Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 april 2021 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993262-14 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 161.677,17, aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van
€ 151.677,17 en het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd bepaald op ten hoogste 1.080 dagen.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op
€ 161.677,17 en aan de betrokkene zal opleggen een betalingsverplichting van € 143.977,17.
De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de hoogte van het vastgestelde geschatte voordeel en de omvang van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust onder aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde betalingsverplichting in verband met overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen door het hof overgenomen en aangevuld met de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende inhoud van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] . In deze bewijsmiddelen worden de door de verdediging ingenomen standpunten weerlegd. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden alsdan opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank heeft – gelet op de in eerste aanleg vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM – de betalingsverplichting van
€ 161.677,17 met een bedrag van € 10.000,00 verminderd tot € 151.677,17.
Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat in de fase van het hoger beroep eveneens sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De aanvang ervan stelt het hof op 10 mei 2021, zijnde de datum waarop namens de betrokkene hoger beroep is ingesteld. Het einde van de termijn stelt het hof op de datum van dit arrest, zijnde 9 juli 2026. Daarmee is de redelijke termijn, die in dit geval 2 jaren bedraagt, in hoger beroep met 3 jaren en 2 maanden overschreden.
Gelet op de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep ziet het hof met de verdediging en de advocaat-generaal aanleiding om de betalingsverplichting van
€ 151.677,17 met een bedrag van € 7.700,00 te matigen (naar verhouding berekend op basis van een korting van € 10.000,00 bij een overschrijding in eerste aanleg van ruim 4,5 jaren), zodat aan de betrokkene een betalingsverplichting zal worden opgelegd van (€ 151.677,17
-/- € 7.700,00 =) € 143.977,17.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting;
legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 143.977,17 (honderd drieënveertigduizend negenhonderdzevenenzeventig euro en zeventien cent);
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 9 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.