GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1144
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 juli 2024, nummer BRE 23/90, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende heeft een aangifte gedaan ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto van het merk Dodge Challenger 3.6 V6 SXT (hierna: de auto).
Namens de inspecteur is de auto door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) geïnspecteerd en getaxeerd. De bevindingen daarvan zijn in een rapport vastgelegd.
De inspecteur heeft op basis van het DRZ-rapport een naheffingsaanslag opgelegd. Gelijktijdig is bij beschikking een verzuimboete opgelegd.
De inspecteur heeft in zijn uitspraak de naheffingsaanslag verminderd en de verzuimboete vernietigd. Daarnaast heeft de inspecteur een kostenvergoeding voor de bezwaarfase vastgesteld op € 538 voor het indienen van een bezwaar en het bijwonen van het hoorgesprek.
De rechtbank heeft het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard, de inspecteur en de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) ieder voor de helft veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 500 en de inspecteur en de minister ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in beroep van in totaal € 218,75.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur de kostenvergoeding in de bezwaarfase tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, maar alleen voor zover het de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
Belanghebbende heeft ter zitting zijn beroepsgronden met betrekking tot de (onjuiste) vaststelling van de naheffingsaanslag BPM ondubbelzinnig en zonder voorbehoud ingetrokken.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep betoogd dat de inspecteur gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte het lage tarief van € 269 per punt heeft gehanteerd.
Belanghebbende heeft de door de inspecteur toegekende kostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar niet in beroep bestreden bij de rechtbank. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat belanghebbende voor de rechtbank over deze beslissing van de inspecteur heeft geklaagd. Dit betekent dat de beslissing over de kostenvergoeding in bezwaar met de beslissing in de uitspraak op bezwaar onherroepelijk is komen vast te staan. In hoger beroep kan die beslissing niet voor het eerst tot voorwerp van het geschil worden gemaakt.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, J. Wessels en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.