GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/778 en 25/779
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 april 2025, nummers BRE 23/10921 en BRE 23/10922, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft belanghebbende over de tijdvakken in de periode van 15 februari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 9.534 opgelegd (de naheffingsaanslag OB 2019). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag 2019 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete van € 2.383 opgelegd en een verzuimboete van € 953 en € 1.092 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft belanghebbende over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 9.437 opgelegd (de naheffingsaanslag OB 2020). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag 2020 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete van € 3.302 opgelegd en € 829 belastingrente in rekening gebracht.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar tegen voormelde naheffingsaanslagen en beschikkingen afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De beslissing van de rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond voor zover ze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de boetebeschikkingen;
- vermindert de boete bij de naheffingsaanslag 2019 tot € 1.405;
- vermindert de boete bij de naheffingsaanslag 2020 tot € 2.241;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 730 aan belanghebbende moet vergoeden;”
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 24 juli 2025, 25 juli 2025, 5 augustus 2025, 6 maart 2026 en 8 maart 2026 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft op 13 januari 2026 en 20 maart 2026 nadere stukken ingediend.
De heer [naam 1] heeft in het nader stuk van 6 maart 2026 vermeld dat hij geen vertegenwoordiger meer is van belanghebbende en dat zij een nieuwe vertegenwoordiger heeft. Desgevraagd heeft de heer [naam 1] bij bericht van 8 maart 2026 een uittreksel van de Kamer van Koophandel toegestuurd waarin is vermeld dat de heer [naam 2] per 18 september 2025 enig bestuurder en enig aandeelhouder is van belanghebbende.
Belanghebbende is vervolgens (opnieuw) bij aangetekend verzonden brief aan het adres [adres 1] , [postcode] [plaats 1] van 10 maart 2026 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 25 maart 2026 om 10:15 uur te Den Bosch. Uit informatie van Track & Trace van PostNL blijkt dat deze uitnodiging op 12 maart 2026 is klaargelegd op een PostNL-punt en dat deze tot uiterlijk 26 maart 2026 kon worden opgehaald.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende is niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers SHE 25/781 en SHE 25/784 behandeld. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de onderhavige zaken en andersom, tenzij het specifiek op een van zaken betrekking heeft.
Ter zitting is toegelicht dat het hoger beroep van belanghebbende wordt behandeld onder het voorbehoud dat vastgesteld wordt dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting. Dit kon pas worden vastgesteld nadat de ophaaltermijn was verlopen.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
De uitnodiging voor de zitting is niet afgehaald door belanghebbende en is op 30 maart 2026 retour gekomen bij het hof.
Omdat twijfels bestonden over de juistheid van het adres van belanghebbende in het uittreksel van de Kamer van Koophandel, heeft de griffier vervolgens via de Basisregistratie Personen (BRP) geprobeerd het adres van de nieuwe bestuurder van belanghebbende, de heer [naam 2] , te achterhalen. Uit het BRP bleek dat de woon- en verblijfplaats van de heer [naam 2] onbekend is.
De griffier heeft daarna in de Staatscourant van 1 mei 2026, nr. 16520, een openbare uitnodiging geplaatst, gericht aan (de nieuwe bestuurder van) belanghebbende voor een digitale zitting op 18 juni 2026 om 10:30 uur. Daarbij was ook het telefoonnummer van de griffie van het team Belastingrecht van het hof vermeld waarmee de heer [naam 2] contact kon opnemen om inloggegevens te krijgen voor de zitting.
Op 21 mei 2026 heeft het hof een hogerberoepschrift van belanghebbende ontvangen gericht tegen uitspraken van de rechtbank met nummers BRE 25/2068 en BRE 25/2069. Op dat hogerberoepschrift heeft belanghebbende het adres [adres 1] , [postcode] [plaats 1] vermeld als het adres van belanghebbende.
De griffier heeft belanghebbende daarom nogmaals bij aangetekend verzonden brief van 28 mei 2026 en gericht aan voormeld adres (1.7.4) uitgenodigd voor de digitale zitting op 18 juni 2026 om 10:30 uur. De brief is ook verzonden met de gewone post naar het genoemde adres.
Uit informatie van Track & Trace van PostNL blijkt dat deze uitnodiging op 30 maart 2026 is klaargelegd op een PostNL-punt. Daaruit volgt ook dat de uitnodiging op 15 juni 2026 nog steeds niet was opgehaald en retour is gestuurd. De aangetekend verzonden uitnodiging is op 23 juni 2026 retour gekomen bij het hof. Het hof is van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze voor de zitting van 18 juni 2026 is uitgenodigd.
De digitale zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch tijdens die zitting is het onderzoek heropend. Belanghebbende is niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen, [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek (weer) gesloten.
Van zowel de zitting op 25 maart 2026 als de zitting op 18 juni 2026 is een proces-verbaal opgemaakt, die gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking worden gesteld.
2. Feiten
Belanghebbende is opgericht op 15 februari 2019. De heer [naam 1] heeft toen zijn eenmanszaak [belanghebbende] ingebracht in belanghebbende. Hij was in de onderhavige tijdvakken enig aandeelhouder en enig bestuurder van belanghebbende (de dga). De bedrijfsactiviteiten van de onderneming hebben voornamelijk betrekking op (technische) certificeringen (ISO- en VCA), (BHV) trainingen, examineren en veiligheid. De onderneming heeft alleen zakelijke opdrachtgevers.
De dga heeft namens belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode van 15 februari 2019 tot en met 31 december 2020 aangiften omzetbelasting ingediend naar de volgende bedragen:
Tijdvak
OB-hoog
Voorbelasting
Verschuldigd
Eerste kwartaal 2019
€ 1.145
€ 864
€ 281
Tweede kwartaal 2019
€ 5.831
€ 3.836
€ 1.995
Derde kwartaal 2019
€ 2.351
€ 2.187
€ 164
Vierde kwartaal 2019
€ 5.137
€ 4.327
€ 810
Eerste kwartaal 2020
€ 3.877
€ 3.585
€ 292
Tweede kwartaal 2020
€ 2.973
€ 2.748
€ 225
Derde kwartaal 2020
€ 3.142
€ 2.578
€ 564
Vierde kwartaal 2020
€ 10.078
€ 11.675
(€ 1.597)
De inspecteur heeft bij brief van 3 maart 2021 aan de dga aangekondigd een boekenonderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2018 alsmede de ingediende aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.
Bij brief van 18 mei 2022 heeft de inspecteur het boekenonderzoek uitgebreid. Hij heeft daarbij onder meer verzocht om een afschrift van:
“(…)
- een PDF versie van uw zakelijke en privé bankafschriften voor de jaren 2018, 2019 en 2020;
- een kopie (scan) van al uw inkomende en uitgaande facturen voor de jaren 2018, 2019 en 2020;
(…)”
Bij brief van 25 juli 2022 kondigt de inspecteur aan voornemens te zijn om diverse (naheffings-)aanslagen op te leggen.
De inspecteur heeft van het boekenonderzoek een controlerapport met dagtekening 13 januari 2023 opgemaakt. Het controlerapport vermeldt onder meer:
“3.2.3 Inkoopkosten
Met betrekking tot de inkoopkosten zijn tijdens het onderzoek onjuistheden geconstateerd. Aan de hand van de overhandigde inkoopfacturen heb ik met betrekking tot de inkopen de volgende opmerkingen:
Inkoopfacturen van [A BV]
[belanghebbende] B.V. heeft in 2019 en 2020 facturen uitgereikt gekregen van [A BV] ten bedrage van € 75.578 exclusief omzetbelasting. De directeur grootaandeelhouder van [A BV] betreft de heer [naam 3] . Volgens de heer [naam 1] heeft de heer [naam 3] diverse diensten geleverd aan [belanghebbende] B.V.
Tijdens het gesprek van 25 mei 2022 is opgemerkt dat deze facturen meerdere manco’s laten zien. De facturen zijn namelijk niet eenduidig opgemaakt, sommige facturen hebben een subtotaal en sommige facturen niet, op sommige facturen stemt het subtotaal niet overeen met het bedrag van de prestatie, de btw berekening is op sommige facturen onjuist, er wordt geen btw-nummer vermeld op de facturen, op de facturen wordt een onjuiste bankrekening vermeld en op alle facturen wordt als adres [adres 2] te [plaats 2] vermeld terwijl volgens KVK het adres [adres 3] te [plaats 3] is.
Daarnaast is het ongebruikelijk dat de facturen in deze omvang contant betaald zouden zijn
en sluiten de contante opnames van de bank niet aan met de betaalde bedragen.
Verder zijn de diensten en/of producten die geleverd zijn niet gespecificeerd op de facturen.
Er wordt alleen een verwijzing gemaakt naar een overeenkomst. Deze overeenkomst is na
meerdere verzoeken niet overhandigd. Tevens is er geen achterliggende correspondentie
overhandigd zoals, emailverkeer/gespreksnotities en dergelijke over de voortgang van de
werkzaamheden die de heer [naam 3] heeft verricht. Hier heeft de heer [naam 1] verzuimd
om aan zijn informatieplicht te voldoen. Hierdoor is het niet mogelijk om de zakelijkheid van
deze kosten te beoordelen. De heer [naam 3] zou woonachtig zijn in Spanje. Welke
werkzaamheden hij heeft verricht en van waaruit de werkzaamheden zijn uitgevoerd is niet
vastgesteld.
De heer [naam 1] is het met het bovenstaande niet eens en verklaart het volgende als reactie op
Mijn brief van 26 juli 2022:
“Uw twijfel over de facturen van [A BV] zijn ongegrond daar hier een overeenkomst aan
ten grondslag heeft gelegen (wel met BTW nummer) en bij de betalingen zijn in zowel
Nederland, België (dhr. [naam 4] ) als Spanje (dhr. [naam 5] ) personen aanwezig
geweest. Dit kan worden bevestigd door meerdere personen en indien nodig zal ook dit
worden bevestigd.”
De zakelijkheid van de kosten wordt niet onderbouwd. Het getuigen zijn van betalingen
betekent niet dat kosten zakelijk zijn dan wel dat voor deze betaling een prestatie is verricht.
Gezien het bovenstaande ben ik van mening dat de kosten, dan wel de zakelijkheid van de
Kosten onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. Ik corrigeer de inkoopkosten van [A BV]
De correctie wordt als volgt voor boekjaar 02/2019 – 12/2020:
Rekening courant € 91.450
Aan te vorderen btw € 15.872
Aan inkoopkosten € 75.578
(…)
Aftrekbaarheid van de voorbelasting
In hoofdstuk 3 zijn de correcties opgenomen welke zien op de kosten. Hieruit is gebleken dat de omzetbelasting op deze kosten in aftrek is gebracht op basis van de aangeleverde overzichten. Ik corrigeer de voorbelasting op deze kosten. Zie hieronder voor het overzicht van deze correcties.
Tijdvak: 15 februari 2019 tot en met 31 december 2019
Correctie aansluiting € 1.777
Correctie kosten [A BV] € 5.918
Correctie overige inkoopkosten € 766
Correctie bedrijfskosten € 1.073
Totaal correcties € 9.534
(…)
Tijdvak: 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020
Correctie aansluiting € -3.368
Correctie kosten [A BV] € 9.954
Correctie overige inkoopkosten € 1.675
Correctie bedrijfskosten € 1.176
Totaal correcties € 9.437
(…)
Vergrijpboete omzetbelasting
Over de correcties omzetbelasting zoals benoemd in hoofdstuk 3.2.3 van dit rapport over het tijdvak 15 februari 2019 tot en met 31 december 2020 heb ik besloten een vergrijpboete op te leggen. Ik ben van mening dat het aan grove schuld is te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald. De boete is gebaseerd op artikel 67f AWR en de paragrafen 25 en 28 van het BBBB.
(…)
De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik heb besloten deze vergrijpboete op te leggen betreffen:
Correctie voorbelasting ( [A BV] )
- Belanghebbende drijft zijn onderneming in de vorm van een B.V. en is op 15 februari 2019 opgericht;
- Belanghebbende is in de gecontroleerde periode ondernemer voor de omzetbelasting;
- Belanghebbende is belastingplichtig voor de omzetbelasting;
- De heer [naam 1] is 100% aandeelhouder van de belanghebbende. De heer [naam 1] verricht als enige werknemer van belanghebbende de werkzaamheden en is verantwoordelijk voor hetgeen binnen de onderneming plaatsvindt. De gedragingen van de heer [naam 1] kunnen daarmee aan belanghebbende worden toegerekend;
- De administratie werd door de heer [naam 1] zelf gevoerd en de aangiften omzetbelasting door de heer [naam 1] zelf ingediend;
- De heer [naam 1] hield in onderhevige jaren geen (sluitende) administratie bij van zijn werkzaamheden. Hij heeft verklaard de aangiften ingediend te hebben op basis van bankbescheiden;
- Er wordt niet voldaan aan de bewaar- en administratieplicht overeenkomstig artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- Belanghebbende heeft de voorbelasting van kosten in aftrek gebracht die betrekking heeft op facturen van [A BV] van € 5.918 in 2019 en € 9.954 in 2020;
- De (inkoop)facturen van [A BV] zijn altijd per kas betaald. Hiervoor zijn kwitanties opgesteld;
- De contante betalingen zien op bedragen van minimaal € 1.750 tot maximaal € 8.400 inclusief btw. In totaal is in de periode van 15 februari 2019 tot en met 31 december 2020 20 facturen ontvangen door belanghebbende van [A BV] ;
- De heer [naam 1] heeft verklaard dat deze facturen persoonlijk door de leverancier aan hem zijn overhandigt in België;
- Op de facturen van [A BV] worden de volgende gebreken opgemerkt:
o Bij sommige facturen ontbreken bepaalde bedragen zoals de subtotaal;
o Bij sommige facturen stemt de subtotaal niet overeen met het bedrag van de vernoemde prestatie en prijs;
o Bij sommige facturen is de berekening van de btw onjuist;
o Er wordt geen btw-nummer vermeld op de facturen;
o Op de facturen wordt het adres van [A BV] aangegeven als [adres 2] te [plaats 2] . Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel staat de leverancier ingeschreven op het adres [adres 3] te [plaats 3] ;
o De heer [naam 3] is 100% aandeelhouder en bestuurder van [A BV] Hij zou de diensten en/of leveringen hebben verricht aan belanghebbende. De heer [naam 3] is in onderhevige jaren woonachtig in Spanje. Onduidelijk is gebleven hoe de heer [naam 3] de diensten verricht zou hebben;
o Op de facturen wordt verwezen naar overeenkomst “ [overeenkomst] ”. Er wordt op de facturen verder op geen enkel manier aangegeven waar de geleverde diensten en/of leveringen op zien.
- In de reactie van de heer [naam 1] van 9 augustus 2022 is verklaard dat aan de facturen van [A BV] een overeenkomst ten grondslag heeft gelegen. Tot op heden is de overeenkomst, zowel fysiek als digitaal, niet aangeleverd
- De heer [naam 5] heeft verklaard dat de (inkoop)facturen van [A BV] inclusief de bijbehorende kwitanties zijn weggegooid door meneer zelf nadat deze zijn gedigitaliseerd door middel van een scan. Bij het digitaal bewaren van facturen moet er sprake zijn van een juiste en volledige weergave van het origineel. Bij het scannen van een document moet er rekening worden gehouden met de echtheidskenmerken van het origineel document, zoals kleur, logo en watermerk. Bij een deel van de gedigitaliseerde facturen van [A BV] zijn de kleuren van het origineel document niet overgenomen;
- Belanghebbende heeft kosten verantwoord van [A BV] die niet gebaseerd zijn op originele facturen. De digitale facturen die aanwezig bevatten ernstige gebreken waardoor de echtheid van de facturen moet worden betwijfeld. De betalingen zouden uitsluitend per kas zijn gegaan en kunnen niet worden gecontroleerd aangezien kwitanties zijn weggegooid. Tot slot heeft de heer [naam 1] niet kunnen verklaren welke werkzaamheden verband houden met deze facturen, noch hoe de heer [naam 3] deze verricht zou moeten hebben of welke overeenkomst aan deze facturen ten grondslag ligt. Het kan dan ook niet anders dan dat belanghebbende beseft moet hebben dat er ernstige gebreken waren aan deze facturen;
- Belanghebbende had dan ook moeten weten dat de verantwoorde kosten op geen enkele wijze zakelijk konden worden verantwoord en dat er tal van gebreken aan kleefden. Belanghebbende had ook moeten begrijpen dat deze kosten niet in aftrek gebracht mochten worden in de aangiften omzetbelasting;
- Door zich hier onvoldoende rekenschap van te geven en aangiften omzetbelasting in te dienen waarop de voorbelasting wel is aangegeven heeft belanghebbende met een aan opzet grenzende onachtzaamheid gehandeld en daarmee het risico op de koop toe genomen dat de verschuldigde omzetbelasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald;
- Bovenstaande gedragingen zijn gelijk te stellen met grove schuld;
- Een vergrijpboete van 25% van de na te heffen belasting is in beginsel passend en geboden.
(…)
Verzuimboete omzetbelasting
Met betrekking tot de andere correcties omzetbelasting zoals beschreven in de paragrafen 3.2.4 en 3.2.5 van dit rapport heb ik besloten verzuimboeten op te leggen. Niet gebleken is dat er tenminste sprake is van grove schuld of (voorwaardelijk)opzet daarom heb ik besloten hiervoor verzuimboeten op te leggen.
De verzuimboeten worden opgelegd op grond van artikel 67c AWR en paragraaf 24 van het
BBBB over de na te heffen omzetbelasting in de tijdvakken 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 wegens het niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betalen omdat er te weinig belasting is aangegeven. De boete bedraagt 10% van de verschuldigde belasting, tot het wettelijk maximum bedrag van € 5.514 (tot 1 januari 2020 € 5.278) per kalenderjaar. (…)”
De aan belanghebbende gerichte facturen van [A BV] , gedateerd in 2019 en 2020, vermelden het volgende adres van [A BV] : [adres 2] te [plaats 2] .
Uit een door de Inspecteur verstrekt overzicht van vestigingsadressen van [A BV] volgt dat deze vennootschap van 26 september 2018 tot en met 1 februari 2022 een vestigingsadres had in Spanje.
Uit een door de Inspecteur verstrekte akte van levering volgt dat de dga in 2019 en 2020 eigenaar was van het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] .
De aan belanghebbende gerichte facturen van [A BV] vermelden bij de beschrijving: “Volgens overeenkomst [overeenkomst] ”.
De dga heeft als opdrachtgever een overeenkomst gesloten met [A BV] als opdrachtnemer. De overeenkomst vermeldt als datum “januari 2018” en vermeldt verder onder meer:
“Opdrachtomschrijving
Acquisitie en het leveren van diensten en de juiste medewerkers voor vertalingen projectbegeleiding in de ruimste zin van het woord. Tevens onderzoek verrichten naar nieuwe (buitenlandse) werkzaamheden en activiteiten.
De werkzaamheden voor [A BV] . omvatten het volgende:
▪ Haalbaarheidsonderzoek voor de landen Italië en Spanje tav uitbreiding [belanghebbende] ;
▪ Acquisitie uitvoeren;
▪ Controleren van vergunningen;
▪ Uitvoeren van de RI&E op het project;
▪ Opstellen van de benodigde TRA’s;
▪ Aansturen van organisatorische maatregelen ten einde aan de criteria en/ of de vergunningen te voldoen , zoals bijvoorbeeld: het (begeleiden bij het) onderhouden van procedures (VCA) en vergunningen, het (begeleiden bij het) onderhouden van het veiligheidshandboek en andere veiligheidsdocumenten.
▪ Adviezen geven op het gebied betreffende beleid & organisatie.
▪ Het uitvoeren en rapporteren van een interne audit, werkplekinspecties en toolbox - meetings
▪ Het begeleiden bij het houden en het rapporteren van een Management Review;
▪ Het verzorgen van de benodigde veiligheidscursussen in buitenlandse talen zoals BHV en VCA.
Bemiddeling wederzijdse werkzaamheden voor werken in Spanje Italie ,Portugal en Nederland
(…)
Kosten & betaling
De totale kosten worden per bank of per kas betaald. Dit geschiedt immer in overleg.
Betalingen dienen binnen 14 dagen na factuurdatum te geschieden t.n.v. [A BV] .”
Belanghebbende heeft op 24 januari 2018 een “Participatie Overeenkomst” gesloten met [A BV] . In de overeenkomst is belanghebbende aangeduid als Partij 2 en [A BV] als Partij 1. De overeenkomst vermeldt onder meer:
“Partij 2 neemt deel in het project van partij 1 deze deelname bestaat uit het bemiddelen en ontwikkeling van het project in Valencia, Spanje en eveneens het project in België in [plaats 4] .
Voorwaarde is dat Partij 2 meebetaald aan de kosten en werkzaamheden die verricht worden door Partij 1. Partij 2 heeft na betaling recht op de helft van de winsten van de projecten van partij 1.”
Het btw-nummer van [A BV] is afgevoerd op 10 december 2018.
[A BV] heeft volgens de Kamer van Koophandel de volgende branchecodes:
“9313 – Fitnesscentra,
47918 - Detailhandel via internet in overige non-food
93146 – Sportscholen”
De naheffingsaanslag OB 2019 is opgelegd naar een bedrag van € 9.534. Tevens is bij beschikking € 1.092 belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen een vergrijp- en verzuimboete van respectievelijk € 2.383 en € 953 opgelegd.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag OB 2019, de rentebeschikking en de boetebeschikkingen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag OB 2019 gehandhaafd en de boetes verminderd tot € 1.405.
De naheffingsaanslag OB 2020 is opgelegd naar een bedrag van € 9.437. Tevens is bij beschikking € 829 belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een vergrijpboete van € 3.302 opgelegd.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag OB 2020, de rentebeschikking en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag OB 2020 gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot € 2.241.
De inspecteur heeft in zijn nader stuk van 20 maart 2026 geconcludeerd tot vermindering van de naheffingsaanslag OB 2019 en van de naheffingsaanslag OB 2020. Het nader stuk van 20 maart 2026 vermeldt, voor zover van belang:
“ [belanghebbende] BV BK-SHE 25/778
Aanslag 2019 (15-2-2019 t/m 31-12-2019) (…)
Oorspronkelijke
aanslag
Beschikking d.d.
25 februari 2023
Moet zijn volgens
het standpunt
van de
inspecteur in
beroep bij de RB
Moet zijn volgens
de uitspraak van
de rechtbank
van 9 april 2025
Moet zijn volgens
het standpunt van
de inspecteur in
hoger beroep
Omzetbelasting
€ 9.534
€ 9.534
€ 9.534
€ 9.081
(9.534 - 453[4])
Boete
€ 3.336
(vergrijp – en
verzuimboete)
€ 1.840[5]
(€ 1.479
vergrijpboete
25%x€ 5.918) +
€ 361
verzuimboete
10%x€ 3.616
(1.777 + 766 +
1.073)
€ 1.405
(verschrijving,
moest zijn
€ 1.748[6]
(€ 1.840-5%)
€ 1.705
(€ 1.479
vergrijpboete
25%x€ 5.918) +
€ 316 verzuimboete
10%x(3.616- 453)=
€1.795-5%)
[belanghebbende] BV BK-SHE 25/779
Aanslag 2020 (1-1-2020 t/m 31-12-2020) (…)
Oorspronkelijke
aanslag
Beschikking d.d.
25 februari 2023
Moet zijn volgens
het standpunt
van de
inspecteur in
beroep bij de RB
Moet zijn volgens
de uitspraak van
de rechtbank
van 9 april 2025
Moet zijn volgens
het standpunt van
de inspecteur in
hoger beroep
Omzetbelasting
€ 9.437
€ 9.437
€ 9.437
€ 8.815
(9.437-622[7])
Boete
€ 3.302
(vergrijp – en
verzuimboete)
€ 2.359[8]
(vergrijpboete
25%x€ 9.437)
€ 2.241
(€2.359-5%)
€ 2.093
(vergrijpboete
25%x€ 8.815-5%)
(…)
[4] Zie onderdeel 6, blz. 5 in “reactie op nadere stukken “ d.d. 13 jan 2026.
(Belanghebbende heeft op 25 juli 2025 extra facturen aan uw Hof aangeleverd voor in totaal € 979,09 aan btw. De inspecteur is van mening dat de aanvullende teruggaaf € 453 moet bedragen.)
[5] Zie verweerschrift eerste aanleg 8.3 en 8.4 blz. 11
[6] Zie 8.2 verweerschrift Hoger beroep blz. 11
[7] Zie onderdeel 6, blz. 5 in “reactie op nadere stukken “ d.d. 13 jan 2026.
(Belanghebbende heeft op 25 juli 2025 extra facturen aan uw Hof aangeleverd voor in totaal € 621,52 aan btw. De inspecteur is van mening dat de aanvullende teruggaaf € 622 moet bedragen.)
[8] Zie 8.12 en 8.13 verweerschrift in eerste aanleg blz. 13”
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de correcties die betrekking hebben op de in aftrek gebrachte omzetbelasting terecht zijn nageheven. Verder is in geschil of de boetebeschikkingen terecht zijn gegeven.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslagen en tot vernietiging van de boete- en rentebeschikkingen.
De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep (zie 2.12).
Met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2019 concludeert hij tot vermindering daarvan tot een bedrag van € 9.081, tot evenredige vermindering van de rentebeschikking en tot een vergrijpboete van € 1.479 en tot een verzuimboete van € 316.
Met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2020 concludeert hij tot vermindering daarvan tot een bedrag van € 8.815, tot evenredige vermindering van de rentebeschikking en tot vermindering van de vergrijpboete tot een bedrag van € 2.093.
4. Gronden
Naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020
Belanghebbende heeft het geconstateerde aansluitingsverschil niet bestreden, maar stelt dat hij meer omzetbelasting in aftrek kan brengen dan waar de inspecteur rekening mee heeft gehouden.
Waar het gaat om het uitoefenen van het recht op aftrek, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) geoordeeld dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op aftrek van omzetbelasting, moet bewijzen dat hij zowel voldoet aan de materiële voorwaarden voor aftrek als bedoeld in met name de artikelen 168 en 169 van BTW-richtlijn 2006, alsook aan de formele voorwaarden daarvoor zoals neergelegd in artikel 178 van BTW-richtlijn 2006 (vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.3.3).
Wat betreft de materiële voorwaarden heeft het HvJ EU in zijn arrest van 4 september 2025, SC Arcomet Towercranes SRL, ECLI:EU:C:2025:646, eraan herinnerd dat slechts aanspraak kan worden gemaakt op aftrek van voorbelasting indien (i) de betrokkene een belastingplichtige in de zin van BTW-richtlijn 2006 is, (ii) hij de goederen of diensten waarvoor op dat recht aanspraak wordt gemaakt, in een later stadium gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en (iii) die goederen of diensten door een andere belastingplichtige aan hem zijn geleverd of verricht. De belastingdienst mag van een belastingplichtige die om aftrek van voorbelasting verzoekt, verlangen dat hij andere documenten dan de factuur overlegt om te bewijzen dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan, dat wil zeggen dat de op de factuur vermelde prestaties zijn verricht en dat deze zijn gebruikt voor de belaste handelingen van de belastingplichtige, mits overlegging van die bewijzen noodzakelijk en evenredig is voor de beoordeling of is voldaan aan deze materiële voorwaarden (vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.3.4).
Wat betreft de formele voorwaarden voor het recht op aftrek geldt dat de belastingplichtige moet beschikken over een factuur die voldoet aan de daaraan wettelijk gestelde eisen. Uit de rechtspraak van het HvJ EU, waaronder het arrest Barlis, ECLI:EU:C:2016:690, volgt echter dat de belastingdienst het recht op aftrek niet mag weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan enkele formele voorwaarden, indien hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van dat recht. Wanneer de belastingautoriteiten tot de conclusie komen dat de door de belastingplichtige overgelegde facturen niet voldoen aan de formele vereisten en zij niet beschikken over alle gegevens om te kunnen vaststellen dat aan de materiële voorwaarden voor aftrek is voldaan, staat het hun daarentegen vrij om, zonder dat het evenredigheidsbeginsel zich daartegen verzet, na te gaan of aan de materiële voorwaarden voor dat recht is voldaan en daartoe te verlangen dat de belastingplichtige aanvullende bewijzen overlegt (vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.3.5).
Belanghebbende heeft facturen overgelegd van [A BV] en is van mening dat hij de op die facturen in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek mag brengen. Ter verdere onderbouwing van zijn stelling dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden voor het recht op aftrek heeft belanghebbende twee overeenkomsten overgelegd (zie 2.8.2 en 2.8.3) en getuigenverklaringen verstrekt. Verder verwijst belanghebbende naar een kasboek.
De inspecteur betwist dat [A BV] prestaties aan belanghebbende heeft verricht. Hij voert hiertoe aan dat niet voldaan is aan de materiële en de formele voorwaarden voor het recht op aftrek. Hij wijst er in dit verband op dat:
geen btw-nummer wordt vermeld op de facturen van [A BV] ;
een onjuist adres wordt vermeld op de facturen van [A BV] ;
de verrichte diensten niet worden gespecificeerd op de facturen, waardoor de aard en omvang van de verrichte diensten onduidelijk is. Op de factuur wordt alleen verwezen naar de overeenkomst [overeenkomst] ;
op de facturen de datum waarop de diensten zijn verricht niet is vermeld;
de facturen van [A BV] niet eenduidig zijn opgemaakt. Een deel van de facturen vermeldt een subtotaal en een deel van de facturen vermeldt geen subtotaal. Op een deel van de facturen komt het subtotaal niet overeen met het bedrag van de prestatie. De omzetbelasting-berekening op een deel van de facturen is onjuist;
de originele facturen ontbreken;
in de overgelegde overeenkomst [overeenkomst] geen prijsafspraken zijn gemaakt. De overeenkomst vermeldt geen uurloon, vaste vergoeding of andere prijsbepaling waaruit kan worden afgeleid welke diensten zijn verricht en welke vergoeding daartegenover staat. Het is daardoor niet duidelijk hoe de gefactureerde bedragen tot stand zijn gekomen;
van de in de overeenkomst genoemde diensten, zoals de haalbaarheidsonderzoeken en acquisitie, geen verslaglegging is richting belanghebbende. Het ontbreekt aan onderliggende bescheiden, zoals notities, verslagen, e-mails of rapporten waaruit blijkt wanneer welke werkzaamheden zijn verricht door [A BV] ;
het kasboek alleen de bankopnames en de betalingen aan [A BV] vermeldt. Volgens het kasboek is geen sprake van andere kasstromen;
het adres vermeld op de facturen van [A BV] een pand betreft dat in eigendom is bij de dga. Belanghebbende had dan ook moeten weten dat [A BV] niet (meer) was gevestigd op het adres dat stond vermeld op de facturen;
de contante opnames van de bank niet aansluiten op de betaalde bedragen;
gelet op de branchecodes (9313 – Fitnesscentra, 47918 - Detailhandel via internet in overige non-food en 93146 – Sportscholen) van [A BV] bij de Kamer van Koophandel het onwaarschijnlijk is dat [A BV] de specifieke kennis heeft om de werkzaamheden die genoemd zijn in de overeenkomst uit te voeren;
[A BV] geen belaste omzet heeft aangegeven en dus ook geen omzetbelasting heeft voldaan in de jaren 2019 en 2020, omdat er geen omzetbelasting-aangiften zijn uitgereikt. Het btw-nummer van [A BV] was in 2019 en 2020 namelijk afgevoerd.
Gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd is er voldoende reden voor twijfel of en zo ja welke (belaste) prestatie(s) door [A BV] aan belanghebbende zijn verricht. Bovendien voldoen de facturen niet aan de gestelde formele vereisten van artikel 35 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), omdat op deze facturen niet duidelijk is aangegeven welke prestatie is verricht aan belanghebbende. Het staat de Inspecteur daarom vrij te verlangen dat belanghebbende aanvullende bewijzen overlegt om te kunnen vaststellen dat aan de materiële voorwaarden voor aftrek is voldaan. De verklaringen die belanghebbende heeft overgelegd zijn daartoe onvoldoende. Deze verklaringen kunnen namelijk niet worden gecontroleerd omdat een nadere onderbouwing met bewijsstukken vrijwel ontbreekt dan wel omdat zij verwijzen naar facturen die fouten bevatten. De overeenkomsten (zie 2.8.2 en 2.8.3) die belanghebbende heeft overgelegd zijn te globaal verwoord en daaruit kan niet worden opgemaakt welke diensten zijn verricht aan belanghebbende.
De facturen en de overeenkomsten specificeren niet welke (belaste) diensten zijn verricht, zodat ook die onvoldoende duidelijk maken welke diensten zijn verricht aan belanghebbende. Ook kloppen de bedragen op die facturen niet allemaal. Dit brengt mee dat onduidelijk is voor welke bedragen belanghebbende recht op aftrek heeft. De door belanghebbende in aftrek gebrachte bedragen aan omzetbelasting op de facturen van [A BV] zijn dan ook terecht gecorrigeerd door de inspecteur.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de door belanghebbende op 25 juli 2025 aan het hof overgelegde facturen geconcludeerd tot vermindering van de naheffingsaanslag OB 2019 tot een bedrag van € 9.081 (zie 2.12 en 3.3) en tot vermindering van de naheffingsaanslag OB 2020 tot een bedrag van € 8.815. Het hof zal het hoger beroep daarom gegrond verklaren en de naheffingsaanslagen dienovereenkomstig verminderen. Voor een verdere vermindering van de naheffingsaanslagen ziet het hof geen aanleiding. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, die leiden tot een verdere vermindering van de naheffingsaanslagen.
Belastingrente
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrentes aangevoerd. Het hof vermindert het bedrag van de belastingrentebeschikkingen daarom overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslagen en ziet geen aanleiding voor een verdere vermindering.
Verzuimboete 2019
De inspecteur heeft aan belanghebbende bij het vaststellen van de naheffingsaanslag 2019 op grond van artikel 67c AWR een verzuimboete opgelegd. Een dergelijke boete kan worden opgelegd op grond van de enkele constatering dat de belasting niet, onvolledig of te laat is betaald en daarom zonder onderzoek naar de mate waarin de belastingplichtige daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas) kan evenwel het opleggen van een verzuimboete uitsluiten. Belanghebbende heeft geen feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, waaruit volgt dat sprake is van een pleitbaar standpunt dan wel van avas. Het hof is daarom van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd.
Het hof acht de verzuimboete waartoe de inspecteur concludeert, na vermindering daarvan in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, van € 316 (zie 2.12) passend en geboden.
Vergrijpboetes 2019 en 2020
Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet is betaald, vormt dit op grond van artikel 67f van de AWR een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid van dat artikel omschreven grondslag van de boete.
De inspecteur heeft op basis van artikel 67f van de AWR en § 28, lid 6, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) vergrijpboeten van 25% opgelegd en gesteld dat te weinig omzetbelasting is voldaan als gevolg van, primair grove schuld dan wel, subsidiair (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende.
Het in artikel 6, lid 3, aanhef en onder letter a, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) neergelegde recht van een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, houdt in om onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Dit houdt tevens in dat de inspecteur de belastingplichtige aan wie hij een vergrijpboete wil opleggen, niet alleen kenbaar moet maken aan welke feitelijke gedragingen van de belastingplichtige naar het oordeel van de inspecteur is te wijten dat een onjuiste aangifte is gedaan of te weinig belasting is geheven, maar ook of die gedragingen naar zijn oordeel moeten worden gekwalificeerd als (voorwaardelijk) opzet, dan wel grove schuld.
Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Het bewijs moet per correctie worden geleverd.
Grove schuld is aanwezig bij een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van onachtzaamheid (HR 23 juni 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3678). De betrokkene moet een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt (te denken valt aan grove onachtzaamheid of ernstige nalatigheid). Lichtere vormen van schuld rechtvaardigen het opleggen van een vergrijpboete niet (HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97).
Bij grove schuld had belanghebbende bij het doen van aangifte redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat dit tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. De vraag of de boete in stand kan blijven, moet voor elk aangiftetijdvak afzonderlijk worden beoordeeld. In het geval van belanghebbende is dat per kwartaal. De inspecteur moet grove schuld van belanghebbende op die momenten bewijzen (HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492).
Van opzet is sprake bij willens en wetens handelen. Opzet omvat mede voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de belastinglichtige bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden betaald. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97 en HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063).
De inspecteur is van mening dat hij overtuigend heeft bewezen dat [A BV] geen diensten ten aanzien waarvan de omzetbelasting voor aftrek in aanmerking komt heeft verricht aan belanghebbende. Primair stelt hij dat (de dga van) belanghebbende had moeten begrijpen dat door deze omzetbelasting toch in aftrek te brengen, te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan (grove schuld). Subsidiair stelt hij dat (de dga van) belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan door de omzetbelasting in aftrek te brengen ((voorwaardelijk) opzet).
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de inspecteur in zijn verweerschrift in beroep verwezen naar de feiten en omstandigheden die ook stonden vermeld in het controlerapport (zie 2.6). Ten aanzien van de overeenkomst, die in beroep is overgelegd (zie 2.8.2), heeft de inspecteur nog aangegeven dat daarin slechts een algemene omschrijving van de werkzaamheden is gegeven. De overeenkomst vermeldt geen uurloon, vaste vergoeding of andere prijsbepaling waaruit kan worden afgeleid welke diensten zijn verricht en welke vergoeding daartegenover staat. Verder heeft de inspecteur in beroep gesteld dat [A BV] in 2018 geen belaste omzet heeft aangegeven.
Uit hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, volgt dat belanghebbende in elk van de kwartalen van 2019 en 2020 omzetbelasting in aftrek heeft gebracht op basis van onjuiste en niet complete facturen. Ook volgt daaruit dat belanghebbende op geen enkele wijze een concrete onderbouwing heeft kunnen geven van de diensten die aan haar zouden zijn verricht, wanneer die diensten verricht zouden zijn en welke vergoeding voor de diensten is betaald. Ook de verklaringen van diverse personen die belanghebbende heeft overgelegd, geven daarover geen duidelijkheid.
De inspecteur heeft daarmee overtuigend bewezen dat de dga van belanghebbende op het moment dat hij de aangiftes omzetbelasting voor elk van de tijdvakken in 2019 en 2020 voor belanghebbende deed redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat hij met de gegevens die hij op dat moment voorhanden had, geen aftrek zou krijgen van de omzetbelasting op de facturen van [A BV] en dus dat te weinig belasting zou worden betaald. Immers, van de dga van belanghebbende, die zelfstandig de administratie en aangiften omzetbelasting voor belanghebbende deed, mag worden verlangd dat hij zich verdiept in de formele en materiële belastingregels om dat recht op aftrek te kunnen krijgen. De gedragingen van de dga van belanghebbende kunnen aan belanghebbende worden toegerekend. Gelet op het voorgaande acht het Hof de vergrijpboetes waartoe de inspecteur na vermindering daarvan in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, van respectievelijk € 1.479 en € 2.093 (zie 2.12) concludeert, passend en geboden.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst pas na vijf jaar met de kwalificatie komt dat de kosten niet zakelijk zijn waardoor de kosten niet in aftrek kunnen komen. Dit is in strijd met de rechtszekerheid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus belanghebbende.
Belanghebbende kan niet gevolgd worden in haar stelling aangezien de inspecteur al bij de afronding van het boekenonderzoek het standpunt heeft ingenomen dat de kosten van [A BV] en de overige inkoopkosten niet in aftrek kunnen komen omdat belanghebbende niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 579 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door Chr.Th.P.M. Zandhuis, voorzitter, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in tegenwoordigheid van R. Wijkstra, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
De griffier, De voorzitter,
R. Wijkstra Chr.Th.P.M. Zandhuis
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.