GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/781 tot en met 25/784
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] , te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 april 2025, nummers BRE 23/10923 tot en met BRE 23/10925 en BRE 23/11384, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de hiernavolgende aanslagen en naheffingsaanslagen opgelegd:
een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 van € 9.086 (de naheffingsaanslag OB 2018). Tevens is bij gelijktijdig gegeven beschikking € 1.404 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 3.180 (de vergrijpboete);
een naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 februari 2019 van € 906 (de naheffingsaanslag OB 2019). Tevens is bij gelijktijdig gegeven beschikking € 103 belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd van € 90 (de verzuimboete);
een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2018, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.009 (de aanslag IB/PVV 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 492 belastingrente in rekening gebracht;
een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) 2018 berekend naar een bijdrage-inkomen van € 54.614 (de aanslag ZVW 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 90 belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft in afzonderlijke geschriften bezwaar gemaakt tegen voormelde (naheffings)aanslagen en boete- en rentebeschikkingen. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de naheffingsaanslag OB 2018 en de naheffingsaanslag OB 2019 ongegrond verklaard en de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en ZVW gegrond verklaard. De aanslag IB/PVV 2018 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.121. De aanslag ZVW 2018 is verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 53.190. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de vergrijpboete verminderd tot € 3.021 en gelast dat het teveel betaalde griffierecht van € 134 in de zaak met nummer 23/11384 wordt teruggestort.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. Belanghebbende heeft op 12 mei 2025, 23 juli 2025, 25 juli 2025, 5 augustus 2025, 6 maart 2026 en 8 maart 2026 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft op 13 januari 2026 en 20 maart 2026 nadere stukken ingediend.
Naar aanleiding van de nadere stukken van belanghebbende heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 ambtshalve verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.133. De aanslag ZVW 2018 heeft hij ambtshalve verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 47.202. De beschikkingen belastingrente zijn dienovereenkomstig verminderd.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende is – met kennisgeving vooraf – niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers SHE 25/778 en SHE 25/779 behandeld. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken en andersom, tenzij het specifiek op een van zaken betrekking heeft.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld.
2. Feiten
Belanghebbende heeft op 8 mei 2012 [belanghebbende in 25/778] opgericht in de vorm van een eenmanszaak. Per 15 februari 2019 is de onderneming ingebracht in een besloten vennootschap genaamd [belanghebbende in 25/778] B.V.
Belanghebbende heeft over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 14 februari 2019 aangiften omzetbelasting ingediend naar de volgende bedragen:
Tijdvak
OB-hoog
Voorbelasting
Verschuldigd
Eerste kwartaal 2018
€ 2.512
€ 1.694
€ 818
Tweede kwartaal 2018
€ 1.495
€ 2.747
(€ 1.252)
Derde kwartaal 2018
€ 2.882
€ 1.538
€ 1.344
Vierde kwartaal 2018
€ 4.864
€ 5.186
(€ 322)
Eerste kwartaal 2019
€ 0
€ 0
€ 0
De inspecteur heeft bij brief van 3 maart 2021 aan belanghebbende aangekondigd een boekenonderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangifte IB/PVV en de ingediende aangiften omzetbelasting over 2018.
Bij brief van 18 mei 2022 heeft de inspecteur het boekenonderzoek uitgebreid. Hij heeft daarbij onder meer verzocht om een afschrift van:
“(…)
- een PDF versie van uw zakelijke en privé bankafschriften voor de jaren 2018,
2019 en 2020. (…).
- een kopie (scan) van al uw inkomende en uitgaande facturen voor de jaren
2018, 2019 en 2020. (…)”
Bij brief van 26 juli 2022 kondigt de inspecteur aan voornemens te zijn om de (naheffings)aanslagen IB/PVV, Zvw en OB in afwijking van de ingediende aangiften vast te stellen.
De inspecteur heeft van het boekenonderzoek een controlerapport met dagtekening 13 januari 2023 opgemaakt. Het controlerapport vermeldt onder meer het volgende:
“(…)
[A BV]
De heer [belanghebbende] heeft in 2018 facturen uitgereikt gekregen van [A BV] ten
bedrage van € 49.145 exclusief omzetbelasting. De directeur grootaandeelhouder
van [A BV] betreft de heer [naam 3] . Volgens de heer [belanghebbende] heeft de
heer [naam 3] diverse diensten geleverd aan [belanghebbende in 25/778] .
