GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/852
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 mei 2024, nummer BRE 23/1287, in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V.,
hierna: belanghebbende.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende een beschikking zoals bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) gegeven.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, [persoon] (hierna: [persoon] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Op 11 maart 2026 heeft de inspecteur een verzoek tot wraking ingediend met betrekking tot raadsheer B.G. van Zadelhoff. Raadsheer Van Zadelhoff heeft in de wraking berust. Op 8 mei 2026 heeft de griffier van het hof partijen erop gewezen dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de belastingkamer door J. Wessels (voorzitter), P. Fortuin en W.J. Blokland. Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2. Feiten
[persoon] houdt alle aandelen in [belanghebbende 1] B.V. (hierna: de holding). De holding houdt alle aandelen in [belanghebbende 2] B.V. (hierna: de B.V.) die op haar beurt alle aandelen houdt in [BV 1] , [BV 2] , [BV 3] , [BV 4] , [BV 5] , [BV 6] , [BV 7] en [BV 8] . [persoon] is bestuurder van de holding. De holding is bestuurder van de B.V..
[persoon] is in dienstbetrekking bij de holding.
[persoon] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning).
[persoon] verhuurt ruimten in de woning aan de B.V.. Daartoe hebben [persoon] en de B.V. op 15 maart 2009 een “huurovereenkomst kantoorruimte” gesloten. In de huurovereenkomst is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“(…)
Verhuurder verklaart te hebben verhuurd aan huurder, die verklaart te hebben gehuurd van verhuurder, het exclusieve gebruik van de bedrijfsruimten gelegen aan de [adres] te [plaats] , hierna te noemen “het huurobject”, alsmede het gemeenschappelijk gebruik van de tuin welke rondom de woning gelegen is en het gemeenschappelijk gebruik van de ruimtes in de woning welke nodig zijn om bij de verhuurde ruimtes te komen, alsmede de oprit en parkeerplaatsen rondom de woning.
Het huurobject is nader aangeduid op een aan deze huurovereenkomst gehechte en door partijen getekende tekening (…)
Huurder is verplicht het huurobject uitsluitend te gebruiken als kantoorruimte, garage en archiefruimte.
(…)
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de tijd van tien jaren, ingaande op 15 maart 2009 en dus eindigende op 15 maart 2010.
Bij het verstrijken van de in 3.1 bedoelde tijd wordt de huurovereenkomst verlengd voor een periode van 5 jaren, tenzij de huurovereenkomst door één der partijen bij aangetekende brief of exploot met inachtneming van een termijn van ten minste drie maanden voor dit verstrijken is opgezegd.
Wordt de huurovereenkomst verlengd overeenkomstig het in 3.2 bepaalde, dan wordt de huurovereenkomst bij het verstrijken van de in 2.2 bedoelde verlengingsperiode verder verlengd voor onbepaalde tijd, tenzij de huurovereenkomst door één der partijen bij aangetekende brief of exploot met inachtneming van een termijn van ten minste drie maanden voor dit verstrijken is opgezegd.
Wordt de huurovereenkomst verder verlengd voor onbepaalde tijd overeenkomstig het in 3.3 bepaalde, dan kan zij te allen tijde door één der partijen bij aangetekende brief of exploot met inachtneming van een termijn van ten minste drie maanden tegen het einde van iedere kalendermaand worden opgezegd.
(…)
De huurprijs bedraagt bij de aanvang van de huurtijd € 2.000 (…) per maand (…) exclusief omzetbelasting.
De partijen zijn overeengekomen dat verhuurder aan huurder geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt aangezien partijen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen. Indien echter geen fiscale eenheid voor de omzetbelasting van toepassing mocht zin, verplichten partijen zich alsnog met omzetbelasting te factureren.
(…)”.
Op basis van de huurovereenkomst in samenhang gelezen met de in artikel 1.2 van de huurovereenkomst bedoelde tekening heeft [persoon] de volgende ruimten in de woning verhuurd aan de B.V. (hierna: de verhuurde ruimten):
a. Van de werkkamer op de begane grond is het exclusieve gebruik aan de B.V. verhuurd. Deze werkkamer beschikt niet over een eigen ingang of opgang en ook niet over eigen sanitaire voorzieningen. Deze werkkamer is uitsluitend bereikbaar via de centrale hal van de woning.
b. Van de garage is het exclusieve gebruik aan de B.V. verhuurd. De garage is bereikbaar via een garagepoort aan de voorzijde alsmede via een zijdeur. In de garage is een toilet aanwezig.
c. Het souterrain is via een trap in de garage bereikbaar. In het souterrain bevinden zich een kantoorruimte, sanitaire voorzieningen en een technische ruimte. Van de kantoorruimte en sanitaire voorzieningen in het souterrain is het exclusieve gebruik aan de B.V. verhuurd.
In de technische ruimte bevinden zich installaties, namelijk een server-installatie en de installatie van het (privé) zwembad. De technische ruimte is uitsluitend bereikbaar via de garage. Van de technische ruimte is het gemeenschappelijk gebruik aan de B.V. verhuurd.
d. De huurovereenkomst ziet verder op het gemeenschappelijke gebruik van de sanitaire voorzieningen in de entreehal van de woning, van delen van de woning op de eerste verdieping, van de technische ruimte in het souterrain (zie c) en van de tuin, inrit en parkeerplaatsen.
De huurovereenkomst is op basis van artikel 3.2 van de overeenkomst verlengd voor een periode van vijf jaren. De huurovereenkomst is nadien, wegens emigratie van [persoon] , niet verlengd voor onbepaalde tijd.
De B.V. heeft de in artikel 4.1 van de huurovereenkomst bedoelde huurprijs elke maand voldaan. De holding heeft in de aangifte loonheffingen de vergoeding als bedoeld in artikel 4.1 van de huurovereenkomst tot het loon gerekend.
De B.V. is maat in de maatschap [maatschap] en verricht managementactiviteiten voor [A BV] en [B BV] .
[persoon] verricht werkzaamheden vanuit de woning en ten kantore van [maatschap] .
[persoon] heeft de inspecteur op 17 november 2021 verzocht om een beschikking fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen alle in 2.1 genoemde vennootschappen en [persoon] .
De inspecteur heeft bij beschikking de holding en de B.V. met ingang van 1 juli 2022 aangemerkt als een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (zie 1.1). Van mening dat [persoon] niet wordt aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting, heeft de inspecteur [persoon] niet opgenomen in de fiscale eenheid. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking gewijzigd, in die zin dat de holding, de B.V. en [persoon] op de voet van artikel 7, lid 4, Wet als één ondernemer worden aangemerkt met ingang van 1 juli 2022 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of [persoon] samen met de holding en de B.V. een fiscale eenheid vormt in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
Niet in geschil is dat de vennootschappen [BV 1] , [BV 2] , [BV 3] , [BV 4] , [BV 5] , [BV 6] , [BV 7] en [BV 8] . (zie 2.1) geen deel uitmaken van de fiscale eenheid.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
De rechtbank heeft geoordeeld dat [persoon] voor de verhuurde ruimten moet worden aangemerkt als ondernemer in de zin van de Wet. De inspecteur heeft in hoger beroep hiertegen hoger beroepsgronden aangevoerd. Hij stelt dat het [persoon] ontbreekt aan zelfstandigheid, omdat de verhuur uitsluitend zijn oorsprong vindt in de dienstbetrekking met de B.V., en dat [persoon] geen economische activiteiten verricht.
Belanghebbende stelt dat [persoon] wel ondernemer is, omdat hij de verhuurde ruimten duurzaam en zelfstandig ter beschikking stelt aan de B.V. om te worden gebruikt ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de B.V. respectievelijk als stalling van de auto van de B.V., in ruil waarvoor hij een vergoeding ontvangt.
Economische activiteiten
Vaststaat dat [persoon] de verhuurde ruimten daadwerkelijk heeft verhuurd aan de B.V. als werkkamer, archiefruimte en parkeerruimte, dat hij daartoe met de B.V. een schriftelijke huurovereenkomst heeft gesloten (zie 2.4) en dat de verhuur ongeveer vijftien jaar heeft geduurd (zie 2.6). In ruil voor de verhuur heeft [persoon] maandelijks een vergoeding van € 2.000 ontvangen van de B.V. (zie 2.4 en 2.7). Dit laat geen andere conclusie toe dan dat deze dienstverlening door [persoon] moet worden aangemerkt als een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, Btw-richtlijn 2006. De verhuurde ruimten worden immers tegen overeengekomen vergoeding gedurende 15 jaar ononderbroken ter beschikking gesteld aan en ter beschikking gehouden van de B.V..
Al wat de inspecteur hiertegen heeft ingebracht, leidt niet tot een ander oordeel, zoals het hof hierna zal toelichten.
De inspecteur stelt dat uit het arrest Gemeente Borsele volgt dat het begrip economische activiteit moet worden onderscheiden van handelingen waarmee niet aan een markt wordt deelgenomen. De inspecteur stelt dat in het onderhavige geval geen sprake is van een realistische marktomstandigheid. In dat kader acht de inspecteur van belang (i) dat de verhuurde ruimten een integrerend onderdeel van de woning zijn, (ii) dat de medebewoners van de woning permanente toegang hebben tot de garage in verband met de toegang tot de technische ruimte, en (iii) dat de vergoeding als uitgangspunt is bepaald op de kostprijs of zelfs ver beneden de kostprijs en daardoor een reëel verband tussen de vergoeding en de verrichte dienst ontbreekt.
Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat indien een zaak naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, alle exploitatieomstandigheden moeten worden onderzocht, teneinde uit te maken of deze werkelijk wordt gebruikt voor economische exploitatie, dat wil zeggen om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Daarbij is niet van belang of de voorwaarden en omstandigheden waaronder belanghebbende de werkkamer ter beschikking stelt, kunnen worden aangemerkt als verhuur in de zin van de Wet of Btw-richtlijn 2006, dan wel vergelijkbaar zijn met verhuur van ruimten aan studenten of toeristen. Derhalve ontmoet het geen bezwaar (i) dat de verhuurde ruimten een integrerend onderdeel van de woning zijn en (ii) dat de medebewoners van de woning permanente toegang hebben tot de garage in verband met de toegang tot de technische ruimte. Voorts kan de omstandigheid dat [persoon] de woning (gedeeltelijk) duurzaam tegen vergoeding ter beschikking stelt aan één bepaalde (rechts)persoon, niet afdoen aan de conclusie dat sprake is van een economische activiteit en dat de woning (in zoverre) daadwerkelijk wordt geëxploiteerd om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de zin van deze bepaling.
Voor het bestaan van een bezwarende titel is verder vereist dat de betaling enkel wordt gedaan op voorwaarde dat de prestatie wordt verricht en omgekeerd. Het vereiste dat de tegenwaarde werkelijk moet zijn, houdt in dat een reëel verband moet kunnen worden gelegd tussen de verrichte dienst en het daarvoor betaalde bedrag. Het is niet relevant of de prestatie wordt verricht tegen een hogere of een lagere prijs dan de kostprijs en evenmin of zij is verricht tegen een hogere of een lagere prijs dan de normale marktprijs. De stelling van de inspecteur dat de vergoeding als uitgangspunt is bepaald op de kostprijs of zelfs ver beneden de kostprijs, die overigens door belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting gemotiveerd is weersproken, kan hem dus niet baten. De inspecteur heeft onvoldoende onderbouwd dat de vergoeding te laag is vastgesteld zodat niet aan het vereiste van een reëel verband tussen de verrichte dienst en het daarvoor betaalde bedrag zou zijn voldaan. Naar het oordeel van het hof kan een reëel verband worden gelegd tussen de maandelijkse vergoeding van € 2.000 en de terbeschikkingstelling van de verhuurde ruimten.
Het beroep van de inspecteur op het arrest Gemeente Borsele, dat ging over het organiseren van leerlingenvervoer door een gemeente, kan hem evenmin baten. Uit dat arrest volgt dat bij door publiekrechtelijke lichamen verrichte prestaties in het bijzonder moet worden beoordeeld of de vergoeding niet slechts ten dele de verrichte of te verrichten diensten vergoedt en de hoogte ervan niet is bepaald op basis van andere factoren die in voorkomend geval kunnen afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de diensten en de tegenprestatie ervan. De omstandigheden in het onderhavige geval zijn onvergelijkbaar met die in de het arrest Gemeente Borsele, gelet op dat wat in 4.7 is overwogen en omdat bedoelde andere factoren die kunnen afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de terbeschikkingstelling van de ruimten en de daarvoor overeengekomen vergoeding niet aan de orde zijn.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verhuur van de verhuurde ruimten een economische activiteit inhoudt, namelijk de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
Zelfstandigheid
De inspecteur stelt dat het [persoon] ontbreekt aan zelfstandigheid, omdat de verhuur uitsluitend zijn oorsprong vindt in de dienstbetrekking met de B.V.. De inspecteur leidt dat af uit het feit (i) dat de verhuurde ruimten van de woning uitsluitend worden gebruikt voor de werkzaamheden voor de B.V. en (ii) dat de vergoeding als loon voor de loonheffing in aanmerking genomen is.
Het hof stelt voorop dat - anders dan de inspecteur stelt - uit de stukken volgt dat [persoon] in dienstbetrekking is bij de holding. Ter zitting heeft [persoon] onweersproken gesteld dat de loonkosten van zijn dienstbetrekking steeds zijn doorbelast naar de B.V.. Het hof begrijpt de stelling van de inspecteur daarom zo dat het [persoon] ontbreekt aan zelfstandigheid, omdat de verhuur uitsluitend zijn oorsprong vindt in de dienstbetrekking met de holding, terwijl de verhuurde ruimten van de woning uitsluitend worden gebruikt voor de werkzaamheden voor de B.V..
Een persoon die een arbeidsovereenkomst is aangegaan met de besloten vennootschap waarvan hij de aandelen bezit, is geen ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet voor de werkzaamheden die hij ter uitvoering van deze arbeidsovereenkomst, en derhalve in naam en voor rekening van die vennootschap verricht, omdat hij in zoverre zelfstandigheid ontbeert. Het gebruik door een dergelijke aandeelhouder van ruimten in een hem toebehorende woning en de daarbij behorende grond ten behoeve van de vervulling van de dienstbetrekking, heeft voor de toepassing van de Wet geen zelfstandige betekenis, zodat de aandeelhouder voor die prestatie geen ondernemer is in de zin van de Wet.
Het is evenwel mogelijk dat [persoon] buiten de dienstbetrekking om de verhuurde ruimten ter beschikking stelt aan de B.V.. Voor zover activiteiten door een dergelijke aandeelhouder niet plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst of daarmee gelijk te stellen andere juridische band, kan hij wel als ondernemer worden aangemerkt. Het enkele feit dat [persoon] indirect directeur en grootaandeelhouder is van de B.V., staat er dus niet aan in de weg dat [persoon] geacht kan worden zelfstandig te handelen bij de terbeschikkingstelling van de in 2.5 bedoelde ruimten van zijn woning.
Indien [persoon] buiten de arbeidsovereenkomst om de verhuurde ruimten aan de B.V. ter beschikking stelt, moet dat blijken uit objectieve gegevens. Die objectieve gegevens zijn de schriftelijke huurovereenkomst (zie 2.4) en het feit dat maandelijks de vergoeding van € 2.000 is voldaan (zie 2.7). Wat de verhuuractiviteit betreft, bestaan er tussen de B.V. (dan wel, de holding) en [persoon] geen banden van ondergeschiktheid zoals die bedoeld in artikel 10 Btw-richtlijn, die zouden betekenen dat aan de voorwaarde dat [persoon] zelfstandig handelt, niet is voldaan. Het hof is daarom van oordeel dat het feit dat [persoon] directeur en grootaandeelhouder van de holding is en indirect van de B.V., dat de verhuurde ruimten uitsluitend worden gebruikt voor de werkzaamheden van de B.V. en dat de vergoeding wordt aangemerkt als loon voor de loonheffing niet tot de conclusie leidt dat de verhuuractiviteit zijn oorsprong vindt in de dienstbetrekking.
Gelet op het vorenstaande moet worden vastgesteld, dat [persoon] wat betreft de verhuuractiviteit zelfstandig handelt in de zin van artikel 10 van de Btw-richtlijn.
Nu [persoon] wat betreft de verhuuractiviteit economische activiteiten verricht en zelfstandig handelt, is verder niet in geschil dat hij in beginsel moet worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet. Ook is dan niet in geschil dat de rechtbank de beschikking fiscale eenheid terecht heeft gewijzigd, in die zin dat dat de holding, de B.V. en [persoon] op de voet van artikel 7, lid 4, van de Wet als één ondernemer worden aangemerkt en wel met ingang van 1 juli 2022.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 559, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.