ECLI:NL:GHSHE:2026:1799

ECLI:NL:GHSHE:2026:1799

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 08-07-2026
Zaaknummer 24/1617
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:6621

Samenvatting

Artikel 16, lid 1, artikel 27e, lid 1 en artikel 67e, lid 1 AWR Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 opgelegd en een beschikking vergrijpboete gegeven. Het hof oordeelt dat de inspecteur navorderingsbevoegd is, omdat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld, en dat de navorderingsaanslag, na toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast, niet te hoog is vastgesteld. De opgelegde vergrijpboete is passend en geboden. Het hoger beroep is ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1617

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 september 2024, nummer BRE 23/1992, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2008 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht en bij beschikking een vergrijpboete opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, vergezeld door [persoon 1] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Tijdens deze zitting heeft belanghebbende een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), strekkende tot wraking van de raadsheren W.W. Monteiro, M.E. Smorenburg en J. Wessels (hierna: het wrakingsverzoek). In verband hiermee is het onderzoek ter zitting geschorst.

De wrakingskamer van het hof heeft op 31 maart 2026 beslist dat het wrakingsverzoek van belanghebbende buiten behandeling wordt gesteld.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens op 5 juni 2026 hervat in de stand waarin het zich bevond voordat belanghebbende het wrakingsverzoek deed. Op deze nadere zitting zijn verschenen belanghebbende, vergezeld door [persoon 1] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 3] .

Het hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2. Feiten

Op 1 september 2006 heeft belanghebbende onder de naam [eenmanszaak] een

eenmanszaak gestart. Hij verrichtte financiële werkzaamheden en werkte onder meer als

controller.

Op 14 februari 2007 heeft belanghebbende de activiteiten van [eenmanszaak]

voortgezet in [eenmanszaak Ltd] (hierna: [eenmanszaak Ltd] ). Belanghebbende heeft opgaaf gedaan van een

startende onderneming. De opgaaf startende onderneming vermeldt onder meer dat

belanghebbende 100% van de aandelen [eenmanszaak Ltd] houdt. Ook vermeldt de opgaaf bij beantwoording van vraag 9b van dat formulier dat de directeur-grootaandeelhouder in loondienst was bij [eenmanszaak Ltd] .

Bij brief met dagtekening 6 juli 2007, gericht aan de inspecteur, schrijft belanghebbende dat hij een nieuwe onderneming is gestart. De brief vermeldt onder meer:

“ [Ltd] is opgericht om aandelen te houden van en het management te voeren voor haar dochtermaatschappijen. Op dit moment zijn de actieve dochtermaatschappijen [eenmanszaak Ltd] , mijn verwachting is dat dit in de toekomst zal uitbreiden naar een groter aantal. Voor het ter beschikking stellen van een bestuurder betaalt elke dochtermaatschappij een vergoeding aan de

holdingmaatschappij. Dit is vastgelegd in een management overeenkomst, welke wordt geacht de loonadministratie van de dochtermaatschappij te vervangen. (...).

(...)

Ik had mij bij de start van de dochtermaatschappij niet beseft dat de loonadministratie die ik ga voeren zich dient te verplaatsen naar de holdingmaatschappij, [Ltd]

Vandaar dat ik u wil verzoeken de reeds ingediende "opgaaf startende onderneming” van [eenmanszaak Ltd] , d.d. 28-3-2007, te wijzigen op punt 9b (moet nee zijn). ”.

Belanghebbende staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als enig aandeelhouder in [Ltd] (hierna: [Ltd] ) sinds 13 februari 2007.

In het formulier Opgaaf Startende onderneming ten name van [Ltd] wordt vermeld onder vraag 3 ‘Gegevens van de aandeelhouder(s)’:

“Naam [belanghebbende]

(…)

Percentage aandelen 100%”.

Het formulier is door belanghebbende ondertekend en vermeldt als datum 24 juni 2007.

Bij brief met dagtekening 20 november 2007, gericht aan de inspecteur, geeft belanghebbende aan dat het formulier (Opgaaf Startende onderneming) een invulfout bevat onder vraag 3 en dat de heer [naam 1] contactpersoon is.

Belanghebbende heeft sinds 16 november 2007 een bankrekening in Luxemburg bij VP Bank (Luxembourg) S.A. (hierna: VP Bank ) met nummer [nummer 1] . Hij heeft in 2008 in drie termijnen een bedrag van in totaal € 64.500 ontvangen, afkomstig van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ).

Van 2008 tot en met 2010 heeft belanghebbende alle opdrachten voor diverse

opdrachtgevers van [eenmanszaak Ltd] uitgevoerd. Belanghebbende is in loondienst van [Ltd] . [Ltd] brengt hiervoor een managementvergoeding in rekening aan [eenmanszaak Ltd] . In 2007

heeft belanghebbende (voor een periode van 10 à 11 maanden) een salaris van in totaal € 17.448 ontvangen, in 2008 heeft belanghebbende een salaris van in totaal € 21.786 ontvangen, in 2009 heeft belanghebbende een salaris van in totaal € 21.774 ontvangen en in 2010 heeft belanghebbende (voor een periode van vier maanden) een salaris van in totaal € 8.493 ontvangen. [eenmanszaak Ltd] berekent aan haar opdrachtgevers een uurtarief van ongeveer € 100. De omzet van [eenmanszaak Ltd] was in 2008 € 121.993, in 2009 € 152.242 en in 2010 (over de eerste vier maanden van dat jaar) € 43.831.

De inspecteur heeft [eenmanszaak Ltd] op 7 mei 2009 medegedeeld dat hij voornemens is een

boekenonderzoek in te stellen. Het doel van het onderzoek is om de aanvaardbaarheid vast

te stellen van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over het jaar 2007. Bij

brief met dezelfde dagtekening heeft de inspecteur [Ltd] medegedeeld dat hij van

plan is een boekenonderzoek in te stellen. Het doel van het onderzoek is de

aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en

loonheffingen over het jaar 2007. Het boekenonderzoek is op 27 mei 2009 ingesteld.

Bij brief met dagtekening 10 november 2009 heeft de inspecteur belanghebbende

medegedeeld dat hij van plan is het ingestelde boekenonderzoek uit te breiden. Het doel van

het onderzoek is uitgebreid met het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de aangifte

IB/PVV 2008 van belanghebbende alsmede de aangiften omzetbelasting over het jaar 2008.

Naar aanleiding van het uitgevoerde boekenonderzoek heeft de inspecteur een concept-rapport opgemaakt. Het rapport vermeldt onder meer:

“Uit de door u ter beschikking gestelde gegevens is gebleken dat er contante

stortingen zijn gedaan op uw Rabo rekening [rekeningnummer 1] en op uw Luxemburgse

rekening [rekeningnummer 2] . De specificatie hiervan luidt als volgt:

Bankrekening Rabo (...) 2007

(...)

Totaal € 19.100

Bankrekening Luxemburg (...) 2008

(...)

Totaal € 64.500”.

In de begeleidende brief bij het rapport, met dagtekening 10 september 2010, kondigt de inspecteur aan voornemens te zijn onder meer navorderingsaanslagen IB/PVV over het jaar 2007 en 2008 op te leggen. Gelijktijdig kondigt hij aan voornemens te zijn een vergrijpboete op te laten leggen.

Bij brief van 1 oktober 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende gereageerd op het rapport boekenonderzoek. De brief vermeldt onder meer het volgende:

“De heer [belanghebbende] verklaart dat de bijschrijvingen aan te duiden zijn als schenkingen. Deze schenkingen zijn gedaan door [bedrijf 3] . (...). Van deze schenkingen zijn besluiten van de [bedrijf 4] aanwezig, die ik u bijgaand doe toekomen.”.

Bij de brief van 1 oktober 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende drie bijlagen, genaamd 'Distribution resolution of the [bedrijf 3] in respect of Nexus no. 587’, gevoegd. De eerste bijlage dateert van 8 januari 2008 en vermeldt dat een bedrag van € 14.500 aan door de Foundation ontvangen dividendinkomsten uitgekeerd zal worden aan belanghebbende. De tweede bijlage dateert van 2 juli 2008 en vermeldt dat een bedrag van € 20.000 aan door de Foundation ontvangen dividendinkomsten uitgekeerd zal worden aan belanghebbende. De derde bijlage dateert van 13 oktober 2008 en vermeldt dat een bedrag van € 30.000 aan door de Foundation ontvangen dividendinkomsten uitgekeerd zal worden aan belanghebbende. De bijlagen zijn ondertekend door [naam 2] . De heer [naam 2] is werkzaam voor [bedrijf 5] en [bedrijf 5] is een Cypriotische partner van het Haags Juristen College (hierna: [naam 3] ).

Belanghebbende heeft in 2007 diverse betalingen aan [bedrijf 5] verricht. Op 6 februari 2007 heeft hij tweemaal € 600 betaald, op 7 februari 2007 heeft hij contant € 7.000 gestort op de rekening van [bedrijf 5] . Dit was een week voordat [eenmanszaak Ltd] en [Ltd] werden opgericht. Op 1 december 2008 heeft belanghebbende via de VP Bank € 4.590 betaald, referentie factuurnummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] en

[factuurnummer 3] . Op 6 juli 2011 heeft hij € 60 aan [bedrijf 5] Dubai betaald. Daarnaast heeft [bedrijf 5] , blijkens een rekeningafschrift dat onderdeel uitmaakt van het dossier, op 28 februari 2007 een betaling verricht aan [naam 3] .

Belanghebbende is op 9 november 2012 door de inspecteur gehoord in verband met het bezwaar tegen de navorderingsaanslag. Bij brief met dagtekening 22 november 2012 stelt de inspecteur onder meer de volgende vragen aan belanghebbende:

“1) De heer [belanghebbende] is bestuurder van [A Ltd] . Bij de dividendvaststelling en -uitkering is de bestuurder verplicht betrokken. In de jaren 2008 t/m 2011 vindt vanuit de reserve dan wel het eigen vermogen van [eenmanszaak Ltd] , [Ltd] en [A Ltd] . (verder ook de vennootschappen) uitkeringen plaats die uiteindelijk terechtkomen bij [B SA] . De bestuurder zal niet geheel zelfstandig tot de (dividend)uitkering hebben besloten of zonder voorafgaande kennisgeving aan de aandeelhouder de uitkeringen hebben overgemaakt. Graag ontvang ik m.b.t. de jaren 2009 t/m 2011 de volgende gegevens:

- Alle correspondentie, aantekeningen, vastleggingen in de ruimste zin van het woord betreffende de door de vennootschappen verrichtte (dividend) uitkeringen.

De besluiten tot dividendvaststelling en/of terugbetaling van eigen vermogen met de daarbij behorende betalingsbewijzen. Besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van [eenmanszaak Ltd] , [Ltd] en [A Ltd] .

2) [bedrijf 3] heeft ook na 2008 uitkeringen gedaan daarom verzoek ik

u om voor de jaren 2009 t/m 2011 de volgende gegevens te overleggen:

- De distribution resolutions waarin de [bedrijf 3] besluit tot toekenning van de uitkeringen.

- Bankafschriften waaruit blijkt dat de bedragen door [bedrijf 3] zijn gestort en

welke tegenrekening aan de storting is gekoppeld.

- De bankafschriften waaruit blijkt dat de gestorte bedragen zijn overgemaakt naar een andere bankrekening van de heer [belanghebbende] dan wel een andere persoon of waaruit blijkt dat de bedragen contant zijn opgenomen.

- Het totale rekeningoverzicht van de bankrekening bij de VP bank over 2009 t/m

2011.

3) De heer [belanghebbende] spreekt steeds over het netwerk om zijn groter doel te bereiken. Binnen dit netwerk zijn volgens hem de Limiteds en de SA van essentiële betekenis. Hij neemt daarom zelfs genoegen met een laag salaris en laat de volledige winst ten goede komen aan [B SA] . Uit mijn gegevens blijkt dat de heer [belanghebbende] in de Limiteds de enige werknemer is die werkzaamheden verricht. Hij is daarom zijn eigen netwerk. Voor zover sprake is van een ander netwerk kan dit alleen door [B SA] worden geleverd. Nu ik geen zicht heb op haar activiteiten verzoek ik u om voor de jaren 2008 t/m 2012 de volgende vragen te beantwoorden.

- Graag de NAW (naam, adres en woonplaats) -gegevens en verdere contactgegevens van [B SA] overleggen. Als de gevraagde gegevens gedurende de periode 2008 t/m 2012 zijn gewijzigd de gegevens per periode specificeren.

- Welke concrete werkzaamheden, bijdrage of onder welke andere benaming (verder ook: doelbijdrage) heeft de SA geleverd om het groter doel te bereiken? Ik verzoek u om stukken te overleggen waaruit dit blijkt.

- Graag ontvang ik de NAW-gegevens en verdere contactgegevens van de personen die namens de SA en of Limiteds de doelbijdrage hebben geleverd.

- Graag ontvang ik de NAW-gegevens en verdere contactgegevens van de personen die namens de SA opdracht hebben gegeven aan anderen om de doelbijdrage te leveren.

Als een doelbijdrage is geleverd door de Limiteds verzoek ik u om voor de jaren 2008 t/m 2012 de volgende vragen te beantwoorden.

- Welke doelbijdrage heeft iedere Limited geleverd om het groter doel te bereiken?

Ik verzoek u om stukken te overleggen waaruit dit blijkt.

- Graag ontvang ik de NAW-gegevens van de personen die namens de Limiteds de doelbijdrage hebben geleverd.

4) De heer [naam 1] sloot namens een andere partij met de heer [belanghebbende] het strategiedocument. Met betrekking tot dit document verzoek ik u om de volgende vragen te beantwoorden.

- Graag ontvang ik het ondertekende originele strategiedocument (inclusief alle wijzigingen over 2008 t/m 2012).

- In welke hoedanigheid en in welke vorm was de heer [naam 1] partij bij het document?

- Graag ontvang ik de heer [naam 1] zijn NA W-gegevens en contactgegevens.

5) Met betrekking tot alle bestuurders van [A Ltd] ontvang ik vanaf de oprichtingsdatum tot op heden stukken waaruit blijkt:

- dat een bestuurder is benoemd/aangesteld en is ontheven uit zijn functie;

- dat de bestuurder is gedechargeerd voor zijn gevoerde beleid;

- welke vergoeding door de bestuurder is ontvangen;

- de NAW-gegevens, geboortedatum en contactgegevens van de bestuurder.

6) U hebt gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de Foundation voor elk overgemaakt bedrag een distribution resolution maakt. De heer [persoon 2] heeft gevraagd op welke wijze de heer [belanghebbende] communiceerde met de Foundation als hij een bedrag nodig had. Op deze vraag kwam geen concreet antwoord. Daarom verzoek ik u om die vraag alsnog te beantwoorden met overlegging van gegevens waaruit dit blijkt.

7) Om de activiteiten in 2008 en de volgende jaren in eikaars samenhang te beoordelen verzoek ik u om de volgende vragen te beantwoorden.

- Hoeveel bedraagt de heer [belanghebbende] zijn salaris uit [Ltd] vanaf 6 mei 2010 t/m 31 december 2010 en in de jaren 2011 en 2012. Graag gegevens meesturen waaruit dit blijkt.

- Hoe is de heer [belanghebbende] in de hiervoor vermelde periode verzekerd voor zijn ziektekosten? Stukken meesturen waaruit dit blijkt met betalingsbewijzen van de premie.

- In de periode 6 mei 2010 t/m heden betaalde de heer [belanghebbende] rente/aflossing van zijn eigenwoninglening en alimentatie. Hiervoor is inkomen nodig. Graag ontvang ik betreffende de hiervoor vermelde periode de bankrekeningoverzichten waaruit de betalingen en inkomsten blijken.

- Graag de huurovereenkomst van de woning op Cyprus overleggen met de bankafschriften waaruit de betaalde huur, energie en overige huisvestingskosten blijken.

8) Heeft de heer [belanghebbende] buiten zijn inkomen van [Ltd] in de jaren 2010 t/m heden nog salaris of een andere vergoeding voor zijn werkzaamheden ontvangen? Zo ja, hoeveel per jaar en van wie.

9) Inmiddels is met een Russische partner een joint-venture opgericht. [A Ltd] brengt een duurzame energieproduct wereldwijd op de markt. Hiervoor sluit de heer [belanghebbende] in de week van 14 november 2012 een financieringsovereenkomst met een Chinese partij. Inmiddels wordt in het 4e kwartaal 2012 al veel geïnvesteerd in opstarten distributie en verkoopketen. In het le kwartaal 2013 vindt de wereldwijde introductie plaats.

- Graag de joint-venture overeenkomst en financieringsovereenkomst overleggen en de aan de andere partij(en) verstrekte gegevens die ten grondslag liggen aan de overeenkomsten

- Ik verzoek u om de NAW-gegevens en contactgegevens van de partijen mee te sturen.

- Graag aangeven wanneer u de periode 2008 t/m 2012 naar Rusland en China bent gereisd.

- Ter verificatie ontvang ik graag een kopie van het volledige paspoort inclusief alle (visa)bladen.

10) Het door [A Ltd] op de markt te brengen produkt heb ik nog de volgende

vragen:

- Graag een ruime omschrijving geven van het product (werking, doel, nut, unieke verkooppunt verkoopbaarheid).

- Wie heeft het product ontwikkeld? NAW- en contactgegevens vermelden.

- Wie gaat het product produceren? NAW- en contactgegevens vermelden.

- Is het product beschermd middels patent of op andere wijze? Zo ja, wie bezit de rechten en voor welke landen? Graag gegevens overleggen waaruit dit blijkt.

11) Volgens de aanvulling op het bezwaarschrift heeft mevrouw [mevrouw] de heer [belanghebbende] gewezen op het bestaan van de heer [naam 2] . De heer [naam 2] van [C Ltd] heeft de Distribution resolutions ondertekend waardoor de heer [belanghebbende] het geld ontving. Wat zijn de NAW- en contactgegevens van de heer [naam 2] . Wat is zijn relatie tot de [bedrijf 3] ?

Graag ontvang ik uw reactie binnen vier weken na dagtekening van dit schrijven.”.

Hierop heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende gereageerd bij brief van 31 januari 2013. De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft in zijn brief aangegeven eerst te willen weten wat de aanleiding en reden zijn voor de gevraagde informatie.

De inspecteur heeft daarop in zijn brief van 15 maart 2013 de toenmalige gemachtigde van belanghebbende gewezen op de tekst van artikel 47, lid 1, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), heeft geschreven dat geen sprake is van een zogeheten fishing expedition en heeft aangegeven dat de vragen zijn gesteld om zo nauwkeurig mogelijk inzicht te krijgen in de onderhavige situatie en zodoende om op basis van concrete feiten te kunnen vaststellen of en in hoeverre de navorderingsaanslag eventueel te hoog is vastgesteld. In de brief heeft de inspecteur daarnaast de volgende aanvullende vragen gesteld:

“l. De heer [belanghebbende] is bij uitstek de werknemer/bestuurder die kennis heeft van [eenmanszaak Ltd] , [Ltd] en [A Ltd] .. Heeft de heer [belanghebbende] of is namens hem op enig ogenblik contact geweest met het Haags Juristen College ? Zo ja, wanneer en waaruit hebben de contacten bestaan. Heeft het Haags Juristen College contracten opgemaakt waarbij de heer [belanghebbende] betrokken was?

2. Heeft de heer [belanghebbende] een factuur of facturen van [bedrijf 5] Ltd. te Dubai ontvangen en is of zijn deze door hem of namens betaald? Heeft een rechtspersoon waar uw cliënt bestuurder is of was zo 'n factuur betaald?”.

Met dagtekening 15 november 2013 neemt de inspecteur lopende de bezwaarprocedure een informatiebeschikking. De informatiebeschikking vermeldt onder meer:

“Onder verwijzing naar artikel 52a van de Algemene wet inzake de Rijksbelastingen (AWR) stel ik vast dat uw cliënt (...) niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR.

De volgende vragen van mijn brieven van 22 november 2012 en van 15 maart 2013 zijn inhoudelijk niet beantwoord: het gaat om de vragen 1) t/m 11) uit mijn brief 22 november 2012 (zie bijlage 1) en de vragen 1. en 2. van mijn brief van 15 maart 2013 (zie bijlage 2). Ik geef daarom de informatiebeschikking af. ”.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, welk beroep ongegrond is verklaard. De informatiebeschikking is onherroepelijk vast komen te staan nadat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en het tegen de daarop volgende uitspraak op verzet ingestelde cassatieberoep ongegrond zijn verklaard.

Bij een derdenonderzoek bij de Rabobank is een inkomensverklaring, opgesteld naar aanleiding van een aanvraag voor de financiering van een woning, van belanghebbende aangetroffen met datum van afgifte 29 april 2008. De inkomensverklaring vermeldt onder meer:

“Betreft LTD (buitenlandse rechtspersoon). Bedrijf geeft financieel advies. Meneer [belanghebbende] is enig werknemer en rechthebbende op een winstdeel van de LTD. Het bedrijf is in 2007 begonnen. Heeft een omzet van 106.958,-. Zijn salaris is op 17499,- gesteld om fiscale redenen. De overwinst na belasting is 66.673,- Hier is zijn salaris al vanaf gehaald. Er is een negatieve correctie toegepast vanwege risicofactor startend bedrijf. Hierdoor is het rekeninkomen vanuit de LTD gesteld op 50.000,-.”.

Daarnaast is bij dit derdenonderzoek een brief aangetroffen van belanghebbende, waarin hij onder meer schrijft:

“Zie bijgaand de door uw gevraagde inkomensgegevens, inzake mijn aanvraag voor financiering van een woning (…).

Het salaris van [belanghebbende] als directeur van [Ltd] over 2007 is weergegeven in bijgaande jaaropgaaf 2007. Hierop kunt u lezen dat het loon over 2007 € 17.448 was.

Dit loon is dus niet hoog.

Reden voor de vrij lage beloning is ten eerste het feit dat het de laatste 10 maanden van 2007 betrof.

Ten tweede gaat het om een functie die in deeltijd wordt uitgevoerd.

Ten slotte betreft het hier een functie die wordt uitgevoerd binnen een ltd., een bedrijf dat is opgericht naar Engels recht. Een ltd. wordt in beginsel fiscaal hetzelfde behandeld als een Nederlandse BV. Het Engels recht biedt daarnaast de vrijheid een lagere directeursbeloning toe te passen dan de Nederlandse forfaitaire beloning. Hier is gebruik van gemaakt. Er is echter wel ruimte voor een ruimere winstuitkering aan bestuurder/hypotheeknemer [belanghebbende] .”.

De definitieve aanslag IB/PVV over het jaar 2008 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.056, overeenkomstig de aangifte van belanghebbende.

De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.556. Tevens is bij beschikking € 2.706 heffingsrente in rekening gebracht en bij beschikking een vergrijpboete van € 13.346 opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd en de vergrijpboete ambtshalve verminderd met twintig procent tot € 10.676 vanwege het tijdsverloop tussen het opleggen van de boete en de uitspraak op bezwaar.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 september 2024 het beroep ongegrond verklaard.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

Beschikt de inspecteur over een navorderingsgrond?

Is de navorderingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?

Is de vergrijpboete terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag en de bijbehorende boete- en rentebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Is er een navorderingsgrond?

Artikel 16, lid 1, AWR luidt:

“Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.”.

De inspecteur stelt dat belanghebbende willens en wetens inkomen, behaald met

activiteiten verricht voor [eenmanszaak Ltd] en [Ltd] , niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2008. Hij stelt dat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld bij het indienen van de aangifte en dat hij daarom navorderingsbevoegd is, ondanks dat hij niet

over een nieuw feit beschikt. Belanghebbende verrichtte in 2008 werkzaamheden voor

[eenmanszaak Ltd] en [Ltd] als enig werknemer. Het betrof dezelfde activiteiten die

belanghebbende eerder vanuit zijn eenmanszaak verrichtte. Bovendien nam belanghebbende

genoegen met een klein salaris, terwijl hij stelt dat hij geen aandeelhouder was. Aannemelijk

is dat belanghebbende indirect aandeelhouder was, en dat de opgezette structuur met [eenmanszaak Ltd]

en [Ltd] slechts tot doel had om opbrengsten buiten het zicht van de belastingdienst

te houden, aldus nog steeds de inspecteur. Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat hij

navorderingsbevoegd is omdat sprake is van een kenbare fout.

Belanghebbende betwist dat sprake was van een constructie om opbrengsten uit [eenmanszaak Ltd] en [Ltd] buiten het zicht van de belastingdienst te brengen. Er was sprake van een

reële structuur die erop was gericht om investeringen uit China aan te trekken, aldus

belanghebbende. Ook betoogt hij dat de bedragen die hij heeft ontvangen op de

Luxemburgse bankrekening gezien zouden moeten worden als schenkingen, en dat deze betalingen nimmer buiten het zicht van de belastingdienst zijn gehouden.

Het hof overweegt dat navordering ingevolge artikel 16, lid 1, laatste volzin, AWR mogelijk is ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is, dit wil zeggen indien de belastingplichtige ten aanzien van dat feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

De rechtbank heeft in dat kader het volgende overwogen:

“5.2. De rechtbank overweegt dat uit de “distribution resolutions” volgt dat belanghebbende

bedragen heeft ontvangen via [bedrijf 3] naar een bedrag van € 64.500.7 Niet in

geschil is dat op de Luxemburgse bankrekening in 2008 eenzelfde bedrag van € 64.500

binnen is gekomen. Verder heeft [Ltd] in 2007 € 60.000 aan dividend uitgekeerd en

in 2008 (in ieder geval) € 51.500. Uit de inkomensverklaring die belanghebbende bij de

Rabobank heeft afgelegd volgt verder dat de overwinst uit [Ltd] in 2007, na

belastingen en salaris van belanghebbende, € 66.673 bedraagt en dat hij die ook aan zichzelf

kan doen toekomen. De rechtbank acht gelet op deze feiten en omstandigheden buiten

redelijke twijfel dat belanghebbende als (indirect) aandeelhouder van de vennootschap

[Ltd] beschouwd moet worden, en dat de op de Luxemburgse rekening ontvangen

bedragen voortkomen uit die vennootschap(sstructuur) en zijn aan te merken als dividend.

Belanghebbende stelt weliswaar dat de ontvangen bedragen gezien moeten worden als een

schenking maar overlegt hiervan in zijn geheel geen bewijs. Belanghebbende heeft van de

ontvangen bedragen geen opgaaf gedaan in zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2008. Daarbij

is sprake van duidelijke betrokkenheid van belanghebbende bij een internationale

vennootschapsstructuur die niet transparant in beeld is gebracht, waarbij betalingen op

buitenlandse bankrekeningen binnenkomen zonder dat deze betalingen en rekeningsaldi tot

uitdrukking komen in de belastingaangifte van belanghebbende. Deze gang van zaken kan

naar zijn verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het verhullen van

genoten inkomen en daardoor op het niet betalen van verschuldigde belasting dat het niet

anders kan zijn dat belanghebbende dat gevolg heeft gewild dan wel de aanmerkelijke kans

daarop bewust heeft aanvaard. Contra-indicaties in dat verband zijn niet aannemelijk

gemaakt. De scenario’s die belanghebbende schetst en die volgens hem een verklaring zijn

voor de gang van zaken, zijn onvoldoende onderbouwd met stukken. Dat betekent dat de

inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende bij het indienen van de aangifte IB/PVV over

het jaar 2008 te kwader trouw heeft gehandeld en dat de inspecteur daarom mocht

navorderen.

[voetnoot 7: € 14.500 (8 januari 2008) + € 20.000 (2 juli 2008) + € 30.000 (13 oktober 2008).]”.

Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen, maakt deze tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe. Het staat vast dat belanghebbende door het inschakelen van [bedrijf 5] (en vermoedelijk ook [naam 3] ) en werknemers daarvan, een in het buitenland gevestigde structuur heeft opgezet. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk te achten dat deze opzet geen ander doel had dan om met behulp van buitenlandse rechtspersonen en entiteiten de uit persoonlijke arbeid van belanghebbende gegenereerde inkomsten en/of vermogensbestanddelen (aandelenpakketten dan wel de uiteindelijk economische gerechtigdheid tot die vermogensbestanddelen) aan het zicht van de Nederlandse belastingdienst te onttrekken. Daarbij wijst het hof op hetgeen is komen vast te

staan met betrekking tot onder meer de transacties op de Luxemburgse privérekening bij VP Bank (nr. [nummer 2] ) van belanghebbende, de betalingen van belanghebbende aan [bedrijf 5] en het wijzigen van de diverse naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen

waarvoor belanghebbende naar eigen zeggen werkzaamheden heeft verricht en waarvan hij

naar eigen zeggen niet weet wie de aandeelhouders en/of bestuurders zijn. Vast staat voorts dat belanghebbende de ontvangen betalingen van in totaal € 64.500 op de privérekening bij de VP Bank niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2008. Het hof acht de door belanghebbende in dit kader gegeven verklaring, namelijk dat hem deze betalingen in de vorm van schenkingen toekwamen omdat hij een goede relatie met de schenkers had opgebouwd en dit onderdeel vormde van een zogenaamde groeistrategie, niet geloofwaardig. Ook de stelling van belanghebbende dat hij niet de bevoegdheid had om schenkingen te doen of (doen) initiëren vanuit [bedrijf 3] , maakt dit oordeel niet anders.

Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift diverse stellingen betrokken, grotendeels zonder dat deze zijn voorzien van een ook maar enigszins substantiële, feitelijke onderbouwing en waarvan de relevantie niet steeds uit de context blijkt. Deze stelling laten zich zo samenvatten dat belanghebbende aanvoert dat is gebleken dat de rechtbank vooringenomen is geweest, aangezien veel door hem gestelde feiten niet zijn meegenomen door de rechtbank. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat hij het niet eens is met de weging van de feiten en omstandigheden door de rechtbank, overweegt het hof dat deze feiten en omstandigheden ten volle opnieuw zijn getoetst in hoger beroep. Van vooringenomenheid van de rechtbank is, voor zover dat al in deze procedure bij het hof beoordeeld kan en mag worden, geenszins gebleken. Daarnaast stelt belanghebbende dat rechtbank Noord-Holland, in een eerdere en andere procedure waar belanghebbende bij betrokken is, haar bevoegdheden heeft misbruikt. Vooropgesteld dat in deze procedure, die gaat over de opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2008, niet geklaagd kan worden over de handelwijze van rechtbank Noord-Holland in die procedure, zijn de stellingen op geen enkele wijze met feiten of stukken onderbouwd en kunnen reeds hierom niet slagen.

Naar het oordeel van het hof leidt het voorgaande tot de conclusie dat het aannemelijk is dat belanghebbende de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot de hiervoor vermelde ontvangen betalingen van in totaal € 64.500. Daarmee heeft belanghebbende te kwader trouw gehandeld en dit maakt dat de inspecteur grond had om de navorderingsaanslag op te leggen. De stelling van de inspecteur dat navordering ook mogelijk is omdat sprake is van een zogenoemde kenbare fout behoeft daarom geen behandeling meer.

De navorderingsaanslag

Artikel 27e, lid 1, AWR luidt:

“Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.”.

Belanghebbende is een informatiebeschikking gegeven ten aanzien van onder

meer het onderhavige jaar. Met het arrest van de Hoge Raad is de informatiebeschikking onherroepelijk komen vaststaan (zie punt 2.17 hiervoor). Met de rechtbank stelt het hof nu vast dat belanghebbende sindsdien niet alle gevraagde inlichtingen en gegevens heeft verstrekt. Belanghebbende heeft dus niet voldaan aan zijn verplichting. Omdat de informatiebeschikking onherroepelijk is komen vast te staan en belanghebbende niet alsnog

de gevraagde gegevens heeft verstrekt, is de in artikel 27e AWR opgenomen

omkering en verzwaring van de bewijslast naar het oordeel van de hof gerechtvaardigd.

Vervolgens dient het hof te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de (omkering en) verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.

