ECLI:NL:GHSHE:2026:1952

ECLI:NL:GHSHE:2026:1952

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer 26/458
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:2726

Samenvatting

Uitspraak op een verzoek voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat in afwachting van een uitspraak in de hoofdzaak – gelet op de onderbouwing van het verzoek – een voorlopige voorziening niet het geschikte middel is om te beslissen op een getuigenaanbod en/of de stellingen van belanghebbende betreffende het ontbreken van dossierstukken en de schijn van vooringenomenheid in de bezwaarfase. Ook is van een spoedeisend belang niet gebleken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummers: 26/458

Uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: verzoeker,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

betreffende de voor de jaren 2017, 2018 en 2019 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), boetebeschikkingen en beschikkingen belastingrente (hierna: de beschikkingen) en de voor de jaren 2018 en 2019 opgelegde navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke premie zorgverzekeringswet (hierna: Zvw).

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 en Zvw 2018 en 2019 en de beschikkingen opgelegd.

Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank ZeelandWestBrabant (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft in één uitspraak de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw ongegrond verklaard en daarbij de boeten verlaagd vanwege de duur van de procedure.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op digitale wijze hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder de zaaknummers 24/559 tot en met 24/563. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De hoger beroepen met de zaaknummers 24/559 tot en met 24/563 zijn door het hof op 5 maart 2026 ter zitting inhoudelijk behandeld.

Belanghebbende heeft vervolgens op 3 april 2026 bij het hof een verzoek ingediend (gedateerd 6 maart 2026) voor het treffen van een voorlopige voorziening (hierna: het verzoek voorlopige voorziening).

Het hof heeft middels zijn brief van 29 april 2026 aan belanghebbende vragen gesteld betreffende het verzoek voorlopige voorziening. Belanghebbende heeft op deze brief met datum 1 juni 2026 schriftelijk gereageerd.

De zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het hof, niet op de zitting verschenen. Belanghebbende is bij bericht, verzonden via Mijn Rechtspraak op 23 juni 2026 onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Tegelijk met de verzending van het bericht is een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbendes gemachtigde opgegeven e-mailadres.

De griffier heeft ter plekke op 16 juli 2026 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] . De gemachtigde verklaarde in dat telefoongesprek dat hij dacht dat de zitting op 23 juli 2026 zou plaatsvinden. Daarop heeft de griffier in een tweede telefoongesprek aan gemachtigde aangeboden dat gemachtigde op digitale wijze deelneemt aan de zitting. Gemachtigde heeft van een deelname op die wijze afgezien.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Gronden

Vooraf en ambtshalve

Gelet op hetgeen in 1.7 is vermeld in verbinding met artikel 8:83 Awb, is de voorzieningenrechter van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Ten aanzien van het geschil

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81, lid 1, Awb in verbinding met het bepaalde in artikel 8:108 Awb, kan de voorzieningenrechter van het hof dat bevoegd is (of kan worden) in de hoofdzaak (connexiteitvereiste) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Belanghebbende heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend voor alle hiervoor in 1.4 genoemde zaaknummers.

Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van een spoedeisend belang en heeft in het verzoek voorlopige voorziening het volgende aan het hof verzocht:

Heropening van het onderzoek in de hoofdzaak (zaaknummers 24/559 tot en met 24/563).

Alsnog horen van de door belanghebbende in de hoofdzaak aangeboden getuige.

De hoofdkamer opdragen de inspecteur te verplichten alle ontbrekende dossierstukken, waaronder interne correspondentie tussen belastingambtenaren, over te leggen aan het hof, mede gelet op een schijn van vooringenomenheid in de bezwaarfase.

Bepalen dat de hoofdkamer geen uitspraak mag doen en dat de behandeling van het hoger beroep door de hoofdkamer wordt aangehouden, totdat de gevraagde stukken zijn overgelegd en de aangeboden getuige is gehoord.

De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van een spoedeisend belang.

Het is aan de hoofdkamer om in de hoofdzaken het getuigenaanbod en de stellingen van belanghebbende betreffende het ontbreken van dossierstukken in de hoofdzaak, te beoordelen. Bij gegrondverklaring van (één van) die standpunten zal de hoofdkamer daar vervolgens de gevolgen aan verbinden die hij nodig acht (artikel 8:31 Awb).

Daarbij komt dat belanghebbende het verzoek voorlopige voorziening heeft gedaan nadat de hoofdkamer de hoofdzaak (zaaknummers 24/559 tot en met 24/563) ter zitting heeft behandeld en in de hoofdzaak het onderzoek heeft gesloten. Belanghebbende heeft ter zake gesteld dat het belang van het verzoek voorlopige voorziening ligt in het voorkomen van een uitspraak in de hoofdzaak, zolang nog geen beslissing is genomen op het getuigenaanbod en de stellingen van belanghebbende betreffende het ontbreken van dossierstukken in de hoofdzaak en de schijn van vooringenomenheid in de bezwaarfase.

Een voorlopige voorziening is niet het geschikte middel om te beslissen op een getuigenaanbod en/of de stellingen van belanghebbende betreffende het ontbreken van dossierstukken dan wel de schijn van vooringenomenheid in de bezwaarfase.

De stelling van belanghebbende dat er onherstelbare processuele schade ontstaat als de hoofdkamer uitspraak doet voordat het getuigenaanbod, de gestelde incompleetheid van het dossier (inclusief interne correspondentie) en de gestelde schijn van vooringenomenheid in de bezwaarfase, zijn beoordeeld en/of hersteld, wordt door de voorzieningenrechter verworpen. Een beslissing ter zake is voorbehouden aan de hoofdkamer. Blijkens het proces–verbaal is tijdens de zitting van 5 maart 2026 door de hoofdkamer aandacht besteed aan de stellingen van belanghebbende dienaangaande en het is te verwachten dat daarover ook zal worden geoordeeld. Ook staat tegen het oordeel van de hoofdkamer het middel van cassatie open en is de door belanghebbende gestelde schade – verondersteld dat die schade optreedt als gevolg van de uitspraak in de hoofdzaak – daardoor niet onherstelbaar. Van een spoedeisend belang is in dit kader geen sprake.

Tenslotte merkt de voorzieningenrechter op dat belanghebbende met hetgeen hij heeft gesteld ook anderszins het spoedeisende belang niet aannemelijk heeft gemaakt.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het verzoek voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 julii 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

A. Muller A.J. Kromhout

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand