GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1141
Uitspraak op het door [gemachtigde] ingestelde hoger beroep in de zaak van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 juni 2024, nummer BRE 22/5349, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en SchouwenDuiveland,
hierna: de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
[gemachtigde] (hierna: de gesteld gemachtigde) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1142 en 24/1031.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
De gesteld gemachtigde heeft op 7 augustus 2024 hoger beroep ingesteld. Daarbij is tevens overgelegd een door belanghebbende op 4 april 2022 getekende volmacht verleend aan [naam] van [kantoor] Daarnaast is een op 21 september 2022 getekende machtiging van [naam] aan [gemachtigde] overlegd (hierna: de substitutiemachtiging) waarin laatstgenoemde onder meer gemachtigd wordt om namens [naam] (hoger) beroepen in te dienen.
Het hof heeft de gesteld gemachtigde op 12 augustus 2024 verzocht om uiterlijk 9 september 2024 een recente op naam gestelde machtiging in te dienen. In dat bericht is tevens vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien dit niet gebeurd. De gevraagde machtiging is niet ontvangen.
Het hof heeft de gesteld gemachtigde op 3 juni 2026 opnieuw verzocht om een recente op naam gestelde machtiging te overleggen. In dat bericht is een uiterste indieningsdatum genoemd van 30 juni 2026. Tevens is vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien dit niet gebeurd.
Het hof heeft op 1 juli 2026 de gesteld gemachtigde bericht dat de behandeling van de zitting van 9 juli 2026 zich (in dit stadium) zal beperken tot de vraag of het hoger beroep ontvankelijk is. De gevraagde recente machtiging was immers op 1 juli 2026 niet ontvangen.
De gesteld gemachtigde heeft op 2 juli 2026 een op 13 januari 2025 ondertekende substitutiemachtiging overgelegd.
De gesteld gemachtigde heeft op 8 juli 2026 een op 7 juli 2026 getekende machtiging van belanghebbende aan [naam] overgelegd.
3. Beoordeling
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026 is het hof bevoegd om een recente machtiging te vragen en is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd. Ook volgt uit dat arrest dat een bestuursrechter niet verplicht is te motiveren waarom hij om een recente machtiging vraagt. Daarnaast volgt uit het arrest dat de bestuursrechter de bevoegdheid heeft om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien niet binnen de door de rechter gestelde termijn een (nieuwe) machtiging wordt overgelegd, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.
Het hof heeft de gesteld gemachtigde tweemaal verzocht een recente machtiging te overleggen en hem beide keren gewezen op de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring indien niet tijdig de gevraagde recente op naam gestelde machtiging zou worden overgelegd. De gevraagde recente machtiging, die uiteindelijk op 8 juli 2026 is overlegd, is niet binnen de gestelde termijnen ontvangen.
De gesteld gemachtigde heeft gesteld dat hij het verzoek van 12 augustus 2024 om een recente machtiging te overleggen over het hoofd heeft gezien en dat het verzoek van 3 juni 2026 tot overlegging van een recente machtiging wegens drukte aan zijn aandacht is ontsnapt. Naar aanleiding van het bericht van het hof van 1 juli 2026 heeft hij alsnog contact opgenomen met belanghebbende, waarna hij op 8 juli 2026 de gevraagde recente machtiging heeft overlegd. Verder heeft de gesteld gemachtigde gesteld dat het hoger beroep, indien ontvankelijk, naar zijn mening gegrond moet worden verklaard, alleen al vanwege het feit dat de rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding vanwege immateriële schade ten onrechte is uitgegaan van een te lage vergoeding van € 50 per half jaar.
Het hof ziet in de door gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om de te late overlegging van de recente machtiging verschoonbaar te achten.
Het hof zal gelet op het vorenstaande het hoger beroep niet ontvankelijk verklaren.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
4. Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
S.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.