ECLI:NL:GHSHE:2026:1850

ECLI:NL:GHSHE:2026:1850

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 15-07-2026
Zaaknummer 24/1317
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:4983

Samenvatting

Artt. 3, lid 1, onderdeel a, 37 en 37d Wet OB 1968. Ongeacht beslaglegging door het OM is belanghebbende belastingplichtige voor de OB bij verkoop. Verschuldigdheid op facturen vermelde OB. Geen overdracht van een algemeenheid van goederen. Inspecteur heeft grove schuld bewezen. Geen vrijwillige verbetering na aankondiging boekenonderzoek. Geen hogere proceskostenvergoeding. Geen immateriëleschadevergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1317

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 juli 2024, nummer BRE 22/4384, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking ongegrond verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, ambtshalve de boete verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, belanghebbende een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding toegekend en de Staat en de inspecteur gelast ieder de helft van het griffierecht te vergoeden.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [gemachtigde] als gemachtigde van belanghebbende,

en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld.

2. Feiten

De aandelen in belanghebbende worden gehouden door [B.V. 1] , welke entiteit ook de enig bestuurder is van belanghebbende. De aandelen in [B.V. 1] worden gehouden door de enige bestuurder [naam 1] . Belanghebbende behoort tot een groep vennootschappen ( [B.V. 1] ) die zich (met name) bezig hield met handel in en transport van agrarische producten en was gespecialiseerd in mesthandel en -transport. Belanghebbende verhuurde materialen en voertuigen aan een zustervennootschap, [B.V. 2] (de zustervennootschap). Het personeel dat de transporten verzorgde was in dienst bij de zustervennootschap.

Op 13 maart 2018 heeft een inval door diverse overheidsdiensten bij [B.V. 1] plaatsgevonden. Daarbij zijn voertuigen en materialen van belanghebbende in beslag genomen en afgevoerd naar de dienst Domeinen Roerende Zaken, onderdeel van het Ministerie van Financiën.

Tot de gedingstukken behoren afschriften van brieven van het Functioneel Parket Landelijke Beslag Autoriteit (het Functioneel Parket) aan belanghebbende, van 28 maart 2018 en 18 juni 2018, betreffende Koop 1 en Koop 3 (zie hierna onder 2.6). Daarin staat telkens onder meer:

“Inzake een tegen [belanghebbende] lopende strafzaak is conservatoir beslag gelegd ter zekerheid van verhaal voor een op te leggen geldboete en/of ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. (…) Onder verwijzing naar artikel 117 Wetboek van Strafvordering deel ik (…) mede dat ik vanwege dreigende waardedaling en/of oplopende bewaarkosten voornemens ben om zo spoedig mogelijk tot tussentijdse verkoop van (een deel van) het beslag over te gaan. In de bijlage zijn de voorwerpen genoemd die voor tussentijdse verkoop in aanmerking komen. Indien uw cliënt het op prijs stelt om de zaken te behouden, dan ben ik bereid om deze tegen betaling van een zekerheidstelling ex artikel 118a Wetboek van Strafvordering aan uw cliënt terug te geven.”

Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een overeenkomst tot zekerheidstelling tussen de Staat der Nederlanden, belanghebbende, twee andere vennootschappen van [B.V. 1] , de heer [naam 1] en [B.V. 3] ( [B.V. 3] ). De overeenkomst is door partijen ondertekend op 27 augustus 2018 en 30 augustus 2018. In deze overeenkomst, welke betrekking heeft op Koop 4 (zie hierna onder 2.6) staat onder meer:

NEMEN IN AANMERKING

( a) Tegen verdachten [belanghebbende, de twee hiervoor bedoelde andere vennootschappen van [B.V. 1] en de heer [naam 1] ] loopt een strafrechtelijk onderzoek (…). In het kader van dat onderzoek heeft het Openbaar Ministerie op 13 maart 2018 klassiek beslag op voet van artikel 94 Sv en conservatoir beslag op voet van artikel 94a lid 1 en lid 2 Sv gelegd op, onder meer, voertuigen van [belanghebbende] (…)

( b) Op de Voertuigen zijn op 25 februari 2011 pandrechten gevestigd ten behoeve van de Coöperatieve Rabobank [U.A.] (hierna: de Rabobank).

( c) De verdachten hebben verklaard volledig en definitief te stoppen met de activiteiten als Intermediair in de zin van de Meststoffenwet. [Belanghebbende] en [ [B.V. 3] ] zijn in dat kader overeengekomen dat [ [B.V. 3] ] de in verband met deze activiteiten staande Voertuigen koopt van [belanghebbende] voor een bedrag van € 700.000,- (…).

( d) [Belanghebbende] en [ [B.V. 3] ] zijn met de Rabobank overeengekomen dat van de tussen [belanghebbende] en [ [B.V. 3] ] ten aanzien van de Voertuigen overeengekomen koopsom als genoemd onder (c) een bedrag van € 528.300,- (…) aan Rabobank wordt voldaan, waarna Rabobank de pandrechten op de Voertuigen als genoemd onder (b) opheft.

( e) De Staat, de verdachten en [ [B.V. 3] ] zijn in dat kader met elkaar overeengekomen dat door [ [B.V. 3] ] namens [belanghebbende], uit de tussen [belanghebbende] en [ [B.V. 3] ] overeengekomen koopsom als genoemd onder (c) een bedrag van € 171.700,- (…) zal worden gestort bij de Staat ter titel van zekerheidstelling ex artikel 118a Sv. (…)

( f) De aldus ontvangen gelden zullen door de Staat worden aangewend voor de voldoening van een in de strafzaak en/of ontnemingszaak tegen een of meer verdachten (…) aan een of meer verdachten op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel dan wel een met een of meer van hen te treffen ontnemingsschikking of transactie dan wel enige andere uit de strafzaak voortvloeiende financiële verplichting van een of meer van de verdachten jegens de Staat. Indien de strafzaak niet in een dergelijke geldelijke verplichting resulteert, althans indien die verplichting lager zal zijn dan het bedrag aan ontvangen gelden, zal een op de Staat rustende verplichting tot betaling van die gelden, althans het resterende gedeelte daarvan, aan de verdachten ontstaan.”

In een brief aan de gemachtigde van belanghebbende van 15 januari 2019 heeft DRZ het volgende bevestigd:

“In uw brief geeft u aan dat uw cliënt op 7 september 2018 op de locatie te

[plaats] is geweest om zijn voertuigen op te halen. Verder geeft u aan dat op

dat moment de kentekenbewijzen van de voertuigen op de dashboards lagen.

U verzoekt ons om het bovenstaande op schrift te stellen.

Van de volgende voertuigen waren de kentekenbewijzen op de locatie aanwezig en

zijn deze tezamen met de voertuigen op 7 september 2018 afgegeven aan uw

cliënt:

• Vrachtauto Scania R450 met kenteken [kenteken 1] ;

. Vrachtauto DAF FT XF 105 met kenteken [kenteken 2] ;

• Vrachtauto Volvo FH met kenteken [kenteken 3] ;

• Vrachtauto DAF FT XF 105 met kenteken [kenteken 4] ;

• Vrachtauto Volvo FH met kenteken [kenteken 5] ;

• Oplegger VMA FV2006 met kenteken [kenteken 6] ;

• Vrachtauto Volvo FH440 met kenteken [kenteken 7] ;

• Aanhanger Burg BPA 0-18 ACXXX met kenteken [kenteken 8] ;

• Oplegger VMA FV2006 met kenteken [kenteken 9] ;

• Oplegger VMA FV2006 met kenteken [kenteken 10] ;

• Vrachtauto DAF FT XF 105 met kenteken [kenteken 11] .”

De inspecteur heeft op 4 februari 2019 naar aanleiding van een derdenonderzoek bij [B.V. 3] afschriften ontvangen van de grootboekkaart van de voorbelasting over de periode 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 en van vier door belanghebbende uitgeschreven facturen. De facturen kennen als omschrijving respectievelijk Koop 1, Koop 2, Koop 3 en Koop 4. Op de facturen staan het factuurnummer, factuurdatum, debiteurennummer en btw-nummer ingevuld. Ook staat op de facturen onder meer:

“Betalingen en reklames gelieve binnen 14 dagen te voldoen onder vermelding van bovenstaande factuur- en debiteurnummer.”

De facturen met omschrijving Koop 1, Koop 2 en Koop 3 zijn gedateerd 31 oktober 2018 en de factuur met omschrijving Koop 4 is gedateerd 10 december 2018. De facturen vermelden de volgende bedragen in euro:

Totaalbedrag excl. btw

btw

Totaalbedrag incl. btw

Koop 1

207.880,17

43.654,84

251.535,01

Koop 2

129.274,38

27.147,62

156.422,00

Koop 3

80.702,48

16.947,52

97.650,00

Koop 4

578.512,40

121.487,60

700.000,00

Totaal btw

209.237,58

Bij brief van 3 april 2019 heeft de inspecteur een boekenonderzoek bij [B.V. 1] aangekondigd over de periode 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018, met als doel om de aangiften omzetbelasting te controleren. Volgens belanghebbende is deze brief ontvangen op 8 april 2019. Het onderzoek is aangevangen op 18 april 2019 en heeft geleid tot een conceptrapport van 1 juli 2019 (het conceptrapport) en een definitief rapport van 26 november 2019 (het controlerapport). Naar aanleiding van de conclusies uit het controlerapport zijn de naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking vastgesteld. Daarbij is de in 2.6 vermelde omzetbelasting (totaal btw) nageheven. De boete bedraagt 50% van de nageheven omzetbelasting (voorwaardelijk opzet).

Bij aanvang van het boekenonderzoek, op 18 april 2019, heeft belanghebbende aan de controleurs een afschrift overgelegd van een suppletieaangifte omzetbelasting, tot een bedrag van € 209.238, die volgens belanghebbende in verband met de in 2.6 bedoelde facturen elektronisch zou zijn ingediend op 11 april 2019. Op 8 april 2021 heeft de boekhouder, [boekhouder] , hierover onder meer verklaard:

“In maart 2019 was ik de voorlopige jaarrekening 2018 van [belanghebbende] B.V. aan het opstellen.

Daarbij heb ik speciale aandacht besteed aan de afwikkeling van de door het OM eind 2018 van [belanghebbende] B.V. verkochte voertuigen, welke door haar in beslag waren genomen, alsmede hoe deze boekhoudkundig verwerkt dienden te worden. [belanghebbende] B.V. had hiervoor een viertal

conceptfacturen opgesteld op verzoek van de koper en deze aan hem verstrekt. Dit daar de koper

deze conceptfacturen benodigde om de door hem gekochte voertuigen te kunnen laten verzekeren.

Echter hoe deze verkoop van de materialen door het OM administratief correct verwerkt diende te

worden en hoe de correcte facturen opgesteld dienden te worden was [belanghebbende] B.V. niet

bekend en was ook onduidelijk.

Hoewel [belanghebbende] B.V. voor de verkoop van deze voertuigen mijn inziens geen omzetbelasting verschuldigd was, daar sprake was van de verkoop van een algemeenheid van goederen (tak mesttransport), was ik van mening dat het correct zou zijn om wel een suppletieaangifte 2018 in te dienen, daar op betreffende 4 facturen per abuis het woord concept vergeten was te vermelden en wel BTW was vermeld en deze aan koper waren uitgereikt. Na indiening van deze suppletie zou dan nadien deze fout gecorrigeerd moeten worden door creditering van betreffende 4 facturen en uitreiking van de correcte 4 facturen aan koper. Dit heb ik ook eind maart 2019 met de heer [naam 1] besproken en hij was daarmee akkoord. Spoedig daarna zou ik de suppletieaangifte 2018 indienen aangaande deze 4 (concept)verkoopfacturen aan [B.V. 3] . Deze uitwerking is destijds ook met u besproken en door u bevestigd. In deze periode was ik slechts op donderdagen op kantoor bij [belanghebbende] B.V. Na afronding van de voorlopige jaarrekening 2018 van [belanghebbende] B.V. op 11 april 2019 heb ik die avond de suppletieaangifte 2018 opgesteld en nadien verzonden. Een kopie van deze suppletieaangifte 2018 is ook op 18 april 2019 aan de medewerkers van de Belastingdienst verstrekt, in mijn bijzijn, welke zij hebben meegenomen.

Ik was trouwens niet eens op de hoogte dat er een controle zou plaatsvinden op 18 april 2019 door

de Belastingdienst. Dit had de heer [naam 1] mij niet verteld daar ik op donderdagen in die periode altijd bij [belanghebbende] B.V. aanwezig was.

Dit had verder ook geen verschil gemaakt, daar het indienen van de suppletieaangifte 2018 voor deze 4 facturen reeds eind maart 2019 besproken en afgestemd was om deze kort daarop in te dienen.

(…)

Ik heb niet verklaard dat ik na de aankondiging van het deelonderzoek, op 11 april 2019, een

suppletieaangifte ter grootte van € 209.238 heb ingediend. Het is correct dat ik op 11 april 2019 de

suppletieaangifte 2018 heb opgesteld en nadien verzonden, maar van een aangekondigd onderzoek

van de Belastingdienst was mij niets bekend, tot 18 april 2019. Het is feitelijk juist dat de

suppletieaangifte 2018 is ingediend, nadat een onderzoek door de Belastingdienst was

aangekondigd, maar niet als gevolg van deze aankondiging. Dat was een toevallige samenloop van

omstandigheden. Zeker daar reeds eind maart 2019 met de heer [naam 1] besproken en door hem

geaccordeerd was om de betreffende suppletieaangifte 2018 voor deze 4 facturen op te stellen en in

te dienen en deze nadien dan te corrigeren. Dit was dus duidelijk voor de aankondiging al afgestemd en geaccordeerd.”

In een e-mail van 18 juni 2019 schrijft een behandelfunctionaris van de belastingdienst aan een controleur van de belastingdienst dat in verschillende systemen van de belastingdienst geen suppletie omzetbelasting van belanghebbende is te vinden.

Op 13 juli 2019 heeft belanghebbende een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend, tot een bedrag van € 209.238. Volgens belanghebbende heeft zij deze suppletie enkel ingediend, omdat de inspecteur stelde de in 2.8 bedoelde suppletie niet te hebben ontvangen.

Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een “Kopie factuur” van 6 oktober 2021 van belanghebbende aan [B.V. 3] . Volgens belanghebbende is dit een creditfactuur betreffende Koop 1. De op dit stuk vermelde bedragen komen overeen met de bedragen die zijn vermeld op de in 2.6 bedoelde factuur betreffende Koop 1.

Daarnaast behoren tot de gedingstukken afschriften van een zestal transactie-overzichten van de Rabobank waarop betaalopdrachten van belanghebbende aan [B.V. 3] staan, van 6 oktober 2021. De betaalopdrachten belopen in totaal € 251.535,01, welk bedrag overeenstemt met het totale bedrag van de in 2.6 bedoelde factuur betreffende Koop 1.

Verder behoort tot de gedingstukken een afschrift van een suppletie omzetbelasting, van 6 december 2021, tot een bedrag van € 43.655, welk bedrag overeenstemt met het bedrag aan omzetbelasting dat staat vermeld op de in 2.6 bedoelde factuur betreffende Koop 1.

Tot het dossier behoren de volgende notities van de inspecteur:

“Gespreksnotities

Vrijdag 5 november 2021

Telefonisch contact met Domeinen Roerende Zaken

Op basis van de brief met dagtekening 10 juli 2018 en kenmerk [kenmerk] heb ik navraag

gedaan naar de in die brief aangeduide goederen. De medewerker gaf aan dat het OM heeft beslist

dat de betreffende goederen aan belanghebbende kunnen worden teruggegeven. Belanghebbende

heeft de brief niet ondertekend retour gezonden naar Domeinen Roerende Zaken. Als gevolg

hiervan zijn de goederen aan belanghebbende teruggeven. Deze zijn op 16 juli 2018 door

belanghebbende opgehaald. Met betrekking de overige voertuigen "koop 1, 2 en 4" gaf de

medewerker aan dat deze of aan belanghebbende of aan [B.V. 3] zijn gegeven.

Voor meer informatie over de inhoudelijke beslissing van het OM gaf de medewerker aan dat ik het beste contact kon opnemen met het Functioneel Parket.

Telefonisch contact met Functioneel Parket LBA

Op basis van het parketnummer [parketnummer] kon de betreffende medewerker mij mededelen dat

aan belanghebbende vier keer een aanbod is gedaan om de in beslag genomen goederen terug te

krijgen. Gezien de hoeveelheid voertuigen heb ik van de medewerker een e-mailadres gekregen

waarnaar ik mijn bevindingen/vragen kan sturen (lba-administratie@om.nl ). Ook het Functioneel

Parket kon bevestigen dat diverse voertuigen aan belanghebbende zijn teruggegeven.”

In een e-mail van 8 november 2021 aan de Landelijke Beslag Autoriteit heeft de inspecteur het volgende verzocht:

“Momenteel heb ik een bezwaarschrift in behandeling tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende diverse documenten overgelegd,

waaronder enkele documenten welke afkomstig zijn van het Functioneel Parket LBA en Domeinen

Roerende Zaken. Belanghebbende verstrekt echter maar een deel van de correspondentie, waardoor ik geen goed beeld kan vormen van alle feiten en omstandigheden. Daarom heb ik op vrijdag 5 november 2021 via het telefoonnummer 088-6992431 gesproken met een medewerker van het Functioneel Parket. Met de betreffende medewerker heb ik afgesproken dat ik mijn vragen naar dit e-mailadres kon sturen. Mijn vragen hebben betrekking op [belanghebbende] BV (RSIN [nummer] ) en het parketnummer is [parketnummer] .

Casus

Tijdens het boekenonderzoek is gebleken dat [belanghebbende] BV vier facturen heeft uitgereikt (met

daarop vermelding van btw) ter zake van de verkoop van 'mestmateriaal' (voertuigen ten behoeve van mesttransport). Met betrekking tot dit 'mestmateriaal' is inzake een (toentertijd) tegen [belanghebbende] BV lopende strafzaak, conservatoir beslag gelegd ter zekerheid van verhaal voor een op te leggen geldboete en/of ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. Ten aanzien van één verkoopfactuur (in bijlage 1 aangeduid als "koop 4") bevat het controledossier een overeenkomst tot zekerheidstelling (bijlage 2) waarin is opgenomen dat een derde partij een deel van het 'mestmateriaal' overneemt van [belanghebbende] BV. Verder is opgenomen dat De Staat, [belanghebbende] BV en de kopende partij zijn overeengekomen dat een deel van de koopsom rechtstreeks wordt voldaan aan de Rabobank (ter opheffing van enkele pandrechten) en dat het restant wordt gestort bij de Staat ten titel van zekerheidstelling . Op basis hiervan heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat de betreffende voertuigen met toestemming van het OM door [belanghebbende] BV zijn verkocht. Met betrekking tot de overige drie door [belanghebbende] BV uitgereikte facturen bevat het controledossier geen overeenkomst tot zekerheidstelling . [belanghebbende] BV bestrijdt in de bezwaarfase het standpunt van de Belastingdienst en stelt dat de voertuigen in alle 4 gevallen door het OM zijn verkocht.

Vragen

1. Kunt u bevestigen dat alle in bijlage 1 genoemde voertuigen onderdeel uitmaakten van het destijds gelegde beslag?

2. Door wie zijn de in bijlage 1 genoemde voertuigen verkocht? Is het OM de verkopende partij of zijn alle voertuigen door [belanghebbende] BV verkocht en is het OM uitsluitend ontvanger van (een deel van) de vergoeding ten titel van zekerheidstelling? Of tewel: wie was ten tijde van de verkoop de eigenaar van de goederen?

3. Indien met betrekking tot de in bijlage 1 aangeduide verkopen 1 t/m 3 ook overeenkomsten tot

zekerheidstelling zijn gesloten, dan zou ik daarvan graag een kopie ontvangen.”

Het antwoord van de Landelijke Beslag Autoriteit van 30 november 2021 luidt als volgt:

“Geachte heer [naam 2] ,

Naar aanleiding van onderstaand verzoek bericht ik u als volgt.

De voertuigen die genoemd worden in bijlage 1 hebben allemaal deel uit

gemaakt van het gelegde conservatoir beslag.

Voor alle voertuigen uit bijlage 1 is een zekerheidstelling betaald. Voor

wat betreft hetgeen dat in bijlage 1 koop 1 t/m 3 genoemd wordt zijn de

voertuigen na ontvangst van de zekerheidstelling teruggegeven aan [belanghebbende]

B.V. De voertuigen zijn geen eigendom geweest van de Staat.

Voor deze zekerheidstellingen is geen overeenkomst opgesteld. De totaal

bedragen van deze betalingen komen overeen met de totaalbedragen die

in bijlage 1 wordt genoemd.

Inzake koop 4: Hier ligt een zekerheidstellingsovereenkomst aan ten

grondslag, welke reeds in uw bezit is. Hierin is afgesproken dat een derde

partij de zekerheidstelling betaalt en vervolgens de voertuigen terugkrijgt.

Hoewel de voertuigen fysiek bij domeinen stonden, is de Staat geen

eigenaar geweest.”

Bij e-mail van 9 november 2021 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de inspecteur medegedeeld dat belanghebbende Koop 1 heeft vernietigd. Het van het OM terugontvangen bedrag heeft belanghebbende aan [B.V. 3] betaald.

Bij e-mail van 6 december 2021 heeft de gemachtigde van belanghebbende de mededelingen in de e-mail van 9 november 2021 herhaald. Voorts heeft belanghebbende op 6 december 2021 een suppletieaangifte ingediend voor het jaar 2018 en verzocht om een teruggaaf van € 43.655.

In de uitspraak op bezwaar van 5 augustus 2022 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd en de boete verlaagd tot € 35.185. Daarbij is de boetegrondslag verlaagd met de ter zake van Koop 1 berekende omzetbelasting (van € 209.238 naar € 165.583), is het boetepercentage verlaagd van 50% (voorwaardelijk opzet) naar 25% (grove schuld) en is een vermindering met 15% toegepast in verband met overschrijding van de redelijke termijn. In bezwaar heeft de inspecteur een kostenvergoeding toegekend van € 538 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 269 en een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak).

Tot de gedingstukken behoren afschriften van “Kopie facturen” van 23 december 2022 van belanghebbende aan [B.V. 3] . Volgens belanghebbende zijn dit creditfacturen betreffende Koop 2 en Koop 3. De op deze stukken vermelde bedragen komen overeen met de bedragen die zijn vermeld op de in 2.6 bedoelde facturen betreffende Koop 2 en Koop 3.

Tot de gedingstukken behoren afschriften van transactiedetails van de Rabobank waarop betaalopdrachten van belanghebbende aan [B.V. 3] staan, uit de periode van 16 februari 2022 tot en met 12 januari 2023. De betaalopdrachten belopen in totaal € 254.072, welk bedrag overeenstemt met het totale bedrag van de in 2.6 bedoelde facturen betreffende Koop 2 en Koop 3.

Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een suppletieaangifte omzetbelasting, afgedrukt op 13 januari 2023, tot een bedrag van € 44.096, welk bedrag overeenstemt met het totaal van de bedragen aan omzetbelasting die staan vermeld op de in 2.6 bedoelde facturen betreffende Koop 2 en Koop 3.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Is de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

Is de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

Is de beslissing van de rechtbank over de overschrijding van de redelijke termijn voor de boete juist?

Heeft de rechtbank de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase juist vastgesteld?

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet zij, maar het OM de goederen heeft verkocht die deel uitmaken van Koop 1, 2, 3 en 4. Op 18 juni 2018 heeft het Functioneel Parket aan belanghebbende medegedeeld voornemens te zijn zo spoedig mogelijk tot tussentijdse verkoop van (een deel van) het beslag over te gaan. De goederen zijn verkocht op instigatie van het OM. Belanghebbende was als gevolg van het beslag niet langer bevoegd de goederen te verkopen, dat was het OM. Er is ook geen koopovereenkomst tussen belanghebbende en de koper, [B.V. 3] . Het OM heeft de prijs bepaald en de gelden ontvangen. De Staat heeft de goederen vervolgens overgedragen aan [B.V. 3] (artikel 4 overeenkomst tot zekerheidsstelling). Voor het deel van de opbrengst dat aan Rabobank is toegevloeid, is Rabobank de leverancier, aldus belanghebbende.

De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat belanghebbende de goederen heeft verkocht (artikel 1, onderdeel a, jo. artikel 3, lid 1, onderdeel a, Wet OB). Het OM is nooit eigenaar van de goederen geweest. Voor de goederen van Koop 1 tot en met Koop 4 is een zekerheidstelling betaald en de goederen van Koop 1 tot en met 3 zijn teruggegeven aan belanghebbende. Belanghebbende heeft de facturen voor de goederen van Koop 1 tot en met Koop 3 verstuurd nadat belanghebbende de goederen had teruggekregen na betaling van de zekerheidstelling. Voor Koop 4 voert de inspecteur aan dat het niet alleen om goederen van de mesttak gaat. Het is belanghebbende die het initiatief had genomen om de goederen aan [B.V. 3] te verkopen en niet het OM, zo heeft de officier van justitie verklaard. Uit de overeenkomst tot zekerstelling volgt dat [B.V. 3] de goederen van belanghebbende heeft gekocht. [B.V. 3] heeft als tegenprestatie de zekerheidstelling betaald. 11 voertuigen die deel uitmaken van Koop 4 zijn vóór het uitreiken van de factuur aan belanghebbende teruggegeven. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat belanghebbende de omzetbelasting is verschuldigd op de voet van artikel 37 Wet OB. De inspecteur betwist dat belanghebbende geen vergoeding heeft gevorderd van [B.V. 3] . Door niet direct na de verkopen over te gaan tot het uitreiken van creditfacturen, heeft belanghebbende het gevaar voor verlies van belastinginkomsten niet tijdig en volledig uitgeschakeld.

Op grond van artikel 37 van de Wet OB, welke bepaling moet worden uitgelegd in het licht van artikel 203 van de Btw-richtlijn, is de opsteller van een factuur de daarop vermelde btw verschuldigd, zelfs wanneer een belastbare handeling ontbreekt (zie: HvJ 13 maart 2014, C107/13, FIRIN OOD, ECLI:EU:C:2014:151, punt 54, HvJ 11 april 2013, C-138/12, Rusedespred OOD, ECLI:EU:C:2013:233, punt 23, en HvJ 18 juni 2009, C-566/07, Stadeco, ECLI:EU:C:2009:380, punt 26). Onder factuur moet worden verstaan elk bescheid waarin van een ander betaling wordt gevorderd. Wanneer een belastingplichtige met een dergelijke factuur ten onrechte mede of uitsluitend de betaling van een als ‘btw’ aangeduid bedrag opeist van een ander, niet zijnde een particulier-eindgebruiker, wordt hij dit bedrag op de voet van artikel 37 van de Wet OB verschuldigd (HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:356, r.o. 2.3.2).

Voor het geval een belastbare handeling zou ontbreken, is belanghebbende de op de facturen vermelde btw verschuldigd geworden op grond van artikel 37 van de Wet OB. Deze verschuldigdheid lijdt uitzondering wanneer de opsteller van de factuur het gevaar voor verlies van belastinginkomsten volledig heeft uitgeschakeld (HvJ 19 september 2000, C-454/98, Schmeink & Cofreth en Strobel, ECLI:EU:C:2000:469). Dat daarvan sprake is, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Hierbij merkt het hof op dat zeer aannemelijk is dat de belastingplichtige afnemer ( [B.V. 3] ) de facturen heeft gebruikt om de btw in aftrek te brengen. Het tegendeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

Ten overvloede behandelt het hof hierna de andere standpunten van partijen.

Het hof leidt uit de gedingstukken niet af dat het OM de goederen aan [B.V. 3] heeft verkocht. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende tot de overdracht aan [B.V. 3] eigenaar is gebleven van de goederen. Dat de juridische eigendom waardeloos was, zoals belanghebbende bepleit, acht het hof niet aannemelijk. Het tegendeel blijkt namelijk uit de financiële afspraken die rond de vier transacties zijn gemaakt. De afgesproken vergoedingen hebben gediend ter aflossing van de vorderingen van de pandhouder, de Rabobank, en tot het stellen van zekerheid ten behoeve van de Staat. Tijdens het boekenonderzoek heeft de inspecteur geconstateerd dat de aflossing van de schuld en een vordering op het OM in de conceptjaarstukken van belanghebbende waren opgenomen (pagina 5 van het controlerapport). De financiële afwikkeling is belanghebbende wel degelijk ten goede gekomen, anders dan zij betoogt.

In de overeenkomst tot zekerheidstelling voor Koop 4 staat dat [B.V. 3] de voertuigen van belanghebbende koopt (preambule onder (c)). Dat in de overeenkomst zekerheidstelling staat dat het OM de goederen feitelijk overdraagt aan [B.V. 3] , is betekenisloos. Een feitelijke overdracht is iets anders dan een juridische overdracht dan wel een btw-levering. Deze opmerking houdt niet in dat het OM de beschikkingsmacht over de goederen heeft bezeten en deze heeft overgedragen aan [B.V. 3] . In de overeenkomst tot zekerheidstelling van Koop 4 staat bovendien dat de feitelijke overdracht op instructie van belanghebbende geschiedt.

In de stukken van Koop 1, 2 en 3 is evenmin een aanwijzing te vinden dat het OM de verkoper is en niet belanghebbende. Dat het OM voornemens was een deel van de in beslag genomen voertuigen te verkopen, zegt niets over de uiteindelijke verkoop. In de brieven van het OM staat immers ook dat belanghebbende zekerheid kan stellen en dan de in beslag genomen goederen kan terugkrijgen.

De advocaat van belanghebbende heeft het OM op het spoor van [B.V. 3] gezet. Zoals hiervoor vermeld, was belanghebbende de eigenaar. Zij had de beschikkingsmacht over de goederen en kon deze verkopen aan [B.V. 3] . In de reactie op het conceptcontrolerapport merkt de gemachtigde op dat het OM de laatste voertuigen op 7 september 2018 heeft vrijgegeven (2.5). Het is aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van de vier transacties vrijelijk over de voertuigen kon beschikken. Belanghebbende heeft de afstandsverklaring nooit ondertekend.

Belanghebbende stelt zich voor Koop 4 op het standpunt dat sprake is van een overdracht van een algemeenheid van goederen, die op de voet van artikel 37d Wet OB niet aan omzetbelasting is onderworpen. Belanghebbende heeft moeten stoppen met de mesttransporten. [B.V. 3] heeft de voertuigen gekocht en verhuurd aan [B.V. 4] , die speciaal hiervoor is opgericht. De zustermaatschappij heeft de contracten en het personeel aan [B.V. 4] overgedragen. Tussen de betrokken vennootschappen is afgesproken dat [B.V. 4] de mesttransporten van belanghebbende zou overnemen. Belanghebbende beroept zich in dit verband op gewekt vertrouwen, omdat de inspecteur op 11 december 2020 in de voorgenomen uitspraak op bezwaar had medegedeeld dat hij dit standpunt van belanghebbende deelde. De inspecteur heeft, door voor het doen van deze uitlating zijn systeem niet te controleren, gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De inspecteur betwist dat Koop 4 als een overdracht van een algemeenheid van goederen kwalificeert. Belanghebbende heeft enkel voertuigen (machines en installaties) aan [B.V. 3] geleverd. Hiermee kan geen autonome economische activiteit worden uitgeoefend. [B.V. 3] is een nieuwe huurovereenkomst aangegaan met de huurder en heeft de activiteit van belanghebbende niet voortgezet. De inspecteur betwist dat het mestmateriaal is verkocht aan [B.V. 3] en dat de zustermaatschappij het personeel heeft overgedragen aan de huurder van de goederen, die de daadwerkelijke mesttransporten heeft voortgezet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, omdat de inspecteur op basis van informatie van belanghebbende had aangenomen dat het personeel in dienst was bij belanghebbende. Dit bleek later niet te kloppen. De inspecteur geeft toe dat hij dit beter had kunnen controleren voor hij de brief van 11 december 2020 verstuurde, maar dit is geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende heeft de inspecteur onjuist en onvolledig ingelicht.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat Koop 4 kwalificeert als de overdracht van een algemeenheid van goederen. De inventarislijst van [B.V. 3] (bijlage 1 bij het verweerschrift eerste aanleg) bevat een opsomming van de goederen die [B.V. 3] van belanghebbende heeft gekocht. Deze lijst belichaamt naar het oordeel van het hof een verzameling goederen (machines en installaties) (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1787). Dat met deze verzameling een autonome economische activiteit wordt dan wel kan worden voortgezet, is niet aannemelijk gemaakt. Het personeel is niet in dienst geweest bij belanghebbende, maar bij de zustervennootschap. Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende de contracten voor de verhuur van de goederen heeft overgedragen aan [B.V. 3] en dat [B.V. 3] deze heeft voortgezet. Dat alle goederen van de mesttak via Koop 4 aan [B.V. 3] zijn overgedragen, blijkt evenmin uit de genoemde lijst. In het kader van Koop 2 zijn kennelijk ook mestgerelateerde voertuigen verkocht, de Tebbe mestverspreider en de Veenhuis drijfmestton. Dat uiteindelijk alle voor de mesttransporten gebruikte bedrijfsmiddelen aan [B.V. 3] zijn overgedragen, is onduidelijk gebleven, nog daargelaten dat niet langer in geschil is dat Koop 1, 2 en 3 zijn vernietigd en de desbetreffende goederen zijn teruggekeerd in de beschikkingsmacht van belanghebbende. Dat de inspecteur in zijn brief van 11 december 2020 nog een ander standpunt innam, kan belanghebbende niet baten. Zij heeft, door de inspecteur mee te delen dat zij alle benodigde personeel aan [B.V. 3] had overgedragen, onjuiste informatie verstrekt. Een belastingplichtige kan geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan uitlatingen die zijn gedaan op basis van door of namens hem verstrekte onjuiste of onvolledige informatie. De inspecteur mag erop vertrouwen dat een belastingplichtige hem de juiste en alle relevante informatie verstrekt en is dus niet verplicht om alles (direct) te controleren. Dit betekent dat ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt. Het hof wijst het beroep op artikel 37d Wet OB af.

Belanghebbende stelt zich voor Koop 1, 2 en 3 op het standpunt dat deze zijn vernietigd. Deze vernietiging werkt volgens het BW terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Artikel 29 Wet OB is niet van toepassing bij de vernietiging van een overeenkomst. De naheffingsaanslag, maar ook de vergrijpboete dient te worden verminderd. Het is niet terecht dat de vergrijpboete slechts is verminderd voor de vernietiging van Koop 1.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vernietiging van de overeenkomst onder artikel 29, lid 1, Wet OB valt en dat het recht op teruggaaf van de voldane omzetbelasting ontstaat op het moment dat de vernietiging komt vast te staan. Dit moment is gelegen buiten het onderhavige tijdvak.

Het Hof volgt het standpunt van de inspecteur in dezen. De vernietiging van de overeenkomst staat niet letterlijk in artikel 29 Wet OB, maar wordt daar wel bedoeld. Indien belanghebbende gelijk zou hebben, zou iedere wettelijke basis aan teruggaaf van omzetbelasting ingeval van vernietiging van een overeenkomst ontbreken. Het burgerlijke recht van de desbetreffende lidstaat is niet relevant bij de uitlegging van de Btw-richtlijn, dus het Nederlandse recht is niet bepalend voor de uitlegging van de Wet OB. Belanghebbende kan in het onderhavige tijdvak geen beroep doen op artikel 29 Wet OB om te bewerkstelligen dat de naheffingsaanslag wordt verminderd.

Belanghebbende voert aan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Genius Holding (ECLI:EU:C:1989:635) heeft geoordeeld dat geen recht op aftrek bestaat als er geen leveringen of diensten zijn verricht. Belanghebbende heeft geen leveringen van goederen of diensten verricht. Dit betekent dat [B.V. 3] de omzetbelasting niet in aftrek mocht brengen. Belanghebbende heeft de conceptfacturen te goeder trouw opgesteld, zodat zij in de gelegenheid moet worden gesteld om deze te herzien. Ook dit arrest staaft dat de inspecteur geen naheffingsaanslag aan belanghebbende mocht opleggen.

Zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld, heeft belanghebbende de leveringen zelf verricht. Herziening van facturen waarop ten onrechte omzetbelasting is vermeld is pas mogelijk zodra alle voorwaarden zijn vervuld. Deze voorwaarden, zoals het opstellen van creditfacturen en het volledig uitschakelen van het – in 2018 daadwerkelijk opgetreden –gevaar van verlies van belastinginkomsten, zijn niet in het onderhavige tijdvak vervuld.

De rechtbank heeft volgens belanghebbende haar motiveringsplicht geschonden. Belanghebbende concludeert dat de rechtbank haar beroepschrift niet of heel slecht heeft gelezen. Dit moet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

Het hof verwerpt ook dit standpunt. De uitspraak is voldoende gemotiveerd. Dat belanghebbende graag een andere motivering en dus een andere uitspraak had gezien, maakt niet dat de motivering tekortschiet. Bovendien kan het hof de motivering in hoger beroep aanvullen.

Is de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd dan wel verminderd, zoals zij hiervoor heeft toegelicht. Dit betekent dat ook de belastingrente dienovereenkomstig (tot nihil) dient te worden verminderd. Ook is sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5401, r.o. 3.4.4. De suppletieaangifte is in april 2019 aan de Inspecteur verstrekt, terwijl deze de naheffingsaanslag pas op 28 december 2019 heeft opgelegd. Belanghebbende heeft hierdoor onnodig een rentenadeel geleden. Belanghebbende verwijst in dit verband voorts naar de rentestop van artikel 30fc, lid 5, dan wel artikel 30h, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de rente is berekend overeenkomstig de wettelijke bepalingen. De rentestop is niet van toepassing op naheffingsaanslagen omzetbelasting. Ten overvloede merkt de inspecteur dat van een ‘gedaan verzoek’ geen sprake is, aangezien er geen suppletieaangifte is gedaan. Van een geleden rentenadeel is volgens de inspecteur ook geen sprake.

Het hof stelt vast dat de belastingrente is berekend in overeenstemming met de wettelijke regeling. Het beroep dat belanghebbende doet op het arrest van 11 mei 2012 faalt. Er is geen sprake van een bijzondere situatie of samenloop waardoor belanghebbende een (extra) rentenadeel lijdt. Verder is niet gebleken dat de inspecteur onredelijk lang heeft gewacht met het opleggen van de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft veel tijd gevraagd en gekregen om te reageren op het controlerapport en op het voornemen om de naheffingsaanslag en de vergrijpboete op te leggen. Voorts heeft de inspecteur het nodige onderzoek verricht naar de vermiste suppletieaangifte en navraag gedaan bij het OM. De naheffingsaanslag is binnen zes maanden na het einde van het boekenonderzoek opgelegd.

Is de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

Het hof stelt voorop dat de bewijslast dat de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, op de inspecteur rust. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Het hof zal hierna eerst de standpunten van partijen benoemen en vervolgens deze standpunten beoordelen. Het hof begint met de inspecteur, die zoals eerder overwogen de bewijslast heeft.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen vrijwillige verbetering heeft gedaan. Belanghebbende heeft verklaard de aankondiging van het boekenonderzoek op 8 april 2019 te hebben ontvangen. Zij kon tot en met 7 april 2019 een suppletieaangifte indienen. De inspecteur betwist dat de suppletieaangifte op 11 april 2019 is ingediend. De belastingdienst heeft niets ontvangen. De verklaring van [boekhouder] is niet voldoende. Dat belanghebbende uit de aankondiging niet kon afleiden dat de inspecteur bekend was met de onjuistheden, is niet relevant. Tijdens het boekenonderzoek zou de inspecteur bekend kunnen raken met de onjuistheden. Dat belanghebbende de kwestie kort voor de aankondiging met haar adviseur heeft besproken en heeft besloten de suppletieaangifte in te dienen, is een aanwijzing dat belanghebbende zich wel degelijk bewust was van het probleem. De onderhavige facturen behoren wel degelijk tot de administratie van belanghebbende. Op deze facturen is op geen enkele manier melding gemaakt dat zij slechts pro forma of conceptfacturen zouden zijn.

De inspecteur verwijt belanghebbende grove schuld. Belanghebbende heeft de facturen niet in haar administratie opgenomen. Belanghebbende heeft verklaard dat zij door de inbeslagname en overdracht van de voertuigen het overzicht kwijt was. Dit betekent volgens de inspecteur niet dat belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt. Zij had juist in deze situatie advies moeten inwinnen bij de adviseur. Door dit niet te doen, is belanghebbende ernstig tekortgeschoten in de samenwerking met de adviseur. Dat de omzetbelasting niet is voldaan, is belanghebbende aan te rekenen. Belanghebbende had moeten weten dat de vermelde omzetbelasting voldaan moest worden. De inspecteur heeft hiermee overtuigend aangetoond dat sprake is van aan opzet grenzende grove onachtzaamheid. De inspecteur acht een vergrijpboete van 25% passend en geboden.

Er is geen sprake van een pleitbaar standpunt. Ten aanzien van artikel 37 Wet OB heeft belanghebbende geen jurisprudentie aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat dit standpunt pleitbaar is. Ten aanzien van het beroep artikel 37d Wet OB is evenmin sprake van een pleitbaar standpunt. Gelet op alle relevante feiten en omstandigheden vindt het standpunt van belanghebbende geen steun in het recht. Artikel 37 Wet OB verzet zich ook tegen het aannemen van een pleitbaar standpunt.

De boete voor Koop 1 is vernietigd uit coulance, nadat was gebleken dat Koop 1 was vernietigd en [B.V. 3] de vergoeding had terugbetaald aan belanghebbende en de creditfactuur had verwerkt in haar aangifte. Ter zitting van het hof heeft de inspecteur aangegeven dat de boete ook ten aanzien van Koop 2 en 3 dient te vervallen.

Belanghebbende voert aan dat de inspecteur tijdens de zitting van de rechtbank niet kon aangeven op welke grondslag de boete was opgelegd. Dit is onbehoorlijk. Belanghebbende heeft tijdens de zitting aangegeven dat niet is voldaan aan de vereisten in het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022. In het boeterapport staat ook dat belanghebbende door de chaos na de inval niet wist hoe zij de transacties administratief moest verwerken. Belanghebbende had niet de bedoeling om facturen met btw uit te reiken aan [B.V. 3] . Laatstgenoemde had documenten nodig om de voertuigen te verzekeren. Het was belanghebbende niet bekend en kon haar niet bekend zijn dat [B.V. 3] de conceptfacturen zou gebruiken om btw terug te vragen. Nadat belanghebbende in maart 2019 op de omissies was gewezen, is zij direct hiermee aan de slag gegaan. Belanghebbende verwijst naar de verklaring van [boekhouder] .

Belanghebbende wijst op de tekst van artikel 37 Wet OB, waarin staat dat onder factuur wordt verstaan elk bescheid waarin van een ander betaling wordt gevorderd. Belanghebbende heeft geen betaling ontvangen. Artikel 37 Wet OB mist toepassing. Belanghebbende heeft een pleitbaar standpunt.

Belanghebbende betwist dat sprake is van grove schuld. Op het moment dat de aangifte werd gedaan, wist zij niet dat [B.V. 3] de conceptfacturen zou gebruiken om de btw terug te vragen.

Voor Koop 4 is sprake van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft het materieel benodigd voor het mesttransport overgedragen, en de zustermaatschappij de voor het transport benodigde personeel. In samenhang bezien is sprake van overdracht van een algemeenheid van goederen en diensten.

Er is sprake van een vrijwillige verbetering. De boekhouder, [boekhouder] , heeft de suppletieaangifte op 11 april 2019 ingediend. Dat dit niet in het systeem van de belastingdienst staat, ligt aan het systeem van de belastingdienst en niet aan belanghebbende. Op 18 april 2019 is een kopie verstrekt. De brieven van de inspecteur illustreren dat het vaker fout gaat bij de belastingdienst. Van een gelieerd bedrijf is ook een suppletieaangifte zoekgeraakt bij de belastingdienst. Nooit is kenbaar gemaakt dat een suppletieaangifte alleen digitaal kan worden ingediend. [boekhouder] heeft verklaard dat hij alleen op donderdagen op kantoor bij belanghebbende werkte en op 11 april 2019 de suppletieaangifte heeft voorbereid en later verzonden. Hij heeft ook verklaard dat dit al in maart was besproken en dat was afgestemd dat de suppletieaangifte kort daarna zou worden ingediend. Op 11 april 2019 vermoedde belanghebbende niet dat de inspecteur met de conceptfacturen bekend zou raken en dat hoefde zij ook niet te vermoeden. Uit de brief waarin het boekenonderzoek werd aangekondigd, kon belanghebbende niet afleiden dat het onderzoek slechts zou zijn gericht op de vier conceptfacturen. De normale termijn voor een suppletieaangifte is twee jaar. Binnen die termijn is de suppletieaangifte ingediend. Bovendien behoren de vier conceptfacturen niet tot de boekhouding van belanghebbende, omdat belanghebbende de voertuigen niet heeft verkocht en de vergoeding niet heeft ontvangen en omdat de conceptfacturen slechts zijn opgesteld om [B.V. 3] in staat te stellen de voertuigen te verzekeren.

Indien sprake is van een omzetbelastingschuld, is sprake van een balansschuld. De omzetbelasting was al opgenomen op de balans in de conceptjaarstukken, die in maart 2019 gereed waren. Het enkele feit dat een belastingplichtige geen aangifte doet van een balansschuld, kan niet leiden tot een vergrijpboete (hof Amsterdam 25 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2020:BM0724 en hof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5544).

De inspecteur heeft niet onderzocht of er omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een lagere boete. Een vergrijpboete wegens grove schuld van 25% is disproportioneel; belanghebbende verwijst naar hetgeen hiervoor is opgemerkt. Belanghebbende heeft geen voordeel gehad van de transacties, zoals zij hiervoor al heeft toegelicht.

In paragraaf 5, lid 1, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is bepaald dat van een vrijwillige verbetering sprake is als belanghebbende voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. In het tweede lid van paragraaf 5 van het BBBB is bepaald dat van uitdrukkelijk kenbaar maken sprake is indien belanghebbende een afzonderlijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van vrijwillige verbetering. Van een vrijwillige verbetering is slechts sprake indien de belastingplichtige de suppletieaangifte indient voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend zal worden met de belastingschuld. Zelfs indien het hof uitgaat van indiening van de suppletieaangifte op 11 april 2019, is de suppletieaangifte ingediend nadat dit weten of redelijke vermoeden bij belanghebbende is opgekomen. De inspecteur heeft de controle immers vóór deze datum aangekondigd. Kort vóór of op deze datum wist belanghebbende – of kon zij weten – dat de inspecteur door de controle op de hoogte kon of zou raken van de facturen en de daarop vermelde omzetbelasting. Dat de boekhouder geen wetenschap had van de aankondiging van de controle, is niet relevant. Het gaat om de wetenschap van belanghebbende of wat belanghebbende redelijkerwijs moest vermoeden. Hetgeen belanghebbende verder heeft verklaard over de gang van zaken rond het opstellen van de suppletieaangifte en de rol van de boekhouder hierin kan buiten beschouwing blijven.

De inspecteur verwijt belanghebbende grove schuld, en het hof acht grove schuld bewezen. Belanghebbende heeft een aanzienlijk bedrag in rekening gebracht in verband met Koop 4, en zelf omzetbelasting op de factuur vermeld. Op de factuur staat niets waaruit is af te leiden dat het [B.V. 3] duidelijk was dat geen omzetbelasting in aftrek mocht worden gebracht of dat het om een conceptfactuur zou gaan. Van belanghebbende, een ervaren ondernemer, mag zorgvuldigheid worden verwacht bij het vervullen van haar fiscale verplichtingen. Belanghebbende heeft verklaard niet te hebben geweten wat ze met die factuur aan moest, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder zij Koop 4 sloot. Belanghebbende had op dat moment advies moeten inwinnen en niet pas nadat de boekhouder op de hoogte raakte van het bestaan van de factuur en van de facturen voor Koop 1, 2 en 3. Hoewel de laatstgenoemde facturen geen deel meer uitmaken van de boetegrondslag, ziet het hof hierin wel een patroon van het vermelden van omzetbelasting op een factuur gevolgd door nietsdoen. Het uitreiken van een factuur, in combinatie met het niet verwerken van de factuur in haar administratie, levert een aan opzet grenzende verwijtbaarheid op. Zeker het fiscale belang van de factuur van Koop 4 had belanghebbende, gelet op het hoge bedrag, niet mogen ontgaan. Er is evenmin sprake van een pleitbaar standpunt. De overdracht van een verzameling aan materieel is geen overdracht van een algemeenheid van goederen, ook niet in combinatie met de overdracht van personeel door de zustermaatschappij aan een met de kopende partij verbonden rechtspersoon. Overigens heeft belanghebbende onvoldoende gesteld om de houdbaarheid van dit standpunt te onderbouwen (zie 4.5). Belanghebbende heeft dit standpunt te gemakkelijk ingenomen, zonder goed naar de relevante feiten en de jurisprudentie te kijken. De boete blijft in beginsel in stand voor zover deze is opgelegd ten aanzien van Koop 4.

Het standpunt over de balansschuld kan belanghebbende niet baten. De desbetreffende jaarstukken zijn pas na aanvang van het boekenonderzoek in concept gereed geworden, namelijk op 4 juni 2019.

Anders dan belanghebbende betoogt, is geen sprake van verzachtende omstandigheden. Het hof heeft begrip voor de bijzondere situatie van [naam 1] , de bestuurder, maar belanghebbende is een rechtspersoon en had maatregelen moeten treffen om te verzekeren dat zij aan haar verplichtingen kon blijven voldoen. Dat heeft zij voor de omzetbelasting onvoldoende gedaan. Anders dan zij bepleit, heeft belanghebbende wel voordeel gehad van de transacties, aangezien de vordering van de Rabobank is afgelost en aan belanghebbende het overschot van de vergoeding na verrekening van een eventuele ontnemingsvordering zou toekomen. Het hof ziet geen aanleiding om de boete te verminderen vanwege de bijzondere omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd. Het hof acht de boete zoals deze hierna zal worden verminderd (4.17.6) gelet op alle omstandigheden passend en geboden.

De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de boete kan vervallen voor zover deze ziet op Koop 2 en 3. Het hof zal de boete dienovereenkomstig verminderen. Verder zal het hof de vermindering van 20% die de rechtbank heeft toegepast, toepassen op de aldus verminderde boete. Voor een verdere verlaging van de boete ziet het hof geen aanleiding, gelet op hetgeen is overwogen over de verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Bovendien heeft het proces in zijn totaliteit ook lang geduurd door de verzoeken om uitstel en de lange termijnen die belanghebbende heeft gevraagd – en gekregen – om zijn standpunten te formuleren en te onderbouwen. Het hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn fors is overschreden.

Is de beslissing van de rechtbank over de overschrijding van de redelijke termijn voor de boete juist?

Met de beslissing over de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn voor de boete is belanghebbende het ook niet eens. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat iets meer dan vijf jaren waren verstreken sinds de aanvang van de redelijke termijn. De boete is echter slechts met 20% gematigd. Aangezien de boete vernietigd had moeten worden, heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 3.500, te verdelen tussen de inspecteur en de Staat. De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende.

Belanghebbende stelt in wezen dat zij recht heeft op een extra schadevergoeding van € 3.500 omdat de boete vernietigd dient te worden en zij in plaats daarvan recht heeft op deze vergoeding. Aangezien de boete deels in stand blijft, heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van immateriële schade voor zover het de spanning en frustratie rond de boete betreft.

Heeft de rechtbank de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase juist vastgesteld?

De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag vastgesteld. Uitgegaan dient te worden van het normale tarief en niet van het lagere, discriminatoire tarief. Bovendien dient de wegingsfactor 2 te worden gehanteerd voor het gewicht van de zaak. Het is een ingewikkelde zaak waarin veel stukken zijn gewisseld. Voor de schriftelijke reactie na het hoorgesprek had 0,5 punt moeten worden toegekend, omdat de reactie kwalificeert als een nader hoorgesprek.

De inspecteur is het eens met belanghebbende dat het verkeerde tarief per procespunt is toegekend. De overige standpunten van belanghebbende betwist de inspecteur.

Belanghebbende stelt zich terecht op het standpunt dat de rechtbank een onjuist bedrag per procespunt heeft toegepast (HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060). Het hof zal dit herstellen. Belanghebbende heeft alsnog recht op een vergoeding van € 1.332 voor de bezwaarfase (2 punten x € 666 x wegingsfactor 1). Het hof ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding, omdat een aanvulling op een bezwaarschrift niet is gelijk te stellen aan een (nader) hoorgesprek. Partijen hebben hierover ook geen afspraken gemaakt. Ook is het gewicht van de zaak gemiddeld en niet (zeer) zwaar. Dat belanghebbende de zaak als zwaar en ingewikkeld heeft ervaren, is vervelend, maar niet doorslaggevend.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep

Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in hoger beroep.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hogerberoepschrift door het hof is ontvangen (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252)

Het hof stelt vast dat het hogerberoepschrift is ingekomen op 1 september 2024. Het hof doet binnen twee jaar na die datum uitspraak, zodat de redelijke termijn voor beslechting van het geschil in hoger beroep niet is overschreden.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is verklaard.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep bij het hof, omdat het hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze vergoeding vast op € 3.736 (4 punten x € 934 x wegingsfactor 1). Verder heeft belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten voor de bezwaarfase (zie 4.21). Samen levert dit een proceskostenvergoeding op van € 5.068.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door A. van Dongen, L.D.M. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van R. Wijkstra, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.

De griffier, De voorzitter,

R. Wijkstra A. van Dongen

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082703 FutD 2026-1531 NLF 2026/1772 V-N Vandaag 2026/1781
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand