GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/33
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 november 2023, nummer BRE 21/3888, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar en de aanslag watersysteemheffing gebouwd voor het jaar 2021 bekendgemaakt (hierna: de aanslagen).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
[gemachtigde 1] (verbonden aan [bedrijf] ; hierna: [gemachtigde 1] ) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [gemachtigde 2] , als gesteld gemachtigde van belanghebbende. De heffingsambtenaar, is met kennisgeving, niet verschenen.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning.
De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 bij WOZ-beschikking vastgesteld op € 234.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking en de aanslagen gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarde gehandhaafd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil in bezwaar en beroep is overschreden met afgerond negen maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en vastgesteld op in totaal € 100.
[gemachtigde 1] heeft op 11 januari 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Bij het hogerberoepschrift heeft [gemachtigde 1] een als volmacht aangeduid stuk van 27 februari 2021 overgelegd. In dat stuk is vermeld dat belanghebbende aan medewerkers van [bedrijf] volmacht verleent om hem “te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)”, waaronder het “indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger)beroep of cassatie”.
Het hof heeft [gemachtigde 1] bij bericht van 25 oktober 2024 geïnformeerd dat het ingestelde hoger beroep niet aan de daaraan te stellen vereisten voldoet omdat geen machtiging is ingediend die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift (hierna: een recente machtiging). Het bericht geeft aan dat [gemachtigde 1] de mogelijkheid krijgt het verzuim uiterlijk 22 november 2024 te herstellen en dat als van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
[gemachtigde 1] heeft bij brief van 14 november 2024 gereageerd op het verzoek van het hof en laten weten dat zij geen recente machtiging zal overleggen, omdat de eerder overlegde volmacht (zie 2.4) volstaat en het hof niet concreet maakt waarom een recente machtiging nodig zou zijn. Als bijlage bij de brief voegt [gemachtigde 1] een e-mailwisseling tussen [bedrijf] en [belanghebbende] van 12 maart 2024 waaruit volgens [gemachtigde 1] blijkt “dat belanghebbende op de hoogte is van het door ons ingediende hoger beroep.”
Bij bericht van 5 december 2024 heeft het hof [gemachtigde 1] geïnformeerd over de redenen voor het opvragen van een recente machtiging en haar nogmaals in de gelegenheid gesteld om deze uiterlijk 31 januari 2025 te overleggen. Het hof heeft [gemachtigde 1] erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn een recente machtiging wordt overgelegd.
Bij bericht van 19 december 2024 heeft [gemachtigde 1] gereageerd dat [bedrijf] bij het standpunt blijft dat de reeds overgelegde volmacht (zie 2.4) volstaat. Als bijlage bij deze brief heeft [gemachtigde 1] een schermprint gevoegd van “Actie klantenmail” van [bedrijf] aan [email adres] van 11 januari 2024 waaruit volgens [gemachtigde 1] blijkt “dat belanghebbende op de hoogte is van het door ons ingediende hoger beroep”.
Bij bericht van 21 januari 2025 heeft het hof op hierop gereageerd met de constatering dat de gevraagde recente machtiging niet is overgelegd en dat de zetel die het hoger beroep behandelt over de ontvankelijkheidsvraag zal beslissen.
Daarop heeft [gemachtigde 1] bij brief van 30 januari 2025 gereageerd en aangegeven het niet eens te zijn met het hof dat er gegronde redenen zijn om een recente machtiging op te vragen. Als bijlage bij de brief is een schermprint overgelegd met daarop een overzicht van de door [bedrijf] aan het e-mailadres [email adres] gezonden berichten in de procedure over de WOZ-beschikking 2021.
Bij brief van 8 april 2025 heeft [gemachtigde 1] een recente machtiging (getekend op 4 april 2025) overgelegd.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank de immateriëleschadevergoeding op het juiste bedrag heeft vastgesteld.
Belanghebbende concludeert tot vergoeding van zijn immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Vooraf en ambtshalve
Het hof zal allereerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.
Bij deze beoordeling gaat het hof uit van het volgende rechtskader. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Zo mag de bestuursrechter vragen om een recente machtiging. Voor het opvragen van een recente machtiging, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan. De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging van de volmachtgever vraagt. Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet de gevraagde recente machtiging overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb en artikel 29 Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt wat hiervoor is overwogen ook in hoger beroep.
Gesteld noch gebleken is dat de [gemachtigde 1] advocaat is. Het hof heeft [gemachtigde 1] tweemaal om een recente machtiging gevraagd en erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de door het hof gestelde termijn wordt aangeleverd. Het hof constateert dat [gemachtigde 1] vanaf de eerste keer dat het hof op het geconstateerde verzuim heeft gewezen (op 25 oktober 2024; zie 2.5) ruim drie maanden (tot en met 31 januari 2025; zie 2.7) de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen. De door [gemachtigde 1] overgelegde e-mailwisseling (zie 2.6), “Actie klantenmail (zie 2.8) en het overzicht van het door [bedrijf] aan belanghebbende gestuurde e-mails (zie 2.10) zijn geen recente machtiging, alleen al omdat deze stukken niet de handtekening van belanghebbende [belanghebbende] bevatten. De recente machtiging die [gemachtigde 1] op 8 april 2025 heeft overgelegd (zie 2.11) is na afloop van de laatste door het hof gestelde hersteltermijn ingediend en daarmee te laat. Er is geen reden voor het hof om aan te nemen dat er omstandigheden zijn die dit verschoonbaar maken. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Daarom komt het hof niet toe aan een behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
B.B. Gedik B.J. Rubbens
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.