Tijdens het gesprek van 25 mei 2022 is opgemerkt dat deze facturen veel fouten
bevatten. De facturen zijn namelijk niet eenduidig opgemaakt, sommige facturen
hebben een subtotaal en sommige facturen niet, op sommige facturen stemt het
subtotaal niet overeen met het bedrag van de prestatie, de btw berekening is op
sommige facturen onjuist, er wordt geen btw-nummer vermeld op de facturen, op de
facturen wordt een onjuiste bankrekening vermeld en op alle facturen wordt als
adres [adres 2] te [plaats 2] vermeld terwijl volgens KVK het adres
[adres 3] te [plaats 3] betreft. Daarnaast is het ongebruikelijk dat de facturen
in deze omvang contant betaald zouden zijn en sluiten de contante opnames niet aan
met de betaalde bedragen.
Verder zijn de diensten en/of producten die geleverd zijn niet gespecificeerd op de
facturen. Er wordt alleen een verwijzing gemaakt naar een overeenkomst. Deze
overeenkomst is na meerdere herhalingen niet overhandigd. Tevens is er geen
achterliggende correspondentie overhandigd zoals, emailverkeer/ gespreksnotities
en dergelijke over de voortgang van de werkzaamheden die de heer [naam 3] heeft
verricht. Hierdoor was het niet mogelijk om de zakelijkheid van deze kosten te
beoordelen. De heer [naam 3] zou woonachtig zijn in Spanje. Welke
werkzaamheden hij heeft verricht en van waaruit de werkzaamheden zijn uitgevoerd
is niet verklaard.
De heer [belanghebbende] is het met het bovenstaande niet eens en verklaart het volgende als
reactie op mijn brief van 26 juli 2022:
“Uw twijfel over de facturen van [A BV] zijn ongegrond daar hier een
overeenkomst aan ten grondslag heeft gelegen (wel met BTW nummer) en bij de
betalingen zijn in zowel Nederland, België (dhr. [naam 4] ) als Spanje (dhr. [naam 5]
) personen aanwezig geweest. Dit kan worden bevestigd door meerdere
personen en indien nodig zal ook dit worden bevestigd.”
De zakelijkheid van de kosten worden niet onderbouwd. Het getuigen zijn van
betalingen betekent niet dat kosten zakelijk zijn dan wel dat voor deze betaling een
prestatie is verricht.
Gezien het bovenstaande ben ik van mening dat de kosten, dan wel de zakelijkheid
van de kosten onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. Ik corrigeer de inkoopkosten
van [A BV] . De correctie wordt als volgt in 2018:
Privé € 59.420
Aan te vorderen btw € 10.275
Aan inkoopkosten € 49.145
Overige inkoopkosten zonder onderliggende bescheiden:
Daarnaast zijn er nog diverse kosten gemaakt door de heer [belanghebbende] in verband met
zijn activiteiten. Hiervoor heb ik sommige facturen ontvangen. Echter, heb ik niet
alle facturen ontvangen conform de administratie van de heer [belanghebbende] . Van deze
kosten is het voor mij niet mogelijk om de zakelijkheid te beoordelen. Hierdoor heb ik besloten om geen rekening te houden met deze kosten in de aangifte IB 2018 en 2019. Hieronder een specificatie van deze kosten waarvan ik de zakelijkheid niet heb kunnen beoordelen daar waar de onderliggende bescheiden niet zijn overhandigd.
2018
Factuurnummer
of omschrijving
Bedrag inclusief btw
2018-304
€ 1.264,18
AI116543
€ 491,50
18003
€ 453,75
18096
€ 1.996,50
1972/1322/1463
€ 157,30
Cbex
€ 4.270,09
20182220
€ 12,10
564
€ 605
210173
€ 1.512,50
18034
€ 816,75
18036
€ 181,50
Soliede
€ 278,30
Totaal
Excl. Btw
€ 12.039,47
€ 10.212,22
(…)
De totale correctie voor deze overige inkoopkosten wordt voor 2018 als volgt:
Privé € 12.039
Aan te vorderen btw € 1.827
Aan kosten € 10.212
Inkoopkosten 2019
In de financiële administratie is voor 2019 (periode 1 januari 2019 tot en met 14
februari 2019) inkoopkosten opgenomen van in totaal € 2.121. Naar aanleiding van
mijn beoordeling ben ik van mening dat een bedrag van € 1.652 aftrekbaar is in de
aangifte van 2019. Dit bedrag ziet op factuur 19001. Het resterend deel is niet
aftrekbaar aangezien ik hier de bescheiden niet van heb ontvangen.
De correctie wordt als volgt:
Privé € 567
Aan te vorderen btw € 98
Aan kosten € 469
(…)
Bedrijfskosten 2018
In de administratie van 2018 wordt aan een bedrag van € 4.475 kosten geboekt onder rubriek
“bedrijfskosten”. Ik heb tot op heden geen specificatie van dit bedrag ontvangen. Tevens zijn de onderliggende facturen niet aangeleverd. Hierdoor is het voor mij niet mogelijk om deze kosten te beoordelen. Ik heb dan ook besloten om geen rekening te houden met deze kosten. De correctie wordt als volgt:
Privé € 4.765
Aan te vorderen btw € 290
Aan kosten € 4.475
Bedrijfskosten 2019
In de administratie van 2019 wordt aan een bedrag van € 1.100 kosten geboekt onder rubriek
“bedrijfskosten”. Ik heb tot op heden geen specificatie van dit bedrag ontvangen. Tevens zijn de onderliggende facturen niet aangeleverd. Hierdoor is het voor mij niet mogelijk om deze kosten te beoordelen. Ik heb dan ook besloten om geen rekening te houden met deze kosten. De correctie wordt als volgt:
Privé € 1.331
Aan te vorderen btw € 231
Aan kosten € 1.100
(…)
Inkomstenbelasting 2018
Tijdens het onderzoek is de definitieve aanslag opgelegd vanwege het verstrijken van
De aanslagtermijn op 31 december 2021. Hierbij is het belastbare winst uit
onderneming vastgesteld op € 57.389.
Naar aanleiding van de resultaten uit dit onderzoek wordt de aanslag verminderd
waarbij het belastbare winst uit onderneming wordt vastgesteld op € 56.145.
(…)
Naheffingsaanslagen omzetbelasting
Tijdvak
2019
2018
Afgedragen omzetbelasting
-
€
2.047
Af te dragen omzetbelasting (zie correcties)
€
906
€
11.133
Totaal na te heffen omzetbelasting
€
906
€
€ 9.086
(…)
Vergrijpboete omzetbelasting
Over de correcties omzetbelasting zoals benoemd in hoofdstuk 3.2.2 van dit rapport
over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 heb ik besloten een
vergrijpboete op te leggen. Ik ben van mening dat het aan grove schuld is te wijten
dat te weinig omzetbelasting is betaald. De boete is gebaseerd op artikel 67f AWR en de paragrafen 25 en 28 van het BBBB.
(…)
De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik besloten heb deze vergrijpboete op te leggen betreffen:
Correctie voorbelasting ( [A BV] )
- Belanghebbende drijft zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak
- Belanghebbende is in de gecontroleerde periode ondernemer voor de omzetbelasting;
- Belanghebbende is belastingplichtig voor de omzetbelasting;
- De heer [belanghebbende] verricht als enige werknemer de werkzaamheden en is verantwoordelijk voor hetgeen binnen de onderneming plaatsvindt.
- De administratie werd door de heer [belanghebbende] zelf gevoerd en de aangiften omzetbelasting door de heer [belanghebbende] zelf ingediend;
- De heer [belanghebbende] hield in onderhevige jaren geen (sluitende) administratie bij van zijn werkzaamheden. Hij heeft verklaard de aangiften ingediend te hebben op basis van bankbescheiden;
- Er wordt niet voldaan aan de bewaar- en administratieplicht overeenkomstig artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- Belanghebbende heeft de voorbelasting van kosten in aftrek gebracht die betrekking heeft op facturen van [A BV] van € 10.275 in 2018;
- De (inkoop)facturen van [A BV] zijn altijd per kas betaald. Hiervoor zijn kwitanties opgesteld;
- De contante betalingen zien op bedragen van minimaal € 2.000 tot maximaal € 8.750 inclusief btw. In totaal is in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 10 facturen ontvangen door belanghebbende van [A BV] B.V;
- De heer [belanghebbende] heeft verklaard dat deze facturen persoonlijk door de leverancier aan hem zijn overhandigt in België;
- Op de facturen van [A BV] worden de volgende gebreken opgemerkt:
- Bij sommige facturen ontbreken bepaalde bedragen zoals de subtotaal;
- Bij sommige facturen stemt de subtotaal niet overeen met het bedrag van de vernoemde prestatie en prijs;
- Bij sommige facturen is de berekening van de btw onjuist;
- Er wordt geen btw-nummer vermeld op de facturen;
- Op de facturen wordt het adres van [A BV] aangegeven als [adres 2] te [plaats 2] . Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel staat de leverancier ingeschreven op het adres [adres 3] te [plaats 3] ;
- De heer [naam 3] is 100% aandeelhouder en bestuurder van [A BV] Hij zou de diensten en/of leveringen hebben verricht aan belanghebbende. De heer [naam 3] is in onderhevige jaren woonachtig in Spanje. Onduidelijk is gebleven hoe de heer [naam 3] de diensten verricht zou hebben;
- Op de facturen wordt verwezen naar overeenkomst “ [overeenkomst] ”. Er wordt op de facturen verder op geen enkel manier aangegeven waar de geleverde diensten en/of leveringen op zien.
- In de reactie van de heer [belanghebbende] van 9 augustus 2022 is verklaard dat aan de facturen van [A BV] een overeenkomst ten grondslag heeft gelegen. Tot op heden is de overeenkomst, zowel fysiek als digitaal, niet aangeleverd
- De heer [naam 5] heeft verklaard dat de (inkoop)facturen van [A BV] inclusief de bijbehorende kwitanties zijn weggegooid door meneer zelf nadat deze zijn gedigitaliseerd door middel van een scan. Bij het digitaal bewaren van facturen moet er sprake zijn van een juiste en volledige weergave van het origineel. Bij het scannen van een document moet er rekening worden gehouden met de echtheidskenmerken van het origineel document, zoals kleur, logo en watermerk. Bij een deel van de gedigitaliseerde facturen van [A BV] zijn de kleuren van het origineel document niet overgenomen;
- Belanghebbende heeft kosten verantwoord van [A BV] die niet gebaseerd zijn op originele facturen. De digitale facturen die aanwezig bevatten ernstige gebreken waardoor de echtheid van de facturen moet worden betwijfeld. De betalingen zouden uitsluitend per kas zijn gegaan en kunnen niet worden gecontroleerd aangezien kwitanties zijn weggegooid. Tot slot heeft de heer [belanghebbende] niet kunnen verklaren welke werkzaamheden verband houden met deze facturen, noch hoe de heer [naam 3] deze verricht zou moeten hebben of welke overeenkomst aan deze facturen ten grondslag ligt. Het kan dan ook niet anders dan dat belanghebbende beseft moet hebben dat er ernstige gebreken waren aan deze facturen;
- Belanghebbende had dan ook moeten weten dat de verantwoorde kosten op geen enkele wijze zakelijk konden worden verantwoord en dat er tal van gebreken aan kleefden. Belanghebbende had ook moeten begrijpen dat deze kosten niet in aftrek gebracht mochten worden in de aangiften omzetbelasting;
- Door zich hier onvoldoende rekenschap van te geven en aangiften omzetbelasting in te dienen waarop de voorbelasting wel is aangegeven heeft belanghebbende met een aan opzet grenzende onachtzaamheid gehandeld en daarmee het risico op de koop toe genomen dat de verschuldigde omzetbelasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald;
- Bovenstaande gedragingen zijn gelijk te stellen met grove schuld;
- Een vergrijpboete van 25% van de na te heffen belasting is in beginsel passend en geboden.
(…)”
De aan belanghebbende gerichte facturen van [A BV] vermelden bij de beschrijving: “Volgens overeenkomst [overeenkomst] ”.
De heer [belanghebbende] heeft als opdrachtgever een overeenkomst gesloten met [A BV] als opdrachtnemer. De overeenkomst vermeldt als datum “januari 2018” en vermeldt verder onder meer:
“Opdrachtomschrijving
Acquisitie en het leveren van diensten en de juiste medewerkers voor vertalingen projectbegeleiding in de ruimste zin van het woord. Tevens onderzoek verrichten naar nieuwe (buitenlandse) werkzaamheden en activiteiten.
De werkzaamheden voor [A BV] . omvatten het volgende:
▪ Haalbaarheidsonderzoek voor de landen Italië en Spanje tav uitbreiding [belanghebbende in 25/778] ;
▪ Acquisitie uitvoeren;
▪ Controleren van vergunningen;
▪ Uitvoeren van de RI&E op het project;
▪ Opstellen van de benodigde TRA’s;
▪ Aansturen van organisatorische maatregelen ten einde aan de criteria en/ of de vergunningen te voldoen , zoals bijvoorbeeld: het (begeleiden bij het) onderhouden van procedures (VCA) en vergunningen, het (begeleiden bij het) onderhouden van het veiligheidshandboek en andere veiligheidsdocumenten.
▪ Adviezen geven op het gebied betreffende beleid & organisatie.
▪ Het uitvoeren en rapporteren van een interne audit, werkplekinspecties en toolbox - meetings
▪ Het begeleiden bij het houden en het rapporteren van een Management Review;
▪ Het verzorgen van de benodigde veiligheidscursussen in buitenlandse talen zoals BHV en VCA.
Bemiddeling wederzijdse werkzaamheden voor werken in Spanje Italie ,Portugal en Nederland
(…)
Kosten & betaling
De totale kosten worden per bank of per kas betaald. Dit geschiedt immer in overleg.
Betalingen dienen binnen 14 dagen na factuurdatum te geschieden t.n.v. [A BV] .”
[A BV] heeft volgens de Kamer van Koophandel de volgende branchecodes:
“9313 – Fitnesscentra,
47918 - Detailhandel via internet in overige non-food
93146 – Sportscholen”
De naheffingsaanslag OB 2018 is opgelegd naar een bedrag van € 9.086. Tevens zijn bij beschikkingen € 1.404 belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 3.180 opgelegd.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag OB 2018, de rentebeschikking en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag OB 2018 gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot € 3.021.
De naheffingsaanslag OB 2019 is opgelegd naar een bedrag van € 906. Tevens zijn bij beschikkingen € 103 belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboeteboete van € 90 opgelegd.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag OB 2019, de rentebeschikking en de verzuimboetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag OB 2019 en de verzuimboetebeschikking gehandhaafd.
De aanslag IB/PVV 2018 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.009. Tevens is bij beschikking € 492 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV 2018 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.121 en de rentebeschikking evenredig verminderd.
De rechtbank heeft de aanslag IB/PVV 2018, na vermindering daarvan in de uitspraak op bezwaar, gehandhaafd.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 in de hogerberoepsfase ambtshalve verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.133 en de rentebeschikking evenredig verminderd.
De aanslag Zvw 2018 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 54.614. Tevens is bij beschikking € 90 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag ZVW 2018 verminderd naar een bijdrage-inkomen van € 53.190 en de rentebeschikking evenredig verminderd.
De rechtbank heeft de aanslag ZVW 2018, na vermindering daarvan in de uitspraak op bezwaar, gehandhaafd.
De inspecteur heeft de aanslag ZVW 2018 in de hogerberoepsfase ambtshalve verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 47.202 en de rentebeschikking evenredig verminderd.
Het nader stuk van de inspecteur van 20 maart 2026 vermeldt, voor zover van belang:
“Overzicht (standpunten m.b.t.) verminderingen naheffingsaanslagen OB
[belanghebbende] eenmanszaak BK-SHE 25/782
Aanslag 2018 (1-1-2018 t/m 31-12-2018) (…)
Oorspronkelijke
Aanslag Beschikking d.d.
25 februari 2023
Moet zijn volgens
de uitspraak van
de rechtbank
van 9 april 2025
Verminderd
bij beschikking
d.d. 2 mei 2025
tot
Moet zijn volgens
het standpunt van
de inspecteur in
hoger beroep
Omzetbelasting
€ 9.086
€ 9.086
€ 9.086
€ 8.365
(€ 9.086 - € 721) [1]
Boete
€ 3.180
€ 3.021
(€3.180-5%)
€ 3.021
€ 1.986
(25% x € 8.365-5%)
[belanghebbende] eenmanszaak BK-SHE 25/783
Aanslag 2019 (1-1-2019 t/m 14-2-2019) (…)
Oorspronkelijke
Aanslag Beschikking d.d.
25 februari 2023
Moet zijn volgens
het standpunt
van de
inspecteur in
beroep bij de RB[2]
Moet zijn volgens
de uitspraak van
de rechtbank
van 9 april 2025[3]
Moet zijn volgens
het standpunt van
de inspecteur in
hoger beroep
Omzetbelasting
€ 906
€ 90
€ 906
€ 90
Boete
€ 90
€ 0
€ 90
€ 0
(…)
[1] Zie reactie op nadere stukken in hoger beroep, d.d. 13 januari 2026, blz. 4 onderste
alinea. (Belanghebbende heeft op 25 juli 2025 extra facturen aan uw Hof aangeleverd
voor in totaal € 1.461,93 aan btw. De inspecteur is van mening dat de aanvullende
teruggaaf € 721 moet bedragen.)
[2] 10 dagenstuk [17] februari 2025, zie onderdeel 1 tweede punt, blz. 2.
[3] De RB heeft in zijn beslissing geen rekening gehouden met de door de inspecteur
voorgestelde vermindering in het 10-dagenstuk”
3. Geschil en conclusies van partijen
Met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2018 is in geschil of deze terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek in geschil of de correcties die betrekking hebben op de facturen van [A BV] terecht zijn nageheven. Verder is in geschil of de vergrijpboete terecht is gegeven.
Met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2019 is in geschil of deze terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
Met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2018 en ZVW 2018 is in geschil of deze, na de (ambtshalve) vermindering daarvan (zie 2.9.3 en 2.9.4), terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het hof, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018 en ZVW 2018, tot vernietiging van de naheffingsaanslagen OB 2018 en 2019 en tot vernietiging van de vergrijpboetebeschikking en rentebeschikkingen.
De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep (zie 2.9.3, 2.9.4 en 2.10).
Met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2018 concludeert hij tot vermindering daarvan tot een bedrag van € 8.365, tot evenredige vermindering van de rentebeschikking en tot vermindering van de vergrijpboete tot een bedrag van € 1.986.
Met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2019 concludeert hij tot vermindering daarvan tot een bedrag van € 90, tot evenredige vermindering van de rentebeschikking en tot vernietiging van de verzuimboete.
Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2018 concludeert hij tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.133 en tot evenredige vermindering van de rentebeschikking.
Met betrekking tot de aanslag ZVW 2018 concludeert hij tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 47.202 en tot evenredige vermindering van de rentebeschikking.
4. Gronden
Naheffingsaanslag OB 2018
De naheffingsaanslag OB 2018 heeft alleen betrekking op omzetbelasting die in rekening is gebracht op facturen van [A BV] en door belanghebbende in aftrek is gebracht.
Waar het gaat om het uitoefenen van het recht op aftrek, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) geoordeeld dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op aftrek van btw, moet bewijzen dat hij zowel voldoet aan de materiële voorwaarden voor aftrek als bedoeld in met name de artikelen 168 en 169 van BTW-richtlijn 2006, alsook aan de formele voorwaarden daarvoor zoals neergelegd in artikel 178 van BTW-richtlijn 2006 (vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.3.3).
Wat betreft de materiële voorwaarden heeft het HvJ EU in zijn arrest van 4 september 2025, SC Arcomet Towercranes SRL, ECLI:EU:C:2025:646, eraan herinnerd dat slechts aanspraak kan worden gemaakt op aftrek van voorbelasting indien (i) de betrokkene een belastingplichtige in de zin van BTW-richtlijn 2006 is, (ii) hij de goederen of diensten waarvoor op dat recht aanspraak wordt gemaakt, in een later stadium gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en (iii) die goederen of diensten door een andere belastingplichtige aan hem zijn geleverd of verricht. De belastingdienst mag van een belastingplichtige die om aftrek van voorbelasting verzoekt, verlangen dat hij andere documenten dan de factuur overlegt om te bewijzen dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan, dat wil zeggen dat de op de factuur vermelde prestaties zijn verricht en dat deze zijn gebruikt voor de belaste handelingen van de belastingplichtige, mits overlegging van die bewijzen noodzakelijk en evenredig is voor de beoordeling of is voldaan aan deze materiële voorwaarden (vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.3.4).
Wat betreft de formele voorwaarden voor het recht op aftrek geldt dat de belastingplichtige moet beschikken over een factuur die voldoet aan de daaraan wettelijk gestelde eisen. Uit de rechtspraak van het HvJ EU, waaronder het arrest Barlis, ECLI:EU:C:2016:690, volgt echter dat de belastingdienst het recht op aftrek niet mag weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan enkele formele voorwaarden, indien hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van dat recht. Wanneer de belastingautoriteiten tot de conclusie komen dat de door de belastingplichtige overgelegde facturen niet voldoen aan de formele vereisten en zij niet beschikken over alle gegevens om te kunnen vaststellen dat aan de materiële voorwaarden voor aftrek is voldaan, staat het hun daarentegen vrij om, zonder dat het evenredigheidsbeginsel zich daartegen verzet, na te gaan of aan de materiële voorwaarden voor dat recht is voldaan en daartoe te verlangen dat de belastingplichtige aanvullende bewijzen overlegt (vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.3.5).
Belanghebbende heeft facturen overgelegd van [A BV] en is van mening dat hij de op die facturen in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek mag brengen. Ter verdere onderbouwing van zijn stelling dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden voor het recht op aftrek heeft belanghebbende een overeenkomst (zie 2.7.2) en getuigenverklaringen verstrekt. Verder verwijst belanghebbende naar een kasboek.
De inspecteur betwist dat [A BV] prestaties aan belanghebbende heeft verricht. Hij voert hiertoe aan dat niet voldaan is aan de materiële en de formele voorwaarden voor het recht op aftrek. Hij wijst er in dit verband op dat:
de facturen van [A BV] geen btw-nummer vermelden;
de facturen van [A BV] een onjuist adres vermelden;
op de facturen de verrichte diensten niet worden gespecificeerd waardoor de aard en omvang van de verrichte diensten onduidelijk is. Op de factuur wordt alleen verwezen naar de overeenkomst [overeenkomst] ;
op de facturen de datum waarop de diensten zijn verricht niet is vermeld;
de facturen niet eenduidig zijn opgemaakt. Een deel van de facturen vermelden een subtotaal en een deel van de facturen vermelden geen subtotaal. Op een deel van de facturen komt het subtotaal niet overeen met het bedrag van de prestatie. De omzetbelasting-berekening op een deel van de facturen is onjuist;
de originele facturen ontbreken;
in de overgelegde overeenkomst [overeenkomst] geen prijsafspraken zijn gemaakt. De overeenkomst vermeldt geen uurloon, vaste vergoeding of andere prijsbepaling waaruit kan worden afgeleid welke diensten zijn verricht en welke vergoeding daartegenover staat. Het is daardoor niet duidelijk hoe de gefactureerde bedragen tot stand zijn gekomen;
van de in de overeenkomst genoemde diensten, zoals de haalbaarheidsonderzoeken en acquisitie, geen verslaglegging is richting belanghebbende. Het ontbreekt aan onderliggende bescheiden, zoals notities, verslagen, e-mails of rapporten waaruit blijkt wanneer welke werkzaamheden zijn verricht door [A BV] ;
in de kasboeken, behalve de betalingen aan [A BV] , nagenoeg geen andere transacties met derden zijn verantwoord.
Gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd is er voldoende reden voor twijfel of en zo ja welke (belaste) prestatie(s) door [A BV] aan belanghebbende zijn verricht. Bovendien voldoen de facturen niet aan de gestelde formele vereisten van artikel 35 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), omdat op deze facturen niet duidelijk is aangegeven welke prestatie is verricht aan belanghebbende. Het staat de Inspecteur daarom vrij te verlangen dat belanghebbende aanvullende bewijzen overlegt om te kunnen vaststellen dat aan de materiële voorwaarden voor aftrek is voldaan. De verklaringen die belanghebbende heeft overgelegd zijn daartoe onvoldoende. Deze verklaringen kunnen namelijk niet worden gecontroleerd omdat een nadere onderbouwing met bewijsstukken vrijwel ontbreekt dan wel omdat zij verwijzen naar facturen die fouten bevatten. De overeenkomst (zie 2.7.2) die belanghebbende heeft overgelegd is te globaal verwoord en daaruit kan niet worden opgemaakt welke diensten zijn verricht aan belanghebbende.
De facturen en de overeenkomst specificeren niet welke (belaste) diensten zijn verricht, zodat ook die onvoldoende duidelijk maken welke diensten zijn verricht aan belanghebbende. Ook kloppen de bedragen op die facturen niet allemaal. Dit brengt mee dat onduidelijk is voor welke bedragen belanghebbende recht op aftrek heeft. De door belanghebbende in aftrek gebrachte bedragen aan omzetbelasting op de facturen van [A BV] zijn dan ook terecht gecorrigeerd door de inspecteur.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de door belanghebbende op 25 juli 2025 aan het hof overgelegde facturen geconcludeerd tot vermindering van de naheffingsaanslag OB 2018 tot een bedrag van € 8.365 (zie 2.10 en 3.3). Het hof zal het hoger beroep daarom gegrond verklaren en de naheffingsaanslag OB 2018 dienovereenkomstig verminderen. Voor een verdere vermindering van de naheffingsaanslag ziet het hof geen aanleiding.
Vergrijpboete
Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet is betaald, vormt dit op grond van artikel 67f van de AWR een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid van dat artikel omschreven grondslag van de boete.
De inspecteur heeft op basis van artikel 67f van de AWR en § 28, lid 6, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) vergrijpboeten van 25% opgelegd en gesteld dat te weinig omzetbelasting is voldaan als gevolg van, primair grove schuld dan wel, subsidiair (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende.
Het in artikel 6, lid 3, aanhef en onder letter a, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) neergelegde recht van een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, houdt in om onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Dit houdt tevens in dat de inspecteur de belastingplichtige aan wie hij een vergrijpboete wil opleggen, niet alleen kenbaar moet maken aan welke feitelijke gedragingen van de belastingplichtige naar het oordeel van de inspecteur is te wijten dat een onjuiste aangifte is gedaan of te weinig belasting is geheven, maar ook of die gedragingen naar zijn oordeel moeten worden gekwalificeerd als (voorwaardelijk) opzet, dan wel grove schuld.
Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Het bewijs moet per correctie worden geleverd.
Grove schuld is aanwezig bij een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van onachtzaamheid (HR 23 juni 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3678,). De betrokkene moet een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt (te denken valt aan grove onachtzaamheid of ernstige nalatigheid). Lichtere vormen van schuld rechtvaardigen het opleggen van een vergrijpboete niet (HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97).
Bij grove schuld had belanghebbende bij het doen van aangifte redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat dit tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. De vraag of de boete in stand kan blijven, moet voor elk aangiftetijdvak afzonderlijk worden beoordeeld. In het geval van belanghebbende is dat per kwartaal. De inspecteur moet grove schuld van belanghebbende op die momenten bewijzen (Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492).
Van opzet is sprake bij willens en wetens handelen. Opzet omvat mede voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden betaald. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97 en HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063).
De inspecteur is van mening dat hij overtuigend heeft bewezen dat [A BV] geen diensten ten aanzien waarvan de omzetbelasting voor aftrek in aanmerking komt heeft verricht aan belanghebbende. Primair stelt hij dat belanghebbende had moeten begrijpen dat door deze omzetbelasting toch in aftrek te brengen, te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan (grove schuld). Subsidiair stelt hij dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan door de omzetbelasting in aftrek te brengen ((voorwaardelijk) opzet).
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de inspecteur in zijn verweerschrift in beroep verwezen naar de feiten en omstandigheden die ook stonden vermeld in het controlerapport (zie 2.6). Ten aanzien van de overeenkomst, die in beroep is overgelegd (zie 2.8.2), heeft de inspecteur nog aangegeven dat slechts een algemene omschrijving van de werkzaamheden is gegeven. De overeenkomst vermeldt geen uurloon, vaste vergoeding of andere prijsbepaling waaruit kan worden afgeleid welke diensten zijn verricht en welke vergoeding daartegenover staat. Verder heeft de inspecteur in beroep gesteld dat [A BV] in 2018 geen belaste omzet heeft aangegeven.
Uit hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, volgt dat belanghebbende in elk van de kwartalen van 2018 omzetbelasting in aftrek heeft gebracht op basis van onjuiste en niet complete facturen. Ook volgt daaruit dat belanghebbende op geen enkele wijze een concrete onderbouwing heeft kunnen geven van de diensten die aan hem zouden zijn verricht, wanneer die diensten verricht zouden zijn en welke vergoeding voor de diensten is betaald. Ook de verklaringen van diverse personen die belanghebbende heeft overgelegd, geven daarover geen duidelijkheid.
De inspecteur heeft daarmee overtuigend bewezen dat belanghebbende op het moment dat hij zijn aangiftes omzetbelasting voor elk van de tijdvakken in 2018 deed redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat hij met de gegevens die hij op dat moment voorhanden had, geen aftrek zou krijgen van de omzetbelasting op de facturen van [A BV] en dus dat te weinig belasting zou worden betaald. Immers, van belanghebbende die zijn eigen administratie en aangiften omzetbelasting deed, mag worden verlangd dat hij zich verdiept in de formele en materiële belastingregels om dat recht op aftrek te kunnen krijgen. Gelet op het voorgaande acht het hof de door de inspecteur opgelegde vergrijpboete, na ambtshalve vermindering en vermindering in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, van € 1.986 (zie 2.11) passend en geboden.
Naheffingsaanslag OB 2019
De inspecteur heeft geconcludeerd tot vermindering van de naheffingsaanslag OB 2019 tot een bedrag van € 90 (zie 2.10 en 3.3). Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat dit bedrag betrekking heeft op het verschil in de aansluitingsverschillen (zie 2.6).
Belanghebbende heeft de aansluitingsverschillen niet bestreden, maar stelt dat hij meer omzetbelasting in aftrek kan brengen dan waarmee de inspecteur rekening heeft gehouden. Belanghebbende heeft echter geen facturen overgelegd waaruit volgt dat hij meer recht heeft op aftrek dan waarmee de inspecteur rekening heeft gehouden. Voor een verdere vermindering ziet het hof daarom geen aanleiding.
Het voorgaande brengt mee dat de Inspecteur zich terecht op het standpunt stelt dat de naheffingsaanslag OB 2019 dient te worden verminderd tot een bedrag van € 90.
Verzuimboete
De inspecteur heeft geconcludeerd tot vernietiging van de verzuimboete. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
De aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw
Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3 tot en met 4.6 geldt dat de inspecteur de kosten met betrekking tot [A BV] terecht niet in aftrek heeft toegelaten.
Ten aanzien van de overige kosten heeft belanghebbende in hoger beroep een aantal facturen overgelegd die een deel van de kosten onderbouwen. De inspecteur heeft naar aanleiding daarvan de winst uit onderneming verminderd met € 6.962. De aanslag IB/PVV en de aanslag ZVW zijn ambtshalve verminderd door de inspecteur (zie 1.5).
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de aanslagen op lagere bedragen moeten worden vastgesteld.
Het voorgaande brengt mee dat de aanslag IB/PVV en de aanslag ZVW, zoals vastgesteld na de ambtshalve vermindering, terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
Belastingrente
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrentes aangevoerd. Het hof vermindert de bedragen van de beschikkingen belastingrente daarom overeenkomstig de verminderingen van de aanslagen en naheffingsaanslagen en ziet geen aanleiding voor een verdere vermindering.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst pas na vijf jaar met de kwalificatie komt dat de kosten niet zakelijk zijn waardoor de kosten niet in aftrek kunnen komen. Dit is in strijd met de rechtszekerheid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus belanghebbende.
Belanghebbende kan niet gevolgd worden in zijn stelling aangezien de inspecteur al bij de afronding van het boekenonderzoek het standpunt heeft ingenomen dat de kosten van [A BV] en de overige inkoopkosten niet in aftrek kunnen komen omdat belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 289 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door Chr.Th.P.M. Zandhuis, voorzitter, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in tegenwoordigheid van R. Wijkstra, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
De griffier, De voorzitter,
R. Wijkstra Chr.Th.P.M. Zandhuis
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.