GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.309.822/01
arrest van 21 juli 2026
in de zaak van
1. Gemeente Tilburg,zetelend te Tilburg,
2. Mandatis B.V.,
tevens handelende onder de naam Melior Verzekeringen,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna afzonderlijk aan te duiden als de gemeente en Melior en gezamenlijk als
de gemeente c.s.,
advocaat: mr. I.I. Assink te Borne,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. P.W.M. Gossens te 's-Hertogenbosch.
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 november 2023, 18 maart 2025 en 5 augustus 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 9722969 CV EXPL 22-845 gewezen vonnis van 1 december 2020.
11. Het verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
Het hof heeft partijen op 24 april 2026 op de hoogte gesteld van een wijziging in de samenstelling van de behandelende kamer. Partijen hebben daarop niet gereageerd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
12. De verdere beoordeling
In het tussenarrest van 5 augustus 2025 heeft het hof [persoon A] , verkeerskundige, tot deskundige benoemd en bepaald dat de deskundige antwoord dient te geven op de volgende vragen:
Zijn er algemene onderzoeksgegevens?
1. Is er statistisch onderzoek verricht naar (het aantal) enkelvoudige ongevallen van verkeersdeelnemers, waaronder fietsers, die in aanraking komen met tijdelijke/permanente fysieke middelen op de weg en in het bijzonder met biggen- (of varkens-) ruggen?
2. Is er wetenschappelijk onderzoek verricht naar het gebruik van vormen van weginrichting, in het bijzonder met toepassing van biggenruggen, ter geleiding van verkeersstromen? Zo ja:
a. is onderzoek gedaan naar en/of geadviseerd over het risico op enkelvoudige ongevallen van bestuurders, waaronder fietsers, die in aanraking komen met fysieke middelen, waaronder biggenruggen?
b. is daarbij onderzoek gedaan naar alternatieve maatregelen om de verkeersstromen zo veilig mogelijk, althans veiliger dan door middel van biggenruggen, te geleiden?
c. is daarbij onderzoek gedaan naar en/of geadviseerd over (verbetering van) de zichtbaarheid van fysieke middelen, waaronder biggenruggen?
Algemene vragen over biggenruggen
3. Is er een vaste maatvoering voor de biggenrug/varkensrug? Zo nee, kan worden aangegeven welke maat voor welke situatie geëigend is?
4. Plegen verkeersdeelnemers te worden gewaarschuwd voor de aanwezigheid van biggenruggen en, zo ja, hoe?
5. Hoe zichtbaar dient een biggenrug te zijn en welke maatregelen zijn geëigend om de zichtbaarheid te waarborgen?
Concrete vragen over de biggenruggen ter plaatse van het ongeval
6. Was het plaatsen van de biggenruggen in de Winkler Prinsstraat in Tilburg, een ontsluitingsweg, destijds in overeenstemming met de geldende regelgeving? Zo ja, was de beslissing van de gemeente tot plaatsing een beslissing die een redelijk handelend verkeerskundige op dat moment had kunnen onderschrijven? Zo nee, waarom niet? Wilt u in de beoordeling betrekken dat de weginrichting van de Winkler Prinsstraat in ieder geval van voor 2005 is?
7. Hoe groot is de kans dat fietsers schuin oversteken en daarbij vanaf de rijbaan het fietspad op willen fietsen? Wilt u vervolgens bij uw antwoord betrekken:
a. de doorgetrokken witte strepen en hun functie/zichtbaarheid;
b. hoe groot die kans is als het ‘s nachts gebeurt bij geen verkeersdrukte?
8. Hoe beoordeelt u de zichtbaarheid van de biggenruggen zowel bij licht als bij donker gezien vanaf de rijbaanzijde, waarbij u ook de naderingsafstand in acht neemt waarbinnen een fietser nog tijd heeft om te remmen/bij te sturen? Wilt u bij deze beoordeling ook de verlichting ter plaatse meewegen?
9. Is voor verkeersdeelnemers voldoende duidelijk welke betekenis de zwart-witte verkeerszuil heeft en wat zij moeten verwachten ten aanzien van de biggenruggen die daarachter liggen, c.q. verlaagt deze zuil het botsrisico voor fietsers tegen de biggenruggen?
10.
a. Zijn er naar uw oordeel voldoende maatregelen getroffen om fietsers te waarschuwen voor de biggenruggen in de Winkler Prinsstraat te Tilburg?
b. Is daarbij naar uw oordeel van belang dat het ongeval ’s nachts - in het donker dus - plaatsvond terwijl het regende en de fietser de kruising (heel) schuin overstak?
11. Was naar uw oordeel de weginrichting in de Winkler Prinsstraat te Tilburg, een ontsluitingsweg, ten tijde van het ongeval in de nacht van 12 op 13 januari 2019:
a. in overeenstemming met aan een deugdelijke weginrichting te stellen eisen?
b. de meest gebruikelijke;
c. de meest veilige?
d. Welke voorzorgsmaatregelen c.q. welk veiliger alternatief voor de in de Winkler Prinsstraat te Tilburg aanwezige weginrichting met biggenruggen waren c.q. was naar uw oordeel mogelijk en redelijkerwijs van de gemeente te vergen, destijds en op een later moment?
Het hof verzoekt u bij de beantwoording van deze vragen rekening te houden met (de rijrichting van) fietsers komende vanuit de Groenstraat.
12. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
Alvorens de antwoorden van de deskundige te bespreken roept het hof de volgende overwegingen uit het (eerste) tussenarrest van 14 november 2023 in herinnering:
“3.6.5. Op de wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549 (Bussluis)). Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, (Wilnis), rov. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831 (Reaal/Deventer)).
Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, rov. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47). Tevens is van belang dat het enkele feit dat de weg ter plaatse gevaar oplevert, onvoldoende is voor het oordeel dat de weg niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld.
Het hof overweegt als volgt. Volgens de hiervoor in rov. 3.6.6. genoemde ‘kelderluikcriteria’ is bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld mede van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is. Dat is een factor die het hof in samenhang met andere factoren moet bezien, waarbij het gaat om een afweging tussen enerzijds de aard en de omvang van het risico op schade en anderzijds de te nemen voorzorgsmaatregelen. Het achterwege laten van voorzorgsmaatregelen of de aanwezigheid van een veiliger alternatief kan wijzen op gebrekkigheid van de opstal. Is echter sprake van een zeer kleine kans op verwezenlijking van het risico, dan kan dit reden zijn dat de opstal niet gebrekkig is (vgl. conclusie A-G Rank-Berenschot 7 juli 2023, ECLI:NL:PHR:2023:670).”
(…)
Het hof acht zich ten aanzien van de vraag hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is dat een fietser in een situatie als destijds aanwezig in de Winkler Prinsstraat in aanraking komt met een biggenrug en daardoor ten val komt, in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd, nog onvoldoende voorgelicht. Het hof overweegt met betrekking tot deze punten een deskundigenbericht in te winnen en wenst zich daarover te verstaan met partijen. Ook aan de vraag waarom de gemeente daar biggenruggen heeft geplaatst (en geen andere weginrichting heeft gekozen) dient naar het oordeel van het hof nadere aandacht te worden besteed. (…)”
De antwoorden van de deskundige op de hiervoor onder 12.1. weergegeven vragen dienen, in samenhang bezien, het hof aldus de voorlichting te geven die het nodig heeft om te kunnen beoordelen hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is dat een fietser in een situatie als destijds aanwezig in de Winkler Prinsstraat in aanraking komt met een biggenrug en daardoor ten val komt en waarom de gemeente daar biggenruggen heeft geplaatst. Ook dient de vraag welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn te worden beantwoord.
Uit het deskundigenbericht (hierna ook aangeduid als: het rapport) blijkt dat de deskundige op 10 september 2025 van 16:30 uur tot 21:00 uur een veldbezoek aan de plaats van het ongeval heeft gebracht, waarbij hij de situatie aldaar zowel bij daglicht als bij duisternis in ogenschouw heeft genomen en dat partijen daarbij van 17:00 uur tot 18:00 uur aanwezig zijn geweest. Voorts blijkt uit het rapport dat de deskundige onderzoek naar literatuur en richtlijnen heeft gedaan. De deskundige heeft de vragen van het hof beantwoord en meer in het algemeen beschouwingen over de weginrichting van de Winkler Prinsstraat gegeven.
Het hof stelt vast dat het rapport naar de wijze van tot stand komen voldoet aan de eisen die daaraan gesteld kunnen en moeten worden. De deskundige heeft zijn concept-rapport naar partijen gestuurd en het ontvangen commentaar in het definitieve rapport opgenomen en adequaat besproken. Het rapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen van relevantie, kwaliteit, consistentie en coherentie.
Bij de bespreking van de antwoorden en de meer algemene beschouwingen van de deskundige stelt het hof voorop dat een eventuele beslissing om de zienswijze van de door het hof benoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder hoeft te worden gemotiveerd dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering het hof overtuigend voorkomt. Wel zal het hof moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door het hof benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vergelijk HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468).
In het rapport schrijft de deskundige dat de Winkler Prinsstraat een gebiedsontsluitingsweg, een verkeersader, is waar ook met hogere snelheden gereden wordt. Volgens het rapport is de weg opgebouwd uit trottoirs aan weerszijden, met daartussen een fietsstrook van 1,6 meter, een scheiding met biggenruggen van 0,75 meter, een rijloper van 6,1 meter en aan de overkant van (de kant van de weg waar) het ongeval (plaatsvond) een scheiding van 0,6 meter, een fietspad van 1,8 meter breed en een groenvak met struiken. De scheiding met biggenruggen is opgebouwd uit een witte streep van 0,1 meter, een redresseerstrook van 0,15 meter, een biggenrug van 0,25 meter, een redresseerstrook van 0,15 meter en een witte streep van 0,1 meter.
Die weginrichting voldoet volgens het rapport grotendeels aan de basiskenmerken Duurzaam Veilig. De deskundige constateert een aantal afwijkingen van de Basiskenmerken kruispunten en rotondes, CROW 315a, waaronder dat op de gebiedsontsluitingsweg geen rijrichtingscheiding/middengeleider is toegepast, een voorziening die het zeer schuin oversteken van de fietser onmogelijk (of minder aantrekkelijk) had gemaakt. De deskundige maakt daarbij de kanttekening dat het gaat om actuele richtlijnen die van recenter datum zijn dan het wegontwerp. Ook valt volgens de deskundige een aantal details op, waaronder het ontbreken van kanalisatiestrepen voor de fietsoversteek over de Winkler Prinsstraat en de ertegenover gelegen Transvaalstraat en het ontbreken van asmarkering. Kanalisatiestrepen, aldus de deskundige, geleiden de fietser (en voetganger) naar de overkant. Kanalisatiestrepen in tegengestelde richting hadden duidelijk kunnen maken dat de fietser (hof: [geïntimeerde] ) op het wegvak (hof: en niet op het fietspad) uitkwam. De deskundige heeft opgemerkt dat de beschikbare ruimte in de Winkler Prinsstraat beperkt is en dat de gemeente daardoor heeft moeten woekeren met de beschikbare ruimte.
Ten tijde van het ontwerp was het toepassen van biggenruggen als scheiding volgens de deskundige niet ongebruikelijk. De deskundige verwijst naar twee ten tijde van ontwerp en realisatie van het kruispunt gezaghebbende richtlijnen van CROW, te weten ‘Tekenen voor de fiets – ontwerp wijzer voor fietsvriendelijke infrastructuur’, CROW publicatie 74 (1993) en CROW-publicatie ASVV 1996. In ‘Tekenen voor de fiets’ worden randen, zoals biggenruggen, als maatregel beschreven (en toepassing ervan wordt dus niet afgeraden). Als extra aandachtspunten worden genoemd de herkenbaarheid aan het begin van het fietspad, de zichtbaarheid van de rand, ook in het donker en de vorm van de rand. Volgens ASVV 1996 is toepassing van de smalle fysieke scheiding, waaronder de halfronde betonband (biggenrug), op wegen met een belangrijke verkeersfunctie voor autoverkeer, passend. Voor de uitvoering geeft CROW aan: “banden of richel wit of zwart-wit geblokt schilderen”. Niet in geschil is dat de biggenruggen ten tijde van het ongeval niet geschilderd en grijs waren. De deskundige schrijft daarover: “De zichtbaarheid van de biggenruggen ten tijden van het ongeval was in het beste geval matig, en de zichtbaarheid was vooral dankzij het contrast van het grijs van de biggenrug met de witte streep aan weerszijden van de biggenruggen. Zonder de witte streep was de biggenrug slecht zichtbaar geweest. De matige zichtbaarheid van de biggenruggen geldt zowel bij daglicht als bij straatverlichting. De regen – een niet ongebruikelijke situatie – zal de zichtbaarheid van de biggenruggen nog weer verder hebben verslechterd.”
Het hof oordeelt als volgt. De beantwoording door de deskundige van de gestelde vragen en de algemene toelichtingen van de deskundige komen het hof overtuigend voor.
De gemeente moest bij het ontwerp en de inrichting van de weg, een gebiedsontsluitingsweg/verkeersader, rekening houden met intensief gebruik ervan door automobilisten en fietsers, en de weg, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken, deugdelijk inrichten. Daarbij dient de wegbeheerder er volgens vaste rechtspraak rekening mee te houden dat niet alle weggebruikers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid in acht zullen nemen.
Volgens vaste jurisprudentie komt het bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, “en dus niet gebrekkig is”, aan op “de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.”
Ter beoordeling ligt dan ook voor de inrichting van de weg, de Winkler Prinsstraat in Tilburg. De deskundige heeft aangegeven dat het plaatsen van de betonnen biggenruggen ter plaatse een passende voorziening is, nu zij dient als afscheiding van het fietspad. Hij stelt evenwel ook dat een dergelijke biggenrug “onder alle omstandigheden” wel goed zichtbaar moet zijn. Daarvan is geen sprake, gelet op hetgeen de deskundige heeft aangegeven (zie hierboven rov 12.8).
Nu de biggenruggen, betonnen obstakels op de weg, niet goed zichtbaar waren, is de kans groot dat gebruikers van de weg, waaronder fietsers, in aanraking komen met deze biggenruggen, daardoor vallen en ernstig letsel oplopen. Daar komt bij dat uit het deskundigenbericht blijkt dat de gemeente veiligheidsmaatregelen had moeten treffen. Voor de uitvoering geeft CROW aan, aldus de deskundige, dat banden of richels wit of zwart-wit geblokt geschilderd moeten worden. Wit verven is, aldus de deskundige, de geëigende manier om de zichtbaarheid van de biggenruggen ten opzichte van de omgeving te waarborgen.
Het hof concludeert dat de weg ter plaatse gebrekkig is, nu deze daardoor gevaar voor (mogelijk ernstig letsel van) de gebruikers oplevert en dat dit (relatief eenvoudig en tegen betrekkelijk geringe kosten te voorkomen) gevaar, namelijk een botsing met een biggenrug nu deze niet onder alle omstandigheden goed zichtbaar was, zich heeft verwezenlijkt: [geïntimeerde] heeft de biggenruggen niet gezien en is daarmee in botsing gekomen.
De gemeente betoogt dat zij geen rekening behoefde te houden met de wijze waarop [geïntimeerde] de kruising schuin is overgestoken en daardoor op het gedeelte van de weg is gekomen dat voor fietsers verboden is. Zij behoefde dus geen rekening te houden met dit gedrag. Zij wijst erop dat de deskundige heeft aangegeven dat fietsers die op de rijbaan gaan rijden, een verkeersnorm ernstig schenden en dat van hen, meer dan gewoon, mag worden verwacht voorzichtig en oplettend te zijn.
Het hof is van oordeel dat dit aspect in de beoordeling een ondergeschikte rol speelt. De gemeente dient deze weg zo veilig mogelijk in te richten en dit houdt in dat zij de biggenruggen goed zichtbaar moet maken voor al het verkeer, en dus ook voor fietsers die om welke reden dan ook, bij vergissing (of bewust), op de rijbaan terechtkomen en op enig moment het fietspad zien en daar naartoe sturen. Het treffen van deze veiligheidsmaatregel is dusdanig eenvoudig te realiseren dat van ondergeschikt belang is hoe een fietser op het verkeerde deel van de weg terecht komt terwijl het letsel dat kan ontstaan bij een botsing met een betonnen biggenrug, zeer ernstig kan zijn.
Ten overvloede merkt het hof ten aanzien van het verkeersgedrag van [geïntimeerde] nog het volgende op. Het hof volgt de gemeente c.s. niet in haar betoog dat de gemeente niet aansprakelijk is omdat [geïntimeerde] bij de stopstreep had moeten stoppen. Het, ’s nachts in de regen en met geen of weinig ander verkeer, niet stoppen voor een stopstreep/-bord is niet zodanig onvoorzichtig en onoplettend dat de gemeente daarmee geen rekening hoefde te houden.
Vervolgens wijst het hof op hetgeen de deskundige opmerkt over de kruising en dan met name het ontbreken van kanalisatiestrepen. Deze hadden [geïntimeerde] naar de overkant van de kruising moeten leiden waardoor zij op het fietspad van de Winkler Prinsstraat terecht zou zijn gekomen. Nu is zij niet geleid over deze kruising en is zij op de weg terechtgekomen. Voor haar was de aanwezigheid van een fietspad op dat moment niet goed zichtbaar. Zij was zich er dus niet van bewust dat zij op een gedeelte van de weg reed waarop zij niet mocht rijden. Dit is mede ingegeven door een gebrek van de weg, namelijk het ontbreken van kanalisatiestrepen.
[geïntimeerde] had de aanwezigheid van biggenruggen niet behoeven te verwachten. Toen zij naar rechts stuurde, is zij tegen een onvoldoende zichtbare biggenrug gebotst. Dit neemt evenwel niet weg dat zij, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, eigen schuld heeft aan het gebeurde, welke beslissing in hoger beroep niet voorligt.
Ook passeert het hof het verweer dat het causaal verband tussen de (eventuele) gebreken en het ongeval van [geïntimeerde] ontbreekt. De gemeente c.s. voert daartoe aan dat duidelijk is dat door [geïntimeerde] de witte doorgetrokken streep niet is gezien. Daaruit, aldus de gemeente c.s., kan de conclusie worden verbonden dat ook al waren de biggenruggen ten tijde van het ongeval wit geweest, deze door [geïntimeerde] ook niet zouden zijn opgemerkt. Het gevaar voor [geïntimeerde] wordt niet gevormd door de witte doorgetrokken streep. Zij had zonder gevaar over deze streep kunnen rijden. Het gevaar wordt juist gevormd door de betonnen biggenrug. Nu deze onvoldoende zichtbaar was, is daarmee het causaal verband gegeven.
Bovendien heeft [geïntimeerde] in haar memorie na deskundigenbericht gesteld dat de verf van de doorgetrokken strepen ten tijde van het ongeval was afgebladderd. Zij wijst er met juistheid op dat de deskundige heeft aangegeven dat de strepen bij daglicht redelijk goed zichtbaar waren maar daaraan de belangrijke nuance heeft toegevoegd dat dit niet impliceert dat de strepen ook ’s nachts goed zichtbaar waren. Afgezien daarvan kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] de biggenruggen, als deze wit zouden zijn geschilderd, niet zou hebben gezien omdat zij de witte strepen niet heeft gezien.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de weg gebrekkig was omdat kanalisatiestrepen en asmarkering ontbraken en omdat de biggenruggen niet wit of zwart-wit geblokt waren geschilderd. De gemeente is op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk. De grieven III tot en met VIII slagen niet.
Grief IX
Met haar negende grief komt de gemeente c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemeente rekening moet houden met de omstandigheid dat fietsers niet rechtdoor de kruising oversteken.
Uit hetgeen het hof hiervoor in rov. 12.12. heeft overwogen volgt dat de grief faalt. Het hof kan volstaan met daarnaar te verwijzen.
Grief X
Grief X richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het causaal verband tussen de val van [geïntimeerde] en de gebrekkige opstal vaststaat. Volgens de gemeente c.s. heeft [geïntimeerde] de relatie tussen de val en de biggenruggen niet aangetoond.
Het hof heeft in rov. 3.5.3. van het tussenarrest van 14 november 2023 bij de bespreking van grief I en II geoordeeld dat de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval is komen vast te staan. Daarop stuit de grief af.
Hetgeen de gemeente c.s. in de memorie na deskundigenbericht over het ontbreken van causaal verband heeft aangevoerd heeft het hof hiervoor in rov. 12.14. besproken en gepasseerd. De grief faalt.
Grief XI
15. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 3 juni 2024 heeft de gemeente c.s. laten weten dat zij grief XI niet handhaaft. Die behoeft dus geen behandeling.
Vorderingen in hoger beroep
De gemeente c.s. heeft ook in hoger beroep een verklaring voor recht dat de gemeente niet aansprakelijk is gevorderd en, voor het eerst in hoger beroep, een veroordeling tot terugbetaling van de door haar aan [geïntimeerde] betaalde voorschotten van € 9.500,00 en € 3.252,48, vermeerderd met de wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar tegen die eiswijziging gemaakt. Het hof acht die ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde, zodat het hof op de gewijzigde eis zal beslissen.
Het hof zal de vorderingen afwijzen. Zoals uit de bespreking van de grieven van de gemeente c.s. volgt acht het hof de gemeente wel aansprakelijk. De gevorderde verklaring voor recht stuit daarop af. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de gemeente c.s. verklaard nog uitsluitend een uitspraak over de aansprakelijkheid te willen. Voor zover de gemeente c.s. de vordering tot terugbetaling daarmee niet heeft ingetrokken, geldt dat deze niet toewijsbaar is. De gemeente c.s. heeft geen althans onvoldoende gronden aangevoerd die het gevorderde kunnen dragen.
Conclusie en proceskosten
Het hoger beroep van de gemeente c.s. slaagt niet. Het hof zal de beschikking van de rechtbank bekrachtigen, de vorderingen van de gemeente c.s. afwijzen en de gemeente c.s. als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.
In het tussenarrest van 5 augustus 2025 heeft het hof het voorschot van de deskundige bepaald op € 9.680,00 inclusief btw en dit op verzoek van [geïntimeerde] en met instemming van de gemeente c.s. ten laste van Melior gebracht. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag van de factuur die de deskundige bij het rapport heeft gevoegd. Nu de gemeente c.s. in het ongelijk wordt gesteld blijven de kosten van de deskundige ten laste van Melior.
De kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:
Griffierecht € 343,00
Salaris advocaat € 3.870,00 (3 punten x tarief II)
Nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.402,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Op het incidenteel hoger beroep
[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep gevorderd dat het hof de vordering van de gemeente c.s. tot terugbetaling van de schadevergoeding met wettelijke rente afwijst. Gezien hetgeen het hof hiervoor in rov. 16.2. heeft overwogen heeft [geïntimeerde] geen belang bij het incidenteel hoger beroep. Daarop stuit haar vordering af.
Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep te veroordelen. De omstandigheid dat [geïntimeerde] , die door de rechtbank in het gelijk was gesteld, verweer tegen de vordering van de gemeente c.s. in hoger beroep heeft gevoerd in de vorm van een incidenteel hoger beroep, kan niet ertoe leiden dat het oordeel dat zij bij dat hoger beroep geen belang heeft, [geïntimeerde] op een kostenveroordeling komt te staan.
19. De uitspraak
Het hof:
op het principaal hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking waarvan hoger beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt de gemeente c.s. hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van € 4.402,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als de gemeente c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de gemeente c.s. € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt de gemeente c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
wijst het meer of anders gevorderde af;
op het incidenteel hoger beroep:
wijst de vordering af;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, J.M.H. Schoenmakers en J. den Hoed en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juli 2026.
griffier rolraadsheer