GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1560
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 september 2024, nummer BRE 23/2707, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2011 opgelegd. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak (hierna: de eerdere uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de eerdere uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de inspecteur.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank (hierna: de eerdere uitspraak van de rechtbank) hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof heeft het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan naar aanleiding van de terugwijzing door de rechtbank. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
[gemachtigde] , gemachtigde van belanghebbende, is via Microsoft Teams met een geluidverbinding verschenen.
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24/1559.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende is in gemeenschap van goederen gehuwd met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). Zij kwalificeren als fiscaal partners.
Belanghebbende en de echtgenoot hielden tezamen 55% van de aandelen in de vennootschap [A BV] . In juni 2011 hebben zij 50/55-deel van hun aandelenbelang vervreemd.
Het vervreemdingsvoordeel is aanvankelijk volledig als inkomen uit aanmerkelijk
belang bij de echtgenoot belast.
De echtgenoot heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 en heeft een verzoek om ambtshalve vermindering van voornoemde aanslag ingediend. De inspecteur heeft het bezwaar en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Hiertegen heeft de echtgenoot rechtsmiddelen aangewend. De Hoge Raad heeft uiteindelijk de beroepen in cassatie ongegrond verklaard en voornoemde aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 in stand gelaten.
De inspecteur heeft met betrekking tot de vervreemding van de aandelen een beschikking verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.36 Wet IB 2001 aan de echtgenoot afgegeven. De echtgenoot heeft tegen deze beschikking rechtsmiddelen aangewend. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de echtgenoot ongegrond verklaard.
2..6 . Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad (zie 2.4 en 2.5) hebben belanghebbende en de echtgenoot gezamenlijk verzocht om wijziging van de verdeling
van het inkomen uit aanmerkelijk belang in verband met het vervreemdingsvoordeel op
grond van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 (hierna: het verzoek om keuzeherziening).
Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het vervreemdingsvoordeel bij ieder van hen voor 50% in aanmerking te nemen.
De inspecteur heeft het verzoek om keuzeherziening overeenkomstig het verzoek
van belanghebbende en de echtgenoot ingewilligd. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag IB/PVV 2011 opgelegd.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Is het hoger beroep ontvankelijk;
en zo ja, is de navorderingsaanslag naar het juiste bedrag opgelegd?
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert primair tot een niet-ontvankelijk hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De inspecteur stelt dat belanghebbende ondanks de herinneringen van het hof het hoger beroep niet heeft gemotiveerd, dat er geen feiten en omstandigheden zijn die dit verzuim verschoonbaar maken en dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is.
Belanghebbende stelt dat hij van het hof geen redelijke termijn heeft gekregen om de gronden van zijn hoger beroep aan te vullen. De gemachtigde van belanghebbende geeft aan dat hij de “herstelbrief” uiteindelijk wel in Portugal heeft ontvangen maar er niet op heeft kunnen antwoorden omdat hij in die periode veel ademnood had en nauwelijks uit bed kon komen. De gemachtigde geeft aan dat zijn saturatie 88 was en hij meer bezig was met proberen de saturatie te verhogen dan aan de onderhavige zaak te denken. Als er al sprake zou zijn van een motiveringsverzuim dan betoogt belanghebbende dat de inspecteur daardoor niet in zijn procesbelang is geschaad omdat hij al vanaf 2012 bij het dossier betrokken is en over het vervreemdingsvoordeel al tot aan de Hoge Raad geprocedeerd is door de echtgenoot. Hij stelt dat ook het hof het dossier kent omdat het hoger beroep van de echtgenoot dat gezamenlijk met het hoger beroep van belanghebbende op de zitting wordt behandeld feitelijk over dezelfde kwestie gaat en wel met stukken onderbouwd is. Belanghebbende verzoekt het hof om het eventuele motiveringsgebrek te passeren op grond van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of om tussenuitspraak op grond van artikel 8:51a Awb te doen en hem een termijn te stellen om het eventuele motiveringsgebrek te herstellen.
Belanghebbende heeft op 15 oktober 2024 pro forma hoger beroep ingesteld. Het hof heeft belanghebbendes gemachtigde per brief van 23 oktober 2024 erop gewezen dat het hoger beroep niet voldeed aan de wettelijke vereisten omdat onder andere de gronden van het hoger beroep ontbraken. Daarbij heeft het hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 20 november 2024 de gronden aan te vullen. Bij brief van 25 november 2024 heeft het hof belanghebbendes gemachtigde erop gewezen dat de gronden nog niet waren aangevuld en hem nogmaals in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 9 december 2024 de gronden aan te vullen. Deze brief vermeldt dat als belanghebbende van deze mogelijkheid geen gebruik maakt het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Het hof constateert dat het door belanghebbende ingediende pro forma beroep geen enkele motivering bevat en belanghebbende ondanks de herinneringen van het hof de gronden niet heeft aangevuld. Het hoger beroep voldoet dan ook niet aan de minimumvereisten die de wet daaraan stelt. Dit wordt niet anders door het feit dat het (gezamenlijk met de zaak van belanghebbende op de zitting behandelde) hoger beroep van de echtgenoot wel gemotiveerd is en de inspecteur en het hof de eventuele gronden voor het hoger beroep van belanghebbende mogelijkerwijs zelf zouden kunnen bedenken. Belanghebbende had in haar eigen zaak moeten aangeven waarom zij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank. Ook het betoog van belanghebbendes gemachtigde dat hij ernstige gezondheidsklachten had in de periode dat hij de uitnodiging tot herstel van het verzuim ontving en daarom redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gronden van het beroep van belanghebbende tijdig aan te vullen, kan belanghebbende niet baten. Ten eerste heeft belanghebbende zijn stelling niet onderbouwd en ten tweede mag van een professionele procesvertegenwoordiger zoals gemachtigde verwacht worden dat hij bij langdurige ziekte maatregelen treft om ervoor te zorgen dat termijnen in procedures waarin hij optreedt, worden bewaakt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende vanaf het moment dat hij voor het eerst door het hof is gevraagd om zijn hoger beroep te motiveren tot aan het verstrijken van de tweede door het hof gestelde termijn bijna zeven weken de tijd heeft gehad om het verzuim te herstellen, om nader uitstel te vragen of om voor vervanging te zorgen. Het hof ziet geen aanleiding om belanghebbende een nadere termijn te geven om het verzuim alsnog te herstellen. Het hof zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Aan behandeling van de vraag of de navorderingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd komt het hof daarom niet toe.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, J.M. van der Vegt en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.