ECLI:NL:GHSHE:2026:1843

ECLI:NL:GHSHE:2026:1843

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 15-07-2026
Zaaknummer 24/1245
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:3986

Samenvatting

Belanghebbende, een stichting op het gebied van primair onderwijs, maakt met de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden niet aannemelijk dat sprake is van financiële verwevenheid tussen haar en de andere stichtingen die diensten verlenen in de kinderopvang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1245

Uitspraak op het hoger beroep van

Stichting [belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 juni 2024, nummer BRE 21/2229 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft bij voor bezwaar vatbare beschikking het verzoek van belanghebbende om onderdeel te worden van de al bestaande fiscale eenheid

in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) tussen [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] afgewezen.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, een immateriële schadevergoeding toegekend aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn, het betaalde griffierecht aan belanghebbende laten vergoeden en een proceskostenvergoeding toegekend aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende en tot bijstand: [persoon 1] en [persoon 2] (kantoorgenoten van de gemachtigden) en [persoon 3] en [persoon 4] (bestuurders van belanghebbende), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota overgelegd.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2. Feiten

Belanghebbende biedt basisonderwijs aan op verschillende basisscholen in de regio [vestigingsplaats] . In de statuten van belanghebbende is, voor zover relevant, opgenomen:

“Doel, Grondslag

Artikel 2

1. De stichting stelt zich zonder winstoogmerk ten doel het geven van openbaar en katholiek onderwijs in afzonderlijke scholen voor onderscheidenlijk openbaar en katholiek onderwijs.

(…)

Het stichtingskapitaal en de inkomsten daaruit

Artikel 24

1. De geldmiddelen van de stichting bestaan uit:

a. het stichtingskapitaal en de inkomsten daaruit

b. subsidies uit openbare kassen

c. school- en/of cursusgeld.

d. rechtmatig verkregen bijdragen en schenkingen

e. erfstellingen, die echter alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving mogen worden aanvaard, en legaten; en/of

f. eventueel andere op wettige wijze verkregen baten.

2. De geldmiddelen worden uitsluitend aangewend ten dienste van het doel van de stichting.

3. Het bestuur beheert, besteedt en verantwoordt de geldmiddelen volgens overheidsvoorschriften.

(…)

Huishoudelijk reglement

Artikel 28

1. Het bestuur kan tot nader uitwerking van de statuten een huishoudelijk reglement

opstellen, dat geen bepalingen mag bevatten, welke in strijd zin met deze statuten. Hetzelfde geldt voor een managementstatuut.

(…)”

In de statuten van [Stichting 1] ( [Stichting 1] ) is, voor zover relevant, opgenomen:

“Doel

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel: het voorzien in de behoefte aan verantwoorde kinderopvang gedurende een deel van de dag. in een daartoe ingerichte, ter beschikking staande geëigende ruimte. (…)

2. De stichting tracht haart doel onder meer te verwezenlijken door:

a. het aanbieden van hoogwaardige vormen van kinderopvang binnen de regio;

b. het tegen vergoeding aanbieden van kindplaatsen;

(…)

Jaarrekening en begroting

Artikel 12

1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.

2. De boeken worden na afloop van elk jaar afgesloten. Het bestuur stelt voor één april een jaarrekening en sociaal jaarverslag op.

3. (…)

4. De jaarrekening behoeft goedkeuring van de Raad van Toezicht. Het bestuur legt de goedgekeurde jaarrekening ter bespreking voor aan de ondernemingsraad. De jaarrekening wordt ondertekend door het bestuur. Een eventueel batig saldo zal gereserveerd worden conform de doelstelling van de stichting.

(…)”

In de statuten van de [Stichting 2] ( [Stichting 2] ) is, voor zover relevant, opgenomen:

“Doel

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel: het voorzien in de behoefte aan de organisatie van de voorziening voor leerlingen in het basisonderwijs om de middagpauze onder toezicht door te brengen.

2. De stichting tracht haart doel onder meer te verwezenlijken door:

a. het aanbieden van hoogwaardige vormen van tussenschoolse opvang binnen de regio;

b. het tegen vergoeding begeleiden van kinderen tijdens de middagpauze;

(…)

Jaarrekening en begroting

Artikel 12

1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.

2. De boeken worden na afloop van elk jaar afgesloten. Het bestuur stelt voor één april een jaarrekening en sociaal jaarverslag op.

3. (…)

4. De jaarrekening behoeft goedkeuring van de Raad van Toezicht. Het bestuur legt de goedgekeurde jaarrekening ter bespreking voor aan de ondernemingsraad. De

jaarrekening wordt ondertekend door het bestuur. Een eventueel batig saldo zal gereserveerd worden conform de doelstelling van de stichting.

(…).”

In de statuten van [Stichting 3] ( [Stichting 3] ) is, voor zover relevant, opgenomen:

“Doel

Artikel 2

De stichting heeft als doel:

Het beheren en exploiteren van gelden, bedrijfsmiddelen en onroerende goederen voor en ten behoeve van de stichting [Stichting 1] en de [Stichting 2] , alsmede eventueel in de toekomst nieuw op te richten gelieerde Stichtingen.

(…)

Jaarrekening en begroting

Artikel 12

1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.

2. De boeken worden na afloop van elk jaar afgesloten. Het bestuur stelt voor één april een jaarrekening en sociaal jaarverslag op.

3. (…)

4. De jaarrekening behoeft goedkeuring van de Raad van Toezicht. De jaarrekening wordt ondertekend door het bestuur. Een eventueel batig saldo zal gereserveerd worden conform de doelstelling van de stichting.

(…)”

[Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] (samen: de kinderopvangorganisatie) vormen met ingang van 17 oktober 2014 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.

Het bestuur van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] wordt door dezelfde (natuurlijke) personen gevormd. De leden van Raad van Toezicht van belanghebbende zijn eveneens de leden van de Raad van Toezicht van [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] .

Belanghebbende en [Stichting 1] hebben bij brief 21 november 2018 de inspecteur verzocht om bij beschikking te worden aangemerkt als een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet OB. De inspecteur heeft dat verzoek afgewezen.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd. De rechtbank heeft de beschikking ook gehandhaafd.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende vanaf 16 januari 2013 deel uitmaakt van een fiscale eenheid met [Stichting 1] en [Stichting 2] en of zij vanaf 17 oktober 2014 (de oprichtingsdatum van [Stichting 3] ) deel uitmaakt van een fiscale eenheid met [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] .

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot wijziging van de beschikking aldus dat belanghebbende deel uitmaakt van de fiscale eenheid met [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] . De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Tussen partijen is niet in geschil dat hier sprake is van stichtingen die (i) ondernemer zijn voor de omzetbelasting, (ii) in Nederland zijn gevestigd en (iii) in economisch en organisatorisch opzicht verweven zijn. In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of voldaan is aan het vereiste van financiële verwevenheid.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Uit artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) volgt dat stichtingen als één ondernemer worden aangemerkt als zij (i) ondernemer zijn voor de omzetbelasting, (ii) in Nederland zijn gevestigd en (iii) in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij een eenheid vormen. Partijen verschillen alleen van mening over de vraag of belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] in financieel opzicht zijn verweven (zie 3.3).

Op grond van artikel 7, lid 4, van de Wet OB worden de in die bepaling bedoelde personen en lichamen als één ondernemer aangemerkt indien zij in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen (fiscale eenheid). Deze bepaling strekt tot uitvoering van artikel 11 van de Btw-richtlijn 2006 en moet worden geacht daarmee in overeenstemming te zijn. Op grond van de laatstgenoemde bepaling is een lidstaat bevoegd om personen die binnen het grondgebied van deze lidstaat zijn gevestigd en die juridisch gezien zelfstandig zijn, maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige aan te merken.

