ECLI:NL:GHSHE:2026:1798

ECLI:NL:GHSHE:2026:1798

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 08-07-2026
Zaaknummer 24/1440
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:5230

Samenvatting

Art. 28b Wet OB. Anders dan belanghebbende meent, wordt de aankoopprijs onder de margeregeling niet vastgesteld aan de hand van het door belanghebbende (wederverkoper) opgeofferde bedrag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1440

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 augustus 2024, nummers BRE 23/231 en BRE 23/232, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 4 juni 2026 een pleitnota ingediend. De inspecteur heeft op 22 juni 2026 een pleitnota ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2. Feiten

Belanghebbende exploiteert een pandhuis. Zij is ondernemer als bedoeld in artikel 7, lid 1, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Haar ondernemingsactiviteiten bestaan onder meer uit (i) het ter beschikking stellen van een geldsom aan een derde (pandgever) waarbij deze daartegenover een roerende zaak (onderpand) in de macht brengt van belanghebbende, als pandhuis, onder bepaalde voorwaarden en (ii) de verkoop van in pand gegeven goederen indien de daarvoor ter beschikking gestelde geldsom, verhoogd met een vergoeding (pandbeleningsvergoeding) niet is betaald.

Belanghebbende heeft in haar Algemene voorwaarden onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

4. Pandbeleenvergoeding

Over de beleensom is een pandbeleenvergoeding verschuldigd van 4.50% (vier en een half) per maand. Ook over één dag van een maand, of meerdere dagen, wordt een maand pandbeleenvergoeding berekend. Ook voor één dag bedraagt de pandbeleenvergoeding dus 4.50%, en over één maand en één dag bedraagt de pandbeleenvergoeding 2 x 4.50% = 9.0%.

De verschuldigde pandbeleenvergoeding zal achteraf worden bepaald, op het moment dat de pandgever binnen de termijn van drie maanden terugkomt om de verpanding opnieuw te belenen of de beleensom inclusief pandbeleenvergoeding komt inlossen.

(…)

6. Einde belening

Als de beleentermijn van drie maanden is verstreken en pandgever de belening niet heeft verlengd en de verschuldigde pandbeleenvergoeding niet heeft betaald, vervalt het eigendomsrecht van pandgever en is pandnemer gerechtigd de niet opgehaalde goederen op zijn manier te verkopen met een op zijn manier te bepalen prijs.

6 2. De opbrengst van de verkoop als in lid 1 bedoeld, inclusief een eventuele meerwaarde, komt volledig toe aan pandnemer.

Pandgever kan na afloop van de termijn van drie maanden, indien hij zich niet bij pandgever heeft gemeld en de belening heeft verlengd danwel de beleensom, inclusief pandbeleenvergoeding en kosten heeft ingelost, geen enkel recht meer doen gelden op het door hem beleende en verpande goed noch op de waarde of opbrengst daarvan.”

De pandgever ontvangt het onderpand van belanghebbende terug als hij de ontvangen geldsom terugbetaalt, verhoogd met de pandbeleningsvergoeding. Die pandbeleningsvergoeding wordt beschouwd als rente en is vrijgesteld van omzetbelasting.

Belanghebbende verkoopt de goederen indien de pandgever de verschuldigde pandbeleningsvergoeding niet binnen de afgesproken beleentermijn heeft betaald. Voor het bepalen van de maatstaf van heffing past belanghebbende, als wederverkoper, artikel 28b Wet OB (de margeregeling) toe. In de aangiften omzetbelasting over de onderhavige perioden heeft belanghebbende bij de berekening van de winstmarge waarover omzetbelasting verschuldigd is de voor het goed uitbetaalde beleensom plus de niet ontvangen pandbeleningsvergoeding als inkoopprijs in aanmerking genomen.

Belanghebbende heeft op 24 augustus 2022 over de onderhavige perioden correcties ingediend. Daarbij heeft belanghebbende alleen de uitbetaalde beleensom als inkoopprijs voor de margegoederen in aanmerking genomen. Dat heeft geleid tot het opleggen van de bestreden naheffingsaanslagen door de inspecteur.

De naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 is opgelegd naar een bedrag van € 2.554. Tevens is bij beschikking € 70 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

De naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 is opgelegd naar een bedrag van € 1.734. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op vraag of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil:

- of de niet-ontvangen pandbeleningsvergoeding onderdeel is van de inkoopprijs ter bepaling van de winstmarge onder de margeregeling, en

- of belanghebbende een beroep toekomt op paragraaf 7.3.2 van het Besluit Margeregeling.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen. Verder verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding voor alle fasen van het geding en om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

“4.5. Aangezien het geschil gaat over de heffing van omzetbelasting bij de verkoop door belanghebbende van de aan haar verpande goederen, moet op basis van de bepalingen van de Wet OB en de BTW-richtlijn worden bepaald hoe die omzetbelasting moet worden berekend. De bepalingen in het BW over verpanding zijn daarbij slechts in zoverre van belang dat daaruit kan worden afgeleid welke bedragen belanghebbende aan de pandgever dan wel de pandgever aan belanghebbende verschuldigd is in verband met de verpanding.

De winstmargeregeling van artikel 312 en volgende van de BTW-richtlijn is geïmplementeerd in Afdeling 5 van de Wet OB. Artikel 28b, eerste lid, Wet OB bepaalt dat de winstmarge, waarover de omzetbelasting verschuldigd is, het verschil is tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van het goed aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan.

Hetgeen door belanghebbende ter zake van het goed aan de pandgever is of moet worden voldaan indien het in pand gegeven goed door belanghebbende wordt verkocht, is naar het oordeel van de rechtbank het in artikel 7:139 BW bedoelde bedrag dat belanghebbende, het pandhuis, aan de pandbelener ter zake van de verpanding van een goed een geldsom ter beschikking heeft gesteld: de aan de pandgever ter beschikking gestelde geldsom. Dat is immers hetgeen belanghebbende voor dat goed aan de pandbelener heeft betaald. Tot hetgeen belanghebbende aan de pandbelener heeft voldaan behoort niet de door belanghebbende gederfde pandbeleningsvergoeding omdat die niet door belanghebbende aan de pandbelener is of moet worden betaald.

Belanghebbendes beroep op paragraaf 7.3.2 van het Besluit Margeregeling kan haar niet baten. Die paragraaf gaat over een redelijke wetstoepassing in gevallen dat een leverancier bij een huurkoopovereenkomst of overeenkomst uit financial lease een goed terugneemt omdat de afnemer niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen, en de wijze waarop de in de betaalde huurkoop- of leasetermijnen vervatte financieringstoeslag bij de margeregeling in aanmerking wordt genomen. Die paragraaf is in dit geval niet van toepassing, reeds omdat in de situatie van belanghebbende geen sprake is van door de pandbelener betaalde termijnbedragen waarin een financieringstoeslag is begrepen. Belanghebbende is bovendien geen leverancier die een goed terugneemt, maar een geldverstrekker die een goed inneemt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de inspecteur terecht de naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, zoals belanghebbende heeft verzocht.

Tegen de rentebeschikking heeft belanghebbende geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Aangezien de naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 in stand blijft, blijft die rentebeschikking eveneens in stand.”

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Het hof neemt deze overwegingen over, maakt deze tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe.

Anders dan belanghebbende, ziet het hof onvoldoende juridische basis om uit te gaan van de door belanghebbende opgeofferde (dan wel niet-ontvangen) bedragen. Voor het bepalen van de aankoopprijs als bedoeld in artikel 312, lid 2, van de Richtlijn 2006/112/EG is namelijk van belang alles wat de leverancier (de pandgever) van de belastingplichtige wederverkoper (belanghebbende) verkrijgt of moet verkrijgen. De pandgever verkrijgt de pandbeleningsvergoeding niet. De pandbeleningsvergoeding moet juist door de pandgever aan belanghebbende worden betaald. Nu de pandbeleningsvergoeding niet door de pandgever van belanghebbende wordt verkregen of moet worden verkregen, maakt deze geen onderdeel uit van de aankoopprijs. Het hof ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Het hof voegt hieraan toe dat met de door het hof voorgestane uitleg precies wordt bereikt wat de btw beoogt: het belasten van de toegevoegde waarde, het bedrag dat resteert na aftrek van de beleensom van de verkoopprijs van het goed.

Het beroep op paragraaf 7.3.2 van het Besluit Margeregeling slaagt niet, omdat die paragraaf – zoals de rechtbank juist heeft overwogen – op een wezenlijk andere situatie ziet. De gemachtigde van belanghebbende heeft dit ter zitting ook erkend. Daar komt bij dat belanghebbende over de pandbeleningsvergoeding geen omzetbelasting verschuldigd is, terwijl zij haar situatie vergelijkt met een waarin over een financieringstoeslag wel omzetbelasting verschuldigd is.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding

Belanghebbende heeft het hof verzocht, indien daartoe aanleiding zal bestaan, om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Indien het verzoek voor het eerst voor het hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen.

De Inspecteur heeft de bezwaarschriften op 20 september 2022 ontvangen. De rechtbank heeft op 9 augustus 2024 uitspraak gedaan en het hof doet uitspraak op 8 juli 2026. De redelijke termijn is niet overschreden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de (proces)kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door L.D.M.A. Reijs, voorzitter, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van R. Wijkstra, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.

De griffier, De voorzitter,

R. Wijkstra L.D.M.A. Reijs

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082008 FutD 2026-1491 V-N Vandaag 2026/1746 NLF 2026/1737 NDFR Nieuws 2026/1321
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand