Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-193227-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
met als BRP-adres: [adres 1] ,
doch volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juli 2026 (nog) wonende te: [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten en is hij ter zake van:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd (feit 2 subsidiair);
een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd (feit 3 primair);
gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd (feit 4);
een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd (feit 5),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.
Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 6.000,00 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. In het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is door de rechtbank tot een bedrag van € 2.174,00 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. In het overige gedeelte van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij [benadeelde partij 3] is in haar volledige vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 22 september 2025 (zowel mondeling als schriftelijk) gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en voorts dat het hof het beroepen vonnis – voor zover nog aan de orde – zal bevestigen, met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende:
de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest en met de navolgende bijzondere voorwaarden daaraan verbonden: een contactverbod met de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en een locatieverbod voor de [adres 3] ;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 15.385,00 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de meergevorderde schade;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 3.424,00 zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de meergevorderde schade;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk zal verklaren.
Ten slotte heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat er nog beslag rust op diverse goederen (zoals vermeld op dossierpagina 13) en heeft zij gevorderd dat alle goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
Ter terechtzitting van 1 juli 2026 heeft de advocaat-generaal (mondeling) medegedeeld te persisteren bij voornoemde vordering. Ten aanzien van de door de verdediging per e-mail d.d. 10 juni 2026 en ter terechtzitting van 1 juli 2026 gedane onderzoekswensen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze primair afgewezen dienen te worden, nu daartoe geen noodzaak bestaat, en subsidiair, indien het hof toch een deskundige zal benoemen, dit een in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) ingeschreven deskundige dient te zijn (en niet de door de verdediging aangedragen heer
D. Castellvi).
De verdediging heeft zowel ter terechtzitting van 22 september 2025 als ter terechtzitting van 1 juli 2026 integrale vrijspraak van de onder 2 (primair en subsidiair), 3 (primair en subsidiair), 4 en 5 tenlastegelegde feiten bepleit.
Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich, gelet op de bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat zij in hun vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft de verdediging zich subsidiair, in geval van een veroordeling, op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat de immateriële schade dient te worden gematigd dan wel dat aansluiting wordt gezocht bij hetgeen in eerste aanleg door de rechtbank is toegewezen (een bedrag van € 6.000,00). Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de verdediging zich subsidiair, in geval van een veroordeling, op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dat de immateriële schade (maximaal) tot het door de rechtbank in eerste aanleg toegekende bedrag van € 1.250,00 dient te worden toegewezen en verzocht de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft de verdediging zich subsidiair, in het geval van een veroordeling, op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen afstand wenst te doen van de computer, nu daarop een groot aantal jeugdfoto’s staat die de verdachte wenst te ontvangen, hetgeen met het maken van een voorbehoud zou kunnen worden geregeld.
Ten slotte heeft de verdediging bij e-mail van 10 juni 2026 en ter terechtzitting van 1 juli 2026 vijf onderzoekswensen ingediend en verzocht de heer D. Castellvi als deskundige te benoemen teneinde nader digitaal forensisch onderzoek te laten verrichten.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van feit 1.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
2.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 november 2016 tot en met 11 mei 2020 te [pleegplaatsen] , althans elders in Nederland, met
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het
subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 april 2016 tot en met 11 mei 2020, te [pleegplaatsen] , althans elders in Nederland, met een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2004, die toen de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het:
3. hij in de periode van 3 januari 2016 tot en met 10 januari 2016, althans op of omstreeks 10 januari 2016 te [pleegplaats] , althans in Nederland, afbeeldingen en/of gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten 56, althans een aantal, foto’s van seksuele gedragingen, waarbij iemand, die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft vervaardigd en/of in bezit gehad, welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit: (heimelijke) opnames van deze [slachtoffer 2] , die zich naakt, dan wel gedeeltelijk naakt, bevond in de badkamer terwijl zich aan het afdrogen was en/of waarbij door het camerastandpunt nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling;
[EXFAT_01]\ [accountnaam 1] -PC\Backup Set 2015-10-11 192353\Backup Files 2016-01-10 205714\Backupfiles1.zip\C\Users\ [accountnaam 1] \AppData\Local\Microsoft\Windows\
Explorer\thumbcache_1280.db subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 mei 2020 te [pleegplaats] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, te weten [slachtoffer 2] , aanwezig in een woning en/of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een woning op/aan de [adres 3] , een afbeelding heeft vervaardigd;
4.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 19 juni 2020, althans op of omstreeks 20 juni 2020, te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto’s en/of video’s en/of films en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende afbeelding(en), heeft verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedraging(en) – zakelijk weergegeven – bestonden uit:
- het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis en/of vinger/hand en/of voorwerp van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
[bestandsnaam 1] (pag. 112 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 2] (pag. 112 en 113 van het eind proces-verbaal)
en/of
- het met de vinger/hand en/of voorwerp betasten/aanraken van de geslachtsdelen van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog heeft bereikt
[bestandsnaam 1] (pag. 112 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 2] (pag. 112 en 113 van het eind proces-verbaal)
en/of
- het geheel en/of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) poseren in een onnatuurlijke houding en/of met onnatuurlijke voorwerpen, waarbij nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
[bestandsnaam 1] (pag. 112 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 2] (pag. 112 en 113 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 3] (pag. 117 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 4] (pag. 117 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 5] (pag. 118 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 6] (pag. 118 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 7] (pag. 119 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 8] (pag. 120 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 9] (pag. 120 van het eind proces-verbaal)
en/of
- het ejaculeren op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het houden van een (stijve) penis bij/naast het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of waarbij op dat lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
[bestandsnaam 10] (pag. 118 van het eind proces-verbaal)
5.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 19 juni 2020, althans op of omstreeks 20 juni 2020, te [pleegplaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeelding(en) en/of (een) videofragment(en), in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeelding(en) en/of videofragment(en) (een) ontuchtige handeling(en) zichtbaar is/zijn waarbij een mens en een dier is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken, welke ontuchtige handeling(en) bestond(en) uit (onder meer) – zakelijk weergegeven –
Verbeteringen van de tenlastelegging
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Voorts was in de tenlastelegging onder feit 3 primair als geboortedatum van [slachtoffer 2] opgenomen “ [geboortedatum] 2020”, terwijl zij op “ [geboortedatum] 2000” is geboren. Het hof heeft deze kennelijke misslag verbeterd en het juiste geboortejaar hierboven in de weergave van de tenlastelegging opgenomen. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 2 primair
Het hof heeft – met de verdediging, de rechtbank en de advocaat-generaal – uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan (het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] ). Derhalve zal de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
2 subsidiair.hij op meerdere tijdstippen in de periode van 24 april 2016 tot en met 11 mei 2020, in Nederland, met een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, te weten
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2004, die toen de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het:
3 primair. hij in de periode van 3 januari 2016 tot en met 10 januari 2016, te [pleegplaats] , een afbeelding of een gegevensdrager bevattende afbeeldingen, te weten 56 foto’s van seksuele gedragingen, waarbij iemand, die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft vervaardigd en in bezit gehad, welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit: heimelijke opnames van deze [slachtoffer 2] , die zich naakt bevond in de badkamer terwijl zich aan het afdrogen was en waarbij door het camerastandpunt nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding strekt tot seksuele prikkeling;
[EXFAT_01]\ [accountnaam 1] -PC\Backup Set 2015-10-11 192353\Backup Files 2016-01-10 205714\Backupfiles1.zip\C\Users\ [accountnaam 1] \AppData\Local\Microsoft\Windows\
Explorer\thumbcache_1280.db
4.hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 mei 2020, te [pleegplaats] , gegevensdragers bevattende afbeeldingen heeft verworven en in bezit gehad en zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit:
- het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis en/of vinger/hand en/of voorwerp van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
[bestandsnaam 1] (pag. 112 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 2] (pag. 112 en 113 van het eind proces-verbaal)
en
- het met de vinger/hand en/of voorwerp betasten/aanraken van de geslachtsdelen van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog heeft bereikt
[bestandsnaam 1] (pag. 112 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 2] (pag. 112 en 113 van het eind proces-verbaal)
en
- het geheel en/of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) poseren in een onnatuurlijke houding en/of met onnatuurlijke voorwerpen, waarbij nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
[bestandsnaam 1] (pag. 112 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 2] (pag. 112 en 113 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 3] (pag. 117 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 4] (pag. 117 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 5] (pag. 118 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 6] (pag. 118 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 7] (pag. 119 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 8] (pag. 120 van het eind proces-verbaal)
[bestandsnaam 9] (pag. 120 van het eind proces-verbaal)
en
- het ejaculeren op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het houden van een (stijve) penis bij/naast het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of waarbij op dat lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
[bestandsnaam 10] (pag. 118 van het eind proces-verbaal)
5.hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 11 mei 2020, te [pleegplaats] , afbeeldingen en videofragmenten in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen en/of videofragmenten ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, welke ontuchtige handelingen bestonden uit (onder meer) – zakelijk weergegeven –
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de feiten 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage (op pagina’s 32 tot en met 56).
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
In verband met de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof de betrokkenen hierna telkens als volgt aanduiden:
Verweren
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 2 subsidiair, 3 primair (en subsidiair), 4 en 5 tenlastegelegde bepleit.
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde is aangevoerd dat de verdachte het seksueel misbruik ontkent en dat de verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende betrouwbaar is om als bewijsmiddel te kunnen worden gebruikt. [slachtoffer 1] heeft niet alleen wisselend over het misbruik verklaard, maar na de late ‘disclosure’, hebben [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] (zijn zus) en [getuige] (zijn/hun moeder) met elkaar gesproken, zodat beïnvloeding niet kan worden uitgesloten. Bovendien hebben zij daarna eigenhandig onderzoek naar de gegevensdragers van de verdachte gedaan en een eigen selectie aan gegevensdragers overgedragen aan de politie. Dit kan gemanipuleerd zijn. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het dossier geen bewijsmateriaal uit andere bron bevat die de verklaring van [slachtoffer 1] op specifieke punten ondersteunt.
Ten aanzien van het onder 3 primair (en subsidiair), 4 en 5 tenlastegelegde is door de verdediging aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte degene is die verantwoordelijk is voor de op de computer en gegevensdragers aanwezige strafbare bestanden. De verdachte was niet de exclusieve gebruiker van de accounts “ [accountnaam 1] ” en “ [accountnaam 2] ” en zijn huisgenoten kenden het wachtwoord van zijn account. Het verrichte opsporingsonderzoek is onvoldoende om alternatieve gebruikersscenario’s uit te sluiten.
Voorts was het aangetroffen materiaal op het account “ [accountnaam 1] ” niet zonder speciale hiervoor bestemde software benaderbaar. Dit geldt ten aanzien van de als kinderporno bestempelde thumbnails van [slachtoffer 2] (2015), maar ook ten aanzien van de iPhone 6 opnames van [slachtoffer 2] (2020) die in de unallocated clusters zaten en de ongefundeerde koppeling vormden met de thumbnails uit 2015. Door de verdediging is daarbij nog aangevoerd dat een tiener die zichzelf wast en afdroogt in de badkamer, een normale en alledaagse verzorgingshandeling betreft die naar haar aard niet is gericht op of bestemd voor seksuele prikkeling. In die zin kan de bestreden kwalificatie van het feit dan ook geen stand houden. De thumbnails van [slachtoffer 2] uit 2015 zijn derhalve geen kinderpornografisch materiaal en niet kan worden bewezen dat de videobeelden door de verdachte binnen de tenlastegelegde periode zijn vervaardigd, laat staan dat hij deze in zijn bezit heeft gehad.
Uit het rapport van de heer Castellvi volgt bovendien dat de administratorrechten binnen Windows een aanzienlijk beperktere bewijswaarde hebben dan het opsporingsonderzoek daaraan toekent. Het zegt immers niet wie feitelijk achter het toetsenbord heeft gezeten. Het systeem van administratorrechten is ook niet waterdicht. Daar komt nog bij dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij reeds in 2012 zelfstandig een eigen account op de gezinscomputer heeft aangemaakt en dat op het account “ [accountnaam 2] ” een grote hoeveelheid kinder- en dierenporno is aangetroffen die direct toegankelijk was (accessible). Ook was op het account “ [accountnaam 2] ” sprake van URL-verwijzingen die overeenkomen met die op het account “ [accountnaam 1] ”. De jonge leeftijd van [accountnaam 2] maakt niet dat hij zich niet op het “darkweb” zou kunnen begeven, als het aangetroffen strafbare materiaal daarvan al afkomstig zou zijn.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair
Aan de verdachte is onder feit 2 subsidiair tenlastegelegd dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn stiefzoon [slachtoffer 1] in de periode van 24 april 2016 tot en met 11 mei 2020.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1]
Het hof is, anders dan de verdediging maar met de rechtbank, van oordeel dat [slachtoffer 1] consistent en gedetailleerd heeft verklaard over waar en hoe de seksuele handelingen met de verdachte – zijn toenmalige stiefvader – hebben plaatsgevonden. De inhoud van zijn WhatsApp-berichten aan vriendin [getuige 2] en zijn zus [slachtoffer 2] , hetgeen hij hierover kort na deze appjes aan [slachtoffer 2] en zijn moeder [getuige] heeft verteld, het WhatsApp-bericht aan zijn mentor [mentor] op school, zijn brief en zijn latere verklaring afgelegd bij de politie is in de kern steeds hetzelfde. Het begon in 2016 met een spelletje ‘doen, durven of de waarheid’, toen [slachtoffer 1] samen met de verdachte in de auto zat te wachten in de buurt van Barendrecht, omdat zijn moeder en zus daar naar een kinderfeestje gingen. De verdachte heeft toen aan [slachtoffer 1] gevraagd of hij zijn lul uit zijn broek wilde halen en [slachtoffer 1] heeft dit uiteindelijk gedaan, waarna de verdachte hem heeft afgetrokken. De verdachte heeft daarbij gezegd dat het een geheimpje moest blijven. Niet lang daarna zijn de seksuele handelingen verder gegaan. De verdachte was porno aan het kijken in de hobbykamer en heeft gevraagd of [slachtoffer 1] ook mee wilde kijken. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 1] afgetrokken. Nadat dit een aantal keer had plaatsgevonden, heeft de verdachte [slachtoffer 1] ook gepijpt. Vanaf dat moment gebeurde het pijpen nagenoeg steeds als het aftrekken ook plaatsvond. [slachtoffer 1] trok de verdachte ook af. Meestal vond dat plaats in de hobbykamer van de woning, soms op de slaapkamer van [slachtoffer 1] en eenmaal in de woonkamer. [slachtoffer 1] heeft de verdachte eenmaal anaal gepenetreerd in de woonkamer. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [slachtoffer 1] op detailniveau anders heeft verklaard, zoals door de verdediging is aangevoerd, mede gelet op de verstreken tijd, niet afdoet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring.
Ook de omstandigheid dat [slachtoffer 1] hetgeen hem is overkomen niet groter heeft maakt, draagt naar het oordeel van het hof bij aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Zo heeft [slachtoffer 1] op de vraag of hij de verdachte ook heeft gepijpt, verklaard dat dat nooit heeft plaatsgevonden. Ook heeft hij verklaard dat het anaal penetreren slechts eenmaal heeft plaatsgevonden. Op vragen of er nog meer is gebeurd, heeft [slachtoffer 1] geantwoord dat dit niet het geval is. Bovendien heeft [slachtoffer 1] ook over de frequentie van het misbruik duidelijk verklaard: soms was dat één keer per maand, soms twee of drie keer per maand en soms wel twee of drie keer per week. Ten slotte acht het hof het van belang dat [slachtoffer 1] in de WhatsApp-berichten aan [getuige 2] heeft geschreven dat het niet met dwang is gebeurd en dat hij om die reden denkt dat het zijn schuld is, omdat hij het toeliet. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij soms opgewonden raakte van de ontuchtige handelingen en klaar kwam en voorts dat hij zelf ook porno keek. Ook dit draagt naar het oordeel van het hof bij aan de authenticiteit en daarmee geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] .
Ten slotte overweegt het hof met betrekking tot de “disclosure” door [slachtoffer 1] nog dat uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en zijn schoolvriend [getuige 3] volgt dat [slachtoffer 1] hem, aan het begin van de 2e klas, heeft verteld dat hij door zijn stiefvader [verdachte] was gepijpt. Omdat [getuige 3] dit een raar verhaal vond, het niet serieus nam en hij daarna een tijd niet meer met [slachtoffer 1] heeft afgesproken, durfde [slachtoffer 1] het seksueel misbruik door de verdachte daarna niet meer aan anderen te vertellen. Hij heeft het uiteindelijk pas zo’n twee jaar later via WhatsApp gedeeld met [getuige 2] , de vriendin van zijn goede vriendin [vriendin] , omdat hij het ook niet aan [vriendin] zelf durfde te vertellen uit angst voor het verlies van hun vriendschap. [getuige 2] heeft hem vervolgens op het hart gedrukt dit ook met zijn zus [slachtoffer 2] te delen. Als al sprake zou zijn van een late “disclosure” – hoewel het samen masturberen tot aan dat moment nog altijd niet was gestopt – maakt dit de verklaringen van [slachtoffer 1] derhalve niet ongeloofwaardig, integendeel.
Gelet op het vorenstaande, acht het hof de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Het hof stelt voorop dat, volgens het tweede lid van artikel 342 Sv, het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden waarover het vermeende slachtoffer verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Bij zedenzaken – die zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee
personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen (het vermeende
slachtoffer en de verdachte) – komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door één
getuige verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat wil zeggen dat
het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring
van die getuige. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen “de auditu”, ofwel van horen
zeggen, verklaren over wat zij van het vermeende slachtoffer hebben gehoord. De bron van
deze verklaringen blijft dan immers steeds het vermeende slachtoffer. Wel kunnen bepaalde
waarnemingen die een de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan, maar die weliswaar niet
het kernverwijt (bijvoorbeeld de seksuele handelingen) bevestigen, voldoende zijn om een
rol van betekenis te spelen als steunbewijs. Het is dus niet per se vereist dat het steunbewijs
betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen.
Met de rechtbank heeft het hof vastgesteld dat [slachtoffer 1] zijn vriendin [getuige 2] , via WhatsApp, in vertrouwen heeft genomen en haar gedetailleerd heeft verteld waaruit het misbruik bestond. Op aandringen van [getuige 2] heeft hij deze berichten vervolgens ook aan zijn zus [slachtoffer 2] laten lezen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 1] daardoor allebei moesten huilen. Vervolgens heeft [slachtoffer 2] besloten om ook hun moeder [getuige] wakker te maken, terwijl zij op dat moment naast de verdachte, haar toenmalige echtgenoot, in bed sliep. Zij is meegegaan naar de kamer van [slachtoffer 1] en heeft toen de app-berichten ook gelezen. [slachtoffer 2] en [getuige] hebben vrijwel exact hetzelfde verklaard over de gang van zaken die nacht. [getuige] heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring naar voren gebracht dat zij de berichten op de telefoon heeft gelezen, omdat [slachtoffer 1] door zijn tranen niet in staat was om het haar te vertellen. Het gaat dus om een spontane “disclosure” (onthulling) midden in de nacht. [getuige] heeft de verdachte direct daarna, dus ook midden in de nacht, het huis uitgezet. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is het logisch en begrijpelijk dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige] daarna met elkaar hebben gesproken over het gebeurde. Er is geen enkele aanwijzing die duidt op een vooropgezet plan om de verdachte vals te beschuldigen. Het zou, gelet op de gang van zaken direct na de onthulling, ook niet in de rede liggen dat dan midden in de nacht te doen.
De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden naar het oordeel van het hof ook steun in het volgende.
[slachtoffer 1] heeft – zoals hiervoor reeds overwogen – verklaard dat hij zijn schoolvriend [getuige 3] een hele tijd eerder al als eerste had verteld wat er tussen hem en de verdachte was gebeurd. Dat gehoord hebbende, wilde [getuige 3] niets meer met hem te maken hebben en zei dat het vies/raar was, waardoor [slachtoffer 1] het daarna niet meer aan iemand anders durfde te vertellen. In zijn verklaring heeft [getuige 3] bevestigd dat [slachtoffer 1] hem in de tweede klas van de middelbare school heeft verteld over het misbruik door zijn stiefvader en dat hij daarna een tijd lang niet meer met hem had afgesproken.
Medio mei 2020 heeft [slachtoffer 1] ook zijn mentor [mentor] in vertrouwen genomen en haar via een lang WhatsApp-bericht verteld over het misbruik. [mentor] heeft daarover nog verklaard dat zij [slachtoffer 1] toen een aantal jaren kende en wist dat hij niet zo lang van stof is. Uit de omstandigheid dat [slachtoffer 1] haar toen zo’n lang bericht stuurde, heeft zij opgemaakt dat hij heel erg overstuur was.
Ten slotte wordt de verklaring van [slachtoffer 1] over de eerste keer dat het misbruik plaatsvond bevestigd door de verklaring van [getuige] , omdat zij heeft verklaard dat zij inderdaad naar een
kinderfeestje in Barendrecht waren geweest. Volgens haar zou het kinderfeestje hebben
plaatsgevonden op 24 april 2016 of 19 augustus 2016; het jaar waarin [slachtoffer 1] 12 werd.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat de betrouwbare verklaring van [slachtoffer 1] op essentiële punten wordt ondersteund door ander bewijs. Dat betekent dat er naar het oordeel van het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , bestaande uit het over en weer aftrekken, het door de verdachte pijpen van [slachtoffer 1] en het eenmaal door [slachtoffer 1] anaal penetreren van de verdachte. De verdachte heeft zich door het plegen van deze ontuchtige handelingen schuldig gemaakt aan het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van de feiten 3 (primair), 4 en 5
Onder deze drie feiten is aan de verdachte – kortgezegd – tenlastegelegd dat hij kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer 2] heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad en kinder- en dierenporno in bezit heeft gehad. Deze strafbare afbeeldingen zijn aangetroffen op de harde schijf van de computer, in de gebruikersdirectory van zowel “ [accountnaam 1] ” als “ [slachtoffer 1] ”, en daarnaast op een drietal andere gegevensdragers. De desbetreffende computer stond in de hobbykamer van de woning aan de [adres 3] en ook de gegevensdragers zijn afkomstig uit diezelfde hobbykamer.
Toegang tot de computer en accounts
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld wie toegang had tot de computer in de hobbykamer. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze computer toebehoort aan de verdachte en dat hij die al in bezit had toen hij nog samenwoonde met zijn ex-vrouw [ex-vrouw] en hun zoon [ zoon verdachte] . Op deze computer werd Windows als besturingssysteem gebruikt. In Windows waren verschillende gebruikers bekend. Zowel het account “ [accountnaam 1] ” als het account “ [accountnaam 2] ” was met een wachtwoord beveiligd. De volledige naam van het account “ [accountnaam 2] ” betrof “ [accountnaam 3] ”. Het account “ [accountnaam 1] ” was in bezit van de administratorrechten. In Windows heeft een administratoraccount volledige controle over de bestanden, systemen en instellingen van de computer.
[slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [getuige] (en ook [ zoon verdachte] ) hebben verklaard dat zij het wachtwoord van het account “ [accountnaam 1] ” niet kenden. De verdachte heeft op 28 februari 2023 bij de politie verklaard dat er naast de computer een briefje lag met daarop zijn wachtwoord en pincode, omdat dat moest van [getuige] . Het wachtwoord van zijn account zou “1974” zijn, het geboortejaar van de verdachte. De politie heeft geprobeerd met dit wachtwoord in te loggen op het account “ [accountnaam 1] ”, maar dat is niet gelukt, omdat het wachtwoord onjuist was. Het hof schuift de verklaring van de verdachte dat zijn wachtwoord “1974” was en dat de overige gezinsleden daarvan op de hoogte waren, dan ook als niet geloofwaardig terzijde. Anders dan de verdachte heeft niemand verklaard over een briefje met wachtwoorden dat naast de computer zou liggen. Bovendien is gebleken dat niet meer is ingelogd op het account “ [accountnaam 1] ” vanaf 11 mei 2020, de dag dat de verdachte de woning heeft verlaten en de computer in de woning is achtergebleven.
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat uit het rapport van de heer D. Castellvi d.d. 1 juni 2026 volgt dat, hoewel de ‘Administrator Protection’ een adequate bescherming geeft, die niet waterdicht is. Volgens de verdediging is het daardoor mogelijk dat gegevens op het account “ [accountnaam 1] ” door anderen zijn gemanipuleerd.
Het hof merkt daartoe in de eerste plaats op dat ook uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 10 november 2025 volgt dat het mogelijk is om de Windows beveiliging te omzeilen door bijvoorbeeld gebruik te maken van een ander besturingssysteem en deze via een USB stick op te starten. Hierdoor wordt het mogelijk om bestanden in de persoonlijke mappen te benaderen, openen, wijzigen, verwijderen e.d. Het gebruik van een ander besturingssysteem wordt niet gelogd in de Windows registerbestanden.
Het hof overweegt voorts dat uit de door de verdediging aangezochte deskundige Castellvi op 1 juli 2026 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring volgt dat voor het manipuleren van gegevens diepgaande computerkennis nodig is. Het hof is van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is gebleken dat bij de andere gezinsleden ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige] ) een dergelijke computerkennis aanwezig was noch bestaan er aanwijzingen dat een van hen zich op de door verbalisant [verbalisant 1] beschreven wijze de Windows beveiliging hebben omzeild. De door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat [slachtoffer 1] veel games speelde, maakt nog niet dat hij over een dergelijke kennis beschikt(e), laat staan op 11 jarige leeftijd toen de kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer 2] op het account van verdachte werden opgeslagen.
Het hof overweegt daarbij voorts dat uit de ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 januari 2024 afgelegde verklaring van de verdachte volgt dat als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een spel wilden downloaden op de computer, zij dan eerst toestemming aan de verdachte moesten vragen en dat hij degene was die dan op ‘ja’ klikte bij het downloaden. Zij konden dat niet zelfstandig, zonder hulp van de verdachte, doen.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat [slachtoffer 2] wel over de benodigde kennis beschikte omdat zij op 12-jarige leeftijd zelf een account op de computer zou hebben aangemaakt (verhoor [slachtoffer 2] d.d. 29 april 2021, dossierpagina 81), overweegt het hof dat voor het aanmaken van een nieuw gebruikersaccount de inloggegevens van een bestaand administratoraccount nodig zijn en die had [slachtoffer 2] niet verklaarde ze in datzelfde verhoor (pagina’s 81-82):
“Vraag verbalisanten (hierna: V): Vertel nog eens wie die pc gebruikten?
Antwoord [slachtoffer 2] (hierna: A): Vooral [verdachte] en mijn broer [slachtoffer 1] en mijn stiefbroertje [ zoon verdachte] deden weleens spelletjes op die computer.
V: Had iedere gebruiker een eigen gebruikersnaam en wachtwoord?
A: Niet iedereen, mijn moeder niet.
V: Wat was jouw gebruikersnaam?
A: Ik dacht mijn emailadres en mijn wachtwoord was niet moeilijk, dat was mijn geboortedatum. In het begin gebruikte [slachtoffer 1] mijn account en wachtwoord omdat hij zelf nog geen account had toen. [slachtoffer 1] was toen nog klein. Ik was 12 toen we bij [verdachte] gingen wonen en vlak daarna heb ik dat account toen aangemaakt.
V: Wat waren de gebruikersnaam en het wachtwoord van [verdachte] ?
A: Nee, die weet ik niet. Ik zat nooit op die account. [verdachte] had zeker wel een eigen account met een wachtwoord. Dat wist ik omdat als je de computer aanzette dan kon je kiezen uit de accounts. Dat waren dus ik, [verdachte] en later [slachtoffer 1] .
V: Wat waren de gebruikersnaam en het wachtwoord van jouw moeder [getuige] ?
A: Ik denk niet dat mijn moeder een eigen account had op die pc. Ze zat er nooit. Ze had een eigen Apple Macbook en daar deed ze haar computerwerkzaamheden op.
V: Wie wisten de wachtwoorden van elkaar?
A: [ zoon verdachte] wist [slachtoffer 1] zijn wachtwoord. [slachtoffer 1] wist mijn wachtwoord.
V: Wie wisten het wachtwoord van [verdachte] ?
A: [slachtoffer 1] en ik niet, ook mijn moeder niet. Dit hebben we later ook nog aan elkaar gevraagd, maar niemand wist dat.
V: Wie maakten er wel eens gebruik van het account van [verdachte] ?
A: Voornamelijk hemzelf en soms samen met [ zoon verdachte] . Anderen niet. [verdachte] was daar ook wel streng op, ieder op zijn eigen account. Daarom heeft hij ook de account van [slachtoffer 1] later aangemaakt. [verdachte] zorgde voor de computer.
V: En als de computer gerepareerd of geupdated moest worden, hoe ging dat?
A: Gerepareerd is hij niet volgens mij en updaten deed [verdachte] . Daar moet je hoofdbeheerder zijn en [verdachte] had dat account als hoofdbeheerder.
V: Wat kun je dan als hoofdbeheerder?
A: Als je iets moest installeren of zo, dan werd er om zijn wachtwoord gevraagd.”
Uit deze verklaring van [slachtoffer 2] van 29 april 2021 volgt aldus dat zij het wachtwoord van het account van de verdachte niet wist. Er is evenmin een begin van aannemelijkheid dat [slachtoffer 2] over de vereiste kennis beschikte om de ‘Administrator Protection’ te omzeilen en dat zij kinderpornografische content zou hebben bekeken en gedownload.
Ten slotte is nog door de verdediging aangevoerd dat ook op de gebruikersdirectory “ [accountnaam 2] ” veel kinder- en dierenpornografisch materiaal is aangetroffen en dat dit daarom niet aan de verdachte toegeschreven dient te worden. Het hof overweegt dat als [slachtoffer 1] zelf voor de aanwezigheid van dat materiaal verantwoordelijk zou zijn, zoals de verdediging heeft bepleit en het hof met de rechtbank verwerpt (zie hierna), het naar het oordeel van het hof niet voor de hand ligt dat [slachtoffer 1] het administratoraccount van de verdachte zou gebruiken om op zijn eigen account te kunnen komen, aangezien hij daartoe immers sowieso zelf direct toegang had. Voor de omstandigheid dat dit dan door [slachtoffer 2] of [getuige] zou zijn gedaan is gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen begin van aannemelijkheid.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat vaststaat dat de verdachte de enige gebruiker was van het account “ [accountnaam 1] ”, dat de andere gezinsleden daartoe geen toegang hadden, dat hij door het bezit van de administratorrechten toegang had tot de andere accounts op de computer, zoals dat van [slachtoffer 1] , en dat bij de overige gezinsleden niet de benodigde kennis aanwezig was om de beveiliging en de op die computer aangetroffen gegevens te manipuleren en dat daarvoor ook elk begin van aannemelijkheid ontbreekt.
Kinderpornografische afbeeldingen (anders dan van [slachtoffer 2] ) op gegevensdragers (feit 4) en dierenpornografisch materiaal (feit 5)
Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderpornografisch en dierenpornografisch materiaal doorgaans niet via reguliere websites wordt gevonden, maar veelal via het “darkweb” of een “private user network”. Om daar toegang toe te krijgen zijn extra handelingen en computervaardigheden nodig. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de kinderpornografische en dierenpornografische afbeeldingen onder meer zijn aangetroffen op de harde schijf van het merk Western Digital (WD_1TB) afkomstig uit de computer en zijn terug te vinden in de gebruikersdirectory van het account “ [accountnaam 2] ”, waartoe de verdachte als Administrator toegang had. Het dossier bevat een voorbeeld van een kinderpornografisch en dierenpornografisch bestand op het account [accountnaam 2] van toen deze nog maar tien jaar oud was (bewijsmiddel 16: dossierpagina’s 103-104). Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat [slachtoffer 1] zich op die leeftijd de toegang tot het “darkweb” of een “‘private user network” heeft verschaft om daar kinder- of dierenpornografisch materiaal te bekijken en te downloaden. Uit onderzoek is daarentegen gebleken dat verdachte via zijn eigen account, waarop alleen hij toegang had, veelvuldig toegang heeft gehad tot onmiskenbaar kinderpornografisch materiaal (bewijsmiddel 15) en op zijn account ook zelf vervaardigd kinderpornografisch materiaal van [slachtoffer 2] had opgeslagen (feit 3).
Daarnaast is ook kinder- en dierenpornografisch materiaal aangetroffen op de gegevens-dragers Seagate 1TB, Seagate 120GB en Lacie 20GB. Op de gegevensdrager Seagate 1TB zijn afbeeldingen, video’s en documenten opgeslagen die betrekking hebben op het gezin [verdachte] / [getuige] en deze is hoogstwaarschijnlijk gebruikt voor een op 28 september 2019 gemaakte backup van de Western Digital harde schijf van de computer. Op de Seagate 120GB en Lacie 20GB zijn trouwfoto’s van [verdachte] en zijn ex-vrouw [ex-vrouw] aangetroffen. Op de Lacie 20GB zijn ook foto’s van de geboorte van [ zoon verdachte] aangetroffen.
Daar komt nog bij dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij de Seagate120 GB en Lacie 20GB heeft aangetroffen in de hobbykamer, in/bij een doos met condooms met daarop een adressticker met de naam “ [verdachte] ”. Zij heeft voorts verklaard dat deze niet aan haar, aan [slachtoffer 1] of hun moeder toebehoorde, dat zij geen eigen USB-sticks hebben en dat haar moeder daar ook geen verstand van heeft; dat liet zij altijd over aan de verdachte.
Gelet hierop, stelt hef hof vast dat (de inhoud van) deze gegevensdragers allemaal zijn te herleiden naar de verdachte en dat er geen begin van aannemelijkheid is dat de andere gezinsleden ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [ zoon verdachte] of [getuige] ) voor deze inhoud verantwoordelijk zijn of de inhoud daarvan zouden hebben gemanipuleerd.
Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij geen toegang
had tot het account “ [accountnaam 2] ” en dat hij niet verantwoordelijk is voor de kinder- en dierenpornografische content op de gegevensdragers ongeloofwaardig. Met de rechtbank acht het hof, gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die de kinder- en dierenpornografische afbeeldingen op voormelde gegevensdragers heeft verworven en in zijn bezit heeft gehad – deels via het account van [slachtoffer 1] – en (wat betreft de kinderporno) zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft. Anders dan de rechtbank, beperkt het hof de pleegperiode niet tot 11 mei 2020, de datum waarop de verdachte de woning heeft verlaten en de gegevensdragers zijn aangetroffen. Hoewel niet duidelijk is geworden op welke datum het tenlastegelegde exact heeft plaatsgevonden, gaat het hof ervan uit dat de verdachte de aangetroffen kinder- en dierenporno heeft verworven en in bezit heeft gehad in de pleegperiode van 1 januari 2016 tot en met 11 mei 2020.
Kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer 2] (feit 3)
Op de gegevensdragers WD-ITB en Seagate 1TB zijn vier verschillende afbeeldingen aangetroffen van een naakt meisje in een badkamer. Verbalisant [verbalisant 2] , die de afbeeldingen heeft bekeken, heeft hierop het meisje herkend als [slachtoffer 2] . Hiervoor is reeds overwogen dat de Seagate ITB hoogstwaarschijnlijk een back-up betreft van de computer die toebehoort aan de verdachte. Uit de gegevens van de back-up blijkt dat het thumbnail bestand is opgeslagen in de persoonlijke bestanden directory van de gebruiker “ [accountnaam 1] ” en dat het back-up-bestand is aangemaakt op 10 januari 2016. De afbeeldingen zijn vermoedelijk in de week voorafgaand aan 10 januari 2016 aangemaakt en/of bekeken door de specifieke gebruiker van de computer. [slachtoffer 2] was toen 15 jaar oud. Nu, zoals hiervoor overwogen, de verdachte de enige is die gebruik maakte van het account “ [accountnaam 1] ”, betekent dit dat hij degene moet zijn geweest die de afbeeldingen in 2016 heeft gemaakt en in bezit heeft gehad.
Deze afbeeldingen komen meerdere keren voor in verschillende accessibililty’s. In totaal zijn er 56 heimelijke afbeeldingen aangetroffen waarop [slachtoffer 2] te zien is in de
badkamer. [slachtoffer 2] was op dat moment 15 jaar oud. Zij is zichzelf aan het afdrogen en is volledig naakt te zien. Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2025 van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat [slachtoffer 2] op een aantal van die afbeeldingen voorovergebogen staat, waardoor haar borsten en vagina nadrukkelijk in beeld
zijn gebracht. Deze afbeeldingen laten weliswaar niet een gedraging zien die expliciet van seksuele aard is, maar gelet op de wijze van totstandkoming, waarmee het heimelijke opnemen (door haar stiefvader) wordt bedoeld, hebben deze afbeeldingen een onmiskenbaar seksuele strekking. Deze afbeeldingen zijn derhalve door de politie als kinderpornografisch beoordeeld. Gelet hierop is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat deze afbeeldingen een seksuele connotatie hebben en strekken tot seksuele prikkeling.
Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte geen beschikkingsmacht had over thumbnails, overweegt het hof dat uit het proces-verbaal van beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 2 juli 2021 van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat het aantreffen van thumbnail afbeeldingen aantoont dat de gebruiker het origineel in zijn bezit heeft (gehad) of zich, door middel van een geautomatiseerd werk, de toegang daartoe heeft verschaft.
Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend
bewezen dat de verdachte kinderpornografische afbeeldingen waarop [slachtoffer 2] naakt te zien was terwijl zij 15 jaar oud was, heeft vervaardigd en in zijn bezit heeft gehad.
Conclusie
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde feiten.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting van 22 september 2025 heeft de verdediging nog een voorwaardelijk verzoek gedaan met betrekking tot het “gat van 4,5 jaar” waarin het gebruik vanuit de eigen gebruikersdirectory van [accountnaam 2] op de huiscomputer WD ITB niet zou hebben plaatsgevonden (afgeleid uit dossierpagina 141 waar wordt gesproken van een laatste inlog op dat account op 4 november 2015). Het verzoek was dat hiervoor nader onderzoek zou worden gedaan aan de gezinscomputer. Naar aanleiding hiervan heeft het hof op 6 oktober 2025 een tussenarrest gewezen en nader onderzoek laten verrichten. Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2025 van verbalisant [verbalisant 1] volgt dat het aanwezig zijn van een gekoppeld Microsoft-account voor het account “ [accountnaam 2] ” de niet bijgewerkte accountgegevens verklaart waardoor onder andere de weergegeven laatste login datum en tijd niet actueel zijn bijgewerkt in het registerbestand SAM (Security Accounts Manager). Het registerbestand SAM slaat alleen lokale gebruikersaccounts en hun wachtwoorden op; het account van de verdachte was zo’n lokaal account en dat van [slachtoffer 1] niet. [slachtoffer 1] had een Microsoft-account De inlogpogingen van een Microsoft-account wordt opgeslagen in een bestand Security.evtz. Uit dat bestand volgt dat de jongste succesvolle inlogpoging op het account van [slachtoffer 1] op de huiscomputer was op 20 mei 2020 om 09:51 uur. Daarmee is duidelijk dat er geen sprake is van “een gat van 4,5 jaar. Het hof is van oordeel dat het verweer van de verdediging daarmee wordt verworpen en dat het voorwaardelijke verzoek niet meer aan de orde is.
Onderzoekswensen
Naar het oordeel van de verdediging is nader onderzoek nodig en in dat kader zijn vijf onderzoekswensen ingediend bij e-mailbericht van de raadsvrouw d.d. 10 juni 2026 en nader toegelicht in de ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juli 2026 overgelegde pleitnota. Voorts is verzocht om de heer D. Castellvi als deskundige te benoemen teneinde (het onder 1 genoemde) nader digitale forensisch onderzoek te verrichten.
Onderzoekswens 1: nader digitaal forensisch onderzoek
De verdediging wenst nader onderzoek naar gebruikersaccounts, gebruikersactiviteiten, de herkomst van bestanden, verwijderde gegevens en overige digitale sporen en verzoekt daarbij om de relevante forensische kopieën en bijbehorende hash- en chain-of-custody gegevens beschikbaar de stellen aan de heer D. Castellvi.
Onderzoekswens 2: handsschriftonderzoek
De verdediging wenst handschriftonderzoek te laten verrichten naar het handgeschreven briefje met daarop het e-mailadres “ [e-mailadres] ”, nu de enkele herkenning door een direct betrokkene onvoldoende stevig is om zonder verificatie als uitgangspunt te dienen.
Onderzoekswens 3: OSINT-onderzoek
De verdediging went dat OSINT-onderzoek wordt gedaan naar mogelijke online activiteiten die in verband kunnen worden gebracht met de in het dossier genoemde e-mailadressen en de gebruikte aliassen, waaronder “ [alias] ” en varianten daarop. Uit het dossier blijkt niet dat dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl aliassen en e-mailadressen een belangrijke rol spelen binnen de bewijsconstructie.
Onderzoekswens 4: gebruik van Usenet
De verdediging wenst nader onderzoek naar mogelijk gebruik van Usenet vanuit het computeraccount van [slachtoffer 1] , waaronder onderzoek naar de gebruikte gegevensdrager(s), provider(s), software, het betreffende computeraccount en de daarbij gebruikte gebruikersnaam of gebruikersnamen.
Onderzoekswens 5: gegevensdragers in gebruik bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige]
De verdediging wenst onderzoek naar de (verwijderde/aanwezige) inhoud van de gegevensdragers die in de periode van 2015 tot aan de datum van inbeslagneming in 2020 in gebruik zijn geweest bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige] , zoals de laptops van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de telefoons van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [getuige] .
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De onderzoekswensen 2 en 3 zijn niet relevant voor enige beslissing op de vragen als verwoord in de artikelen 348 en 350 Sv en daarmee niet noodzakelijk. Er zijn geen bewijsmiddelen ontleend aan het internetgebruik van de naam “ [alias] ” en varianten daarop. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen onder het kopje ‘Bewijsoverwegingen’, volgt verder dat geen sprake is van een begin van aannemelijkheid voor de stelling van de verdediging dat anderen dan de verdachte van diens administratorrechten op de computer gebruik hebben gemaakt en evenmin dat sprake is van manipulatie van de bestanden. Ten aanzien van de door de verdediging aangedragen alternatieve (gebruikers)scenario’s omtrent de wijze waarop het aangetroffen kinder- en dierenpornografisch materiaal op de diverse gegevensdragers is terechtgekomen, heeft het hof reeds geoordeeld dat geen begin van aannemelijkheid is dat een ander dan de verdachte daarvoor verantwoordelijk is.
Voorts is het hof van oordeel dat de noodzaak van het nadere onderzoek onvoldoende concreet is gemaakt door de verdediging, te meer nu de heer Castellvi op pagina 18 van diens rapportage d.d. 1 juni 2026 heeft aangegeven dat het onderzoek zoals dat is uitgevoerd door de politie voldoet aan normen die gelden binnen het vakgebied digitaal forensisch onderzoek, hoewel het uitgevoerde onderzoek naar zijn mening niet volledig is. Nu het hof zich op basis van het thans voorliggende dossier desalniettemin voldoende voorgelicht acht, worden de vijf verzoeken van de verdediging tot nader onderzoek afgewezen en komt het hof niet toe aan benoeming van de heer Castellvi als deskundige. De bezwaren van de advocaat-generaal tegen die benoeming behoeven daardoor evenmin bespreking.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
een afbeelding of een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven en in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft gedurende een periode van meerdere jaren ontuchtige handelingen gepleegd met [slachtoffer 1] , de zoon van zijn toenmalige partner. [slachtoffer 1] was in die pleegperiode
11 tot 15 jaar oud. Zij vormden een samengesteld gezin en de verdachte was, als stiefvader, medeverantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van [slachtoffer 1] . De handelingen vonden voornamelijk plaats in het huis waar het samengestelde gezin woonachtig was, terwijl dit bij uitstek een plek hoort te zijn waar een kind veilig kan opgroeien.
Dat de verdachte met zijn handelen op zeer grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de
lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 1] behoeft geen betoog. De verdachte heeft hierdoor een normale en gezonde seksuele ontwikkeling – waar ieder kind recht op heeft – doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die in hun jeugd seksueel zijn misbruikt, hiervan ook op latere leeftijd nog de (psychische) gevolgen kunnen ondervinden. Het is dan ook van groot belang dat kinderen worden beschermd tegen de seksuele toenadering door volwassenen. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene op [slachtoffer 1] had en heeft ervoor gekozen zijn eigen seksuele behoeftes te laten prevaleren boven de belangen van [slachtoffer 1] . Daarnaast heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van [slachtoffer 1] , die op dat moment erg veel last ondervond van de omstandigheid dat hij geen contact meer had met zijn biologische vader en op school werd gepest. Dat het feit voor [slachtoffer 1] grote gevolgen heeft gehad – en nog altijd heeft – blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding en het ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht. [slachtoffer 1] is ruim tweeënhalf jaar onder behandeling geweest en heeft traumabehandeling gevolgd. Hij ervoer in de aanloop naar de zittingen nog steeds veel spanningen en flashbacks. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen en in bezit hebben
van kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer 2] , de destijds 15 jaar oude zus van [slachtoffer 1] en eveneens deeluitmakend van het samengestelde gezin van de verdachte. Deze afbeeldingen zijn door de verdachte gemaakt terwijl [slachtoffer 2] zich in de badkamer bevond. Zij heeft zich jarenlang begluurd gevoeld en durfde zelfs niet meer te douchen als de verdachte in de woning aanwezig was. Zij is bij de politie geconfronteerd met de beelden die de verdachte van haar heeft gemaakt. Ook [slachtoffer 2] heeft psychische gevolgen ondervonden door het handelen van de verdachte, zoals volgt uit het verzoek tot schadevergoeding en de door haar afgelegde verklaringen tijdens haar spreekrecht in eerste aanleg en in hoger beroep.
Dit handelen van de verdachte heeft daarnaast ook een grote impact gehad op de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Het is bijzonder kwalijk te noemen dat de verdachte haar vertrouwen ernstig heeft geschaad door de momenten waarop hij alleen was met [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] te misbruiken voor zijn eigen genot, terwijl hun moeder in de veronderstelling verkeerde dat
haar kinderen bij hem veilig waren.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van kinder- en
dierenpornografisch materiaal. Kinderporno is zeer verwerpelijk, met name omdat bij de
vervaardiging ervan kinderen ernstig seksueel worden misbruikt en uitgebuit. De betrokken
kinderen lopen vaak, naast lichamelijke schade, ook psychische schade op die gedurende lange tijd diepe sporen nalaat. De verdachte heeft met het downloaden van de afbeeldingen bijgedragen aan het in stand houden van de verspreiding en productie van kinderporno.
Dit geldt ook voor het bezit van de aangetroffen dierenporno. Voor het vervaardigen daarvan zijn dieren misbruikt die respectloos zijn behandeld en mogelijk ook pijn zijn aangedaan, en ook hiervoor geldt dat door het bezit van deze afbeeldingen de vraag naar dierenporno blijft bestaan, waardoor de productie ervan wordt bevorderd. Bijzonder kwalijk en laf is ook dat de verdachte door deze bestanden op te slaan op de gebruikersdirectory van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] hiervoor verantwoordelijk heeft willen houden.
Bij de straftoemeting heeft het hof ook gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2025, niet eerder is veroordeeld. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. In dat kader is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat hij inmiddels een nieuwe partner heeft, met een gezin. De verdachte heeft daarnaast de zorg voor zijn (eigen) zoon en voor zijn ouders. De scheiding heeft hem veel geld gekost. Hij werkt in ploegendienst in een fabriek en moet overwerken om rond te kunnen komen.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en daarbij aansluiting gezocht. Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal, thans geen meerwaarde in het aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden van bijzondere voorwaarden, zoals een contact- en/of locatieverbod.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zou moeten leven. De redelijke termijn bedraagt in dit geval 24 maanden per instantie, nu de verdachte zijn strafproces grotendeels (op 2 dagen voorarrest na) in vrijheid heeft afgewacht.
In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Immers, de redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 12 juli 2020, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 23 januari 2024. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Met de rechtbank, is het hof van oordeel dat de periode van 21 november 2023 tot en met 23 januari 2024 echter niet kan worden meegenomen in de overschrijding van de termijn, omdat die periode is te wijten aan uitstel van de inhoudelijke behandeling aan de kant van de verdediging (door ziekte van de raadsvrouw). Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 1 jaar en ongeveer 4 maanden is overschreden.
Namens de verdachte is vervolgens op 5 februari 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 15 juli 2026 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ruim
5 maanden overschreden. Het hof acht geen (zodanig) bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de aan de verdachte op te leggen straf.
Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zou, zoals hiervoor overwogen, naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Blijkens dossierpagina 13 zijn er gedurende het onderzoek een aantal goederen in beslag genomen en overgedragen aan het Beslaghuis in afwachting van een beslissing daarover. Het betreft:
Het hof overweegt dat op voornoemde gegevensdragers kinder- en/of dierenpornografisch materiaal is aangetroffen, met uitzondering van die met de beslagcodes 2196448 / 2301531, 2196448 / 2301532 en 2207664 (dossierpagina 101). Het is niet mogelijk om met zekerheid te kunnen stellen dat het strafbare materiaal van de gegevensdragers waarop strafbaar materiaal is aangetroffen, is verwijderd, waardoor de gegevensdragers van zodanig aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Het hof is derhalve, met de advocaat-generaal, van oordeel dat deze gegevensdragers – voor zover daar nog beslag op rust – dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De drie gegevens dragers waarop geen strafbaar materiaal is aangetroffen, zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
Voor zover de verdachte heeft verzocht om teruggave van ‘de computer’, omdat daarop jeugdfoto’s staan die hij wenst te ontvangen, overweegt het hof nog als volgt. Hoewel het hof kan gelasten dat de niet-strafbare gegevens, waaronder persoonlijke foto’s, worden gekopieerd naar een nieuwe (door de verdachte aan te leveren) gegevensdrager, is dit recht niet onbegrensd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1716 en ECLI:NL:HR:2026:113) heeft bepaald dat, indien een gegevensdrager enorme hoeveelheden data bevat en het voor de politie of het Nederlands Forensisch Instituut een onevenredig zware belasting is om alle privébestanden te scheiden van strafbaar materiaal, een verzoek om een kopie kan worden afgewezen, te meer nu het kopiëren er nooit toe mag leiden dat er alsnog strafbaar materiaal aan de verdachte wordt overhandigd. Nog daargelaten het stadium waarin het verzoek is gedaan, is in de onderhavige zaak sprake van zeer grote hoeveelheden data. Gelet daarop wijst het hof het verzoek van de verdachte tot teruggave van jeugdfoto’s (e.d.), in de vorm van een kopie, af.
Ten aanzien van de doos met condooms met daarop een adressticker en het briefje met daarop een e-mailadres overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat de doos met condooms aan de verdachte toebehoort, nu zijn achternaam op de adressticker staat vermeld. Gelet daarop zal het hof, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, van deze doos met condooms de teruggave aan de verdachte gelasten. Eveneens anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, zal het hof van het briefje met daarop een e-mailadres de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 20.385,00. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade (te weten: vergoeding van de het eigen risico) en € 20.000,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade toegewezen. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in hoger beroep strekt tot het oorspronkelijk gevorderde totaalbedrag van
€ 20.385,00 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.000,00. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft verzocht om vergoeding van het eigen risico (in eerste instantie voor het jaar 2024, maar bij aanvullende vordering d.d. 22 september 2025 is verzocht om vergoeding voor het jaar 2025), te weten een bedrag van € 385,00. Deze materiële schade is door de verdediging gemotiveerd betwist. Nader onderzoek hiernaar zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft de immateriële schade op een bedrag van € 20.000,00 gesteld. Daartoe is aangevoerd dat de benadeelde partij tot op heden nog steeds veel last heeft van de gevolgen van het seksueel misbruik door de verdachte, zijn toenmalige stiefvader, vanaf zijn 11e tot en met zijn 15e jaar. De benadeelde partij heeft traumabehandeling gevolgd, om zo het opgelopen trauma een plekje te kunnen geven en te kunnen starten met de verwerking daarvan. In de aanloop naar de zitting ervaart hij veel spanningen en flashbacks.
Als een slachtoffer als gevolg van een strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt, dan is sprake van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Maar ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in de wet bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof heeft onder feit 2 subsidiair bewezenverklaard dat de benadeelde partij op jonge leeftijd door de verdachte – zijn toenmalige stiefvader – seksueel is misbruikt gedurende een periode van meerdere jaren in wat de veiligheid van de eigen woning had moeten zijn. Hoewel de verdachte is vrijgesproken van het seksueel binnendringen van de benadeelde partij, zijn de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen bijna net zo heftig en vergaand: er was immers sprake van orale seks en penetratieseks, zij het dat het het slachtoffer/de benadeelde partij was die van en bij de verdachte moest binnendringen.
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het handelen van de verdachte zo ernstig is dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen, zelfs zonder dat concrete gegevens zijn aangevoerd waaruit de onbetwistbare conclusie kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, is het hof van oordeel dat het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 6.000,00 billijk is. Het hof acht dat bedrag derhalve ook in hoger beroep toewijsbaar. Het meergevorderde (een bedrag van € 14.000,00) zal worden afgewezen.
Resumé
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.000,00. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag toewijsbaar is, met vermeerdering met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof zal daarbij, net als de rechtbank, uitgaan van de laatste dag van de pleegperiode, te weten: 11 mei 2020.
Voorts zal het hof de benadeelde partij ter zake van de materiële schade van € 385,00
niet-ontvankelijk verklaren in de vordering,
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 6.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 4.424,00. Dit bedrag bestaat uit € 924,00 aan materiële schade, opgebouwd uit de navolgende posten:
alsmede een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een totaalbedrag van € 2.174,00 toegewezen, te weten een bedrag van € 924,00 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in hoger beroep strekt tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 4.424,00 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft verzocht om vergoeding van gemaakte reiskosten en vergoeding van het eigen risico voor de jaren 2022 en 2023. Deze materiële schadeposten zijn door de verdediging gemotiveerd betwist. Nader onderzoek hiernaar zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft de immateriële schade op een bedrag van € 3.500,00 gesteld. Daartoe is aangevoerd dat de benadeelde partij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Niet alleen heeft de verdachte door de heimelijke opnames in de badkamer van de toen minderjarige benadeelde partij hun vertrouwensband ernstig geschonden, ook is zij geconfronteerd met het seksueel misbruik van haar jongere broertje. Bij de benadeelde partij is een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) vastgesteld en zij is in 2022 in behandeling geweest bij Mentaal Beter voor haar klachten.
Zoals reeds hiervoor, ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , is overwogen, dient degene die zich beroept op aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de aard en de ernst van de gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit. Als de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet worden betwist, kan de rechter uitgaan van de juistheid daarvan. Voor zover de door de benadeelde partij gestelde gevolgen door of namens de verdachte wel worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer kunnen beoordelen of de gevolgen in voldoende mate zijn komen vast te staan. Als dat niet het geval is, kan de rechter, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen, geen aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aannemen. Datzelfde geldt als de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Daarnaast kan in uitzonderlijke gevallen ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. Het gaat dan om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Het hof stelt vast dat uit de door de benadeelde partij ingediende stukken, waaronder het behandelplan van [Mentaal Beter] , volgt dat bij de benadeelde partij sprake is van PTSS. Echter, door de verdediging is het causaal verband tussen het tenlastegelegde handelen van de verdachte en het psychisch letsel gemotiveerd betwist. Het vergt een onevenredige belasting van het strafgeding om te kunnen vaststellen of er in deze sprake is van ‘aantasting in de persoon’ als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in de zin van de eisen die de Hoge Raad stelt aan de toepasbaarheid van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Naar het oordeel van het hof is voorts ook geen sprake van een geval waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Het hof zal de vordering tot immateriële schadevergoeding dan ook niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Conclusie
Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij in het onderhavige strafproces niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 3.875,30. Dit bedrag bestaat uit € 375,30 aan materiële schade (de kosten van begeleiding door Jaxie van [slachtoffer 1] bij de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg) en € 3.500,00 aan immateriële schade (schokschade), telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de advocate van de benadeelde partij aangevoerd dat de materiële schade niet langer wordt gevorderd, omdat die kosten uiteindelijk niet door de benadeelde partij zijn gemaakt.
Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, te weten
€ 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De benadeelde partij heeft gesteld dat de verdachte door het onrechtmatig handelen jegens haar kinderen ook jegens haar een (zelfstandige) onrechtmatige daad heeft gepleegd, als gevolg waarvan zij – zo begrijpt het hof – ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW en rechtstreeks schade heeft geleden die zij in deze strafprocedure op de verdachte wenst te verhalen. Daartoe is gesteld dat de benadeelde partij onverhoeds en onverwachts is geconfronteerd met de door de verdachte gepleegde strafbare feiten en de impact daarvan op haar kinderen. Zij is middenin de nacht door haar dochter wakker gemaakt en heeft toen, in bijzijn van haar beide kinderen, de verklaring van haar zoon gelezen. Zij beschrijft haar eigen gevoel en reactie als zijnde een shocktoestand. De benadeelde partij was ten tijde van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde al jaren samen met de verdachte en was ook al enkele jaren met hem getrouwd. Zij woonden samen en zij vertrouwde hem de zorg van haar kinderen toe in zijn rol van stiefvader. Ten gevolge van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde is de benadeelde partij gediagnosticeerd met PTSS en is zij tot januari 2024 volledig uitgevallen op haar werk. De benadeelde partij is in behandeling gegaan (waaronder EMDR) om de feiten te kunnen verwerken en voorts ook steun te kunnen bieden aan haar kinderen. Haar stemming en mentale gezondheid blijven echter op en neer gaan. Tot op heden gebruikt de benadeelde partij medicatie, bestaande uit slaapmedicatie en antidepressiva, en staat zij tot op heden onder behandeling bij haar psycholoog en op de wachtlijst voor groeps-schematherapie.
Het hof stelt, evenals de rechtbank, voorop dat buiten twijfel staat dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] is getroffen door de strafbare feiten die de verdachte ten aanzien van haar twee kinderen heeft begaan. Het hof is echter van oordeel dat een ouder in het strafproces niet als benadeelde partij kan worden ontvangen in een vordering die ziet op vergoeding van de door haarzelf geleden schade. Artikel 51f, lid 1, Sv biedt in beginsel – behoudens in geval van schokschade en in geval bij de dader het oogmerk heeft bestaan schade aan een derde toe te brengen – niet de ruimte aan ouders om door henzelf geleden schade in het strafproces te vorderen in verband met een tegen hun kind(eren) gepleegd misdrijf. Een onrechtmatige daad gepleegd jegens het kind brengt immers, behoudens voormelde uitzonderingen, nog niet mee dat jegens de ouder(s) van het kind een zelfstandige onrechtmatige daad is gepleegd, waardoor zij rechtstreeks schade hebben geleden als bedoeld in artikel 51f, lid 1, Sv en dat de ouder(s) zich ter zake van hun vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kunnen voegen in het strafproces. Artikel 51f, lid 1, Sv biedt in elk geval geen ruimte een dergelijke vordering in het strafproces te vorderen.
In het arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak over vergoeding van schokschade (ook wel: shockschade) nader uiteengezet en gepreciseerd. De Hoge Raad overwoog daarin dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt, afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, speelt (mede) een rol bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht. Daarbij kan onder meer worden betrokken of de benadeelde partij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat de benadeelde partij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was.
Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat het vorenstaande ook opgeld kan doen in geval van zedenfeiten waarbij minderjarige slachtoffers zijn betrokken. Het hof is echter voorts van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een onrechtmatige daad jegens de benadeelde partij, nu zij het bewezenverklaarde handelen van de verdachte niet zelf heeft waargenomen, doordat zij daarbij niet fysiek aanwezig was, en zij daar ook niet anderszins onmiddellijk kennis van heeft gekregen. Van schokschade is geen sprake wanneer de benadeelde partij ‘slechts’ nadien te horen krijgt hoe de verdachte jegens haar kinderen heeft gehandeld, hetgeen overigens niet maakt dat de benadeelde partij daarvan zelf geen psychisch nadelige gevolgen zou kunnen ondervinden.
Het voorgaande brengt mee dat de benadeelde partij in het onderhavige strafproces niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57, 240b, 247, 248 en 254a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een doos condooms, adressticker “ [verdachte] ” (beslagcode 2207666).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 14.000,00 (veertienduizend euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige, de materiële schade van € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro), niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,00 (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
11 mei 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 15 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.