ECLI:NL:GHSHE:2026:2192

ECLI:NL:GHSHE:2026:2192

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 06-08-2026
Zaaknummer 20-002668-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2025:10088

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte wegens 'poging tot doodslag en de voortgezette handeling van: poging tot moord en poging tot moord' nu de verdachte met een deken heeft geprobeerd zijn vader te smoren. Het beroep op psychische overmacht is door het hof verworpen. Gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak veroordeelt het hof de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht (88 dagen).

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats [plaats] , van 15 oktober 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-304235-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag en poging tot moord, meermalen gepleegd’. Het bewezenverklaarde en de verdachte zijn strafbaar verklaard. Ter zake van het bewezenverklaarde is aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 720 dagen, waarvan 632 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal strekt tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met verbetering van de overwegingen ten aanzien van de verwerping van het door de verdediging gedane beroep op psychische overmacht.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met de beslissingen en overwegingen van de rechtbank verenigen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof het hele vonnis van de rechtbank vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2024 te [plaats] , meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, een deken, althans een (stoffen) voorwerp, op en/of over de mond en/of neus, althans (delen van het) het gezicht van die [slachtoffer] heeft gedrukt en/of gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 september 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, een deken op het gezicht van die [slachtoffer] heeft gedrukt en/of gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en

hij op 21 september 2024 te [plaats] , meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, een deken op het gezicht van die [slachtoffer] heeft gedrukt en/of gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige I] d.d. 22 september 2024 (p. 51-53), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:

Op 21 september 2024 was ik werkzaam namens [zorgtehuis] bij de afdeling acute PG van [zorgtehuis] te [plaats] . Ik ben daar verpleegkundige op de afdeling. Ik liep omstreeks 19:00 uur het kantoortje van ons binnen. Ik zag dat in het kantoortje op dat moment collega's [getuige II] en [getuige III] (het hof begrijpt: getuige [getuige III]) aanwezig waren. Ik werd door [getuige II] gevraagd om naar de camera's te komen kijken. Ik zag dat de camera van de kamer van meneer [slachtoffer] (het hof begrijpt hier en hierna: [slachtoffer] , de vader van de verdachte) op het scherm stond. Ik zag dat meneer [slachtoffer] in bed lag. Ik zag dat er naast het bed een persoon op een stoel zat. Ik herkende deze persoon als zijnde de zoon van meneer [slachtoffer] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte). Ik zag dat de zoon van meneer [slachtoffer] de deken over de mond hield van zijn vader. Ik zag dat de zoon zijn handen op de deken over de mond van zijn vader hield. Meneer [slachtoffer] heeft deze middag te horen gekregen dat hij terminaal ziek was. Dit is ook gecommuniceerd met de zoon en kleindochter (het hof begrijpt hier en hierna: getuige [getuige IV]) van meneer [slachtoffer] door de arts. Ik stuurde collega [getuige III] direct naar de kamer van meneer [slachtoffer] . Ik zag op het scherm dat [getuige III] even later de kamer van meneer [slachtoffer] binnen kwam gelopen. Ik zag dat de zoon van meneer [slachtoffer] direct de deken van de mond afhaalde. Ik zag dat [getuige III] in gesprek ging met de zoon. Ik zag dat [getuige III] de kamer van meneer [slachtoffer] even later weer verliet. Ik zag dat de zoon van meneer [slachtoffer] wederom de deken over de mond van zijn vader deed. Ik zag dat hij met beide handen de deken op de mond drukte van zijn vader. Ik heb toen tegen [getuige II] gezegd de situatie op de camera in de gaten te houden en zij heeft de situatie met haar mobiele telefoon gefilmd, aangezien de camera's op de kamer niet opnemen. Ik ben toen direct naar de kamer gegaan van meneer [slachtoffer] . Ik klopte op de deur voordat ik de kamer van meneer [slachtoffer] binnen liep. Ik zag dat de zoon naast het bed van zijn vader zat. Ik zag dat hij zijn beide handen niet meer op de deken op de mond van zijn vader had. Ik hoorde dat de vader naar adem zat te happen. Ik zei tegen de zoon dat ik zijn vader even moest verzorgen. Ik zag dat de zoon geschrokken was. Ik zei tegen de zoon: “Volgens mij gaat het niet goed met je. Ga even naar buiten een sigaret roken.” Ik zei tegen hem dat wij zijn vader met de camera in de gaten hielden. Ik hoorde de zoon zeggen en vragen: “Oh ja, neemt de camera op?” Ik zei toen tegen hem dat de camera inderdaad op nam, echter tegen beter weten in. Ik zag dat de zoon vervolgens schrok, op stond en de kamer uit liep.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige III] (ondertekend als [getuige III] ) d.d. 22 september 2024 (p. 59-61), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:

Op 21 september 2024 was ik werkzaam namens [zorgtehuis] bij de afdeling acute PG van [zorgtehuis] op de [straat] te [plaats] . Ik was omstreeks 19:30 uur, ik weet de tijd niet meer precies, in het kantoortje van ons. Ik was daar

op dat moment met collega [getuige II] . Ik zag dat collega [getuige I] (het hof begrijpt hier en hierna: getuige [getuige I]) het kantoortje binnen kwam gelopen. Ik hoorde [getuige II] aan [getuige I] vragen om naar de camera's te komen kijken. Ik keek toen mee op het scherm. Ik zag dat de camera van de kamer van meneer [slachtoffer] op het scherm stond. Ik hoorde [getuige II] zeggen dat dit niet klopte. Ik hoorde haar zeggen dat de zoon van meneer [slachtoffer] de deken op de mond hield van zijn vader. Ik zag op het scherm de kamer van meneer [slachtoffer] . Ik zag dat meneer [slachtoffer] in bed lag. Ik zag dat er naast het bed een persoon op een stoel zat. Ik herkende deze persoon als zijnde de zoon van meneer [slachtoffer] . Ik weet echter niet hoe de zoon heet. Ik zag dat de zoon van meneer [slachtoffer] inderdaad de deken over de mond hield van zijn vader. Ik zag dat de zoon zijn handen op de deken over de mond van zijn vader hield. Ik hoorde [getuige I] mij vragen om direct naar de kamer van meneer [slachtoffer] te gaan. Ik ben toen direct naar de kamer van meneer [slachtoffer] gelopen. Ik klopte op de deur van de kamer en ben toen naar binnen gegaan. Ik zag dat de zoon van meneer [slachtoffer] schrok. Ik zag dat hij snel recht op ging zitten. Ik zag dat de zoon op dat moment zijn handen niet op de mond van meneer [slachtoffer] had. Ik zag dat de vader op dat moment even geen ademhaling leek te hebben, maar hierna toch weer naar adem hapte. Ik hoorde de zoon zeggen dat hij dacht dat zijn vader heen was gegaan. Ik vroeg toen of hij iets te drinken wilde hebben. Ik hoorde dat de zoon zei dat zijn vader niets te drinken wilde. Ik hoorde dat de zoon zei dat zijn vader toch dood ging. Ik zei toen tegen de zoon dat ik het op hem bedoelde of hij iets te drinken wilde. Ik hoorde de zoon zeggen dat hij niets hoefde. Ik hoorde de zoon zeggen dat ik weg kon gaan en dat hij wel op zijn vader zou letten. Ik liep vervolgens de kamer weer uit. Ik ben toen terug naar het kantoortje gegaan. Ik hoorde [getuige I] zeggen dat de zoon het gewoon nogmaals deed de mond dicht houden van zijn vader meneer [slachtoffer] . Ik ben toen samen met [getuige I] direct naar de kamer gegaan van meneer [slachtoffer] . Ik zag dat [getuige I] op de deur klopte voordat wij de kamer van meneer [slachtoffer] binnen liepen. Ik zag dat de zoon naast het bed van zijn vader zat. Ik zag dat hij zijn beide handen niet op de deken op de mond van zijn vader had. Ik hoorde dat de vader naar adem zat te happen. Ik zag dat de zoon geschrokken was, dat er iemand de kamer binnen was gekomen.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2024 (p. 72-74), in combinatie bezien met de inhoud van het relaas-proces-verbaal (p. 19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant I] :

Ik bekeek de camerabeelden die in de volgende periode zijn gevorderd van getuige [getuige II] : beelden van kamer 6 (het hof begrijpt: in het zorgtehuis van [zorgtehuis] te [plaats]) in de periode van 21 september 2024 19:30 uur tot 21 september 2024 19:45 uur.

Videofragment - [bestandsnaam]

Op de beelden is te zien dat een persoon in bed ligt en daarnaast een man op een stoel zit. De man die op de stoel zit, houdt de deken over de mond van de persoon die in bed ligt. De deken wordt minimaal 26 seconden over de mond van de persoon in bed gedrukt.

Videofragment - [bestandsnaam]

De deken wordt nog minimaal 6 seconden over de mond van de persoon in bed gedrukt. Na die 6 seconden haalt de man de deken van de mond af, één seconde later komen twee personen de kamer binnen.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige I] d.d. 2 oktober 2024 (p. 54-58), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:

A: Ik zag meneer [slachtoffer] rond 16:15 uur het eerst die dag (het hof begrijpt: 21 september 2024).

V: Kunt u de gesteldheid van meneer [slachtoffer] omschrijven toen u hem zag?

A: Niet goed. Echt bleek, transpireren, hij draaide met zijn ogen. Hij was niet meer aanspreekbaar. Een beetje comateus zeg maar. Toen hij eenmaal in bed lag, toen gingen die ogen van links naar rechts.

V: Wat dacht u toen?

A: Ik dacht die gaat mij de hoek om. Hij had de hele tijd een snurkende ademhaling. Zijn ogen gingen heel snel van links naar rechts. Toen dacht ik: “Nu moet ik heel snel de dokter bellen.” Toen heb ik de verpleegkundige van dienst gebeld en zij heeft voor mij de dokter gebeld. En deze zijn allebei gekomen. Toen heb ik in het dossier gekeken welk beleid er was afgesproken met de cliënt. Ik las dat daar ‘niet insturen naar ziekenhuis’ stond en dat er voor een comfortbeleid was gekozen. Toen de dokter en de verpleegkundige er waren, heb ik meteen de kleindochter [getuige IV] gebeld. Zij is de contactpersoon. Toen is zij, samen met haar vader en de kleinzoon gekomen. Op het moment dat ze allemaal daar waren, is er ook met de arts besproken wat er allemaal gedaan zou gaan worden.

V: Wat werd er gezegd?

A: De arts wilde nog wat onderzoeken doen, maar ik zei dat we eerst aan de familie moesten vragen, wat zij zouden willen. Toen werd er besproken dat er voor een comfortbehandeling zou worden gekozen.

V: Hoe ziet die comfortbehandeling er dan uit?

A: Wij brengen dan een vleugelnaaldje in en spuiten dan slaapmedicatie en pijnbestrijding in (midazolam en morfine).

V: Hoe laat was dat?

A: Ik denk rond 17 uur.

V: Hoe was de reactie van de familieleden op de verslechterde situatie van meneer. [slachtoffer] ?

A: De zoon was emotioneel. Die zei ook: “Geen poespas meer, begin maar direct

met comfort.” Ik zei: “Ik ga mijn best doen om hem zo comfortabel mogelijk te houden, maar ik kan ook niet alles doen. Mijn handen zijn gebonden.” Toen zei de zoon nog: “Anders geef je het mij maar, dan doe ik het wel.”

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige III] (ondertekend als [getuige III] ) d.d. 2 oktober 2024 (p. 62-66), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:

O: U had dus dienst op zaterdag 21 september 2024.

V: Op welk moment verslechterde de situatie van dhr. [slachtoffer] ?

A: Toen wij die ovens gingen aanzetten. Toen hebben we hem met de rolstoel naar de kamer gebracht en op bed gelegd. De verpleegkundige van dienst is gekomen, zij heeft de arts gebeld. Deze is gekomen. Toen is die zoon dus heel vaak in- en uitgelopen.

V: Heeft u misschien van andere collegae gehoord of de zoon iets zei over de verslechterde situatie van zijn vader?

A: Die zoon had gezegd: “Geef hem maar wat meer, en anders geef mij dat spuitje maar.” Toen zei mijn collega dat dat niet mocht, dat we alleen kunnen geven wat de arts voorschrijft.

V: Heeft u zelf nog contact gehad met hem, met de zoon?

A: Ja, op het moment dat ik naar binnen ben gegaan, toen we dat gezien hadden op de camera. Toen heb ik gevraagd of hij iets wilde drinken. Ik zag dat meneer [slachtoffer] een hele moeilijke ademhaling had op dat moment. Toen hield hij zijn adem ook even in. Hij ademde moeilijk. Toen zei de zoon heel nerveus: “Nee, mijn vader hoeft niks te drinken, want mijn vader gaat dood.” Ik zei toen dat ik bedoelde of hij iets te drinken wilde. Toen zei hij: “Nee, ik hoef niks, ga maar, ik red het wel alleen met hem.”

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 september 2024 (p. 35-37), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant II] en [verbalisant III] :

Op 22 september 2024 werd [getuige IV] , de dochter van de verdachte, als getuige gehoord. Door getuige werd het volgende verklaard, dat:

- zij voor de zorginstelling de contactpersoon voor haar opa was;

- zij gisteren, 21 september 2024, omstreeks 16:30 uur, was gebeld door [zorgtehuis] dat het niet goed met haar opa ging;

- zij op haar werk was en gelijk haar vader had gebeld;

- haar vader net was vertrokken bij opa en nog in de buurt was;

- zij ook ernaartoe was gegaan;

- opa morfine had gekregen en in een soort coma was gebracht;

- ze gisteravond, 21 september 2024, omstreeks 22:30 uur, door de zorginstelling

was gebeld;

- haar was medegedeeld wat haar vader had gedaan;

- hij het ook al had gedaan toen zij erbij was;

- ze toen ze met haar vader alleen was bij opa hij de deken over de mond en neus van haar opa had getrokken;

- hij met een hand op de deken duwde;

- zij stop, stop had geroepen;

- dit ongeveer 1 minuut had geduurd;

- zij daarna met haar vader een gesprek had gevoerd, dat dit niet de manier was;

- haar vader er niet tegen kon om zijn vader zo te zien lijden.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige IV] d.d. 24 september 2024 (p. 38-44), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:

V: Kun je vertellen hoe de zaterdag (21 september 2024) precies verlopen is.

A: Rond 16:30 uur werd ik gebeld dat het niet goed ging met mijn opa en of ik daar naartoe kon komen. Ik heb toen meteen mijn vader gebeld en gezegd dat ik gebeld was en het slecht zou gaan met opa. Ik ben toen die kant opgegaan. Rond 17:00 uur kwam ik bij het zorgtehuis aan en zag ik mijn vader naar buiten komen.

V: En toen?

A: We belden aan bij de afdeling en zijn toen naar zijn kamer (#6) gegaan. Ook de dokter was nog in de kamer. Die vertelde ons dat opa of een herseninfarct of een hartaanval had gehad. We hebben toen de dokter gevraagd naar de overlevingskansen en hoorde hem zeggen dat dit lastig in te schatten was. We hebben toen besproken wat we konden doen aangezien opa een ‘niet reanimeerverklaring’ had. Uiteindelijk is toen besloten hem van de beademing af te halen en morfine te geven.

V: Hoe hebben ze je opa morfine gegeven?

A: Via een spuit in zijn arm.

V: Weet je nog hoe laat men met deze morfine is begonnen?

A: Volgens mij iets van een half uur.

V: En toen?

A: We hebben gekeken naar opa en hoorden en zagen dat hij het moeilijk had met ademen.

V: In je eerdere verklaring heb je het erover dat je vader op een gegeven moment de deken over het hoofd van je opa doet. Wat kun je hierover verklaren?

A: We zagen dat mijn opa het moeilijk had met ademen en ik hoorde mijn vader tegen mij zeggen dat hij niet wilde dat opa nog lang zo zou liggen. Ik zag vervolgens hoe hij een deken over het hoofd van opa deed en zijn hand in de richting van het gezicht van opa deed. Ik raakte hierdoor in paniek. Ik heb tegen mijn vader gezegd dat hij moest stoppen en dit niet de manier is.

8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 september 2024 (p. 139-152), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Ik werd gebeld door mijn dochter van “Pap of opa heeft een beroerte gehad.” Ik zat op de bus te wachten. Dus ben ik teruggegaan. En binnen, ja toen zag ik hem op bed liggen. De dokter kwam. Toen zei de dokter: “Hij is hersendood.” Ik zeg: “Hoe lang...” Ja zegt hij: “Hij krijgt steeds meer morfine maar we mogen dat ook niet zoveel doen. Dus het moet geleidelijk aan gaan.” En in een vlaag heb ik, heb ik (opmerking verbalisanten, de verdachte wordt emotioneel, zijn stem breekt) de donsdeken gepakt en een beetje voor zijn mond, want ja, ja... zo is het gegaan.

V: Kunt u zich nog wel herinneren hoe vaak u dat moment heeft gehad? (…) Dat je zo had gedaan?

A: Ik denk twee keer. Een keer was de dochter erbij. Toen heeft ze gezegd: “Nee pap, nee nee, niet doen,” en toen ben ik…

V: Maar als ik het goed begrijp ben je van de bus teruggelopen, naar vader, nadat er gebeld was. Maar is jouw dochter later nog gekomen dan? Want in eerste instantie zei je dat ze alleen gebeld was thuis.

A: Ja die is daarna gekomen. Dat is meteen om 4 uur geweest, dus. Toen is zij gebeld en toen is zij ook meteen daarna gekomen.

V: De arts zegt: “We gaan morfine geven.” Wat willen ze bereiken met ‘we gaan morfine toedienen’?

A: Dat ze het leven gaan beëindigen.

9. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 juli 2026, voor zover inhoudende:

Mijn vader was sinds enkele weken opgenomen op de gesloten afdeling van de zorginstelling omdat het niet meer lukte om thuis voor hem te zorgen. Hij was 85 jaar oud en had Alzheimer. U houdt mij voor dat u in het dossier de weergave van een tapgesprek heeft gelezen waarin de beller zich [naam oom] noemt. [naam oom] is een oom van mij. [naam partner verdachte] is mijn partner.

10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2024 (p. 176-181), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant IV]:

Door de officier van justitie werd een vordering gedaan tot het opnemen van telecommunicatie. Dit in de periode vanaf 22 september 2024 t/m zondag 29 september 2024. Een van de gevorderde en verleende machtigingen betrof telecommunicatiemiddel, + [telefoonnummer I] . Het telefoonnummer + [telefoonnummer I] staat tenaamgesteld aan betrokkene: [naam partner verdachte] . Betrokkene [naam partner verdachte] is de partner van verdachte [verdachte] .

Sessie 471 (spraaktap: + [telefoonnummer I] )

23-09-2024 15:57:20-16:00:16

Beller + [telefoonnummer II] (het hof begrijpt: [naam oom])

Gebelde + [telefoonnummer I] (het hof begrijpt: [naam partner verdachte] )

1195 want hij (het hof begrijpt: de verdachte) heeft mij opgebeld en zei tegen me, god [naam oom] , zei hij, er hangen camera's op, ntv, pap uit zijn lijden verlossen en ja ik heb hem een deken, ntv, ik zeg [verdachte] , ntv, nee zegt hij nee nee, zegt hij, even, even

3677 even jaja, het dekbed erop en zijn hand erop

1195 watblief?

3677 dekbed, ja ik kan niet hard praten, ik ben nog bij [persoon]

1195 nee nee ah zo

3677 ja dekbed erop en zijn hand erop

1195 dekbed en zijn hand erop, ja dat hebben ze op de camera gezien, hoe stom kun je zijn?

3677 ja echt waar

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In dat verband is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte de deken weliswaar op het gezicht van zijn vader heeft gelegd, maar dat niet kan worden bewezen dat hij de deken ook op de mond van zijn vader heeft gedrukt. Volgens de verdediging heeft de verdachte dit gedaan om zichzelf te beschermen tegen de aanblik van zijn stervende vader. Hij kon niet verdragen hoe zijn vader er bij lag en wist niet hoe hij met de situatie om moest gaan. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het handelen van de verdachte niet tot een versnelde dood van zijn vader heeft geleid. Indien de verdachte die versnelde dood daadwerkelijk had gewild, dan zou dat ook wel gebeurd zijn, aldus de verdediging. Het hof begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat bij de verdachte het opzet op de dood van zijn vader ontbrak. De verdediging heeft in dit verband ook naar voren gebracht dat sprake is geweest van een ondeugdelijke poging.

Oordeel van het hof

Op basis van de inhoud van de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op 21 september 2024 drie keer heeft geprobeerd zijn vader opzettelijk van het leven te beroven door een deken op het gezicht van zijn vader te drukken en/of te houden.

Dat de verdachte goed wist wat hij deed en dat zijn opzet erop was gericht om zijn vader van het leven te beroven blijkt naar het oordeel van het hof niet alleen uit de uiterlijke verschijningsvorm, maar evenzeer uit wat over verdachtes beweegredenen uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid in samenhang met de wijze waarop de verdachte feitelijk heeft gehandeld. De verdachte heeft immers tegen zijn dochter gezegd dat hij niet wilde dat zijn vader nog lang zo zou liggen en een deken over het hoofd van zijn vader gedaan en zijn hand in de richting van het gezicht van zijn vader gedaan, waarna zijn dochter in paniek raakte en zei dat de verdachte moest stoppen omdat ‘dit niet de manier was’. Ook heeft de verdachte tegen anderen gezegd dat hij zijn vader uit zijn lijden wilde verlossen en “toen even het dekbed en zijn hand erop”. Daarbij stelt het hof vast dat de verdachte op 21 september 2024 niet eenmaal, maar tot drie keer toe de deken op het gezicht van zijn vader heeft gedrukt en/of gehouden. Bij de eerste keer is hij gestopt nadat zijn dochter stop had geroepen en hem erop had gewezen dat dit niet de manier was. Volgens de dochter heeft dit ongeveer één minuut geduurd. Bij de tweede keer heeft hij de deken pas van de mond van zijn vader afgehaald nadat verzorgende [getuige III] de kamer van de vader van de verdachte was binnen gekomen. De verdachte maakte dan de opmerking dat hij dacht dat zijn vader al was heengegaan, maar dit bleek niet het geval. Toen [getuige III] vervolgens aan de verdachte vroeg of hij iets wilde drinken, antwoordde de verdachte dat hij het alleen met zijn vader zou redden. Nadat [getuige III] de kamer weer had verlaten, heeft de verdachte opnieuw de deken op het gezicht van zijn vader gedaan. Van deze 3e poging zijn beelden opgenomen. Uit deze twee filmpjes leidt het hof af dat de verdachte de deken en zijn hand tenminste 32 seconden op de mond en neus van zijn vader hield, waarna hij opnieuw werd gestoord door het verplegend personeel en zijn handelen staakte. Gelet op verdachtes gedragingen – en mede bezien in het licht van de hiervoor genoemde beweegredenen van zijn handelen – was zijn opzet naar het oordeel van het hof gericht op het van het leven beroven van zijn vader.

Naar het oordeel van het hof is – mede gelet op de omstandigheid dat de 85-jarige vader van de verdachte zich in een slechte medische toestand bevond, al moeite had met ademhalen en bovendien gesedeerd was, waardoor hij niet meer in staat was om de deken of de hand weg te duwen – geen sprake van een situatie waarin het door de verdachte gebruikte middel ondeugdelijk was om het misdrijf te voltooien. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd, is naar het oordeel van het hof, gelet op de geschetste gang van zaken, niet aan de wil van de verdachte te danken.

Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt verworpen.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of op voornoemde drie momenten – zoals impliciet primair is tenlastegelegd – (telkens) sprake is van voorbedachte raad.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de eerste poging om het leven van zijn vader te beëindigen heeft ondernomen toen – na geconfronteerd te zijn met het feit dat zijn vader hersendood was en inmiddels een zogenaamde comfortbehandeling was ingezet – zijn vader moeite had met ademen. Volgens de verklaring van verdachtes dochter was de verdachte (op dat moment) hevig aangedaan en heeft hij tegen zijn dochter gezegd dat hij niet wilde dat zijn vader nog lang zo zou liggen. Gelet op de omstandigheid dat de dochter van de verdachte omstreeks 17:00 uur arriveerde bij het zorgtehuis en het toedienen van morfine volgens haar een half uur later was begonnen, stelt het hof vast dat verdachtes eerste poging om zijn vader te smoren omstreeks 17:30 uur heeft plaatsgehad. De feiten en omstandigheden duiden er naar het oordeel van het hof op dat de verdachte op dat moment heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit staat naar het oordeel van het hof aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad in de weg. Ten aanzien van het eerste moment acht het hof de impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, maar wel de impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Dit is naar het oordeel van het hof anders voor wat betreft verdachtes tweede en derde poging om zijn vader te smoren. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat de verdachte deze pogingen omstreeks 19:30 uur heeft ondernomen, en aldus (ongeveer) enkele uren na de eerste poging. De verdachte heeft aldus de tijd gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. In dit verband neemt het hof bovendien nog in aanmerking dat zijn dochter na de eerste poging de verdachte erop had gewezen dat dit niet de manier was om het onmiskenbaar naderend einde van het leven van verdachtes vader te bespoedigen. Desalniettemin heeft de verdachte dat daarna nog tweemaal geprobeerd. Verdachtes herhaaldelijk handelen omstreeks 19:30 uur is naar het oordeel van het hof geen gevolg (meer) geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Bovendien zijn er naar het oordeel van het hof geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachte raad op dat moment in de weg staan.

Gelet op het vorenstaande acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (de eerste poging om

om zijn vader van het leven te beroven door hem te smoren) en poging tot moord (de tweede poging en de derde poging om zijn vader van het leven te beroven door hem te smoren).

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag

en

de voortgezette handeling van:

poging tot moord

en

poging tot moord.

Het hof gaat bij de tweede en derde poging uit van een voortgezette handeling. Het neemt hierbij in aanmerking dat tussen deze pogingen – die het hof telkens aanmerkt als poging tot moord – sprake is van een zeer kort tijdverloop en dat zij in zodanig verband met elkaar staan dat zij als het ware een eenheid vormen en voortkomen uit één en hetzelfde ongeoorloofde wilsbesluit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt. In dit verband is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte een kwetsbaar persoon betreft. Het is iemand die kiest voor een kalme en bedaarde levenswandel en die conflicten vermijdt. Op 21 september 2024 verkeerde de verdachte in een ‘geestelijke dwangbuis’; hij kon de aanblik van zijn vader – als indringende werking van buitenaf – niet langer verdragen en ten gevolge daarvan werd zijn geest verlamd. De rechtbank heeft de verdachte tegengeworpen dat hij anders had kunnen en anders had moeten handelen, maar het feit dat hij geen (andere) keuze heeft gemaakt, vormt, gelet op de persoon van de verdachte, het bewijs dat hij daartoe (op dat moment) niet in staat was, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan de verdachte in redelijkheid geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

In dat verband acht het hof relevant dat het stervensproces van de vader van de verdachte was ingezet, sprake was van palliatief beleid en dat was aangevangen met een zogenaamde comfortbehandeling. Dat hield in dat slaapmedicatie en morfine werden toegediend en geleidelijk opgevoerd. Daarbij was door het verplegend personeel kenbaar gemaakt dat het voor hem heel zwaar was om dat te zien, maar dat zijn vader het zelf niet meer meekreeg. Uit de omstandigheden dat de verdachte tijdens zijn politieverhoor heeft verklaard dat met het toedienen van morfine zou worden bereikt dat zijn vader zou komen te overlijden en hij op enig moment tegen het personeel van de zorginstelling heeft gezegd ‘en anders geef mij dat spuitje maar’, maakt het hof op dat de verdachte dit proces begreep. Hoewel het invoelbaar is dat de verdachte zijn vader niet langer wilde zien lijden, kan het door de verdachte ervaren hevige verdriet of de aanblik van zijn stervende vader, zeker in de gegeven omstandigheden, geen rechtvaardiging zijn om het heft in eigen hand te nemen. Als de verdachte de aanblik van zijn vader niet kon verdragen, had hij het verplegend personeel kunnen inschakelen, of (even) fysiek afstand kunnen nemen. Dit heeft hij, ondanks dat zijn dochter hem al bij de eerste keer had medegedeeld dat verdachtes handelen niet ‘de manier’ was en ondanks dat het zorgpersoneel hem daarvoor uitdrukkelijk mogelijkheden bood, niet gedaan. Dat de verdachte goed wist wat hij deed en andere keuzes kon maken, leidt het hof af uit het feit dat hij zijn pogingen tot drie keer toe heeft gestaakt door invloeden van buitenaf, zoals de interventie van zijn dochter en het betreden van de kamer door zorgpersoneel, waarbij door dit zorgpersoneel werd waargenomen dat de verdachte schrok. Dat waren momenten waarop de verdachte kennelijk anders kon handelen en ook moest handelen. Voor zover de verdediging heeft gesteld dat de vader van de verdachte op enig moment aan het spartelen was en dat het schuim op zijn mond stond, overweegt het hof dat dit geen steun vindt in het dossier. Dochter [getuige IV] verklaart enkel dat het slachtoffer het moeilijk had met ademhalen. Op de beelden in het dossier is te zien dat de vader van verdachte rustig in bed ligt. In de door de verdediging genoemde persoonlijkheidskenmerken van de verdachte ziet het hof ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Het hof verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die verdachtes strafbaarheid uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte – overeenkomstig de beslissing van de rechtbank – zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 632 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over (de hoogte van) een op te leggen sanctie.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij het bepalen van de (hoogte van) op te leggen sanctie neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Aard en ernst van het bewezenverklaarde

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 21 september 2024 driemaal heeft geprobeerd het levenseinde van zijn 85 jaar oude vader te bespoedigen door hem met een deken te smoren. Op het moment dat de verdachte dit voor de eerste keer heeft geprobeerd, deed hij dit wellicht nog in een opwelling, maar bij de tweede en derde keer heeft hij naar het oordeel van het hof met voorbedachte raad gehandeld. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan de meest ernstigste strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Ofschoon het invoelbaar is dat de verdachte zijn vader niet (langer) heeft willen zijn lijden, heeft hij in strijd met de wet gehandeld en heeft hij keuzes gemaakt die hij niet had mogen en kunnen maken.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een sanctie die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Tegelijkertijd houdt het hof rekening met de bijzondere omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Hetgeen op 21 september 2024 is voorgevallen laat zich niet direct vergelijken met de wijze waarop doorgaans sprake is van pogingen tot doodslag of moord. De verdachte stond zijn vader niet naar het leven. Integendeel, hij had zijn vader in de jaren ervoor juist intensief verzorgd en had tot het laatste moment het beste met hem voor. In verdachtes handelen speelde ook mee de – kort na verdachtes bezoek – plotseling verslechterde medische situatie van zijn vader en de begrijpelijke emotionele toestand waarin hij die dag verkeerde ten gevolge van die plotselinge ommekeer in zijn vaders situatie.

Persoon van de verdachte

Het hof houdt bij het bepalen van de op te leggen sanctie ook rekening met de persoon van de verdachte.

In dit verband blijkt uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 april 2026 dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en evenmin daarna ter zake een ander strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.

Ook heeft het hof kennisgenomen van een bericht van psychiater [psychiater] d.d. 25 september 2024, waaruit volgt dat er bij de verdachte geen evidente aanwijzingen zijn voor een psychiatrisch toestandsbeeld. Evenmin zijn er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek of ontwikkelingsproblematiek.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met een reclasseringsrapport d.d. 25 september 2025. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte zijn leven redelijk op orde lijkt te hebben. Er lijkt geen sprake te zijn van relationele problemen of huisvestingsproblemen. Evenmin zijn er financiële problemen. Het risico op recidive wordt door de reclassering als laag ingeschat. De reclassering acht interventies en/of toezicht niet nodig.

De verdachte heeft in deze zaak 88 dagen in voorarrest doorgebracht.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht dat hij – gelet op dit voorarrest – niet bij de uitvaart van zijn vader aanwezig kon zijn. Evenmin was hij aanwezig bij de uitvaart van zijn moeder, die in hetzelfde verzorgingstehuis verbleef en korte tijd later overleed. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat hij tot op heden er nog niet aan toe is om zijn werk te hervatten. Het hof acht het zonder meer begrijpelijk en voorstelbaar dat het verlies van verdachtes ouders binnen een kort tijdsbestek, alsmede, als gevolg van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak, het niet kunnen bijwonen van de uitvaart van zijn vader en de uitvaart van zijn moeder een grote impact op het leven van de verdachte heeft gehad.

Conclusie

Het hof is derhalve van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alle omstandigheden afwegende kan naar het oordeel van het hof in dit bijzondere geval worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet opnieuw in detentie hoeft.

Nu naar het oordeel van het hof sprake is geweest van een eenmalig incident in het leven van de verdachte zal het hof – anders dan de rechtbank – niet ook nog een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 56, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 88 (achtentachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,

mr. H.A.T.G. Koning en mr. J.J. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting en mr. M.E. van Vessem, griffiers,

en op 7 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.G.A. Beaujean
  • mr. H.A.T.G. Koning
  • mr. J.J. Peters

Griffier

  • mr. T.H.J. Menting en mr. M.E. van Vessem

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand