GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1559
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 september 2024, nummer BRE 23/2765, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een verminderingsbeschikking met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2011 vastgesteld.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak (hierna: de eerdere uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de eerdere uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de inspecteur.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank (hierna: de eerdere uitspraak van de rechtbank) hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof heeft het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan naar aanleiding van de terugwijzing door de rechtbank. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende.
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] Feijen.
[gemachtigde] , gemachtigde van belanghebbende, is via Microsoft Teams met een geluidverbinding verschenen.
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24/1560.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
De inspecteur heeft op 20 maart 2023 uitspraak op bezwaar gedaan.
Het beroepschrift van belanghebbende in eerste aanleg is gedagtekend 6 mei 2023 en is op 11 mei 2023 per post bij de rechtbank binnengekomen.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard;
en, zo ja, is de verminderingsbeschikking op het juiste bedrag vastgesteld?
Op de zitting heeft de inspecteur zijn stelling dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, laten vallen.
Belanghebbende concludeert tot een verhoging van de verminderingsbeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen. Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De inspecteur heeft op 20 maart 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 1 mei 2023. Het beroepschrift van belanghebbende is gedagtekend 6 mei 2023 en is op 11 mei 2023 per post bij de rechtbank binnengekomen. Gezien de dagtekening is niet aannemelijk dat het beroepschrift voor 1 mei 2023 ter post is bezorgd. Het beroepschrift is overigens ook niet binnen een week na 1 mei 2023 door de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dan ook te laat ingediend.
Belanghebbende heeft gesteld dat hij op 11 april 2023 al per post een beroepschrift heeft ingediend bij de rechtbank. Met betrekking tot deze stelling heeft de rechtbank als volgt overwogen en geoordeeld:
“4.3. (…) Dat stuk is door de rechtbank niet ontvangen. In het beroepschrift van belanghebbende met dagtekening 6 mei 2023 wordt bovendien niet aan een eerder op 11 april 2023 ingediend beroepschrift gerefereerd. Voor het eerst op 18 juli 2023 heeft de rechtbank kennisgenomen van het stuk met dagtekening 11 april 2023 toen het door de gemachtigde bij de aanvullende stukken is overgelegd.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het beroepschrift met dagtekening 11 april 2023 ook op die dag ter post heeft bezorgd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur heeft belanghebbende op geen enkele manier onderbouwd dat het stuk van 11 april 2023 daadwerkelijk op of rond die datum ter post is bezorgd. De rechtbank concludeert dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.”
Het hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de rechtbank zijn beroep heeft afgewezen omdat hij te laat was voor de zitting. Dat is echter niet juist. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het hoger beroep niet-verschoonbaar te laat heeft ingesteld. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in hoger beroep is dan ook geen reden voor het hof om anders te oordelen dan de rechtbank. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. Aan de behandeling van de vraag of de verminderingsbeschikking op het juiste bedrag is vastgesteld komt het hof daarom niet toe.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, J.M. van der Vegt en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.