ECLI:NL:GHSHE:2026:1944

ECLI:NL:GHSHE:2026:1944

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer 24/1456
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:5459

Samenvatting

Belanghebbende is aandeelhouder van een BV. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen opgelegd, omdat de BV uitdelingen aan belanghebbende heeft gedaan. Het hof oordeelt dat de inspecteur de uitdelingen voor een gedeelte niet aannemelijk heeft gemaakt en daarom worden de navorderingsaanslagen door het hof verminderd. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel wordt door het hof verworpen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1456

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] , België,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 augustus 2024, nummer BRE 23/3186, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

De zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld door [belanghebbende 24/1443-1444] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/1443 en 24/1444, 24/1449 t/m 24/1455, 24/1696 en 24/1697.

De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.

2. Feiten

Belanghebbende houdt in 2019 50% van de aandelen in [B.V. 7] (hierna: [B.V. 7] ). Het overige deel van de aandelen in [B.V. 7] wordt gehouden door de zus van belanghebbende, [naam 2] . [B.V. 7] houdt op haar beurt alle aandelen in [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). De vennootschappen zijn op 22 december 2016 opgericht. De activiteiten van [B.V. 1] bestaan volgens een uittreksel van de kamer van koophandel uit het fokken en houden van paarden, handel in paarden, handel in bestrijdingsmiddelen en kunst- en organische meststoffen, het uitoefenen van een agrarische onderneming en een transporthandel.

Belanghebbende drijft ook een onderneming in de vorm van een eenmanszaak handelend onder de naam [eenmanszaak] . [eenmanszaak] verricht werkzaamheden voor [B.V. 1] en factureert daarvoor aan [B.V. 1] . Daarnaast verricht [eenmanszaak] werkzaamheden voor [bedrijf 4] .

Voor het jaar 2019 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.479, volledig bestaande uit loon. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 op 11 juni 2020 – conform de ingediende aangifte – vastgesteld.

Bij brief van 17 november 2020 heeft de inspecteur aan [B.V. 7] en [B.V. 1] aangekondigd om een onderzoek te verrichten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. De reikwijdte van de onderzoeken is later uitgebreid naar de controle van de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 en 2020, de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 en de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020.

Bij brief van 4 november 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende aangekondigd om een onderzoek te verrichten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor het jaar 2020 en de aangiften omzetbelasting van zijn eenmanszaak over de tijdvakken in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020.

Het eindgesprek van de onderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] heeft plaatsgevonden op 11 mei 2022. In dit verslag zijn de concept conclusies uit de boekenonderzoeken en de reactie daarop van de betreffende belanghebbenden opgenomen. Uit het verslag blijkt dat de inspecteur diverse uitdelingen aan de uiteindelijke aandeelhouders aan de orde stelt.

Op 2 augustus 2022 zijn namens [B.V. 1] en [B.V. 7] aangiften vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 ingediend. Daarbij is geen rekening gehouden met de concept conclusies uit de boekenonderzoeken. De aanslagen vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 zijn – conform de ingediende aangiften – op 27 augustus 2022 aan [B.V. 1] en [B.V. 7] opgelegd.

De gemachtigde heeft bij e-mail van 1 november 2022 – voor zover hier van belang – het volgende aan de controleambtenaar bericht:

“Na onderstaande e-mail hebben wij met dagtekening 27 augustus 2022 de definitieve aanslagen vennootschapsbelasting van 2020 ontvangen van [B.V. 1] en van [B.V. 7] Deze aanslagen zijn conform de aangiftes opgelegd en wij concluderen hieruit dat uw bevindingen zijn geannuleerd en thans geen reden meer is om aanslagen cq. verzuimboetes voor de vennootschappen en aandeelhouders op te leggen.”

Daarop heeft de controleambtenaar bij e-mail van 3 november 2022 – voor zover hier van belang – als volgt gereageerd:

“In afstemming met de inspecteur blijven wij van mening dat de resultaten van de boekenonderzoeken gestand doen.

Wij constateren dat u geen aanvullingen, verbeteringen en of twistpunten aandraagt, die zouden kunnen leiden tot een verdere vervolmaking van de door ons aangereikte kennisgevingen boete. Dit stelt ons in staat om de boekenonderzoeken verder af te wikkelen.”

De bevindingen van de boekenonderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] zijn vastgelegd in controlerapporten die op 7 november 2022 aan de vennootschappen zijn toegezonden. In het controlerapport van [B.V. 7] is – voor zover hier van belang – het volgende ten aanzien van belanghebbende opgenomen:

“6.4. Uitdelingen

In deze rapportage zijn de volgende uitdelingen benoemd vanuit [B.V. 1] . Deze uitdelingen betreffen vermogensverschuivingen, waarbij zowel de BV als de uiteindelijke aandeelhouders zich bewust zijn geweest van de bevoordelingen. Op het moment dat de uitdelingen hebben plaatsgevonden, is er geen intentie geweest om deze bedragen terug te betalen. Hierdoor hebben de gelden de onderneming definitief verlaten. De uitdelingen komen ten gunste van de aandeelhouders [naam 2] en [naam 3] . De uitdelingen vanuit [B.V. 1] ten gunste van [B.V. 7] worden fiscaal behandeld volgens de deelnemingsvrijstelling.”

[…]

Tijdens de controleperiode zijn de heer [naam 3] en mevrouw [naam 2] de aandeelhouders geweest van [B.V. 7] . De uitdelingen die uit het boekenonderzoek bij [B.V. 1] en van [B.V. 7] zijn hierna per aandeelhouder uitgewerkt:

Uitdeling

[naam 3]

Par.

Omschrijving

2020

2019

4.2.1

Verkoop hooi aan particulieren

250,00

4.2.1

Verkoop [naam paard 1]

2.722,50

4.2.1

Opfok [naam paard 1]

524,50

4.2.1

[naam 8]

570,00

557,00

4.2.1

[naam 9]

160,00

4.2.1

[naam 10]

147,00

4.2.1

[naam 11]

0,00

147,50

4.2.1

[bedrijf 3]

612,50

4.2.1

Veulen voor privé gebruik [naam 12]

2.722,50

Totaal

Volgens rapportage [B.V. 1] :

€ 4.737,00

€ 3.677,00

3.2

Sym scooter

103,00

672,00

Totaal

Volgens rapportage [B.V. 7]

103,00

672,00

Totaal

[B.V. 1] en [B.V. 7]

€ 4.840,00

€ 4.349,00

”

De bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende zijn vastgelegd in een controlerapport dat eveneens op 7 november 2022 aan belanghebbende is toegezonden. In het controlerapport concludeert de inspecteur – voor zover hier van belang – tot een correctie in de IB/PVV van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in verband met geconstateerde uitdelingen van [B.V. 1] en [B.V. 7] ten bedrage van € 4.349 voor het jaar 2019.

De inspecteur heeft op 24 december 2022 – conform zijn bevindingen in het controlerapport – de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de boete-, en belastingrentebeschikkingen vastgesteld.

In de uitspraak op bezwaar van 15 mei 2023 heeft de inspecteur de vergrijpboete vernietigd en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de kostenvergoeding voor de bezwaarfase berekend met wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard ten aanzien van de door de inspecteur toegepaste wegingsfactor en deze op 1 gesteld. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Op 16 mei 2023 doet de inspecteur uitspraak op bezwaar ten aanzien van naheffingsaanslagen in de omzetbelasting van [B.V. 1] . In deze uitspraak staat onder meer:

“correctie veulen voor privégebruik ad. € 945 (2019). U merkt op dat deze correctie ten onrechte is aangebracht. Ik constateer dat een verkeerde maatstaf van heffing is toegepast. Ik vind dat deze correctie moet vervallen en dus is het bezwaar in deze gegrond.”

Ten aanzien van de vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 en 2020 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd aan [B.V. 1] , verhoogd met belastingrente en voor 2019 een vergrijpboete. In de behandeling van het beroep van belanghebbende tegen deze navorderingsaanslagen bij de rechtbank heeft de inspecteur zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslagen, de vergrijpboete en de belastingrentebeschikkingen moeten worden vernietigd, hetgeen de rechtbank heeft gedaan. Daarmee resteren de aanslagen die conform de ingediende aangiften zijn opgelegd.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Daarnaast is in geschil of de navorderingsaanslag naar de juiste hoogte is opgelegd.

Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

i. Vertrouwensbeginsel

Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Ter onderbouwing voert hij aan dat de aangiften vennootschapsbelasting 2020 van [B.V. 7] en [B.V. 1] akkoord zijn bevonden door de inspecteur omdat de aanslagen vennootschapsbelasting conform de aangiften aan de vennootschappen zijn opgelegd. In de procedure voor de vennootschapsbelasting voor 2019 heeft de inspecteur zelf aangegeven dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. Dat heeft volgens belanghebbende bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de correcties die voortvloeien uit de boekenonderzoeken voor de inkomstenbelasting ook niet zouden worden doorgevoerd. Het gaat dan om de correcties met betrekking tot de uitdelingen aan belanghebbende. De inspecteur betwist dat hij het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de inspecteur uitlatingen heeft gedaan, waaruit belanghebbende redelijkerwijs mocht opmaken dat geen inkomstenbelasting zou worden nagevorderd. De aanslagen vennootschapsbelasting van [B.V. 7] en [B.V. 1] kunnen echter niet als een dergelijke uitlating worden beschouwd, omdat deze geen enkele uitlating bevatten ten aanzien van de inkomstenbelastingheffing bij belanghebbende.

ii. Zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de inspecteur tot het vaststellen van de aanslagen diverse fouten heeft gemaakt en dat schriftelijk heeft bevestigd. Alhoewel de door de inspecteur erkende fouten zijn rechtgezet bij het opleggen van de aanslagen, is belanghebbende van mening dat hieruit blijkt dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de gehanteerde bedragen niet meer betrouwbaar zijn. De aanslagen moeten daarom vernietigd worden. De inspecteur betwist dat de aanslagen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn opgelegd.

Het hof is van oordeel dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden bij het opleggen van de aanslagen. Gedurende een controle is het niet ongebruikelijk dat tussen de inspecteur en de belastingplichtige een discussie ontstaat over de hoogte van de voorgenomen correcties en dat vervolgens wordt geconcludeerd dat deze bijstelling behoeven. Het hof zal de door de inspecteur gestelde uitdelingen hierna inhoudelijk beoordelen.

iii. Uitdelingen

Belanghebbende betwist niet dat uitdelingen plaats hebben gevonden, maar betwist het bedrag dat de inspecteur in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende verwijst daarbij naar de uitspraak op bezwaar van 16 mei 2023 ten aanzien van de omzetbelasting van [B.V. 1] , waarbij de post met betrekking tot het veulen is geschrapt (zie 2.14). De inspecteur betwist dat dit moet leiden tot een vermindering van de navorderingsaanslag.

Het hof leidt uit de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de omzetbelasting af dat € 945 is nageheven ten aanzien van deze door de inspecteur gestelde uitdeling, hetgeen betekent dat de maatstaf van heffing € 4.500 bedroeg en dat de vergoeding inclusief omzetbelasting € 5.445 bedroeg. Dit sluit aan bij de in aanmerking genomen uitdeling, die gelijkelijk verdeeld over belanghebbende en haar medeaandeelhouder tot een bedrag van € 2.722,50 leidt.

4.3.4.1. In de uitspraak op het bezwaar voor de omzetbelasting is opgemerkt dat een verkeerde maatstaf van heffing is gehanteerd ten aanzien van het veulen en dat de correctie voor de omzetbelasting geheel komt te vervallen. De uitdeling is echter nog steeds gebaseerd op het kennelijk onjuiste bedrag dat is gebruikt bij de naheffingsaanslag. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de inspecteur deze uitdeling niet aannemelijk heeft gemaakt.

Nu de gestelde uitdelingen voor een bedrag van € 2.722,50 niet aannemelijk zijn gemaakt, moet het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang met dit bedrag worden verminderd. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor 2019 komt daarmee op € 1.626 (€ 4.349,00 -/- € 2.722,50).

iv. Belastingrente

Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de belastingrente. Het hof zal de belastingrentebeschikkingen evenredig met de navorderingsaanslagen verminderen.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht € 138 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op € 1.868, als volgt berekend: 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak).

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps E.P.A. Brakeboer

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026100705
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand