ECLI:NL:GHSHE:2026:212

ECLI:NL:GHSHE:2026:212

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 20-002091-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het opzettelijk doden van een baby die op 20 augustus 2019 aan haar zorg en toezicht als professioneel gastouder was toevertrouwd. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 6,5 jaar (78 maanden) met aftrek van voorarrest en een beroepsverbod voor de duur van 9 jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen, de ouders van de baby, zijn voor wat betreft de gevorderde affectieschade toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00. Voor wat betreft de gevorderde shockschade zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 6 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-152209-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘doodslag’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en haar veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijkomende straf heeft de rechtbank een beroepsverbod aan de verdachte opgelegd, inhoudende een ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep als gastouder voor minderjarige(n) dan wel oppas en verzorging van minderjarige(n) voor de duur van 5 jaren. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [moeder van het slachtoffer] (de moeder van het overleden slachtoffer) en [vader van het slachtoffer] (de vader van het overleden slachtoffer) gedeeltelijk toegewezen, te weten respectievelijk tot een bedrag van € 40.000,00 en € 40.727,98, te vermeerderen met de wettelijke rente en (telkens) met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van voornoemde toegewezen geldbedragen en ook deze te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft overwogen dat de vorderingen voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard, maar dit als zodanig niet in het dictum vermeld. De verdachte is tot slot veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partijen, tot aan het vonnis begroot op nihil.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen (voor wat betreft de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, het door de rechtbank opgelegde beroepsverbod en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen), met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten slotte heeft de advocaat-generaal een standpunt ingenomen ten aanzien van de door de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] in hoger beroep gevorderde reiskosten om bij de behandeling van de zaak in hoger beroep aanwezig te kunnen zijn.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging een standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 20 augustus 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] (geboren 8 januari 2019) van het leven heeft beroofd, door haar meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (met kracht)

- vast te pakken en/of te houden en/of

- (vervolgens) (hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- (hard) op/tegen haar hoofd te slaan/stompen en/of

- anderszins (hevig) geweld uit te oefenen op haar hoofd en/of haar lichaam, waardoor een of meer bloedingen/bloeduitstortingen in de hersenen en/of in de netvliezen van beide oogbollen en/of onder het harde hersenvlies en/of hersenletsel en/of acceleratie-deceleratie trauma (voorheen bekend als shaken-baby-syndrome) is/zijn ontstaan, ten gevolge waarvan [slachtoffer] op 21 augustus 2019 is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 20 augustus 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] (geboren 8 januari 2019) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten:

- meerdere, althans beschadigingen in de hersenen van de uitlopers van zenuwcellen en/of

- meerdere, althans een, bloeding(en) (in) achter de ogen en/of

- meerdere, althans een, bloeding(en) in de netvliezen van beide ogen en/of

- meerdere, althans een, bloeding(en) onder het harde hersenvlies en/of

- acceleratie-deceleratie impact trauma (voorheen bekend als shaken-baby- syndrome), althans hersenletsel,

door haar meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en met kracht

- vast te pakken en/of te houden en/of

- (hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- (hard) tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen haar hoofd te slaan en/of te stompen en/of

- anderszins geweld uit te oefenen op haar hoofd en/of haar lichaam,

ten gevolge waarvan [slachtoffer] op 21 augustus 2019 is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 20 augustus 2019 te [plaats] opzettelijk [slachtoffer] (geboren 8 januari 2019) van het leven heeft beroofd, door haar meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (met kracht)

- vast te pakken en/of te houden en/of

- (vervolgens) (hevig) door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- tegen een oppervlak te slaan en/of te stoten en/of

- (hard) op/tegen haar hoofd te slaan/stompen en/of

- anderszins (hevig) geweld uit te oefenen op haar hoofd en/of haar lichaam, waardoor bloedingen/bloeduitstortingen in de netvliezen van beide oogbollen en een bloeding/bloeduitstorting onder het harde hersenvlies en hersenletsel zijn ontstaan,

ten gevolge waarvan [slachtoffer] op 21 augustus 2019 is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweren van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte het tenlastegelegde stellig en consistent heeft ontkend. Bovendien is op basis van de bevindingen en conclusies van de deskundigen niet de conclusie te trekken dat het letsel ten gevolge van een krachtsinwerking is ontstaan en, als dat wel wordt aangenomen, of in dat geval sprake is van toegebracht letsel. In dit verband concludeert deskundige dr. Karst in zijn forensisch-medisch onderzoek louter in waarschijnlijkheidsgradaties, waarbij in ordegrootte van bewijskracht wordt gesproken over lage gradaties als ‘waarschijnlijk’ of ‘iets waarschijnlijker’, respectievelijk de grootte van 10-100 of 2-10, terwijl de grootte van de bewijswaarde ook boven 1 miljoen kan uitstijgen. Indien al sprake zou zijn van toegebracht letsel, kan voorts niet worden vastgesteld dat dit is toegebracht in de periode dat [slachtoffer] bij de verdachte thuis was. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft deskundige prof. dr. Jacobs bijvoorbeeld verklaard dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de ouderdom van het letsel. Dr. Jira, door de verdediging aangezocht als deskundige, heeft ook beschreven dat niet een acute maar een subacute presentatie aannemelijk is. Hij heeft hiervoor aanwijzingen gezien in de door de ouders van [slachtoffer] beschreven gedragsverandering waarvoor geen medische hulp is ingeroepen, in de door getuige [getuige] beschreven grauwe gelaatskleur van [slachtoffer] daags ervoor, alsmede in het feit dat de hersenbeschadigingen eerder passen bij uren of dagen daarvoor opgelopen hersenschade dan bij een acute hersenzwelling en er geen sprake was van uitwendig letsel. Dr. Jira heeft ook benoemd dat alle personen die in de uren of dagen voor het overlijden met [slachtoffer] in contact zijn geweest, in theorie het letsel hebben kunnen doen veroorzaken. Indien sprake is van toegebracht letsel, kan dit aldus ook zijn toegebracht in een periode voordat [slachtoffer] bij de verdachte werd gebracht, aldus de verdediging.

Oordeel van het hof

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof – voor zover op dit moment van belang – de navolgende feiten en omstandigheden vast.

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), geboren op 8 januari 2019, is in de ochtend van 20 augustus 2019 omstreeks 08.00 uur – samen met haar tweelingbroertje [tweelingbroertje] en haar oudere zus [zus] – naar de woning van de verdachte in [plaats] gebracht, waar zij als professioneel gastouder deze kinderen opving. Om 12:13 uur heeft de buurvrouw van de verdachte het alarmnummer 112 gebeld en gemeld dat [slachtoffer] niet meer ademde en dat er bloed uit haar mondje kwam. Nadat de hulpdiensten ter plaatse zijn gekomen en daar nog reanimatiehandelingen hebben verricht, is [slachtoffer] met spoed per ambulance naar het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven gebracht. Gelet op de medische situatie van [slachtoffer] was evenwel besloten om haar door te verwijzen naar het Maastricht Universitair Medisch Centrum. In het Maastricht Universitair Medisch Centrum constateerden de artsen geen actieve hersenactiviteit meer bij [slachtoffer] . [slachtoffer] is de volgende dag, op 21 augustus 2019 om 16:00 uur, overleden. Door de lijkschouwer is van het overlijden van [slachtoffer] een verklaring van een niet natuurlijke dood afgegeven.

Teneinde de oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden en het uiteindelijke overlijden van [slachtoffer] te kunnen vaststellen is door verschillende deskundigen onderzoek verricht. Het hof zal eerst de bevindingen van de verschillende deskundigen bespreken. Daarna wordt ingegaan op de conclusies die het hof op grond van de bevindingen van de deskundigen kan trekken. Ten slotte zal het hof deze conclusies bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen en de vraag beantwoorden of wettig of overtuigend kan worden bewezen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Pathologisch onderzoek van dr. J. Fronczek

Op 23 augustus 2019 heeft dr. J. Fronczek, destijds arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer] . De bevindingen van Fronczek zijn neergelegd in het rapport d.d. 6 mei 2020 en komen op het volgende neer.

Volgens Fronczek werden bij neuropathologisch onderzoek letsels van de hersenen van [slachtoffer] vastgesteld, namelijk recente beschadiging van de uitlopers van zenuwcellen (recente

traumatische axonale schade). Tevens was sprake van uitgebreide beschadiging van

zenuwcellen als gevolg van zuurstofgebrek die in het kader van het overlijden is opgetreden

(acute hypoxische encefalopathie). Ook waren er tekenen van hersenzwelling (een strak gespannen harde hersenvlies en afgeplatte hersenwindingen) met focaal een zeer dun laagje bloed onder het harde hersenvlies (subduraal) rechts zijwaarts. Bij oogpathologisch onderzoek zijn bloeduitstortingen in vrijwel alle lagen van het netvlies gezien, ook wel netvliesbloedingen of retinale bloedingen (ook retinabloedingen) genoemd. Er waren geen aanwijzingen voor aangeboren of ziekelijke afwijkingen. Bovengenoemde letsels van de hersenen en de verwikkelingen daarvan (hersenzwelling, acute hypoxische encefalopathie) kunnen het reanimatiebehoeftig worden en het uiteindelijke overlijden verklaren op basis van hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen.

Volgens Fronczek is [slachtoffer] reanimatiebehoeftig geworden en uiteindelijk overleden door de gevolgen (verwikkelingen) van ernstig hoofdletsel (trauma). Een bijdrage van verstikking aan de reanimatiebehoefte en het uiteindelijke overlijden kan niet worden uitgesloten. Dr. Fronczek heeft ook onderzocht of er mogelijk andere oorzaken zijn die de geconstateerde letsels en doodsoorzaak kunnen verklaren. Een andere (medische) oorzaak voor de bevindingen is niet gebleken bij sectie en bij aanvullende onderzoeken.

Volgens Fronczek kunnen letsels, zoals hiervoor vermeld een traumatische oorzaak of

een medische oorzaak hebben. Van het laatste is in het geval van [slachtoffer] niet gebleken. Een

traumatische oorzaak kan niet-accidenteel (toegebracht) letsel betreffen of accidenteel letsel.

Toegebracht letsel kan zijn ontstaan door een stomp (botsende) geweldsinwerking op het

hoofd, schudtrauma of een combinatie daarvan. Accidenteel letsel kan zijn ontstaan door

een hevig stomp botsende geweldsinwerking, zoals een val van een zekere hoogte

(> circa 1,5 meter) met impact op het hoofd. Kleine, vaak voorkomende ongevallen, zijn

onvoldoende om dergelijk ernstig en fataal letsel te verklaren, aldus Fronczek.

Voorts waren er zowel bij neuropathologisch als oogpathologisch onderzoek geen aanwijzingen voor oudere (niet-recente) letsels.

Forensisch medisch onderzoek door dr. W.A. Karst

Door dr. W.A. Karst, destijds forensisch arts bij het NFI, is een medisch-forensisch

onderzoek verricht. Hij heeft hiertoe alle voorhanden relevante medische gegevens

bestudeerd en forensisch geïnterpreteerd. Bij zijn interpretatie heeft hij de aan hem

verstrekte relevante verklaringen van de verdachte betrokken. De bevindingen van Karst zijn neergelegd in het rapport d.d. 14 augustus 2020. Voorts heeft Karst op 14 september 2022 een reactie gegeven op het rapport van contra-deskundige prof. dr. Jacobs. Ter terechtzitting in eerste aanleg is Karst als deskundige gehoord. De bevindingen van Karst houden in de kern het volgende in.

Karst onderschrijft de door Fronczek in haar rapport vastgestelde letsels aan de

hersenen en de ogen van [slachtoffer] , zoals hiervoor weergegeven.

Ten aanzien van de vastgestelde netvliesbloedingen stelt Karst dat er in beide ogen

netvliesbloedingen aanwezig waren, in vrijwel alle lagen en tot en met de uiterste periferie.

Fysieke krachten, die door acceleratie (versnelling) en deceleratie (vertraging) ontstaan, zoals een hevig schudincident of een forse impact op/tegen het hoofd leiden geregeld tot netvliesbloedingen. Al dan niet fors uitgevoerde reanimatiehandelingen kunnen niet tot de uitgebreide netvliesbloedingen bij [slachtoffer] hebben geleid. Karst concludeert dat geen medische

oorzaak is gebleken voor de netvliesbloedingen.

Een toenemende uitgebreidheid van netvliesbloedingen (in meerdere netvlieslagen en

verspreid over het gehele netvlies) is in toenemende mate gecorreleerd met een

niet-accidentele oorzaak. Volgens Karst zijn de netvliesbloedingen. waarvoor geen

medische oorzaak is gebleken, dan ook, afzonderlijk bezien, waarschijnlijker bij een niet-

accidentele krachtsinwerking (forse impact en/of heftig schudden) dan bij een accidentele

krachtsinwerking.

Karst concludeert dat het hersenletsel bij [slachtoffer] zo ernstig was, met verscheuringen van

zenuwuiteinden door krachtsinwerkingen, dat sprake moet zijn geweest van een acuut ontstane klinische noodsituatie na het ontstaan van het letsel. Het moment van ontstaan van het letsel (door forse krachtsinwerkingen op het hoofd) is volgens Karst met andere woorden gelegen na het laatste moment van normaal functioneren. Met het geconstateerde ernstige hersenletsel is het niet mogelijk om adequaat een flesje te drinken, om alert om je heen te kijken, om gericht voorwerpen aan te raken of te pakken of anderszins gericht te bewegen. Na de krachtsinwerking zal het niet meer mogelijk zijn geweest om normaal te functioneren.

Ter terechtzitting in eerste aanleg is door Karst nog toegelicht dat voor het ontstaan van de uitgebreidheid van deze retinale bloedingen zoveel kracht nodig is dat er een klinische noodsituatie moet zijn ontstaan. Als het klopt dat er in de ochtend relatief normaal functioneren was, dan past dat niet bij de situatie van de ernstige letsels.

Het kan niet dat de retinale bloedingen al waren ontstaan, maar [slachtoffer] pas uren later reanimatiebehoeftig werd. Het is niet zo dat je na een klinische noodsituatie eerst weer normaal functioneert en dan vervolgens weer terugvalt. Het veroorzakend mechanisme moet ontstaan zijn na het laatste moment van normaal functioneren. Er zijn bevindingen die bij leven zijn ontstaan en die zijn veroorzaakt door forse krachtsinwerking, aldus Karst.

Karst concludeert dat de combinatie van bevindingen (de hersenletsels en de retinale

bloedingen) zeer veel waarschijnlijker is bij een (zeer) forse krachtsinwerking dan bij een

medische aandoening of bij gebruikelijke verzorgingshandelingen. De combinatie van

bevindingen is daarbij waarschijnlijker bij een niet-accidentele, dan bij een accidentele

(zeer) forse krachtsinwerking. Medische handelingen kunnen uitgesloten worden geacht als

oorzaak van het fataal verlopen hersenletsel.

Contra-expertise van prof. dr. W. Jacobs

Prof. dr. W. Jacobs heeft in het kader van een contra-expertise op 22 november 2021 gerapporteerd. Jacobs heeft daartoe alle voorhanden relevante medische gegevens bestudeerd en hij heeft bij zijn interpretatie de aan hem verstrekte relevante verklaringen van de verdachte betrokken. Voorts heeft Jacobs op 24 oktober 2022 een reactie gegeven op het rapport van Karst. Evenals Karst is Jacobs ter terechtzitting in eerste aanleg als deskundige gehoord. In de kern houden de bevindingen van Jacobs het volgende in.

Ten aanzien van de door Fronczek vastgestelde letsels bij [slachtoffer] heeft Jacobs gerapporteerd dat intraretinale bloedingen werden vastgesteld, hetgeen wijst op een recent trauma. Jacobs heeft de aanwezigheid van de hersenzwelling niet betwist, maar stelt dat deze niet correct kan worden beoordeeld gezien er een periode is geweest van overleving met beademing in het ziekenhuis. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft Jacobs toegelicht dat hij bij het zien van de foto’s van de sectie, twijfelt een subdurale bloeding te zien en dat het waargenomen bloed ook een sectie-artefact zou kunnen zijn. Voorts heeft Jacobs onderschreven dat sprake was van axonale schade. In dit verband heeft Jacobs (onder meer ter zitting in eerste aanleg) echter wel naar voren gebracht dat aanvullend onderzoek aan de hersenstam en het cervicaal merg noodzakelijk was geweest om vast te kunnen stellen of deze axonale schade

een traumatische of een niet-traumatische oorzaak heeft.

Volgens Jacobs zijn retinale bloedingen bij baby’s sterk geassocieerd met

niet-accidenteel hoofdtrauma wanneer deze zich bilateraal en in verschillende kwadranten voordoen, zoals in het onderhavige geval. Jacobs concludeert dat het veel waarschijnlijker is dat deze letsels het gevolg zijn van een krachtsinwerking dan van een medische oorzaak.

Bovendien blijken uit de stukken geen aanwijzingen voor een medische oorzaak van deze

retinale bloedingen, aldus Jacobs. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft Jacobs naar voren gebracht dat hij niet kan uitsluiten dat sprake is van trauma. Een medische oorzaak is volgens Jacobs uitgesloten. Jacobs stelt op medisch gebied geen onderscheid te kunnen maken tussen een intentionele (niet-accidentele) krachtsinwerking en een accidentele krachtsinwerking. Volgens Jacobs is de stand van de wetenschap op het moment van de zitting in eerste aanleg dat die retinale bloedingen zeer verdacht zijn en dat het een vaststaand feit is dat dit geassocieerd wordt met toegebracht letsel.

Jacobs concludeert dat de bij [slachtoffer] vastgestelde retinale bloedingen (netvliesbloedingen) letsel betreft dat moet zijn veroorzaakt vlak voor het reanimatiebehoeftig worden van [slachtoffer] . Uit onderzoek is gebleken dat een periode tussen het herwinnen van het bewustzijn na het verlies van bewustzijn na een inertie hoofdtrauma niet bestaat. Schudden heeft hetzij een direct effect op het bewustzijn of geen effect. De neurologische symptomen treden dus direct op na het ontstaan van het trauma. Nadat Jacobs als voormeld had verklaard akkoord te zijn met de conclusie dat het letsel zeer kort voor het reanimatiebehoeftig zijn, moet zijn ontstaan, verklaarde hij nog dat “We zijn het er over eens dat het kind in elkaar is gestuit en dat het letsel kort daarvoor moet zijn opgetreden.”

Aanvullend neuropathologisch onderzoek door dr. J.C. Beckervordersandforth

Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is dr. J.C. Beckervordersandforth verzocht om nader forensisch-medisch onderzoek naar eventuele axonale schade aan de hersenstam en het cervicale merg van het slachtoffer te verrichten. De bevindingen van Beckervordersandforth zijn opgenomen in zijn rapportage d.d. 4 september 2024. Uit het rapport van Beckervordersandforth blijkt dat het cervicaal ruggenmerg niet beschikbaar was voor (aanvullend) onderzoek. Beckervordersandforth concludeert dat het aanvullend onderzoek (ook) traumatische axonale schade in de hersenstam toont.

Aanvullende rapporten van dr. J. Fronczek, dr. W.A. Karst en prof. dr. W. Jacobs

De bevindingen van Beckervordersandforth zijn vervolgens voorgelegd aan Fronczek, Karst en Jacobs. Uit het rapport van Fronczek d.d. 17 oktober 2024 blijkt dat voornoemd rapport van Beckervordersandforth geen invloed heeft op haar conclusies, zoals opgenomen in de rapportage d.d. 6 mei 2020. Karst heeft in zijn rapport d.d. 11 december 2024 naar voren gebracht dat de nieuwe bevindingen geen invloed hebben op zijn eerdere conclusies. Jacobs heeft in zijn rapport d.d. 30 december 2024 naar voren gebracht dat de hersenstam weliswaar is onderzocht, maar dat het cervicale merg nog steeds niet is onderzocht. Om die reden wordt de conclusie dat onduidelijk is of de axonale schade een traumatische of een niet-traumatische oorzaak heeft gehandhaafd.

Verslag kinderarts dr. P.E. Jira

Van de zijde van de verdediging is in hoger beroep een verslag van kinderarts dr. P.E. Jira d.d. 5 september 2025 in het geding gebracht. Op door de verdediging geformuleerde vragen heeft Jira onder meer geantwoord dat het forensisch-medisch onderzoek (door Fronczek, Karst en Jacobs) zeer vakkundig is uitgevoerd. Voorts geven het radiologisch onderzoek (met name naar relevante fracturen), infectiologisch onderzoek, stofwisselingsonderzoek en (het hof begrijpt: onderzoek naar) andere mogelijke oorzaken een helder beeld en zijn het neuropathologisch onderzoek en oogheelkundig onderzoek meer dan suggestief voor het shaken babysyndrome, aldus Jira. Daarnaast blijkt uit het verslag van Jira dat hij het niet eens is met de deskundigen dat het letsel ‘vlak na het laatste moment van normaal functioneren’ moet zijn ontstaan. In dit verband heeft Jira in het bijzonder naar voren gebracht dat het volgens hem mogelijk is dat [slachtoffer] in de ochtend van 20 augustus 2019, omstreeks 09.15 uur, nog een flesje melk heeft gedronken terwijl op dat moment bij haar reeds sprake was van hersenschade.

Conclusies van het hof ten aanzien van de deskundigenrapporten

Ten aanzien van het verslag van Jira overweegt het hof het navolgende.

Uit het verslag van Jira, alsmede uit de inhoud van zijn curriculum vitae blijkt dat hij (ruime) ervaring heeft als kinderarts, kinderarts-neonatoloog en kinderarts-kindernefroloog. Ondanks deze ervaring is het hof op basis van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende gebleken dat hij (ook) op forensisch-medisch gebied deskundig is. Jira is geen forensisch arts en heeft bijvoorbeeld geen wetenschappelijke publicaties op forensisch-medisch gebied geschreven. Voorts stelt het hof vast dat Jira in zijn verslag door de verdediging geformuleerde vragen heeft beantwoord. Hij heeft (daarmee) niet dezelfde vragen beantwoord die aan de andere deskundigen zijn voorgelegd. Bovendien is Jira naar het oordeel van het hof niet steeds tot duidelijk onderbouwde conclusies gekomen waarmee hij de inhoud van andere deskundigenrapporten op wetenschappelijk onderbouwde wijze heeft weersproken. Gelet op voornoemde omstandigheden – in samenhang bezien – zal het hof geen gebruik maken van de inhoud van het verslag van Jira.

Ten aanzien van de rapporten van Fronczek, Karst en Jacobs overweegt het hof als volgt.

Het hof is van oordeel dat de rapporten van Fronczek, Karst en Jacobs op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, alsmede dat de bevindingen en conclusies van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing en motivering. Zoals hierboven is weergegeven, zijn Karst en Jacobs het niet op alle onderdelen met elkaar eens.

Desalniettemin bezigt het hof de rapporten van zowel Karst als Jacobs tot het bewijs. Het hof zal per letsel zijn oordeel daarover hierna nader toelichten.

Op basis van het rapport van Fronczek d.d. 6 mei 2020 stelt het hof vast dat bij [slachtoffer]

beschadiging van de uitlopers van zenuwcellen (axonale schade), een bloeding/bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom) en bloedingen/bloeduitstortingen in de netvliezen van beide oogbollen (retinale schade) zijn vastgesteld. Voorts stelt het hof vast dat [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van ernstig hersenletsel dat bij leven is ontstaan. Karst heeft de door Fronczek in haar rapport genoemde en vastgestelde letsels – zoals hierboven weergeven – onderschreven.

Het hof bespreekt hierna deze drie letsels.

Subduraal hematoom

Ten aanzien van het subduraal hematoom heeft Karst in zijn rapport in het bijzonder naar voren gebracht dat hij de foto’s van de sectie heeft bestudeerd en dat hij de aanwezigheid van een beperkte bloeduitstorting onder het harde hersenvlies daarbij kon bevestigen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft Karst dit herhaald. Jacobs heeft in zijn rapport d.d. 22 november 2021 aangegeven op basis van de sectiefoto’s niet met zekerheid te kunnen vaststellen of het een subdurale bloeding betreft, hooguit betreft het wat subarachnoïdaal bloed. Hij geeft aan dat deze bloeding niet op de radiologische beelden te zien was met de woorden ‘dat de beeldvorming (voor en na het overlijden) geen hersenbloedingen weerhouden heeft’. Karst geeft in zijn rapport d.d. 14 september 2022 aan dat dit type bloeding niet altijd radiologisch gezien wordt maar dat dit bij de sectie wel evident was, los van de vraag of dit een subdurale of subarachnoïdale bloeding betrof. Karst is uitgegaan van een subdurale bloeding omdat deze bij de sectie gezien was door de patholoog Fronczek. Gelet op de bevindingen van Fronczek en Karst, alsmede de daaromtrent gegeven toelichting kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden geconcludeerd dat bij [slachtoffer] (ook) een subduraal hematoom is vastgesteld. In zijn rapport van 14 augustus 2020 concludeert Karst hierover dat de bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, afzonderlijk beschouwd, veel waarschijnlijker zijn bij een forse krachtsinwerking dan bij een medische aandoening. Verder zijn de bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, uitgaande van een forse krachtsinwerking en afzonderlijk beschouwd, iets waarschijnlijker bij een niet-accidentele, dan bij een accidentele krachtsinwerking. Karst heeft de subdurale bloeding niet bij het bepalen van zijn waarschijnlijkheidsoordelen voor de combinatie van de bevindingen betrokken. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat Karst in zijn rapport van 14 september 2022 naar voren heeft gebracht dat in een eerder gepubliceerde vergelijkbare studie bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies niet zijn meegewogen, omdat die als onderdeel gebruikt werden om niet-accidenteel (toegebracht) hersenletsel van accidenteel hersenletsel te (kunnen) onderscheiden. Het hof begrijpt aldus dat het subduraal hematoom bij het bepalen van de bewijskracht niet is betrokken teneinde een dubbeltelling bij het bepalen van de (grootte van de) bewijskracht te voorkomen.

Netvliesbloedingen

Voorts neemt het hof de conclusies van de deskundigen dat de aangetroffen netvliesbloedingen in beide ogen geen medische oorzaak hebben gehad en door een traumatische krachtsinwerking moeten zijn ontstaan, over. Ten aanzien van de bij [slachtoffer] aangetroffen netvliesbloedingen zijn Karst en Jacobs – ofschoon Jacobs het heeft over de waarschijnlijkheid van de hypotheses, terwijl Karst op de door het NFI gebruikelijke wijze spreekt over de waarschijnlijkheid van de letsels onder de verschillende hypotheses – het met elkaar eens dat er voor de netvliesbloedingen geen medische oorzaak is gebleken. Het hof neemt deze conclusies over en concludeert dat de netvliesbloedingen in de netvliezen van beide oogbollen het gevolg zijn van een krachtsinwerking. De conclusie van Karst dat de netvliesbloedingen, afzonderlijk bezien, waarschijnlijker zijn bij een niet-accidentele krachtsinwerking (forse impact en/of heftig schudden) dan bij een accidentele krachtsinwerking, neemt het hof ook over gelet op de uitgebreidheid van de netvliesbloedingen die bij [slachtoffer] werd gezien en het door Karst in zijn rapport van 14 augustus 2020 in voetnoot 24 aangehaalde onderzoek daarover.

Axonale schade

Met betrekking tot de bij [slachtoffer] vastgestelde beschadiging van de uitlopers van zenuwcellen (axonale schade) hebben Fronczek en Karst respectievelijk gerapporteerd dat het gaat om traumatische axonale schade/verscheuringen van zenuwuiteinden door krachtsinwerking. Het hof neemt deze conclusies over en concludeert dat de axonale schade het gevolg moet zijn van een krachtsinwerking. Bij dit oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat op basis van aanvullend onderzoek door Beckervordersandforth ook traumatische axonale schade in de hersenstam is aangetoond. De eerdere bevindingen en conclusies van Fronczek en Karst zijn daarmee naar het oordeel van het hof bevestigd. Karst heeft in dit verband in zijn rapport d.d. 11 december 2024 ook naar voren gebracht dat hij in zijn rapport d.d. 14 augustus 2020 reeds was uitgegaan van schade aan de zenuwuitlopers als gevolg van krachtsinwerking, alsmede dat de bevindingen van Beckervordersandforth (om die reden) geen invloed hebben gehad op zijn eerdere conclusies. Het voorgaande impliceert dat het hof de door Jacobs in zijn aanvullende rapport van 30 december 2024 geformuleerde opmerking – inhoudende dat het neuropathologische onderzoek nog steeds onvolledig is, nu het cervicaal merg niet meer kon worden onderzocht, passeert. Nu de uitkomst van het nader verrichte onderzoek aan de hersenstam de eerdere conclusies van Karst en Fronczek, dat sprake is van traumatische axonale schade, bevestigen, ziet het hof geen reden om aan deze conclusies te twijfelen. In dit verband heeft het hof nog mede in aanmerking genomen dat Jacobs ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij niet kan uitsluiten dat sprake is van trauma, maar dat hij dat ook niet kan bevestigen, alsmede dat een medische oorzaak – voor naar het hof begrijpt de geconstateerde axonale schade – wat hem betreft is uitgesloten.

Waarschijnlijkheidsschalen en combinatie van de bevindingen

Karst heeft in zijn rapport d.d. 14 augustus 2020 op de zogenoemde Bayesiaanse wijze gerapporteerd en geconcludeerd. Dit wordt in de rechtspraak als een gebruikelijke wijze van rapporteren geaccepteerd. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft Karst toegelicht dat zijn conclusies tot stand zijn gekomen op basis van gepubliceerde onderzoeksresultaten, alsmede op grond van forensisch-medische kennis en ervaring. De regel van Bayes is een wiskundige formule die de kansverhouding beschouwt van de waarschijnlijkheid van de letsels onder twee hypothesen (in dit geval de hypothese niet-accidentele krachtsinwerking (forse impact en/of heftig schudden) en de hypothese accidentele krachtsinwerking. De kwalitatieve term ‘waarschijnlijker’ is ontleend aan een gestandaardiseerde reeks van termen die wordt gehanteerd door het NFI om bedoelde kansverhouding uit te drukken. Deze bestaat uit zes gradaties van ‘ongeveer even waarschijnlijk’ tot ‘extreem veel waarschijnlijker’. Het NFI heeft de verbale termen ook numeriek gedefinieerd. Met bijvoorbeeld de term ‘waarschijnlijker’ wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten tien tot honderd keer groter wordt geacht wanneer de ene hypothese waar is, dan wanneer de andere hypothese waar is. De gestandaardiseerde reeks van termen en de daarbij genoemde ordegrootte van bewijskracht worden voor verschillende vakgebieden gebruikt. Zo wordt die niet alleen gebruikt voor zaken als de onderhavige, maar bijvoorbeeld ook voor zaken waarin een vergelijkend DNA-onderzoek is uitgevoerd. Als het gaat om DNA-onderzoek is het niet ongebruikelijk dat wordt gerapporteerd in de ordegrootte van ‘extreem veel waarschijnlijker’. Dat heeft te maken met het onderscheidend karakter van het DNA-onderzoek en de zeer specifieke hypothesen die daarbij gebruikt worden. In het forensisch-medisch vakgebied daarentegen wordt doorgaans gebruikt gemaakt van algemenere hypothesen, zoals in onderhavige zaak. Dat in andere zaken in hetzelfde vakgebied of in een andere zaak op een ander vakgebied – zoals op het gebied van DNA-onderzoek – doorgaans hogere bewijskrachten gerapporteerd plegen te worden, is voor een beoordeling van een individuele zaak dan ook niet relevant. Voor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat in het onderhavige geval slechts zou worden gesproken over lage gradaties als ‘iets waarschijnlijker’, terwijl de grootte van een bewijskracht ook boven 1 miljoen kan uitstijgen en in dit geval aldus sprake zou zijn van een lage bewijswaarde, wordt dat verweer dan ook verworpen.

Jacobs heeft op een andere wijze gerapporteerd dan Karst. Hij heeft vanuit pathologisch oogpunt naar het overlijden van [slachtoffer] gekeken en heeft vanuit zijn expertise geen waarschijnlijkheidsoordeel kunnen geven over de letsels bij verschillende hypothesen. Dat Jacobs dat niet heeft kunnen doen, doet naar het oordeel van het hof geenszins af aan de bevindingen en conclusies van Karst. De conclusie van Karst houdt in dat – gelet op de combinatie van bevindingen – de letsels waarschijnlijker zijn bij een niet-accidentele dan bij een accidentele (zeer) forse krachtsinwerking. Het hof neemt deze conclusie over.

Datering van het letsel

Voor wat betreft de vraag op welk moment het letsel kan zijn ontstaan, heeft Karst gerapporteerd dat het hersenletsel bij [slachtoffer] zo ernstig was dat sprake moet zijn geweest van een acuut ontstane klinische noodsituatie na het ontstaan van het letsel. Dit impliceert dat het moment van ontstaan van dat letsel is gelegen na het laatste moment van normaal functioneren. Naar het oordeel van het hof vindt deze conclusie van Karst bevestiging in het rapport van Jacobs d.d. 22 november 2021 waarin Jacobs beschrijft dat een lucied interval – de periode tussen het herwinnen van het bewustzijn na het verlies van bewustzijn – na een inertie hoofdtrauma niet bestaat: schudden heeft een direct effect op het bewustzijn of geen effect. Voorts heeft Jacobs ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat het letsel zeer kort voor het reanimatiebehoeftig zijn, moet zijn ontstaan.

In combinatie met de conclusies van Karst dat de uitgebreide netvliesbloedingen vers moeten zijn geweest en een niet-accidentele oorzaak hebben, de conclusie van Jacobs dat de intratretinale bloedingen wijzen op recent trauma, alsmede de waarschijnlijkheidsconclusies behorend bij de bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies als door Karst gerapporteerd, welke conclusies het hof overneemt en tot de zijne maakt, gaat het hof uit van een en hetzelfde schudincident, dan wel forse toegebrachte impact op het hoofd van [slachtoffer] , dat deze letsels bij haar heeft veroorzaakt.

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat deze letsels bij [slachtoffer] moeten zijn ontstaan na het laatste moment van normaal functioneren en (zeer kort) voor het reanimatiebehoeftig worden van [slachtoffer] .

Conclusies van het hof in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen

Gelet op het al het hiervoor overwogene in samenhang bezien met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen concludeert het hof het volgende. Bij [slachtoffer] was sprake van bloedingen/bloeduitstortingen in de netvliezen van beide oogbollen (retinale schade), een bloeding/bloeduitstorting onder het harde hersenvlies en hersenletsel (axonale schade) ten gevolge waarvan zij op 21 augustus 2019 is overleden.

Deze bij [slachtoffer] geconstateerde letsels zijn ontstaan door een forse krachtsinwerking en hebben geen medische oorzaak.

Het hof beoordeelt de oorzaak van de letsels bij [slachtoffer] vervolgens als niet-accidenteel en overweegt daartoe als volgt. Allereerst stelt het hof vast dat de verdachte niet heeft verklaard over een (forse) accidentele krachtsinwerking die de letsels kan verklaren. Integendeel, uit de verklaringen van de verdachte die zij van meet af aan heeft afgelegd, kan niet worden afgeleid hoe de letsels bij [slachtoffer] zijn ontstaan. Zo leidt het hof uit de verklaringen van de verdachte af dat deze bewuste ochtend van 20 augustus 2019 voor haar weinig onderscheidend was van alle andere ochtenden dat zij op [slachtoffer] (en haar broertje en zus paste) en zou niets bijzonders zijn gebeurd. Ter zitting in hoger beroep is hier nog eens uitdrukkelijk naar gevraagd en de verdachte heeft verklaard dat er niets is voorgevallen die bewuste ochtend van 20 augustus 2019 dat tot letsel bij [slachtoffer] kan hebben geleid. [slachtoffer] was behoudens de periodes dat de verdachte haar in bed had gelegd ook niet bij haar vandaan geweest, zo begrijpt het hof de verdachte. Gelet hierop en de conclusie van Karst – inhoudende dat het letsel bij een niet-accidentele oorzaak waarschijnlijker is dan bij een accidentele oorzaak – kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de letsels bij [slachtoffer] zijn opgetreden als gevolg van een geweldsincident en aldus een niet-accidentele oorzaak hebben. Dat betekent dus dat het niet anders kan zijn dan dat de letsels bij [slachtoffer] zijn toegebracht.

Gelet op het hiervoor overwogene en de inhoud van de bewijsmiddelen, is het hof voorts van oordeel dat de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels ten gevolge waarvan zij is overleden moeten zijn toegebracht na het laatste moment van normaal functioneren en (zeer kort) voor het reanimatiebehoeftig worden van [slachtoffer] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] op 20 augustus 2019 omstreeks 08.00 uur door haar moeder naar de verdachte is gebracht en dat zij toen normaal functioneerde. Ook uit de verklaring van de vader volgt dat [slachtoffer] die ochtend normaal functioneerde. Thuis was zij gezond en had goed geslapen en die ochtend had zij nog gewoon gegeten, ze had haar flesje helemaal opgedronken. Volgens de vader was [slachtoffer] gezond. Ook uitgaande van de verklaring van de verdachte was [slachtoffer] die ochtend vrolijk en wakker, en slaakte zij kreetjes en was zij zo actief met haar ogen. Ook zou [slachtoffer] op enig moment in de ochtend nog ruim een half flesje melk hebben gedronken, een boertje hebben gelaten en op het boxkleed hebben gespeeld. Daarbij ging [slachtoffer] een beetje de woonkamer rond. Overigens heeft de verdachte bij de politie verklaard dat [slachtoffer] altijd zelf wilde drinken en zij de fles aan [slachtoffer] gaf om leeg te drinken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verder nog verklaard dat [slachtoffer] op 20 augustus 2019 heeft ‘getijgerd’ in de woonkamer. Op 20 augustus 2019 is in de woning ook een half leeggedronken babyflesje aangetroffen op de salontafel, dat volgens de verdachte het flesje van [slachtoffer] betrof. Na dit scala aan activiteiten die [slachtoffer] die ochtend zou hebben laten zien en waar het hof op basis van het voorhanden bewijs vanuit gaat, zou de verdachte – naar eigen zeggen – [slachtoffer] naar bed hebben gebracht, waarna [slachtoffer] zou hebben geslapen en zou de verdachte haar rond twaalf uur levenloos in haar bedje hebben aangetroffen. Dit door de verdachte geschetste scenario van het nadere verloop van de ochtend, vanaf het naar bed brengen van [slachtoffer] en het vervolgens in haar bedje aantreffen van [slachtoffer] in een levenloze toestand, vindt geen steun in enig objectief bewijsmiddel maar valt bovenal niet te rijmen met de bevindingen van de deskundigen. Immers, uitgaande van die bevindingen, zijn de bij [slachtoffer] vastgestelde ernstige letsels (hoofdtrauma), veroorzaakt zeer kort voor het reanimatiebehoeftig worden van [slachtoffer] . Zodanig ernstig letsel dat de krachtsinwerking zo fors moet zijn geweest dat normaal functioneren daarna niet meer mogelijk was. Dat betekent dat het hof geen geloof hecht aan de verklaringen van de verdachte dat er niets met baby [slachtoffer] is gebeurd terwijl [slachtoffer] die ochtend onder haar hoede was. Integendeel, het hof concludeert dat het fatale letsel gedurende de tijd dat [slachtoffer] bij de verdachte in de gastouderopvang verbleef, moet zijn toegebracht. Indien en voor zover de krachtsinwerking en het ten gevolge daarvan ontstane (hersen)letsel eerder had plaatsgevonden/was ontstaan, dan had [slachtoffer] immers niet meer op de wijze kunnen functioneren zoals door haar ouders en de verdachte is beschreven.

Uit de verklaring van de verdachte volgt dat zij die ochtend en dus ook ten tijde van het ontstaan van de letsels de enige volwassene in de woning was. Aanknopingspunten dat dit anders was, ontbreken. In de woning waren wel nog het slapende tweelingbroertje van [slachtoffer] van net zoveel maanden oud en haar tweejarig zusje. Echter met betrekking tot het tweejarig zusje komt uit de stukken en de verklaring van de verdachte naar voren dat zij in het zicht van de verdachte is geweest, dan wel – afgesloten (achter een met een veiligheidsslot vergrendeld bedhekje) – in haar bedje lag. Handelingen van het slapende broertje en het tweejarig zusje ten aanzien van [slachtoffer] kunnen dan ook worden uitgesloten. Gelet hierop en op de aard van de geconstateerde letsels kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het letsel door de verdachte is toegebracht. Dat niet exact kan worden vastgesteld op welke wijze die forse krachtsinwerking (schudden en/of een forse impact) heeft plaatsgehad, maakt dat oordeel niet anders.

(Voorwaardelijk) opzet de dood

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De verdachte heeft deze beschuldiging in haar richting steeds van de hand gewezen. Naar het oordeel van het hof is ook anderszins niet komen vast te staan dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het van het leven beroven van [slachtoffer] . Het hof dient derhalve te beoordelen of de verdachte met haar handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in het onderhavige geval de dood – aanwezig is indien een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat een verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij of zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat een baby zoals van de leeftijd van [slachtoffer] bijzonder kwetsbaar is. De kans dat het uitoefenen van een forse kracht op (het hoofdje van) een baby en/of het (heftig) schudden van een baby, de dood van die baby kan veroorzaken, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De verdachte had als gastouder ruime ervaring met (de zorg voor) jonge kinderen. Ook had de verdachte een EHBO-cursus gevolgd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden indien fors geweld op haar zou worden uitgeoefend.

De verdachte heeft niet verklaard op welke wijze baby [slachtoffer] de letsels zijn toegebracht, reden waarom het hof komt tot een beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van de haar verweten gedragingen. Bepaalde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft bewaard. Naar het oordeel van het hof zijn gedragingen zoals het (heftig) schudden van een baby en/of het uitoefenen van (hevig) geweld op het hoofd en/of lichaam van een baby dergelijke gedragingen. Van de hiervoor genoemde contra-indicaties is in het onderhavige geval niet gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] dan ook bewust aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

Conclusie van het hof

Gelet de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

De verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt in alle onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sancties

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte overeenkomstig de beslissing van de rechtbank een beroepsverbod voor de duur van 5 jaren zal worden opgelegd.

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over (de hoogte van) een mogelijk aan de verdachte op te leggen sanctie.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het bepalen van de op te leggen sancties heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst van het feit

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op baby [slachtoffer] . Een baby van de leeftijd van [slachtoffer] is volledig weerloos en bovendien afhankelijk van de zorg van anderen, welke zorg ook aan de verdachte was toevertrouwd. Terwijl de verdachte als gastouder voor [slachtoffer] zorgde, is ten gevolge van hevige krachtsinwerking(en) onder meer ernstig hersenletsel bij [slachtoffer] ontstaan, aan de gevolgen waarvan zij is overleden. [slachtoffer] is hierdoor niet ouder dan zeven maanden geworden. [slachtoffer] had haar hele leven nog voor zich en dat leven is haar door de verdachte ontnomen.

Het overlijden van [slachtoffer] brengt vanzelfsprekend immens verdriet met zich, in het bijzonder voor de ouders van [slachtoffer] , alsmede voor de naaste omgeving van het slachtoffer. De verdachte heeft door haar handelen voor hen onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht. De ouders van [slachtoffer] worden binnen het gezin nog iedere dag geconfronteerd met het verlies en het gemis van hun dochtertje. [slachtoffer] was het tweelingzusje van haar broertje [tweelingbroertje] , waardoor zij de ontwikkeling die [slachtoffer] zou hebben doorgemaakt iedere dag kunnen terugzien bij hun zoontje. Voor [tweelingbroertje] en ook voor de oudere zus van [slachtoffer] , [zus] , is de mogelijkheid ontnomen om samen met zijn tweelingzus en haar jongere zusje verder op te kunnen groeien. Van het een op het andere moment moesten zij het allen zonder [slachtoffer] zien te stellen.

De verdachte heeft geen inzicht willen geven in haar handelen. De precieze oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden en het latere overlijden van [slachtoffer] is daardoor tot op de dag van vandaag onduidelijk gebleven. Gelet hierop heeft de verdachte het onherstelbare leed dat aan de ouders van [slachtoffer] is toegebracht nog eens vergroot, nu zij – wellicht voor altijd – in onzekerheid zullen blijven over hetgeen [slachtoffer] exact in de laatste momenten van haar korte leven heeft moeten meemaken. Het hof rekent de verdachte dit aan. Tegelijkertijd houdt het hof ook rekening met de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde heeft plaatsgehad, waarbij het hof niet uitgaat van vol opzet op de dood van [slachtoffer] , alsmede met het feit dat de verdachte moet leven met de wetenschap dat zij verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] . Evenals de rechtbank twijfelt het hof er niet aan dat dat voor de verdachte een enorme last is, die ook zij de rest van haar leven zal moeten dragen.

Persoon van de verdachte

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 oktober 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake een ander strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 15 december 2025, alsmede met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 5 juni 2023. Uit het reclasseringsadvies d.d. 5 juni 2023 blijkt onder meer dat er volgens de reclassering gelet op de ontkennende houding van de verdachte en het ontbreken van aanwijzingen voor delictgerelateerde problematiek onvoldoende aanknopingspunten zijn voor reclasseringstoezicht. In geval van een veroordeling adviseert de reclassering dan ook de oplegging van een straf zonder dat daaraan bijzondere voorwaarden worden verbonden. Voorts blijkt uit voornoemd reclasseringsadvies dat de reclassering geen inschatting van het risico op recidive heeft kunnen maken. Uit het reclasseringsadvies d.d. 15 december 2025 blijkt dat het recent uitgevoerde onderzoek geen veranderingen heeft opgeleverd ten opzichte van voornoemde rapportage d.d. 5 juni 2023, zoals dat hiervoor is besproken.

Op te leggen gevangenisstraf

Doodslag – zoals is bewezenverklaard – wordt algemeen beschouwd als één van de ernstigste commune delicten, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is of kan zijn. Gelet daarop en op de hierboven omschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen gevangenisstraf heeft het hof tevens acht geslagen op de termijn waarbinnen deze strafzaak in eerste aanleg is afgedaan en de termijn waarbinnen het hof de zaak van de verdachte zal afdoen.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In gevallen waarin de verdachte niet in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, dient de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen twee jaren te worden afgedaan om een termijnoverschrijding te voorkomen.

De redelijke termijn is aangevangen op 25 juni 2020, de dag waarop de verdachte voor de onderhavige zaak in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen haar door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De verdachte is op 18 augustus 2020 in vrijheid gesteld, zodat voor afdoening van haar zaak een termijn van twee jaar per instantie redelijk is. De rechtbank heeft eerst op 6 juli 2023 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen twee jaren na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van ruim een jaar overschreden.

Van de zijde van de verdachte is op 20 juli 2023 hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld. Het hof wijst het onderhavige arrest op 29 januari 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ongeveer zes maanden overschreden.

Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft nog aanvullend onderzoek plaatsgehad. Deze omstandigheid vormt naar het oordeel van het hof evenwel geen rechtvaardiging voor in het bijzonder voornoemde aanmerkelijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren (84 maanden) met aftrek van voorarrest naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaar (78 maanden) met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Ontzetting van het recht tot uitoefening van beroep

Naast de op te leggen gevangenisstraf zal het hof aan de verdachte als bijkomende straf beslissen tot ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van gastouder voor minderjarige(n). In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit is begaan tijdens verdachtes werk als gastouder en zij geen openheid van zaken heeft willen geven omtrent de omstandigheden en/of de oorzaak die tot het overlijden van [slachtoffer] hebben geleid. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en ter bescherming van de samenleving acht het hof het dan ook passend en geboden om aan de verdachte deze bijkomende straf op te leggen.

Blijkens artikel 31, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de duur van een ontzetting van de uitoefening van een beroep in geval van een veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf een periode die ten minste twee jaren en ten hoogste vijf jaren de duur van die tijdelijke gevangenisstraf te boven gaat.

Gelet op het vorenstaande zal het hof aan de verdachte een beroepsverbod opleggen voor de duur van negen jaren.

Vorderingen van de benadeelde partijen [moeder van het slachtoffer] en [vader van het slachtoffer]

De benadeelde partijen [moeder van het slachtoffer] en [vader van het slachtoffer] , respectievelijk de moeder en de vader van [slachtoffer] , hebben in eerste aanleg ieder een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van in totaal € 55.000,00 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000,00 aan affectieschade en € 35.000,00 aan shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft [vader van het slachtoffer] in eerste aanleg verzocht om vergoeding van proceskosten. Het gaat daarbij om reiskosten die hij heeft gemaakt voor een gesprek met de officier van justitie alsmede om reiskosten om de terechtzittingen in eerste aanleg op 19, 20 en 21 juni 2023 te kunnen bijwonen. In totaal gaat het om een bedrag van € 727,98.

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [moeder van het slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 40.000,00 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000,00 aan affectieschade en € 20.000,00 aan shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ter hoogte van voornoemd geldbedrag is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

De verdachte is veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij [moeder van het slachtoffer] , tot aan het vonnis begroot op nihil.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] heeft de rechtbank eveneens een bedrag van € 40.000,00 aan immateriële schade toegewezen, bestaande uit

€ 20.000,00 aan affectieschade en € 20.000,00 aan shockschade. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voorts heeft de rechtbank de door de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] gevorderde reiskosten als materiële schade toegewezen. De vordering van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] is aldus toegewezen tot een bedrag van in totaal € 40.727,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is ook veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] , tot aan het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partijen hebben te kennen gegeven de gehele vorderingen in hoger beroep te handhaven. Voorts heeft de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] verzocht om een aanvullende vergoeding van de gemaakte reiskosten om bij de behandeling van de zaak in hoger beroep aanwezig te kunnen zijn. Daarop is door zijn advocaat toegelicht dat de reiskosten primair als materiële schade en subsidiair als reiskosten worden gevorderd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen dient te worden bevestigd. Voorts heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de door de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] in hoger beroep nog gevorderde reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Indien en voor zover het hof daar anders over mocht denken, heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat die kosten als onderdeel van een op te leggen schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden toegewezen.

De verdediging heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat de vorderingen voor wat betreft de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. In dit verband heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat het verband tussen de confrontatie en het geestelijk letsel/de stoornissen die daarvan het gevolg zouden zijn, onvoldoende is onderbouwd. Voorts is onduidelijk of aan het vereiste is voldaan dat bij de benadeelde partijen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Meer subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat de gevorderde affectieschade en shockschade op een bepaalde manier met elkaar zouden moeten worden verrekend. Een dergelijke discussie daaromtrent levert evenwel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Voort wat betreft de gevorderde shockschade dienen de benadeelde partijen dan ook op die grond niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging. Meest subsidiair heeft de verdediging verzocht de door het hof toe te wijzen shockschade te verminderen met de vergoeding voor affectieschade.

Het hof overweegt als volgt.

Affectieschade

Op grond van artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen nabestaanden

affectieschade vorderen in het geval het overlijden van een slachtoffer het gevolg is van een

gebeurtenis waarvoor een ander – in dit geval de verdachte – aansprakelijk is. Het hof stelt vast de benadeelde partijen – de ouders van het slachtoffer – op grond van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek tot de kring van gerechtigden behoren en als zodanig recht hebben op vergoeding van affectieschade. In het Besluit vergoeding affectieschade zijn forfaitaire bedragen vastgesteld aan de hand waarvan een dergelijke vordering kan worden toegewezen. Het hof acht de gevorderde affectieschade van € 20.000.00 gelet op de overeenkomstige bedragen in het Besluit vergoeding affectieschade voor beide benadeelde partijen toewijsbaar.

Shockschade

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) de volgende opmerkingen over (vergoeding van) shockschade gemaakt.

“3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.

Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;

- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan; daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd; bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was; bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis;

- de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.

Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.

Het hof overweegt als volgt.

In de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen is naar voren gebracht dat de benadeelden een enorm hevige emotionele schok hebben opgelopen door de confrontatie met het levenloze lichaam van hun dochtertje, het meemaken van de reanimatie, de beslissing die ze hebben moeten nemen om de beademing van [slachtoffer] te beëindigen en het maanden later vernemen dat de gastouder – die zij zo vertrouwden – de dood van hun dochtertje mogelijk heeft veroorzaakt.

Het hof acht het zonder meer invoelbaar dat hetgeen de ouders van [slachtoffer] hebben moeten meemaken voor hen enorm zwaar is geweest en een grote impact heeft gehad en tot op heden nog steeds heeft. Uit de bij de vorderingen gevoegde (naar de Nederlandse taal vertaalde) berichten van een Poolse psychiater blijkt bijvoorbeeld ook dat sprake is van klachten van vermoeidheid, uitputting en slaapproblemen. Ook wordt gesproken over een adaptieve stoornis. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat hetgeen in de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen naar voren is gebracht – zoals dat hiervoor is weergegeven – geen bevestiging vindt in de berichten van de psychiater. Naar het oordeel van het hof staat dan ook onvoldoende vast dat het gaat om geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de door de verdachte gepleegde onrechtmatige daad jegens [slachtoffer] . De stukken die van de zijde van de benadeelde partijen in hoger beroep in het geding zijn gebracht, hebben daar naar het oordeel van het hof ook geen verandering in aangebracht. De benadeelde partijen zullen dan ook voor wat betreft de gevorderde shockschade beiden niet-ontvankelijk worden verklaard.

Reiskosten

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de benadeelde [vader van het slachtoffer] ter terechtzitting van 19, 20 en 21 juni 2023 is verschenen. Tevens blijkt daaruit dat hij telkens werd bijgestaan door mr. F.W. Oehlen. Ter terechtzitting in hoger beroep is de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] op 5 juni 2024 en 8 januari 2026 eveneens samen met mr. Oehlen verschenen. Ook heeft hij aangekondigd heden bij de uitspraak aanwezig te zullen zijn.

Het hof acht het zonder meer begrijpelijk en voorstelbaar dat de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] (telkens) bij de behandeling van de onderhavige strafzaak aanwezig heeft willen zijn. Dat laat onverlet dat de daarmee gepaard gaande kosten niet zonder meer voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor zover thans in hoger beroep de ten behoeve van de zittingen in hoger beroep gemaakte reiskosten (primair) worden gevorderd als materiële schade, stelt het hof reeds vast dat de benadeelde partij daarmee feitelijk een nieuwe ‘materiële’ schadepost opvoert dan wel een verhoging wenst van de in eerste aanleg opgevoerde reiskosten. Nu de benadeelde partij met deze verhoging (van de ‘materiële’ schade) buiten de grenzen van de eerste (oorspronkelijke) vordering treedt, kan zij reeds daarom niet in dat nieuwe deel van de vordering worden ontvangen.

Voor wat betreft de oorspronkelijke vordering wijst het hof voorts op bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dat reiskosten waarvan de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] vergoeding vraagt voor het gesprek met de officier van justitie en het bijwonen van de terechtzittingen in eerste aanleg niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit. Anders dan de rechtbank heeft beslist, ziet het hof dan ook geen ruimte bij gebrek aan een wettelijke basis om deze door de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] gevorderde reiskosten als materiële schade toe te wijzen.

Subsidiair vordert de benadeelde partij die reiskosten (met inbegrip van de reiskosten ten behoeve van de zittingen in hoger beroep) als proceskosten. Naar het hof begrijpt ziet deze subsidiaire variant op de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep bij te wonen. Hoewel een vordering van een benadeelde partij ter zake van proceskosten in hoger beroep wel in omvang mag worden verhoogd, dient het hof bij de beoordeling en begroting van deze kosten, indachtig een redelijke uitleg van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering dezelfde maatstaf te hanteren als in civiele procedures. Op grond van artikel 238, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen slechts de reiskosten voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking komen voor zover wordt geprocedeerd zonder gemachtigde. Nu de benadeelde partij zich heeft laten bijstaan door een advocaat, ontbreekt ook hier een wettelijke basis voor toewijzing van de gevorderde proceskosten. In hetgeen namens de benadeelde partij in dat verband naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding om anders te oordelen.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de gevorderde reiskosten ook niet via oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking kunnen worden genomen, zoals dat ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal is voorgesteld.

Wettelijke rente

Het hof zal voorts beslissen de toe te wijzen bedragen – zoals gevorderd – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2019, zijde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers [moeder van het slachtoffer] en [vader van het slachtoffer]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers

[moeder van het slachtoffer] en [vader van het slachtoffer] is toegebracht. De verdachte is daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte maatregelen tot schadevergoeding op te leggen, telkens ter hoogte van voormeld bedrag (€ 20.000,00), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 28, 31, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 78 (achtenzeventig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van gastouder voor minderjarige(n) voor de duur van 9 (negen) jaren.

Vordering van de benadeelde partij [moeder van het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder van het slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder van het slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2019.

Vordering van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [vader van het slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2019.

Aldus gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A. Muller, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting en A.C. Klop, MSc, griffiers,

en op 29 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?