ECLI:NL:GHSHE:2026:189

ECLI:NL:GHSHE:2026:189

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 24/454
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:1503

Samenvatting

Lucratief belang, toepassing artikel 7.2, lid 2, onder c, en lid 3, jo. artikel 3.92b Wet IB 2001, alsmede het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen 2012. Belanghebbende is woonachtig in Duitsland en bezit een lucratief belang in een Nederlandse vennootschap, waaruit dividenden zijn ontvangen en een vervreemdingswinst is gerealiseerd. Het hof oordeelt dat het ontvangen dividend valt onder toepassingsbereik van artikel 10 van het Verdrag. Het vervreemdingsvoordeel valt onder toepassingsbereik van artikel 13, lid 5, van het Verdrag. Het dividend en/of het vervreemdingsvoordeel valt niet (tevens) onder artikel 14, lid 1, van het Verdrag (onzelfstandige arbeidsartikel). Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/454

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 maart 2024, nummer BRE 23/3013, in het geding tussen de inspecteur en

[belanghebbende] ,

wonend in [plaats] (Duitsland),

hierna: belanghebbende.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende.

De zitting heeft via een geluid- en beeldverbinding plaatsgevonden op 8 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2. Feiten

Belanghebbende woonde in ieder geval sinds 24 mei 1996, en derhalve dus ook in 2018, in Duitsland en was tot en met en met 30 september 2018 in dienstbetrekking bij de in Nederland gevestigde vennootschap [Vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap) Belanghebbende was in 2018 fiscaal (verdrags)inwoner van Duitsland.

De aandelen in de vennootschap zijn (ten titel van beheer) in eigendom van [Stichting] B.V. Het aandelenkapitaal van de vennootschap bestaat uit gewone aandelen en cumulatief preferente aandelen:

Aandelensoort

Certificaathouder

Aantal

Nominale waarde per aandeel

Totaal

3% cumulatief preferent

[bedrijf] B.V.

199

€ 100

€ 19.900

Gewone aandelen

[belanghebbende]

1

€ 100

€ 100

Totaal

200

€ 20.000

Belanghebbende was tot 1 oktober 2018 houder van een certificaat van een gewoon aandeel in de vennootschap, hetgeen overeenkomt met een 0,5% belang in het totale geplaatste kapitaal van de vennootschap. Dit belang kwalificeert als een (direct gehouden) lucratief belang in de zin van artikel 7.2, lid 2, onder c, en lid 3, jo. artikel 3.92b Wet IB 2001. Het certificaat van het gewone aandeel dat belanghebbende hield was niet toerekenbaar aan een Nederlandse vaste inrichting van belanghebbende.

Belanghebbende heeft in 2018 uit het lucratief belang in totaal € 1.883.697 aan dividenden ontvangen. De vennootschap heeft hierover 15% Nederlandse dividendbelasting, derhalve een bedrag van € 282.554, ingehouden en afgedragen.

Op 1 oktober 2018 heeft belanghebbende zijn lucratief belang vervreemd aan [bedrijf] B.V. Belanghebbende heeft daarbij een vervreemdingswinst gerealiseerd van € 5.183.962.

Belanghebbende heeft op 14 februari 2020 met een C-biljet voor buitenlands belastingplichtigen aangifte IB/PVV 2018 gedaan (de aangifte). In de aangifte is het vervreemdingsvoordeel van € 5.183.962 als inkomsten uit overige werkzaamheden verantwoord en is tevens aangeven dat dit bedrag in zijn geheel niet in Nederland belastbaar is. Het dividend is in de aangifte verantwoord als Nederlandse inkomsten belast tegen een verlaagd tarief van 15%.

De inspecteur heeft op 11 augustus 2022 de aanslag IB/PVV 2018 opgelegd waarbij hij is afgeweken van de aangifte. In de aanslag IB/PVV 2018 is onder andere uitgegaan van een resultaat uit overige werkzaamheden van € 5.413.827. Het resultaat uit overige werkzaamheden bestaat uit het totale inkomen uit het lucratief belang (€ 1.883.697 dividend + € 5.183.962 vervreemdingsvoordeel = € 7.067.659) vermenigvuldigd met 76,6%, zijnde het deel van loon dat belanghebbende gedurende zijn gehele dienstverband bij de vennootschap aan loon heeft genoten en dat in Nederland belastbaar was. Op basis hiervan is de aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.685.133, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.798. Tevens is bij beschikking € 100.132 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.155.003 en onder toepassing van het 15% tarief op het daarin begrepen dividend van € 1.883.697, met instandhouding van de overige elementen van de aanslag en heeft de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee gewijzigd. De rechtbank heeft de inspecteur voorts veroordeeld tot betaling van € 2.370 aan proceskosten aan belanghebbende en heeft bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de vraag welke toewijzingsbepaling(en) uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen 2012 (hierna: het Verdrag) van toepassing is (zijn) op het door belanghebbende genoten inkomen uit het lucratief belang.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat op het totale inkomen uit het lucratief belang het onzelfstandige arbeidsartikel , te weten artikel 14, lid 1, van het Verdrag van toepassing is en dat de aanslag daarom niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De inspecteur is van mening dat voordelen uit een lucratief belang onder het begrip “salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen (…) ter zake van een dienstbetrekking” vallen. Hij wijst daarbij – onder andere – op de doelstelling van de lucratiefbelangregeling en de ‘ware fiscale aard’ van het inkomen uit lucratief belang, dat volgens hem een beloning voor verrichtte arbeid is.

Belanghebbende is van opvatting dat de binnen de Wet IB 2001 geldende rangorderegeling, die door de inspecteur geheel buiten beschouwing wordt gelaten, en de heffing naar nationaal recht, niet toestaan dat de voordelen uit lucratief belang in het onderhavige jaar op basis van de 'ware aard'- redenering (verdragsrechtelijk) onder het onzelfstandige arbeidsartikel worden geschaard. De ware aard van inkomsten in het jaar 2018 is bovendien inkomsten uit aandelen, respectievelijk vervreemdingsresultaat van aandelen.

Tussen partijen is niet in geschil dat, zo artikel 14, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op het totale inkomen uit het lucratief belang, de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Tussen partijen is evenmin in geschil dat, zo genoemd artikel niet van toepassing op het totale inkomen uit het lucratief belang, de uitspraak van de rechtbank juist is.

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

“Het dividend valt onder artikel 10 van het Verdrag

Het dividend dat belanghebbende heeft ontvangen valt binnen de in artikel 10, lid 3 van het Verdrag gegeven definitie van ‘dividenden’ aangezien sprake is van inkomsten uit aandelen die aanspraak geven op een aandeel in de winst. Artikel 10 van het Verdrag (hierna ook wel: het dividendartikel) is derhalve naar haar tekst in het onderhavige geval van toepassing. Uit de toelichting van de verdragsluitende partijen bij die bepaling, noch elders uit het Verdrag, blijkt van een gemeenschappelijke van die tekst afwijkende bedoeling indien het gaat om aandelen die een lucratief belang vormen. De omstandigheid dat een dividend uit aandelen die een lucratief belang vormen voor de belastingheffing in Nederland als resultaat uit overige werkzaamheden wordt belast, is naar het oordeel van de rechtbank voor de uitleg van het Verdrag zonder betekenis.2

Het vervreemdingsvoordeel valt onder artikel 13, lid 5 van het Verdrag

Het vervreemdingsvoordeel dat belanghebbende heeft gerealiseerd is ontstaan door vervreemding van zijn certificaat van aandeel in de vennootschap. Artikel 13, lid 5 van het Verdrag (hierna ook wel: het vermogenswinstartikel) bepaalt dat voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere goederen dan die bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, slechts belastbaar zijn in de woonstaat van de vervreemder. Artikel 13, lid 5 van het Verdrag komt overeen met artikel 13, lid 5 van het OESO-modelverdrag. De vervreemding van aandelen staat niet genoemd in de leden 1 tot en met 4 en valt derhalve onder de restbepaling van het vijfde lid. Dat vervreemdingsvoordelen uit aandelen onder de reikwijdte van artikel 13, lid 5 van het OESO-modelverdrag vallen blijkt ook uit het OESO-commentaar, zoals dat commentaar sinds 2010 luidde (punt 30 van het commentaar op artikel 133).

Het dividend en/of het vervreemdingsvoordeel valt niet (tevens) onder artikel 14, lid 1 van het Verdrag

Om onder het arbeidsartikel te kunnen vallen moet sprake zijn van ‘salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen’.4 Deze uitdrukking is niet gedefinieerd in het Verdrag. De verdragsluitende partijen hebben ook geen toelichting gegeven over wat hieronder moet worden verstaan. Artikel 14, lid 1 van het Verdrag komt overeen met artikel 15, lid 1 van het OESO-modelverdrag. Ook in het OESO-commentaar is geen omschrijving gegeven van deze uitdrukking. Gelet op artikel 3, lid 2 van het Verdrag heeft deze uitdrukking derhalve de betekenis welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de toepasselijke Nederlandse belastingwetgeving, tenzij de context anders vereist. Het inkomen uit lucratief belang wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Het regime van inkomen uit dienstbetrekking5 is niet van toepassing. De wetgever heeft bewust gekozen om de regels inzake lucratief belang geen onderdeel te laten zijn van het loonbegrip.6 Volgens de toepasselijke Nederlandse belastingwetgeving kwalificeert het inkomen uit lucratief belang dus niet als inkomen uit dienstbetrekking. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval niet mogelijk is om via artikel 3, lid 2 van het Verdrag in het arbeidsartikel terecht te komen. De inspecteur verdedigt echter dat de context hier een andere uitleg vereist. Volgens de inspecteur betreft het genoten inkomen naar haar ware aard inkomen uit arbeid omdat sprake is van een lucratief belang.7 Volgens de rechtbank kan die opvatting niet worden gevolgd, aangezien enkel de nationale fiscale kwalificatie van inkomensbestanddelen als lucratief belang niet meebrengt dat voor verdragsrechtelijke doeleinden dan ook sprake is van arbeidsinkomen. De uitleg die de inspecteur voorstaat roept in wezen een fictie in het leven, namelijk dat de kwalificatie – naar nationaal recht – van een inkomensbestanddeel als lucratiefbelanginkomen ertoe leidt dat dit inkomensbestanddeel als inkomen uit dienstbetrekking voor verdragstoepassingsdoeleinden moet worden aangemerkt. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding en houdt, ook in het kader van de goede verdragstrouw, vast aan een meer grammaticale uitleg van het Verdrag. De rechtbank betrekt daarbij in haar overwegingen dat de lucratiefbelangregeling reeds voor de totstandkoming van het Verdrag in de Nederlandse wet stond en daarbij geen aanleiding is gezien om hier in de context van het Verdrag bijzondere aandacht aan te besteden.8 Niet valt in te zien hoe de context van het Verdrag dan een andere uitleg vereist dan een uitleg die aansluit bij de verschijningsvorm van de genoten inkomsten.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het dividend en het vervreemdingsvoordeel niet (tevens) onder het arbeidsartikel vallen. Derhalve hoeft ook niet de vraag te worden beantwoord welke verdragsbepaling voorrang heeft.

Onder vermelding van de volgende voetnoten:

voetnoot 2: Vergelijk Hoge Raad 3 juli 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4644.

voetnoot 3: Hierin staat het volgende: ‘[Including shares, bonds and other securities] The Article does not contain special rules for gains from the alienation of shares in a company (other than shares of a company dealt with in paragraph 4) or of securities, bonds, debentures and the like. Such gains are, therefore, taxable only in the State of which the alienator is a resident.’

voetnoot 4: Artikel 14, lid 1 van het Verdrag.

voetnoot 5: Artikel 3.81 Wet IB 2001 jo. artikel 10, lid 1, Wet LB 1964.

voetnoot 6: Zie ook TK, 2007-2008, 31.459, nr. 3, p.8.

voetnoot 7: De inspecteur verwijst hiervoor naar punt 2.3 van het OESO-commentaar bij artikel 15 OESO-modelverdrag en de punten 12.2 en 12.4 van het OESO-commentaar op artikel 15 OESO-modelverdrag.

voetnoot 8: Vgl. Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2497, r.o. 2.3.3.”

Het hof onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

In hoger beroep heeft de inspecteur nog aangevoerd dat uit het commentaar op het OESO-modelverdrag, met name onderdelen 2.3, 12.2 en 12.4, volgt dat inkomen uit lucratief belang onder het begrip “salaris, loon en/of een andere soortgelijke beloning (…) ter zake van een dienstbetrekking” als bedoeld in artikel 14, lid 1, van het Verdrag valt. Met deze omschrijving wordt, zo volgt nadrukkelijk uit het OESO-commentaar op het met artikel 14 van het Verdrag overeenkomende artikel 15 van het OESO-modelverdrag, inkomen uit dienstbetrekking in brede zin bedoeld, aldus de inspecteur.

Onderdeel 12.2 van het OESO-commentaar (The treatment of employee stock-options) bij artikel 15 van het OESO-modelverdrag luidt voor zover relevant als volgt:

“While the Article applies to the employment benefit derived from a stock-option granted to an employee regardless of when that benefit is taxed, there is a need to distinguish that employment benefit from the capital gain that may be derived from the alienation of shares acquired upon the exercise of the option. This Article, and not Article 13, will apply to any benefit derived from the option itself until it has been exercised, sold or otherwise alienated (e.g. upon cancellation or acquisition by the employer or issuer). Once the option is exercised or alienated, however, the employment benefit has been realised and any subsequent gain on the acquired shares (i.e. the value of the shares that accrues after exercise) will be derived by the employee in his capacity of investor-shareholder and will be covered by Article 13. Indeed, it is at the time of exercise that the option, which is what the employee obtained from his employment, disappears and the recipient obtains the status of shareholder (and usually invests money in order to do so).”

Het hof wijst erop dat met de tekst van artikel 14, lid 1, van het Verdrag zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij het OESO-modelverdrag. en dat onderdeel 12.2 van het OESO-commentaar ten tijde van sluiten van het Verdrag zo luidde en daarom grote betekenis heeft voor de interpretatie van dit artikel. Het hof leest in het hierboven vermelde OESO-commentaar dat het onzelfstandige arbeidsartikel van toepassing is op door een werkgever verstrekte aandelenopties. Het OESO-commentaar vermeldt verder dat, na uitoefenen of vervreemding van deze aandelenopties, het arbeidsvoordeel is gerealiseerd en dat elke daarop volgende meerwaarde op de verkregen aandelen (de waardestijging van de aandelen na de uitoefening), genoten wordt door de werknemer in zijn hoedanigheid van investeerder-aandeelhouder en valt onder het toepassingsbereik van artikel 13 van het OESO-modelverdrag. Artikel 13 van het OESO-modelverdrag heeft betrekking op vermogenswinsten (capital gains).

Belanghebbende is sinds 2000 onherroepelijk houder van een certificaat van een aandeel in de vennootschap. Naar het oordeel van het hof volgt dan ook uit het Verdrag en uit het OESO-commentaar dat belanghebbende in 2018 de lucratief belang voordelen heeft verkregen uit hoofde van zijn aandeelhouderschap. Toepassing van artikel 15 van het OESO-modelverdrag, of artikel 14 van het Verdrag, komt dan niet meer in beeld. Het wel toepassen van deze verdragsartikelen zou een verschuiving teweegbrengen in de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen Nederland en Duitsland en is dan ook in strijd met de goede verdragstrouw.

Bevestiging van voorgaand oordeel ontleent het hof ook aan het Besluit Lucratief belang in internationale situaties. Onderdeel 2 van artikel 3 (Verdragstoepassing bij voordelen genoten uit een lucratief belang) van dit besluit luidt als volgt:

“In gevallen waarin nationaalrechtelijk aan de voorwaarden van artikel 3.95b, vijfde lid, Wet IB 2001 wordt voldaan, vindt enkel heffing plaats volgens het AB-regime in box 2. Dit houdt in dat op reguliere voordelen het dividendartikel van toepassing is en op vervreemdingsvoordelen het vermogenswinstartikel van het belastingverdrag moet worden toegepast.”

Hieruit volgt dat de – niet in Nederland woonachtige – houder van een middellijk gehouden lucratief belang die kiest voor heffing over de voordelen als inkomen uit aanmerkelijk belang, in de optiek van de staatssecretaris van Financiën voor verdragstoepassing géén inkomen uit arbeid geniet, maar inkomen uit aandelen. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat in een dergelijk geval het arbeidskarakter verdragsrechtelijk dan niet voorgaat op het beleggingskarakter. Het hof merkt op dat deze opvatting moeilijk te rijmen valt met de ware aard-redenering van de inspecteur, die er immers op neerkomt dat de ware aard van de inkomsten maakt dat deze – onafhankelijk van de nationaalrechtelijke fiscale behandeling – onder het onzelfstandige arbeidsartikel van het verdrag zouden vallen. Het antwoord op de vraag wat de ware aard van de inkomsten is, kan immers niet afhankelijk zijn van een door de belastingplichtige te maken keuze. Aan rechtsoverwegingen. 5.3 en 5.5 van de rechtbank voegt het hof nog toe dat de inkomsten uit lucratief belang-aandelen voor de belastingheffing in Nederland worden begrepen onder het overig arbeidsinkomen, dan wel onder inkomen uit aanmerkelijk belang en dat dit in beide gevallen niet inkomen uit dienstbetrekking betreft.

Het hof komt tot de conclusie dat ook uit het OESO-modelverdrag en de toelichting daarop volgt dat belanghebbende de inkomsten uit zijn lucratief belang heeft genoten op basis van het dividendartikel, dan wel het vermogenswinstartikel.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 559, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, J.M. van der Vegt en M. Ferrier, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

M.M. Stassen-Kanters J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021201
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?