Naar het oordeel van het hof is de door de inspecteur gemaakte schatting van het belastbare inkomen, zijnde € 71.556, redelijk. Het na te vorderen bedrag, namelijk de niet aangegeven € 64.500, betreft namelijk betalingen op de persoonlijke rekening van belanghebbende op een Luxemburgse bankrekening, welke is afgeleid uit gegevens en bankafschriften die belanghebbende zelf aan de inspecteur heeft overgelegd in het kader van het boekenonderzoek. Daarmee heeft de inspecteur zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting, welke veeleer een feitelijke vaststelling is, de redelijkheidstoets ruimschoots kan doorstaan

Vervolgens dient beoordeeld te worden of belanghebbende heeft doen blijken (dat wil zeggen: overtuigend aangetoond) dat de schatting, alhoewel deze redelijk is, te hoog is. Belanghebbende heeft niet het van hem vereiste bewijs geleverd, aangezien hij de onjuistheid van de schatting en de veronderstellingen die aan deze schatting ten grondslag liggen op geen enkele wijze heeft aangetoond.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het belastbare inkomen uit werk en woning terecht is vastgesteld op € 71.556. De navorderingsaanslag is derhalve niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd.

De vergrijpboete

De inspecteur heeft op grond van artikel 67e AWR en paragrafen 25 en 27

Bestuurlijke Boeten Belastingdienst aan belanghebbende een vergrijpboete van 50% van de verschuldigde belasting opgelegd, omdat hij (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte heeft ingediend, waardoor de primitieve aanslag naar een te laag bedrag is opgelegd. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat belanghebbende een ingewikkelde fiscale constructie met buitenlandse rechtspersonen heeft opgezet waarbij hij gelden heeft ontvangen op een buitenlandse bankrekening. Door de op de buitenlandse bankrekening ontvangen gelden niet aan te geven, is het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

Belanghebbende betwist dat de boete terecht is opgelegd. Hij heeft geen voordeel behaald met de activiteiten van [eenmanszaak Ltd] en [Ltd] , zodat er geen grondslag voor de

navorderingsaanslag en daarmee voor de boete bestaat. Ook heeft hij zoveel hinder

ondervonden van de handelwijze van de inspecteur, waaronder het derdenonderzoek bij de

Rabobank, dat de boete niet in stand kan blijven.

Artikel 67e, lid 1, AWR luidt:

“Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.”.

Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.

Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met de gestelde feiten en omstandigheden overtuigend aangetoond dat het aan belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat belanghebbende daarop, ten minste, het voorwaardelijk opzet had. Het hof verwijst in dit kader naar wat is overwogen in de onderdelen 4.5 en 4.6 hiervoor. Het hof acht het ongeloofwaardig dat belanghebbende niet heeft geweten dat de door hem genoten inkomsten op zijn Luxemburgse bankrekening op enigerlei wijze in de heffing van inkomstenbelasting zouden moeten worden betrokken en dat hij, door van die inkomsten geen aangifte te doen, heeft geweten dat te weinig belasting zou worden geheven. Daarmee staat het buiten redelijke twijfel dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is gegeven.

Het hof acht de boete passend en geboden. De omstandigheid dat in de uitspraak van het hof de boetegrondslag met toepassing van omkering en verzwaring van de

bewijslast is komen vast te staan, is geen aanleiding om de boete te matigen. Ook is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de handelswijze van de inspecteur op enige andere wijze zou moeten leiden tot een vermindering van de boete. Dat een en ander levensingrijpend is geweest, zoals belanghebbende stelt, en dat “relaties kapot zijn gemaakt”, is niet onderbouwd door belanghebbende, noch wat daarvan de invloed zou moeten zijn op de hoogte van de opgelegde vergrijpboete.

Redelijke termijn

Met betrekking tot de vraag of de vergrijpboete moet worden verminderd op grond van overschrijding van de redelijke termijn overweegt het hof het volgende. De vergrijpboete is aangekondigd in de begeleidende brief bij de aanbieding van het concept-rapport van het boekenonderzoek, en wel op 10 september 2010. Op die datum is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM aangevangen.

Omdat de boete is aangekondigd op 10 september 2010 en het hof uitspraak doet op

8 juli 2026 is de redelijke behandeltermijn van 24 maanden voor de behandeling

van de zaak, ook als rekening wordt gehouden met de invloed van de informatiebeschikkingsprocedure, met meer dan 24 maanden overschreden.

Vanwege die overschrijding van de redelijke beslistermijn bestaat reden om de

vergrijpboete te matigen met 20%. De inspecteur heeft voornoemde matiging in de

bezwaarfase reeds ambtshalve toegepast zodat het hof volstaat met de constatering dat

de redelijke termijn (verder) is overschreden.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, M.E. Smorenburg en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx W.W. Monteiro

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082011 NLF 2026/1720 V-N Vandaag 2026/1735 FutD 2026-1508 NDFR Nieuws 2026/1318
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand