plaats gehad, kan ik in se ook geen strafvervolging in toepassing van art. 45 van de 'Wet van 22/12/2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen' (Wet gestemd in uitvoering van de Richtlijn 2008/118/EG van 16/12/2008) instellen. Immers die bestraffing veronderstelt dat de accijnzen verschuldigd zijn in België, hetgeen om bovenvermelde redenen niet het geval is.
Ik verzoek u dan ook beleefd om o.a. in toepassing van art. 10 van de 'Overeenkomst van 29 april 1969 inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie de strafvervolging te willen instellen lastens de in het bijgevoegde PV dd. 14/12/2017 vermelde overtreders waarvan ik meen dat het PV voldoende bewijzen bevat die aantonen dat zij betrokken zijn geweest bij deze accijnsfraude en waarvan ik meen dat de aard van de overtredingen en het georganiseerd karakter een vervolging lastens alle betrokkenen verantwoordt/noodzaakt."
De Officier van Justitie heeft op 5 juli 2018, naar aanleiding van een schriftelijk verzoek op 15 juni 2018, aan de Douane op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toestemming verleend om de documenten en bescheiden aangetroffen door de FIOD Rotterdam in het strafrechtelijk onderzoek " [onderzoek] " voor fiscale doeleinden ter beschikking te stellen.
De inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 16 juni 2020 in kennis gesteld van zijn voornemen om naheffingsaanslagen accijns op te leggen voor containers die onder schorsing van accijns via de haven van Antwerpen zijn verscheept naar Senegal en Cambodja. In deze beide brieven staat onder meer:
“In het administratief onderzoek van de Douane [plaats 2] is op basis van de gegevens uit het douanesysteem Douane Sagitta Uitvoer vastgesteld dat voor alle in het onderzoek opgenomen uitvoeraangiften een "confirmation of exit" is verstrekt. Op basis van de vaststelling door de [hof: autoriteiten Senegal en Cambodja], wordt dan ook gesteld dat reeds in Antwerpen deze goederen zich niet in de container bevonden en dat derhalve de "confirmation of exit" onterecht is afgegeven. De voor uitvoer aangeboden EX-A's zijn niet onderworpen aan een fysieke controle op het kantoor van uitgang.
[…]
Doordat niet alle goederen welke overeenkomstig de bij de container behorende e-AD's op de plaats waar de goederen het grondgebied van de EU zouden verlaten, Antwerpen, zijn aangekomen en er geen onregelmatigheid is geconstateerd tijdens de overbrenging, is er sprake van een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 2c derde lid, WA. Deze onregelmatigheid wordt dan geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland op het tijdstip van aanvang van het overbrengen van de accijnsgoederen bij [A BV] . Deze onregelmatigheid leidt er toe dat de accijnsgoederen, welke onder dekking van 16 e-AD's werden overgebracht, op onregelmatige wijze aan de accijnsschorsingsregeling zijn onttrokken. Dit betekent dat er sprake is van het belastbaar feit, uitslag tot verbruik als bedoeld in artikel 2, eerste lid, letter a, WA. Op grond van artikel 1, tweede lid, WA wordt accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik.
Volgens artikel 51, eerste lid, letter a, ten tweede, WA wordt de accijns geheven van de vergunninghouder van het AGP, in dit geval [A BV] betreffende vergunningnummer [vergunningsnummer] . De accijns wordt verschuldigd overeenkomstig artikel 52, derde lid, letter b WA op het tijdstip van de vaststelling van de in artikel 2c WA bedoelde onregelmatigheid, zijnde het tijdstip van aanvang van de overbrenging onder de accijnsschorsingsregeling tussen het AGP van [A BV] en de haven van Antwerpen België (BE10100).”
De inspecteur heeft op verzoek van belanghebbende een nadere toelichting gegeven op het voornemen om naheffingsaanslagen op te leggen, waartoe separate brieven zijn gestuurd ten aanzien van naheffingsaanslagen met betrekking tot de containers met bestemming Senegal (brief van 24 september 2020) en Cambodja (brief van 28 september 2020).
De inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslagen (hierbij gezamenlijk ook: de naheffing) opgelegd, die als volgt kunnen worden samengevat:
Dagtekening
Bestemming containers
Naheffing
bieraccijns
Naheffing overige alcoholhoudende producten
Belastingrente
7 oktober 2020
Senegal
€ 252,79
€ 1.037.552,77
€ 144.035
7 oktober 2020
Cambodja
€ 838.296,22
€ 108.275
Belanghebbende heeft op 19 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen.
Op 3 december 2020 zijn belanghebbende en haar bestuurder door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen veroordeeld voor sluikuitvoer en het onrechtmatig onttrekken aan de accijnsschorsingsregeling van dranken. In het vonnis staat onder meer:
“Het verdere onderzoek door de RCOO Genk [hof: regionale Component Onderzoek & Opsporing Genk van de Douane en Accijnzen] wees uit dat de drie containers werden uitgeslagen uit het accijnsentrepot van beklaagde [hof: belanghebbende]. De boeking bij de rederij [rederij] voor het transport van de containers naar Cambodja werd gedaan door de
firma [B4] huidige vierde beklaagde. [B5] huidige vijfde beklaagde en destijds zaakvoerder van de firma verklaarde dat beklaagde [B4] in opdracht van huidige tweede beklaagde, van de firma [P-1] containers met dranken boekte bij de rederij. Deze transporten werden ook doorgefactureerd aan [P-1]. Het transport van de containers met dranken vanuit het accijnsentrepot van beklaagde [A] naar de haven van Antwerpen werd uitbesteed aan [B-8], huidige achtste beklaagde.
Uit Informatie bekomen bij beklaagde B-2 bleek dat zij haar opdrachten per e-mail
kreeg van een zekere ' [persoon 2] ' van de firma [Ltd] uit Hong Kong.
Uit informatie die de administratie van douane en accijnzen ontving van de Nederlandse
autoriteiten, die op dat moment een onderzoek uitvoerden naar de smokkel van dranken die
werden aangegeven als passata vanuit Rotterdam naar het Verenigd Koninkrijk, bleek dat de
firma [P-1] eveneens de transporten regelde voor die containers met dranken. De gebruikte verzegeling van de containers in kwestie bleek aangekocht te zijn door de [P-2] firma van [B-1] huidige eerste beklaagde. Verzegelingen uit dezelfde reeks aangekocht door [P-2] werden eveneens aangetroffen op de drie containers die door de RCOO Antwerpen werden gecontroleerd. Beklaagde [B-1] bleek bovendien reeds gekend te zijn bij de administratie van douane en accijnzen. Uit informatie van de Britse autoriteiten bleken containers afkomstig van [P-2] in 2015 gebruikt te zijn geweest bij de smokkel van dranken in containers die op papier groenten in glas en marmelade bevatten. Het laadadres dat telkenmale aan de transportfirma werd doorgegeven betrof een loods gelegen te […] . Verder onderzoek wees uit dat de loods werd gehuurd door [P-2] middels tussenkomst van [B-3] huidige derde beklaagde,
Uit verder onderzoek bleek dat er duidelijke linken waren tussen beklaagde [B-2] en beklaagde [B-3]. Zij bleken ex-partners te zijn en uit nazicht van de documenten van de firma [P-1] bleek dat beklaagde [B-3] tweemaal gelden had gestort op de rekening van de firma [P-1] die gebruikt werd voor de transportactiviteiten met de vermelding 'steungeld' en dat hij sedert 6 oktober 2016 zelfs een volmacht had gekresen op deze rekening.
Er werd vervolgens een huisvisitatie uitgevoerd bij beklaagde [B-3]. Uit het nazicht van
de inbeslaggenomen documenten, gsm's, harde schijven en USB-sticks bleek duidelijk dat
beklaagde betrokken was bij de fictieve uitvoer van dranken vla de haven van Antwerpen alsook bij de smokkel van dranken van Rotterdam naar het Verenigd Koninkrijk. Tevens bleek uit de aangetroffen documenten dat beklaagde [B-3] en beklaagde [B-1] elkaar kenden, dat er gelden van beklaagde [B-3] Werden overgemaakt aan beklaagde [B-1] in Mauritanië en Mauritius en dat beklaagde handelingen stelde in naam van beklaagde [B-1] (bijlage 1.17).
Eén van de in beslag genomen documenten van de huisvisitatie bij beklaagde [B-3] betrof
een huurcontract voor loods […] met als huurder een zekere […]. Verder onderzoek wees uit dat [P-3] eigenlijk beklaagde [B-3] bleek te zijn die voor de huur van de loods een fictieve identiteit gebruikte. Bij nazicht van de loods werden allerlei elementen aangetroffen (o.a. stuk afknipte blauwe containerverzegelingen uit de reeks aangekocht door [P-2], verpakkingsmateriaal, stickers van [P-4] - een firma die samenwerkte met beklaagde [hof: belanghebbende]) teruggevonden die erop wezen dat de loods gebruikt werd voor de overlading van de dranken uit de containers.
Verder bleek uit de informatie verkregen van de Nederlandse autoriteiten dat [hof: bestuurder van belanghebbende], zesde beklaagde en directeur van de firma [hof: belanghebbende], naar alle waarschijnlijkheid de identiteit van ' [persoon 2] ' van de firma [Ltd]
had aangenomen, de opdrachtgever van beklaagde [B-2].
Verder onderzoek van de administratie van douane en accijnzen wees nog uit dat er naast
de 3 gecontroleerde containers door de RCOO Antwerpen, nog elf andere containers waren
met dezelfde of vergelijkbare inhoud, die telkens afkomstig waren van [hof: belanghebbende] en telkens via de haven van Antwerpen naar hetzelfde adres werden uitgevoerd in Cambodja.
Bij al deze containers werd in Cambodja vastgesteld dat ze enkel nog 20 bakken (vervallen)
[merk bier] bier bevatten en dat de overige alcoholische dranken ontbraken. Tevens bleken in
de periode voorafgaand aan de zendingen naar Cambodja eveneens elf containers naar
Senegal te zijn verzonden. Ook wat deze containers betreft werd, door de Senegalese
autoriteiten vastgesteld dat het overgrote deel van de aangegeven alcoholische dranken
ontbrak.
De feiten van onderhavig strafdossier betreffen enkel de 3 containers die in november 2016
werden gecontroleerd door de RCOO Antwerpen.”
Belanghebbende is ook in Nederland als verdachte aangemerkt, waarbij – kort en feitelijk weergegeven – door de officier van justitie de volgende feiten ten laste zijn gelegd:
Feit 1: in [plaats 2] en/of andere plaatsen in de periode van 1 oktober 2015 t/m 4 november 2016 al dan niet samen met anderen 30 containers met accijnsgoederen (alcoholhoudende drank) voorhanden heeft gehad, terwijl die drank niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing was betrokken;
Feit 2: in [plaats 2] en/of andere plaatsen in de periode van 1 oktober 2015 t/m 4 november 2016 al dan niet samen met anderen opzettelijk uitvoeraangiften in het kader van de Algemene Douanewet onjuist/onvolledig heeft gedaan (m.b.t. 5 containers);
Feit 3: in [plaats 2] en/of Moerdijk in de periode van 1 oktober 2015 t/m 4 november 2016 al dan niet samen met anderen vervoersdocumenten valselijk heeft opgemaakt.
Uit een intern memo van 16 april 2021 volgt dat de Douane intern overleg heeft gevoerd over de haalbaarheid van het handhaven van de naheffingsaanslagen. In dit memo worden de standpunten van diverse ambtenaren van de Douane weergegeven, zijnde de ambtenaren die betrokken zijn bij het opleggen van de aanslag en de behandeling van het bezwaar, de vaktechnisch coördinator Accijns en de vaktechnisch coördinator Formeel Recht.
Op 8 juni 2021 heeft de inspecteur het voornemen bekendgemaakt dat hij de bezwaren ongegrond zal verklaren. Dit heeft geleid tot nadere correspondentie tussen de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur. Vervolgens heeft op 23 september 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden, dat is vastgelegd in een verslag van 28 september 2021. Hierop heeft belanghebbende op 7 oktober 2021 gereageerd. Dit heeft geleid tot een aangepast verslag en de toezending van enkele aanvullende zaakstukken door de inspecteur aan belanghebbende op 7 oktober 2021. Op 26 oktober 2021 informeert de gemachtigde van belanghebbende dat de strafrechtelijke vervolging van belanghebbende is geëindigd in de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie en dat geen aanleiding meer bestaat tot verdere verlenging van de beslistermijn.
Op 9 november 2021 is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, waarbij de rechtbank Zeeland – West-Brabant dit als volgt heeft gemotiveerd:
“Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat er een grote overlap zit tussen de feiten
die op de onderhavige dagvaarding staan en de feiten waarvoor verdachte op 3 december
2020 door de rechtbank te Antwerpen (België) is veroordeeld.
Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) bevat - kort gezegd en voor zover hier van
belang - het verbod op dubbele vervolging. Met de officier van justitie is de rechtbank van
oordeel dat, hoewel het Belgische vonnis mogelijk nog niet onherroepelijk is en ook nog
niet ten uitvoer is gelegd, het wel op een gegeven moment tot een einduitspraak zal leiden,
zodat dan ook in formele zin voldaan zal zijn aan het bepaalde in artikel 68 Sr. Ook betrekt
de rechtbank daarbij de beginselen van een goede procesorde, de situatie dat de officier van
justitie zelf verzoekt om haar niet-ontvankelijkverklaring en de omstandigheid dat zich in de
onderhavige zaak geen benadeelde partijen hebben gemeld. Dit alles brengt de rechtbank tot
het oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de
vervolging van alle ten laste gelegde feiten.”
In de uitspraken op bezwaar van 16 november 2021 staat onder meer:
“Nadere beoordeling van het bezwaar
Naar aanleiding van uw inbreng heb ik de tijdens het hoorgesprek door u genoemde punten opnieuw beoordeeld.
- Dat ik na het verzamelen van gegevens uit het FIOD-dossier over de transacties en de langdurige opslag van de containers op de plaats van bestemming de conclusie trok dat het nooit de bedoeling kon zijn geweest dat de goederen de Unie zouden verlaten, kan ik niet verder onderbouwen. Dat het voor de drie gecontroleerde containers vast is komen te staan dat de goederen de Unie niet hebben verlaten, is geen onomstotelijk bewijs dat het bij alle andere zendingen ook zo moet zijn gegaan. Het enkele vermoeden is een onvoldoende basis om na te heffen.
- Resteert mij het enkele gegeven dat er sprake zou zijn van ongeschonden verzegelingen. Alhoewel van 10 zegels van de totaal 27 zegels wordt gerapporteerd door de douaneautoriteiten over “ongeoorloofde wijzigen” of “knoeien”, heb ik in mijn beschouwing primair gemeend dit afdoende te kunnen verklaren. Dit verklaren door mij noemt u het wegschrijven van onregelmatigheden aan de zegels.
- Van de overige 17 zegels is door de douaneautoriteiten gerapporteerd dat deze intact zijn gebleven. Hiervoor heeft u mij gewezen op enkele filmpjes op YouTube. De filmpjes heb ik bekeken en daarin is te zien dat een zegel van het type [type] van een container te verwijderen en weer aan te brengen is zonder dat het daarna met het blote oog waarneembaar is.
- Dit gegeven en het feit dat de [type] van [naam] geen door de Belastingdienst goedgekeurd zegel is, maken het dat mijn primaire uitgangspunt van ongeschonden zegels op de plaats van bestemming een te wankele basis is om na te heffen.
Dit overwegende kom ik tot de volgende eindconclusie. In deze casus is bij alle 27 zendingen sprake van de volgende logistieke stappen:
Stap 1: Vervoer onder een accijnsschorsingsregeling van [plaats 2] naar Antwerpen,
Stap 2: Vanuit Antwerpen uitvoer/uitgaan van het grondgebied van de EU met een uitgaand zeeschip,
Stap 3: Vervoer over zee van Antwerpen naar haven in derde land,
Stap 4: Aankomst in haven derde land,
Stap 5: Langdurige (Tijdelijke) opslag in het derde land,
Stap 6: Minderbevindingen tijdens fysieke controle door Douane van derde land.
Anders dan bij de drie in Antwerpen gecontroleerde containers is het van deze 27 containers niet onomstotelijk aantoonbaar vast te stellen op welk moment in het logistieke pad er een onttrekking heeft plaatsgevonden. Dit leidt ertoe dat ik niet kan vaststellen of er sprake is van een:
- onttrekking van goederen aan de accijnsschorsingsregeling, of;
- onttrekking van goederen aan douanetoezicht op de terminal nadat de schorsingsregeling is beëindigd, dan wel;
- onttrekking van goederen nadat de containers zijn uitgegaan.
Beslissing op het bezwaar
Uw bezwaar is gegrond”
In de uitspraak op bezwaar is op grond van het forfait van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) een kostenvergoeding van € 1.060 toegekend, waarbij wegingsfactor 2 is toegepast (zwaar). Belanghebbende heeft bij brief van 19 november 2021 de inspecteur verzocht om de beslissing over de kostenvergoeding te heroverwegen. De inspecteur heeft dat verzoek bij brief van 24 november 2021 afgewezen.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de afwijzende beslissing van de inspecteur op het verzoek van belanghebbende om een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase in stand gelaten.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor rechtsbijstand in de fase tussen vooraankondiging en oplegging van de naheffingsaanslagen, de bezwaarfase, het beroep en het hoger beroep.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een integrale vergoeding van de hiervoor genoemde kosten van rechtsbijstand. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Recht op een kostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar bestaat als wordt voldaan aan de vereisten van artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het Bpb geeft nadere regels over de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Op grond van artikel 2, lid 1, Bpb in combinatie met de Bijlage bij het Bpb, worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vergoed aan de hand van forfaitaire bedragen. Het derde lid van artikel 2 van het Bpb bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.
Voor het toekennen van een kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is onder meer grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of een uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment al duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Ook kan voor het toekennen van een vergoeding van de werkelijke kosten aanleiding zijn indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Tot slot dient voor vergoeding van de werkelijke kosten de bijzondere omstandigheid tot het maken van de (extra) kosten hebben geleid.
Belanghebbende heeft verzocht om de inspecteur te veroordelen tot een integrale vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Belanghebbende stelt – in de kern weergegeven – dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen bekend was dat die aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden. De inspecteur kon volgens belanghebbende niet in redelijkheid stellen dat sprake was van een ongeschonden verzegeling, waardoor de onttrekking aan de schorsingsregeling in Nederland zou hebben plaatsgevonden op de plaats van lading en vertrek voordat de containers werden verzegeld. Belanghebbende stelt dat zij er reeds in brieven van 18 augustus 2020 op heeft gewezen dat de bevindingen van de Senegalese en Cambodjaanse autoriteiten op geen enkele wijze kunnen dienen als bewijs of onderbouwing van die uitgangspunten en dat belanghebbende heeft benadrukt dat van meerdere containerverzegelingen juist is gerapporteerd dat deze niet intact waren.
Het hof is van oordeel dat bij het opleggen van de naheffingsaanslagen niet zonder meer duidelijk was dat die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. Het hof acht daarbij van belang dat:
de informatie verkregen van de Senegalese en Cambodjaanse autoriteiten bewijskracht bezit welke relevant is voor de naheffing. De containers waren volgens deze informatie bij inspectie in gesloten toestand aangetroffen. Pas na het doorlopen van de plaatselijke juridische procedures mochten deze geopend worden. Dat in elke container drank is aangetroffen en steeds in gelijksoortige hoeveelheden, kan tevens als bewijs worden beschouwd dat de containers niet eerder zijn geopend. Daarbij merkt het hof op dat de Cambodjaanse autoriteiten hebben gesteld dat de geschonden verzegeling wijst op smokkelaars, maar daar niet de gevolgtrekking aan hebben verbonden dat de containers eerder waren geopend, aangezien zij slechts opmerken dat daar een poging (‘attempt’) toe gedaan kan zijn. Dat de verzegeling van containers niet (volledig) intact was en dat de verzegeling kon zijn gemanipuleerd, geldt evident als tegenbewijs, maar leidt er naar oordeel van het hof niet toe dat het door de inspecteur aangedragen bewijs geen enkele bewijskracht meer heeft.
De FIOD en de Belgische autoriteiten eveneens onderzoek hadden gedaan naar de containers en tot de conclusie waren gekomen dat een naheffing door de Nederlandse Douane passend was. De Belgische autoriteiten waren zelfs van mening dat een strafrechtelijke vervolging op zijn plaats was, waarbij het hof opmerkt dat daarvoor een zwaardere bewijslast geldt dan voor het opleggen van een naheffingsaanslag accijns.
Bij het opleggen van de naheffingsaanslagen is naar het oordeel van het hof ook niet onzorgvuldig gehandeld. De inspecteur heeft zijn voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslagen gemotiveerd in een schriftelijk stuk aan belanghebbende. Na een reactie van belanghebbende heeft de inspecteur een aanvullende schriftelijke toelichting gegeven en pas daarna is de inspecteur overgegaan tot het opleggen van de naheffingsaanslagen. Dat belanghebbende het niet eens is met (de achterliggende motivering van) de naheffingsaanslagen doet op zichzelf niets af aan de zorgvuldigheid van het proces dat tot de naheffing heeft geleid.
Tijdens de procedure in bezwaar was de inspecteur initieel voornemens de naheffingsaanslagen te handhaven. Ook hierbij is het hof van oordeel dat destijds niet duidelijk was dat die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. Het hof acht daarbij het volgende van belang:
Het debat tussen partijen is gebaseerd op (vrijwel) dezelfde feitelijke grondslagen als in de fase die heeft geleid tot het opleggen van de naheffingsaanslagen;
Belanghebbende is na het opleggen van de naheffingsaanslagen en vóór de uitspraak op bezwaar in België veroordeeld ten aanzien van sluikuitvoer en het onrechtmatig onttrekken aan de accijnsschorsingsregeling van dranken. Het vonnis betreft niet de containers waarop deze zaak betrekking heeft, aangezien deze niet waren onderworpen aan Belgische accijnsheffing, maar benoemt deze wél als onderdeel van een patroon van sluikuitvoer en het onrechtmatig onttrekken aan de accijnsschorsingsregeling van dranken. Het hof merkt daarbij op dat de bestuurder van belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis, maar dat dit hoger beroep ongegrond is verklaard en dat de veroordeling inmiddels definitief is.
De officier van justitie heeft belanghebbende vervolgd en heeft daarmee kennelijk ingeschat dat de vervolging tot een veroordeling kon leiden. Dat de officier van justitie uiteindelijk door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard, doet daar gezien de motivering van de rechtbank niet aan af.
Uit het interne memo van 16 april 2021 komt naar voren dat met name de vaktechnisch coördinatoren Accijns en Formeel Recht van opvatting waren dat de naheffingsaanslagen gehandhaafd konden worden, respectievelijk op basis van de uitleg van de wettelijke bepalingen ten aanzien van accijns en op basis van de bewijslastverdeling.
Bij het opstellen en doen van de uitspraak op bezwaar is ook niet onzorgvuldig gehandeld. De inspecteur heeft eerst intern overleg gevoerd over de haalbaarheid van het handhaven van de naheffingsaanslagen (getuige het interne memo van 16 april 2021), waarna het voornemen is bekendgemaakt dat hij de bezwaren ongegrond zal verklaren. Vervolgens heeft een hoorgesprek plaatsgevonden, waarbij de opmerkingen van belanghebbende bij het verslag hebben geleid tot een aanpassing van dat verslag. Pas daarna heeft de inspecteur zijn uitspraken op bezwaar gedaan. Dat toen alsnog is besloten om de bezwaren gegrond te verklaren is geen teken van onzorgvuldigheid. De wetgever heeft immers met de bezwaarprocedure een volledige heroverweging beoogd en na wikken en wegen door de inspecteur is die heroverweging in het voordeel van belanghebbende uitgevallen.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om een andere dan de reeds verleende forfaitaire kostenvergoeding voor het bezwaar toe te kennen. Het hof zal daarom de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, J. Wessels en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier verhinderd is deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
R.J.M. de Fouw E.P.A. Brakeboer
(verhinderd)
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.