Bij de beantwoording van de vraag of de voor een fiscale eenheid vereiste nauwe verwevenheid bestaat, moeten de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Waar het om gaat is dat de betrokken personen, ondanks hun juridische zelfstandigheid, in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanige banden hebben dat kan worden gezegd dat zij als eenheid - en dus als één ondernemer - een zelfstandige economische activiteit uitoefenen. De voorwaarde van nauwe verwevenheid vereist niet dat een verhouding van ondergeschiktheid bestaat. Een verhouding van ondergeschiktheid kan alleen als noodzakelijke voorwaarde voor de vorming van een btw-groep worden beschouwd in het uitzonderlijke geval waarin deze voorwaarde in een welbepaalde nationale context volgens een nationale wettelijke regeling vereist is, en bovendien nodig en geschikt is ter verwezenlijking van de doelstelling misbruik te voorkomen dan wel van de doelstelling belastingfraude of -ontwijking te bestrijden.

Het bestaan van financiële verwevenheid moet worden aangenomen indien ten minste de meerderheid van de aandelen - daaronder begrepen de zeggenschap - in elk van de tot de ondernemersgroep behorende vennootschappen middellijk of onmiddellijk in dezelfde handen is. Indien de personen die deel uitmaken van zo’n groep niet uitsluitend aandelenvennootschappen zijn, is voldaan aan de voorwaarde van financiële verwevenheid indien de ene persoon een mate van zeggenschap heeft in de andere persoon die niet onderdoet voor de mate van zeggenschap van een meerderheidsaandeelhouder in een aandelenvennootschap en de financiële relatie tussen de betrokken personen van dien aard is dat door gebruikmaking van die zeggenschap de financiële posities van deze personen in een gewenste onderlinge verhouding kunnen worden gebracht.

Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat sprake is van financiële verwevenheid tussen haar, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] . Zij voert hiertoe het volgende aan.

Belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] hebben dezelfde doelstelling, te weten het bieden van optimale ontplooiingskansen aan kinderen van 0 tot 13 jaar. Deze doelstelling volgt uit de statuten van elk van de stichtingen en de feitelijke werkzaamheden die zij uitvoeren. Gelet op deze doelstelling is het voor belanghebbende feitelijk en statutair mogelijk om onderdeel van de fiscale eenheid te zijn, aldus belanghebbende.

Het bestuur en de raad van toezicht van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] vormen een personele unie. Dit betekent dat het bestuur en de raad van toezicht van elk van de stichtingen bestaat uit dezelfde personen.

Het bestuur van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] kan worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de desbetreffende stichting.

De beslissings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] ligt bij dezelfde personen. Van deze beslissings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt gebruik gemaakt om belangrijke besluiten te nemen met betrekking tot de bedrijfsvoering van de stichtingen. Belanghebbende wijst in dit verband op de notulen van vergaderingen van het bestuur van de stichtingen.

De personen die het bestuur vormen van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] kunnen beschikken over de bankrekeningen van [Stichting 1] en [Stichting 3] . Dit betekent dat de personen die het bestuur vormen van belanghebbende beschikkingsmacht hebben over de bankrekeningen van [Stichting 1] en [Stichting 3] , aldus belanghebbende.

Belangrijke financiële besluiten, zoals het vaststellen en goedkeuren van de begroting, jaarrekening en beleidsplannen van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] worden genomen door dezelfde personen. In dit verband benoemt belanghebbende ook dat zij huur in rekening brengt aan [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] voor het gebruik van locaties. Als het bestuur zou besluiten een locatie van belanghebbende te sluiten heeft dit ook gevolgen voor de opvanglocaties en daarmee direct (grote) financiële gevolgen voor [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] , aldus belanghebbende. Als de huurrelatie tussen belanghebbende en de drie stichtingen eindigt, eindigt ook het ‘samen onder 1 dak’-principe en is geen sprake meer van een doorlopende leer- en ontwikkellijn voor kinderen van 0 tot 13 jaar in hetzelfde gebouw. Dit haalt de kern en het doel van de samenwerking onderuit. De financiële relatie tussen belanghebbende en de andere stichtingen is daarmee van dien aard dat het bestuur en de raad van toezicht van elk van de stichtingen, die uit dezelfde personen bestaan, hun zeggenschap kunnen inzetten om de financiële positie van de stichtingen in een gewenste onderlinge verhouding te brengen. Dit volgt ook uit de notulen van vergaderingen van het bestuur. In die notulen is besproken dat het opheffen van tussenschoolse opvang op een locatie van belanghebbende onrust veroorzaakt bij ouders. De onderlinge dienstverlening tussen de vier stichtingen heeft bovendien een aanzienlijke omvang. In de afgelopen tien jaar is ongeveer een bedrag betaald van € 2.254.000 voor de onderlinge dienstverlening. Sprake is dus van een nauwe samenwerking met grote financiële impact, aldus belanghebbende.

De nauwe en geïntegreerde samenwerking tussen belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] heeft een belangrijke financiële impact over en weer. Belanghebbende geeft hierbij als voorbeeld dat een slechte beoordeling van een dagopvang of buitenschoolse opvang ook negatieve gevolgen heeft voor de instroom van leerlingen op een school van belanghebbende en vice versa. Een vermindering van instromende leerlingen op scholen van belanghebbende dan wel kinderen op de opvanglocaties heeft negatieve financiële gevolgen voor de andere betrokken stichtingen.

Belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] kopen consultancydiensten, beleidsstrategie, bepaalde onderdelen van de administratie, zoals kindplanningsprogramma’s en ICT gezamenlijk en centraal in.

Belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] maken op locatieniveau een gezamenlijke begroting voor kosten op het gebied van o.a. communicatie, huisvesting en personen die

zowel voor het onderwijs als de opvang werken.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van financiële verwevenheid tussen haar, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] . Het hof licht dat hieronder toe.

Met betrekking tot de doelstelling van de stichtingen die belanghebbende noemt (4.3.1), geldt dat deze doelstelling als zodanig niet uit de in de statuten geformuleerde doelstellingen volgt (2.1 tot en met 2.4). De inspecteur voert terecht aan dat elk van de stichtingen een andere doelstelling heeft. Bovendien geldt dat de doelstelling in dit geval niets zegt over een mogelijke financiële verwevenheid tussen de stichtingen.

Ook het feit dat de stichtingen een personele unie vormen (4.3.2), zegt naar het oordeel van het Hof niets over een mogelijke financiële verwevenheid tussen de stichtingen. Hetzelfde geldt voor het feit dat het bestuur van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] kan worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de desbetreffende stichting, die alle uit dezelfde personen bestaan (4.3.3). Dat de beslissings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid van de stichtingen bij dezelfde personen ligt (4.3.4), leidt ook niet tot de conclusie dat sprake is van financiële verwevenheid. Daarmee is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de ene stichting een dusdanige zeggenschap heeft in de andere stichtingen dat door gebruikmaking van die zeggenschap de financiële posities van de stichtingen in een gewenste onderlinge verhouding kunnen worden gebracht. Ook is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de stichtingen in financieel opzicht zodanige banden hebben dat de financiële zeggenschap met betrekking tot de door hen verrichte economische activiteiten als eenheid wordt uitgeoefend. Ook uit de notulen, waarnaar belanghebbende verwijst (4.3.4), blijkt niet van een dergelijke financiële verwevenheid tussen de stichtingen.

De stelling van belanghebbende dat de personen die het bestuur vormen van belanghebbende beschikkingsmacht hebben over de bankrekeningen van [Stichting 1] en [Stichting 3] (4.3.5) leidt ook niet tot financiële verwevenheid. Dat de personen vanuit hun rol als bestuurder bij belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] of [Stichting 3] kunnen beschikken over die bankrekeningen om op die manier de financiële posities van de stichtingen in een gewenste onderlinge verhouding te brengen, is niet gebleken. Gelet op de strikte regelgeving rond de besteding van financiële middelen voor het onderwijs na de invoering van de organisatieverplichting die scholen in het primair onderwijs hebben voor tussenschoolse en naschoolse opvang (zie de MvT bij de wijziging van artikel 45 Wet op het primair onderwijs per 1 augustus 2007 (30676, nr. 3) en de Nota naar aanleiding van het verslag (30676, nr. 8) komt dit het hof ook niet aannemelijk voor.

Ook het feit dat belangrijke financiële besluiten van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] worden genomen door dezelfde personen (4.3.6) leidt op zichzelf bezien nog niet tot de conclusie dat daarmee is voldaan aan het vereiste van financiële verwevenheid. De in dit verband genoemde huurrelatie tussen de stichtingen leidt niet tot die conclusie. Zoals de rechtbank heeft overwogen, betekent dit namelijk nog niet dat daardoor zeggenschap van een stichting over de financiële situatie van de andere betrokkenen ontstaat. Datzelfde geldt voor het uitlenen van personeel aan belanghebbende. Daarbij geldt dat de uitgaven over 2016, 2017 en 2018 van belanghebbende voor diensten verleend door [Stichting 1] c.s. respectievelijk 0,004%, 0,007% en 0,005% van de voor dat jaar ontvangen rijksbijdrage bedroegen. Gelet op de geringe omvang van de transacties en het gegeven dat de prijzen van deze transacties onder marktconforme voorwaarden tot stand komen (de medewerkers die opvang verzorgen worden bijvoorbeeld uitgeleend tegen dezelfde vergoeding als die aan ouders in rekening wordt gebracht), is niet aannemelijk dat de stichtingen door middel van de prijsstelling van hun diensten aan elkaar in staat zijn hun financiële positie in een gewenste onderlinge verhouding te brengen. Dat het opheffen van tussenschoolse opvang op een locatie onrust veroorzaakt bij ouders zegt niets over de financiële verwevenheid van de stichtingen. Dit effect kan ook optreden als een derde, onafhankelijke partij de tussenschoolse opvang had verzorgd. Ook de invloed van de kwaliteit van de opvang en het onderwijs en de gevolgen daarvan op de instroom en doorstroom van kinderen (4.3.7) kan het hof zonder nadere context niet in verband brengen met de financiële verwevenheid tussen partijen.

Zoals de rechtbank heeft overwogen, leidt ook het feit dat bepaalde producten gezamenlijk worden ingekocht (4.3.8), niet tot de conclusie dat sprake is van financiële verwevenheid, aangezien daardoor voor een van betrokkenen geen zeggenschap over de financiële situatie van de andere betrokkenen ontstaat. Dat een dergelijke zeggenschap niet bestaat, vloeit voort uit de statuten van de stichtingen waarin staat dat overtollige middelen alleen ten goede mogen komen aan de doelstelling van die desbetreffende stichting. Dat staat ook uitdrukkelijk in de statuten van belanghebbende: haar geldmiddelen mogen uitsluitend worden aangewend voor het onderwijs én dienen volgens overheidsvoorschriften te worden besteed, wat gebruik van die middelen voor een van de andere betrokkenen uitsluit (overweging 4.5 in de uitspraak van de rechtbank). Gelet hierop zijn er belangrijke beperkingen aan de uitoefening van eventuele zeggenschap van de ene betrokkene over de andere betrokkenen. Deze beperkingen staan in de weg aan de financiële verwevenheid tussen belanghebbende enerzijds en [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] anderzijds.

Dat belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] een gezamenlijke begroting maken (4.3.9) heeft de inspecteur gemotiveerd betwist. Hij wijst daarbij op de jaarstukken waaruit niet volgt dat een geconsolideerde jaarrekening wordt opgemaakt. Daarnaast blijkt uit notulen van de vergaderingen (de notulen van de vergadering van 5 februari 2024) dat geen sprake is van een gezamenlijke begroting en dat de accountant twijfelt of de begrotingen geconsolideerd kunnen worden.

Ter zitting heeft belanghebbende nog de stelling ingenomen dat het criterium dat de Hoge Raad geeft (zie 4.2) niet vereist dat de financiële posities van de stichtingen daadwerkelijk worden beïnvloed. Voldoende is dat de verwevenheid zodanig is dat dit mogelijk is. Aangezien sprake is van een personele unie bestaat (in theorie) de mogelijkheid om de financiële posities van belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] in de gewenste onderlinge verhouding te brengen. Dit is voldoende om financiële verwevenheid aannemelijk te achten, aldus belanghebbende.

Wat er verder ook zij van deze stelling van belanghebbende, het gaat er uiteindelijk om dat de belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] , ondanks hun juridische zelfstandigheid, in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanige banden hebben dat kan worden gezegd dat zij als eenheid - en dus als één ondernemer - een zelfstandige economische activiteit uitoefenen (zie 4.2). Met hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, is niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde stichtingen in financieel opzicht zodanige banden hebben dat de financiële zeggenschap met betrekking tot de door hen verrichte economische activiteit(en) als eenheid wordt uitgeoefend.

Net als de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat geen sprake is van financiële verwevenheid. De door belanghebbende aangevoerde punten, noch afzonderlijk noch in samenhang bezien, leiden niet tot die conclusie. De financiële relatie tussen belanghebbende, [Stichting 1] , [Stichting 2] en [Stichting 3] is niet van dien aard dat door gebruikmaking van de onderlinge zeggenschapsrechten de financiële posities van deze stichtingen in een gewenste onderlinge verhouding kunnen worden gebracht. De statuten van de stichtingen en de toepasselijke overheidsvoorschriften leveren belemmeringen op en staan in de weg aan nauwe financiële relaties die tot financiële verwevenheid zouden kunnen leiden in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet OB. Het bestaan van een personele unie tussen de stichtingen doet hieraan niet af.

Vertrouwensbeginsel

Voor zover belanghebbende in hoger beroep nog een beroep doet op het vertrouwensbeginsel geldt het volgende. De rechtbank heeft in verband met het beroep op het vertrouwensbeginsel het volgende overwogen:

“4.8. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van

ongelijke behandeling van gelijke gevallen, veroorzaakt door begunstigend beleid of een

oogmerk van begunstiging zonder een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Er is

eveneens in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, indien de inspecteur een

meerderheid van belastingplichtigen door een vergissing voordeliger behandelt dan anderen,

de zogenoemde meerderheidsregel. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk

te maken dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt

dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel door het handelen van de inspecteur.

In vier van de door belanghebbende ingebrachte gevallen (casussen) is de opzet van

structuren wezenlijk anders dan die van het onderhavige geval. In de dan overgebleven

casus zijn de stukken zodanig geanonimiseerd dat een beoordeling of er sprake is van een

vergelijkbaar feitencomplex niet mogelijk is. Voor zover al moet worden aangenomen dat

de overgebleven casus rechtens vergelijkbaar is met het onderhavige geval, hetgeen dus niet

vaststaat, betreft dit slechts één geval zodat niet voldaan kan zijn aan de meerderheidsregel.

Dat sprake is geweest van begunstigend beleid of het oogmerk van begunstiging is niet

aannemelijk geworden.”

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Het hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door W. de Wit, voorzitter, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van R. Wijkstra, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.

De griffier, De voorzitter,

R. Wijkstra W. de Wit

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082704 NLF 2026/1770 FutD 2026-1530 V-N Vandaag 2026/1798 NDFR Nieuws 2026/1337
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand