ECLI:NL:GHSHE:2026:1853

ECLI:NL:GHSHE:2026:1853

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 15-07-2026
Zaaknummer 24/1806
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:7667

Samenvatting

67a AWR. De verzuimboete voor het niet doen van aangifte is terecht opgelegd. Het niet ontvangen van de aanmaning tot het doen van aangifte komt voor rekening en risico van belanghebbende, nu hij wetende dat hij gedurende langere tijd regelmatig aan hem verzonden poststukken niet ontvangt, geen verdere actie heeft ondernomen om bereikbaar te zijn voor de ontvangst van poststukken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: SHE 24/1806

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 november 2024, nummer BRE 23/9744, in het geding tussen de inspecteur en

[belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Duitsland),

hierna: belanghebbende.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 opgelegd en bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete opgelegd van € 369 (hierna: de verzuimboete) en belastingrente in rekening gebracht van € 1.150 (hierna: de beschikking belastingrente).

Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2016 ingediend en pro-forma bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve aanslag IB/PVV 2016. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden. De inspecteur heeft het geschrift van belanghebbende opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit in dezelfde uitspraak op bezwaar afgewezen.

Belanghebbende heeft opnieuw een aangifte IB/PVV 2016 ingediend en gelijktijdig wederom een bezwaarschrift ingediend tegen de ambtshalve aanslag IB/PVV 2016. De inspecteur heeft het geschrift wederom aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2016 ambtshalve verminderd en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur heeft de verzuimboete gehandhaafd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing op het tweede verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond welke ziet op de uitspraak op bezwaar over de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar over de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016;

- vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 875;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.”

De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft op 24 maart 2026 een nader stuk ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, zijn gemachtigde [gemachtigde] , en tot bijstand [naam] , en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2. Feiten

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief met dagtekening 28 februari 2017 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2016.

Met dagtekening 29 september 2017 heeft de inspecteur aan belanghebbende een herinneringsbrief gestuurd voor het doen van de aangifte IB/PVV 2016. De brief vermeldt het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] (Duitsland).

Met dagtekening 5 februari 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanmaningsbrief gestuurd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2016. De brief vermeldt het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] (Duitsland). In de aanmaningsbrief heeft de inspecteur belanghebbende aangemaand om uiterlijk 26 februari 2019 aangifte IB/PVV 2016 te doen.

Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2016 gedaan. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2016 ambtshalve vastgesteld en daarbij de verzuimboete opgelegd en de beschikking belastingrente gegeven.

Volgens het systeem van de Belastingdienst (Beheer van Relaties; BvR) woonde belanghebbende in de periode van 8 februari 2008 tot heden op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] (Duitsland).

De inspecteur heeft ter zake van de verzending van de uitnodigings-, herinnerings- en aanmaningsbrief tot het doen van aangifte IB/PVV 2016 verzendrapportages ingediend. Uit deze rapportages blijkt dat alle brieven zijn verstuurd naar het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] (Duitsland) en ter verzending zijn aangeboden aan PostNL.

3. Geschil en conclusies van partijen

In geschil is of de rechtbank de boetebeschikking terecht heeft vernietigd.

De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin de verzuimboete is vernietigd.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ingevolge artikel 67a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan aan de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en die de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn heeft gedaan, een verzuimboete worden opgelegd.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de boetebeschikking ten onrechte heeft vernietigd. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende geen aangifte IB/PVV 2016 gedaan binnen de in de aanmaning tot het doen van de aangifte gestelde termijn. De inspecteur heeft ter zake van de verzending van de uitnodigings- herinnerings- en aanmaningsbrief tot het doen van aangifte IB/PVV 2016 verzendrapportages overgelegd. Uit deze rapportages blijkt dat de uitnodiging- herinnerings- en aanmaningsbrief respectievelijk op 27 februari 2017, 14 september 2017 en 25 januari 2018 ter verzending zijn aangeboden aan PostNL voor verzending aan het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] (Duitsland).

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd. Belanghebbende stelt dat hij de uitnodigings- herinnerings- en aanmaningsbrief tot het doen van aangifte niet heeft ontvangen op zijn adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] (Duitsland). Verder voert belanghebbende aan dat poststukken hem op zijn adres regelmatig niet bereiken en dat hij daarvan aangifte heeft gedaan bij de Duitse politie. Voorts wijst belanghebbende op het risico van het niet aangetekend versturen van poststukken. Ook noemt belanghebbende als voorbeeld van de slechte postbezorging dat de uitnodiging voor de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak, die overigens aangetekend is verstuurd, bij zijn buurvrouw is bezorgd.

Voor het opleggen van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden (HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1263, r.o. 3.2).

Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.2).

Deze strenge bewijsmaatstaf sluit de mogelijkheid niet uit dat voor de bewezenverklaring van feiten en omstandigheden gebruik wordt gemaakt van niet-ontzenuwde bewijsvermoedens die zijn gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden. Daarvoor is vereist dat de laatstbedoelde feiten en omstandigheden – voor zover daarover geschil bestaat – buiten redelijke twijfel vaststaan. Bovendien is daarvoor vereist dat het vermoeden redelijkerwijs uit die feiten en omstandigheden voortvloeit en het – behoudens contra-indicaties die het vermoeden ontzenuwen – niet anders kan zijn dan dat het vermoeden juist is (HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063, r.o. 5.3.2).

De ontvangst van de aanmaning dan wel de aanbieding daarvan op het adres van belanghebbende is, gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.4 een bestanddeel van het beboetbare feit van artikel 67a AWR.

Niet in geschil is dat het door de Inspecteur voor de verzending van de aanmaning gebruikte adres ( [adres] , [postcode] te [woonplaats] (Duitsland) het adres van belanghebbende is. Met de door de inspecteur ter zake van de verzending van de aanmaning overgelegde verzendrapportage is buiten redelijk twijfel vast komen te staan dat de aanmaning op 25 januari 2018 ter verzending is aangeboden aan PostNL voor verzending naar het adres van belanghebbende. Hieruit vloeit redelijkerwijs het vermoeden voort dat belanghebbende de aanmaning heeft ontvangen dan wel dat die op zijn adres is aangeboden. Belanghebbende heeft echter steeds gesteld dat de aanmaning, en overigens ook de uitnodiging en de herinnering tot het doen van aangifte, niet te hebben ontvangen. De inspecteur heeft dit niet weersproken. Het hof acht de consistente verklaringen van belanghebbende geloofwaardig, mede in het licht van de overige door hem geschetste feiten en omstandigheden ten aanzien van de onbetrouwbare postbezorging op zijn adres en de onweersproken verklaring van belanghebbende dat hij bij de Duitse politie aangifte heeft gedaan van het herhaaldelijk niet ontvangen van poststukken. Naar het oordeel van het Hof is het herhaaldelijk niet ontvangen van poststukken evenwel toerekenbaar aan belanghebbende. Zoals belanghebbende ter zitting heeft verklaard speelt dit niet ontvangen van poststukken al langere tijd. Gelet hierop mocht van belanghebbende worden verwacht dat hij maatregelen zou nemen om er voor zorg te dragen dat poststukken hem wel bereiken, bijvoorbeeld door een postbus als postadres in Duitsland te nemen. Nu belanghebbende ondanks zijn kennis dat hij regelmatig aan hem verzonden poststukken niet ontvangt, geen verdere actie heeft ondernomen om bereikbaar te zijn voor de ontvangst van poststukken, dient het niet ontvangen van de aanmaning voor zijn rekening en risico te komen. Gelet op een en ander is voldaan aan de voorwaarden van artikel 67a, lid 1, AWR. De verzuimboete is terecht opgelegd aan belanghebbende.

Voor het opleggen van een verzuimboete is geen opzet of grove schuld vereist. Alleen in het geval van afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd. Van avas is slechts sprake indien een belanghebbende alle zorg heeft betracht die in de gegeven omstandigheden van hem mag worden verwacht om het verzuim te voorkomen (HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184). Het beroep op avas kan niet slagen gelet op het feit dat belanghebbende geen maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat poststukken hem niet bereiken. Het hof is daarom van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat de boete vernietigd moet worden, omdat die gelet op de omstandigheden van het geval onevenredig is. Hij wijst er daarbij op dat er geen aanwijzingen zijn voor opzet of grove schuld en dat hij in later fasen wel medewerking heeft verleend en gegevens heeft aangeleverd. Voorts wijst hij op het feit dat hij langdurig in procedures is verwikkeld, mede door onjuiste en onvolledige vertegenwoordiging door de voormalige accountant, dat hij aanzienlijke kosten heeft moeten maken en dat de zaak reeds uitvoerig is behandeld.

Bij het opleggen van een boete op grond van artikel 67a AWR heeft de inspecteur een discretionaire bevoegdheid, die deze moet uitoefenen met inachtneming van geschreven en ongeschreven rechtsbeginselen, waarvan hier van belang is het in artikel 3:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel. Dat beginsel brengt mee dat de boete niet onevenredig mag zijn in verhouding tot de ernst van de gedraging op grond waarvan zij is opgelegd (HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS6581). De onderhavige boete is opgelegd ter zake van het niet doen van een aangifte IB/PVV binnen de daartoe door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. De verzuimboete is opgelegd naar het laagste bedrag voorzien in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Het hof is met inachtneming van de omstandigheden van het geval van oordeel dat de aldus opgelegde verzuimboete niet onevenredig is in verhouding tot de ernst van de gedraging. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het verzamelinkomen van belanghebbende € 56.211 bedraagt, hetgeen als absoluut getal en ten opzichte van de boete een aanzienlijk bedrag is. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de gedragingen van de (voormalige) adviseur voor rekening en risico van belanghebbende komen en dat het verlenen van medewerking aan het vaststellen van de juiste belastingschuld van iedere belastingplichtige verwacht wordt en daarom geen reden kan zijn om een minimale boete als de onderhavige te matigen. Voorts overweegt het hof dat opzet en grove schuld - wat daarvan in het onderhavige geval ook van zij - geen bestanddeel zijn van de hier aan de orde zijnde boete. Voor een vernietiging of matiging van de boetebeschikking op grond van het evenredigheidsbeginsel ziet het Hof daarom geen aanleiding.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door W. de Wit, voorzitter, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van T. van Hout, als griffier.

De griffier, De voorzitter,

T. van Hout W. de Wit

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 en de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082702 V-N Vandaag 2026/1772 FutD 2026-1526 NDFR Nieuws 2026/1330 NLF 2026/1782
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand