ECLI:NL:GHSHE:2026:221

ECLI:NL:GHSHE:2026:221

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 20-000748-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2025:1928

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie en ter zake van doxing van twee politieambtenaren tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Gedeeltelijk ontslag van alle rechtsvervolging met betrekking tot de doxing van twee andere politieambtenaren omdat doxing ten tijde van het plegen nog niet strafbaar was. Voorts heeft het hof beslist op het beslag, de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 20-001902-21 en de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 februari 2025, onder parketnummer 03-261121-24, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 20-001902-21, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 3 primair voor wat betreft het plaatsen van de berichten met betrekking tot de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet strafbaar verklaard en de verdachte ten aanzien van die onderdelen in de tenlastelegging (doxing [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) van alle rechtsvervolging ontslagen. De rechtbank heeft het overige bewezenverklaarde strafbaar verklaard en dat gekwalificeerd als:

de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft voorts de onder de verdachte inbeslaggenomen munitie en wapens zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 13 januari 2025 onttrokken aan het verkeer en de teruggave aan de verdachte gelast van de inbeslaggenomen nagebootste handgranaat.

Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] is voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.

Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] geheel toegewezen voor het bedrag van € 1.350,00, bestaande uit € 449,00 aan materiële schade en € 901,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.

Ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is daarnaast telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De rechtbank heeft de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding. Daarbij heeft de rechtbank deze benadeelde partijen veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.

Daarnaast heeft de rechtbank bevolen de tenuitvoerlegging van de eerder onder parketnummer 20-001902-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen.

Ten slotte heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat onder de verdachte onder meer munitie en een nagebootste handgranaat zijn aangetroffen. De verdachte heeft tijdens het politieverhoor op 15 augustus 2024 (dossierpagina 242 van het politiedossier) uitdrukkelijk afstand gedaan van de onder hem inbeslaggenomen munitie en de nagebootste handgranaat. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte desgevraagd naar voren gebracht dat de verdachte (inderdaad) bereid is afstand te doen van de nagebootste handgranaat.

Het hof zal derhalve geen beslissing meer nemen over de onder de verdachte inbeslaggenomen munitie zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 13 januari 2025, alsmede de onder de verdachte inbeslaggenomen nagebootste handgranaat met goednummer G1730154.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] geheel moeten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dienen volgens de advocaat-generaal in de vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft, kort samengevat, bepleit:

Daarnaast heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 20-001902-21. Ten slotte heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het beslag, met uitzondering van de goednummers onder 19, 21 en 22, welke goederen volgens de raadsvrouw dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank ten aanzien van het onder feit 3 primair tenlastegelegde.

Dat laat onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zodat het hof deze tot uitgangspunt zal nemen en grotendeels letterlijk zal overnemen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) een of meer wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer vuurwapen(s):

- een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 1 en 2),

- een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 3 t/m 6),

- een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 3 en 6),

- een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 7 t/m 10),

- een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 10),

- een patroonmagazijn, merk Zoraki (foto nr. 17),

- 2 patroonmagazijnen geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 23),- een patroonmagazijn geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 24),

(telkens) zijnde een of meer (onderdelen van) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

2.hij op of omstreeks 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer patronen:

- 14 hagelpatronen in het kaliber 16 Ga (foto 14),

- één (1) hagelpatroon in het kaliber 16 Ga (foto 15),

- één (1) hagelpatroon in het kaliber 16 Ga (foto 16),

- 100 kogelpatronen in het kaliber .32 (foto 18),

- 6 kogelpatronen in het kaliber .38-40 (foto’s 19 en 20),

- 6 knal-/gaspatronen van het merk Zoraki (foto’s 21 en 22),

- 4 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 25),

- 435 kogelpatronen in het kaliber .22 Long Rifle (foto’s 26 en 27),

- 92 kogelpatronen in het kaliber .38-40 (foto 28),

- 10 kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning (foto 29),

- 2 kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning (foto 30),

- 46 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 31),

- 95 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 32),

- 100 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 33),

voorhanden heeft gehad;

3.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 juli 2024 in de gemeente Bergen (L) een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten namen, foto’s en/of video’s van een ander, te weten

- [slachtoffer 4] ,

- [slachtoffer 1] ,

- [slachtoffer 2] en/of

- [slachtoffer 3]

zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ,

- vrees aan te (laten) jagen en/of

- ernstige overlast aan te (laten) doen en/of

- in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen,

terwijl dit feit werd gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 juli 2024 in de gemeente Bergen, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van politieambtenaren (te weten: [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door telkens opzettelijk en met voornoemd doel via openbare sociale media, te weten Facebook, meerdere berichten, foto’s en/of video’s heeft verspreid met – onder andere – de volgende inhoud:

- ( Facebook 5 juni 2024): “Zoek de verschillen. ??Glasvezel/politie Zn rooie oortjes zijn hetzelfde. Delen is lief.” en hierbij twee beelden te plaatsen van die [slachtoffer 3] ,

- ( Facebook 9 juni 2023) “Je komt de politie tegen bij dichterbij en je ziet ze in je spiegel al bijna verongelukken met hun omdraai actie en dan zitten er nog 2 auto’s tussen dus ik voel het al aankomen die stalkers gaan me aanhouden dus ik parkeer paar kilometer in het bos motor uit en auto deur open en begin met filmen met de telefoon ..!! komen de 2 helden aan volle gas met hun smoesjes dat ze een verkeerscontrole aan het doen zijn? ga dat je moeder wijsmaken zo'n acties om niks..!!!! Iemand die niet rijdt dat is geen verkeerscontrole..!!!!! En daar komen ze hoor blaastest en drugstest (3x braaksmiley) helaas wereldverbeteraars dat doe ik niet? Zal hun ook even lastig vallen zoals ze mij lastig vallen en bekend maken.. !!!! als iemand hun namen weet heb ik ze graag want die wouden ze niet geven..!!!!” en hierbij een foto te plaatsen waarop die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te zien is terwijl zij bezig zijn met een algemene controle,

- ( Facebook 1 juli 2024) zijn (verdachtes) profielfoto van zijn Facebookpagina te wijzigen in een foto van een meisje met rood haar en sproeten en/of zijn naam te wijzigen van “ [verdachte] ” naar “ [spotnaam] ” en/of hierbij de tekst toe te voegen: “Gingers do have souls A freckle for every soul they steal”,

- ( Facebook 7 juli 2024) “Nogmaals de vraag? mag deze agente moedwillig op deze manier met mijn spullen omgaan en mijn ruiten beschadigen??? Delen wordt gewaardeerd maak haar beroemd..!!” en hierbij een video te plaatsen van die [slachtoffer 4] , waarop zij met collega’s bezig was met een doorzoeking in de woning van verdachte in 2020,

- ( Facebook 9 juli 2024) “Wie hem het beste afmaakt krijgt een lekkere flesje drank .. !! Kijk me dan staan. Ik ben zo stoer. Heel m'n dorp moet me niet. Ik heb geen.... een.... bij.... Uiteraard word delen gewaardeerd en mag iedereen mee doen..!!!!” en hierbij een foto te plaatsen van die [slachtoffer 4] waar zij in uniform bij de ingang van een feesttent staat.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

op 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer vuurwapens:

- een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906. kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 1 en 2),

- een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906. kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 3 t m 6),

- een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 3 en 6),

- een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906. kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 7 t in 10),

- een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 10),

- een patroonmagazijn, merk Zoraki (foto nr. 17),

- 2 patroonmagazijnen geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 23),

- een patroonmagazijn geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 24), telkens zijnde (onderdelen van) vuurwapens in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;

2.

op 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer patronen:

- 14 hagelpatronen in het kaliber 16 Ga (foto 14),

- één (l) hagelpatroon in het kaliber 16 Ga (foto 15),

- één (l) hagelpatroon in het kaliber 16 Ga (foto 16),

- 50 kogelpatronen in het kaliber .32 (foto 18),

- 6 kogelpatronen in het kaliber .38-40 (foto’s 19 en 20),

- 4 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 25),

- 435 kogelpatronen in het kaliber .22 Long Rifle (foto’s 26 en 27),

- 92 kogelpatronen in het kaliber .38-40 (foto 28),

- 10 kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning (foto 29),

- 2 kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning (foto 30),

- 46 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 31),

- 95 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 32),

- 100 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 33)

voorhanden heeft gehad;

3.

op tijdstippen in de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 juli 2024 in de gemeente Bergen (L) persoonsgegevens van een ander, te weten foto’s en/of video's van een ander, te weten

- [slachtoffer 4] ,

- [slachtoffer 1] ,

- [slachtoffer 2] en

- [slachtoffer 3]

heeft verspreid en/of ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

- vrees aan te (laten) jagen en

- ernstige overlast aan te (laten) doen en

- in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen,

terwijl dit feit werd gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de doorzoeking van de woning onrechtmatig is geweest. Er werd een machtiging tot binnentreden ter aanhouding afgegeven, maar vervolgens werd – terwijl de verdachte reeds beneden in de hal was aangehouden – op de eerste verdieping een afgesloten slaapkamerdeur geopend en werden twee jachtgeweren aangetroffen. Pas daarna werd een machtiging tot doorzoeking op grond van de Wet wapens en munitie afgegeven. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting van al hetgeen uit de doorzoeking als bewijsmiddelen is voortgevloeid. Bij gebrek aan ander bewijs (behalve de verklaring van de verdachte) dient daarom vrijspraak van feit 1 en feit 2 te volgen.

De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde schietbekers en de patroonmagazijnen in de kalibers 5.56x45 millimeter Navo en .223. De verdachte stelt zich op het standpunt dat de zogenaamde schietbekers onjuist zijn geduid en dat het in werkelijkheid mondingsvlamdempers betreft. Daarnaast betwist de verdachte dat hij patroonmagazijnen in de kalibers 5.56x45 millimeter Navo en .223 voorhanden heeft gehad. Er zijn geen wapens aangetroffen waarvoor deze magazijnen geschikt zijn, waardoor sprake is van een gebrek aan wetenschap en een ontbreken van beschikkingsmacht.

Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

359a Sv-verweer

Op 14 augustus 2024 is de politie de woning van de verdachte aan [adres] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte. De hulpofficier van justitie heeft daartoe op 12 augustus 2024 een machtiging tot binnentreden afgegeven. Uit het dossier blijkt tevens dat de verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie, waaronder een veroordeling voor vuurwapenbezit. Gelet hierop kon de aanhouding in redelijkheid als risicovol worden aangemerkt, waarbij naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar voor personen aanwezig was. De officier van justitie heeft daarop beslist dat voor het binnentreden ter fine van aanhouding de Ondersteuningsgroep Limburg zou worden ingezet. Bij het veiligstellen van de woning in verband met de aanhouding werd door de Ondersteuningsgroep een slaapkamerdeur geforceerd. Nu het een risicovolle aanhouding betrof en dit in het kader van het veiligstellen van de woning is gebeurd, waren zij daartoe, naar het oordeel van het hof, bevoegd. De schuifdeur van een kledingkast in deze slaapkamer stond open en twee jachtwapens lagen open en bloot in het zicht. Pas na het aantreffen van deze – op het eerste gezicht strafbare – wapens werd een machtiging tot binnentreden afgegeven, waarna op basis van artikel 49 van de Wet wapens en munitie de woning is doorzocht. Daarbij werden onder meer de tenlastegelegde wapens en munitie aangetroffen.

Dit alles brengt naar het oordeel van het hof met zich dat geen vormen zijn verzuimd in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Er bestaat derhalve geen aanleiding om de resultaten van de doorzoeking uit te sluiten van het bewijs.

Feit 1 en feit 2

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van wapens en munitie vereist is dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid hiervan. De bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie ervan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat als algemene ervaringsregel heeft te gelden dat een bewoner van een huis zich bewust moet zijn van hetgeen zich in zijn huis bevindt. Daarnaast is vereist dat het wapen en de munitie zich in de machtssfeer van de verdachte bevond. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat deze zich in de directe nabijheid van de verdachte bevinden.

Ten tijde van de inval stond de verdachte als enige ingeschreven op het adres [adres] , gemeente Bergen (L). De verdachte was in de woning aanwezig toen de politie binnentrad en de wapens en munitie zijn deels aangetroffen in een afgesloten kamer op de eerste verdieping. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg bekend dat hij de wapens heeft gekocht in Duitsland en dat hij wist dat hij de munitie niet mocht hebben. Ten aanzien van de patroonmagazijnen overweegt het hof dat deze zijn aangetroffen in dezelfde ruimte als de overige wapens en munitie. Niet is aannemelijk gemaakt of geworden dat iemand anders buiten verdachtes weten de patroonmagazijnen in de slaapkamer heeft neergelegd. Het hof gaat er daarom van uit dat de verdachte wist van hun aanwezigheid. Zij bevonden zich bovendien in zijn machtssfeer. Het verweer dat het niet om schietbekers, maar om mondingsvlamdempers zou gaan wordt door het hof verworpen, nu dit wordt weerlegd door de bevindingen van de wapenexperts. Daarmee is voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor feit 1 en 2 in al hun onderdelen.

Feit 3

‘Doxing’ is sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld in artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Met de strafbaarstelling van ‘doxing’ wordt de norm gesteld dat het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander voor intimiderende doeleinden, zoals vrees aan (laten) jagen en of ernstige overlast aan (laten) doen, onacceptabel is en daarom is het onder de reikwijdte van het Wetboek van Strafrecht gebracht. Het doel van de strafbaarstelling is de persoonlijke vrijheid van (potentiële) slachtoffers beschermen.

Voor strafbaarheid van doxing is vereist dat degene die zich de persoonlijke gegevens verschaft, deze verspreidt of anderszins ter beschikking stelt (hierna samen aan te duiden als: verspreiden). Dat zijn gedragingen die opzet impliceren. Het verspreiden moet zijn gedaan met het oogmerk om een ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te hinderen in zijn beroepsuitoefening. Aan het oogmerkvereiste, wat de zwaarste opzetvorm is, is voldaan als de verdachte op het moment van die gedraging die bedoeling heeft dan wel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijke gevolg van zijn handeling is dat het slachtoffer vrees zal worden aangejaagd, ernstige overlast zal worden aangedaan of in de uitoefening van zijn ambt of beroep zal worden gehinderd.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte in een periode van ruim één jaar op meerdere tijdstippen foto’s en video’s van meerdere politieambtenaren heeft gedeeld op zijn (deels) openbare Facebookprofiel, voorzien van begeleidende berichten. In deze berichten staan nare teksten over hen geschreven, worden gegevens vermeld die naar hen herleidbaar zijn en wordt opgeroepen tot het delen van het bericht en of de persoonsgegevens. De verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank erkend dat hij de gebruiker was van het betreffende Facebookprofiel. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij de berichten heeft geplaatst omdat hij boos en wanhopig was en hij rust wilde. Het kan niet anders zijn dan dat de verdachte bij het plaatsen van de berichten heeft beseft dat zijn handelen de betrokkenen vrees zou aanjagen, ernstige overlast zou veroorzaken of hen in de uitoefening van hun ambt ernstig zou hinderen. Daarmee is voldaan aan het oogmerkvereiste.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Strafbaarstelling doxing

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte met betrekking tot de doxing begaan jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , omdat artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht waarin doxing strafbaar is gesteld, pas op 1 januari 2024 in werking is getreden.

De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal.

Het hof begrijpt de tenlastelegging, mede in het licht van het standpunt van de advocaat-generaal zoals hierboven verwoord, zo dat de verdachte hiermee het verwijt wordt gemaakt het bericht met betrekking tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen de tenlastegelegde periode te hebben geplaatst, en niet (tevens) dat hij de berichten gedurende de tenlastegelegde periode heeft nagelaten te verwijderen.

Het hof stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte op 9 juni 2023 foto’s op Facebook heeft geplaatst waarop [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] herkenbaar (en in politie-uniform) in beeld werden gebracht. De foto’s gingen vergezeld van belastende teksten. Toen de verdachte de berichten plaatste, was artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht nog niet in werking getreden. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof derhalve van oordeel dat de onder feit 3 primair bewezenverklaarde feitelijkheden ten aanzien van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet als strafbaar zijn te kwalificeren. De verdachte dient voor dit deel van de bewezenverklaring te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Op de datum van het plaatsen van de berichten die betrekking hebben op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] was doxing wel strafbaar, zodat feit 3 primair voor wat betreft deze politieambtenaren kan worden gekwalificeerd als doxing.

Kwalificatie

Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Het onder feit 3 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

het verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te hinderen dan wel ernstig te laten hinderen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van de onder feit 1 bewezenverklaarde drie gaspistolen wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling was dat hij (niet strafbare) alarmpistolen had gekocht. De verdachte heeft de wapens legaal in Duitsland gekocht. Hij wist niet dat zij in Nederland strafbaar waren en ontkent dat met deze wapens gaspatronen verschoten konden worden. Daarnaast verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat deze wapens reeds bij een eerdere doorzoeking in beslag waren genomen en aan hem waren teruggegeven. De verdachte heeft te goeder trouw gehandeld, zonder wetenschap van het feit dat hij zich strafbaar maakte, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof overweegt dat voor het slagen van een beroep op AVAS wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van onbewustheid kan slechts sprake zijn indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit daadwerkelijk in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was.

Naar het oordeel van het hof komt de verdachte geen beroep op verontschuldigbare dwaling toe. De Wet wapens en munitie strekt tot het bevorderen van de veiligheid in de samenleving door strafbaarstelling van het bezit van vuurwapens. Degene die desondanks een vuurwapen wenst te bezitten, zal de nodige voorzichtigheid dienen te betrachten omtrent de geoorloofdheid van dit bezit. Nu uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte omtrent de strafbaarheid van het aanwezig hebben van deze voorwerpen inlichtingen en/of advies heeft ingewonnen van enige op het terrein van vuurwapens gezaghebbende bron, zoals de politie, kan hij zich niet beroepen op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Dat hij de wapens in Duitsland heeft gekocht en dat ze daar wel zijn toegestaan, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om hem van de op hem rustende onderzoeksplicht te ontslaan. Bovendien had de verdachte, gelet op zijn eerdere veroordelingen ten aanzien van de Wet wapens en munitie, beter moeten weten. Verdachtes verklaring dat met de wapens geen gaspatronen konden worden afgeschoten, wordt weerlegd door de bevindingen van de wapenexperts. De verdachte komt gelet op het voorgaande geen beroep toe op afwezigheid van alle schuld.

Er zijn aldus geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de binnentreding ter fine van aanhouding aangevoerd dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat (subsidiair) met toepassing van artikel 359a Sv tot strafvermindering moet leiden. De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat bij de aanhouding van de verdachte excessief politiegeweld is toegepast, waardoor de verdachte aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Buitensporig politiegeweld levert een schending op van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit vormverzuim dient eveneens tot strafvermindering te leiden.

Tot slot heeft de raadsvrouw het hof verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij in zijn woning meerdere wapens en een grote hoeveelheid patronen voorhanden heeft gehad. Het illegaal voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie zijn ernstige delicten waartegen streng wordt opgetreden, mede gelet op het gevaar en de dreiging die van dergelijke wapens uitgaan en het steeds verder toenemende bezit en gebruik daarvan in de maatschappij. Het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen brengt een volstrekt onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen in de samenleving met zich mee.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doxing van twee politieambtenaren. Daarmee heeft de verdachte de integriteit van deze politieambtenaren aangetast door het delen van foto’s en of video’s waarop zij herkenbaar in beeld zijn, vergezeld van belastende teksten. Uit de schriftelijke toelichting van [slachtoffer 3] blijkt dat hij zich in zijn werk gehinderd voelt door het handelen van de verdachte. Hij maakt zich regelmatig zorgen over de gevolgen en is alerter dan voorheen. De impact van het handelen van de verdachte op [slachtoffer 4] is nog groter. Uit haar schriftelijke verklaring blijkt dat de aanhoudende ongefundeerde beledigingen van de verdachte haar privéleven enorm raken. Het veiligheidsgevoel van haar en haar familie is aangetast en er heersen gevoelens van angst en onveiligheid in haar gezin. Dat de verdachte zijn profielnaam op Facebook in ‘ [slachtoffer 4] ’ heeft veranderd, heeft zij als een grote inbreuk op haar privacy ervaren.

Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging, inhoudende dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen ex artikel 359a Sv die tot strafvermindering moeten leiden, heeft het hof hierboven reeds uiteengezet dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot aanhouding van de verdachte door de Ondersteuningsgroep van de politie en dat veiligstellen van de woning in dat kader (een “versnelde instap”) niet onrechtmatig is geweest. Ofschoon het hof niet uitsluit dat de verdachte daarbij hardhandig is aangepakt, zoals hij heeft verklaard, is niet gebleken dat de verdachte daarbij zodanig letsel heeft opgelopen, of dat het handelen van de politie dusdanig disproportioneel was, dat artikel 3 van het EVRM hierdoor zou zijn geschonden. Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook geen vormen verzuimd in de zin van artikel 359a Sv waarmee het hof rekening moet houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder tevens voor smaad, belediging en mishandeling van een politieambtenaar als ook voor overtredingen van de Wet wapens en munitie. Die veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de eerder bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 7 april 2023 opgelegde, uitgevoerde en geëxecuteerde taakstraf alsmede de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg d.d. 9 juli 2021 opgelegde, uitgevoerde en geëxecuteerde taakstraf – beide mede opgelegd ten aanzien van onder meer overtreding(en) van de Wet wapens en munitie – is de taakstrafbeperking van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Daarnaast is op basis van de stukken in het dossier gebleken dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan een consult van een psycholoog. Ook aan de reclassering heeft de verdachte te kennen gegeven niet mee te willen werken aan enig contact. In hoger beroep is er evenmin een reclasseringsadvies tot stand gekomen. Het hof heeft daardoor slechts beperkt zicht gekregen op de persoon van de verdachte. Ofschoon bij de verdachte geen psychische problematiek is vastgesteld, heeft de verdachte wel zorgelijk gedrag laten zien. Het hof wijst in het bijzonder op de verontrustende berichten die in de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen, de jerrycans met brandbare vloeistof in de woning van de verdachte en de stelligheid waarmee de verdachte verklaarde over zijn beleving van gebeurtenissen, welke beleving geen enkele steun vindt in het dossier.

Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De raadsvrouw heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat de verdachte een vergoeding van zijn verzekering heeft ontvangen naar aanleiding van een verkeersongeval, waarna zijn Wajong-uitkering is stop gezet. Voorts heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat het fysiek slecht gaat met de verdachte en dat hij recent een maagbloeding heeft gehad.

Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een (deels) onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof zal – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – onder meer een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Alles afwegende acht het hof, in navolging van de vordering van de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

Beslag

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het beslag, met uitzondering van de goednummers onder 19, 21 en 22, welke goederen volgens de raadsvrouw dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Dit betreffen antieke wapens die niet strafbaar zijn, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder de verdachte diverse wapens, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 13 januari 2025, in beslag zijn genomen. Het hof zal deze inbeslaggenomen wapens onttrekken aan het verkeer, nu dit voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het onder feit 1 bewezenverklaarde feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het hof stelt, anders dan de raadsvrouw, vast dat de goednummers op de beslaglijst onder 19, 21 en 22 geen antieke wapens betreffen en verwijst daarvoor naar de kennisgevingen van inbeslagneming op pagina’s 273 (patroonhouder), 279 (twee patroonhouders) en 276 (patroonhouder) van het politiedossier.

Voor zover de raadsvrouw ten aanzien van de – niet op de beslaglijst vermelde – drie Winchester kogelgeweren en het Arthur Allan hagelgeweer (kennisgevingen van inbeslagneming op dossierpagina’s 280-283) heeft willen betogen dat dit antieke wapens zijn en deze aan de verdachte dienen te worden teruggegeven, overweegt het hof dat deze vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu ze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet dan wel het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben in eerste aanleg vorderingen ingesteld, telkens strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 569,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding.

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben schriftelijk te kennen gegeven de gehele vorderingen tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.

Hoewel het hof van oordeel is dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde schade hebben geleden, zal het hof de benadeelde partijen in de vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Doxing is immers per 1 januari 2024 in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld en de verdachte heeft het feit jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] begaan op 9 juni 2023, op welke datum het feit niet strafbaar was en de onrechtmatigheid ervan niet op die grond kan worden vast gesteld. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kunnen naar het oordeel van het hof daarom niet in de vorderingen tot schadevergoeding worden ontvangen. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partijen zullen daarbij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 569,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] is voor het overige afgewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof overweegt dat artikel 6:106 BW een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen wanneer sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden doordat hij in zijn eer en goede naam is aangetast. Het betreft één Facebookbericht, dat beperkt bekeken is. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, naar billijkheid op een bedrag van € 250,00. De verdachte is dan ook tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedragen zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2024, zijnde de datum dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 449,00 aan materiële schade als gevolg van het installeren van camera’s rondom de woning van de benadeelde partij, alsmede een bedrag van € 901,00 aan immateriële schade.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] geheel toegewezen voor het bedrag van € 1.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde schade heeft geleden.

Materiële schade

Het hof overweegt dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte obsessief en gericht meerdere acties tegen de benadeelde partij heeft ondernomen, waaruit volgt dat hij op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De benadeelde partij heeft onderbouwd naar voren gebracht dat haar veiligheidsgevoel in hoge mate is aangetast. De verdachte weet bovendien waar zij woont. Om die reden staat de aanschaf van een camerasysteem naar het oordeel van het hof in zodanig causaal verband tot het bewezenverklaarde feit dat deze schadepost aan de verdachte als een gevolg hiervan kan worden toegerekend. Het hof acht derhalve het gevorderde bedrag van € 449,00 voor toewijzing vatbaar.

Immateriële schade

Het hof overweegt dat artikel 6:106 BW een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen wanneer sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden doordat zij in haar eer en goede naam is aangetast. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte herhaaldelijk acties tegen [slachtoffer 4] heeft verricht en obsessief en onberekenbaar heeft gehandeld. Het hof acht, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, het gevorderde bedrag van € 901,00 billijk.

Conclusie

Aldus is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 1.350,00, bestaande uit € 449,00 aan materiële schade en € 901,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedragen zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Wat betreft de materiële schade zal het hof uitgaan van de datum van de factuur van de aanschaf van de camera’s, te weten 30 augustus 2024, en wat betreft de immateriële schade zal het hof uitgaan van de laatste datum van de bewezenverklaarde periode, te weten 9 juli 2024.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregelen

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is toegebracht tot de respectievelijke bedragen van € 250,00 en € 1.350,00. De verdachte is daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte telkens de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormelde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente als hierna vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat telkens gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissementsparket Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2022 onder parketnummer 20-001902-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 57 en 285d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 3 primair voor wat betreft het plaatsen van de berichten met betrekking tot de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien van die onderdelen in de tenlastelegging (doxing [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) van alle rechtsvervolging;

verklaart het overige onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;

vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur

van ten hoogste 2 (twee) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;

vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;

vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.350,00 (duizend driehonderdvijftig euro) bestaande uit € 449,00 (vierhonderdnegenenveertig euro) als vergoeding van materiële schade en € 901,00 (negenhonderdéén euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.350,00 (duizend driehonderdvijftig euro) bestaande uit € 449,00 (vierhonderdnegenenveertig euro) materiële schadevergoeding en € 901,00 (negenhonderdéén euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 13 (dertien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 augustus 2024 en van de immateriële schade op 9 juli 2024;

beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2022 onder parketnummer 20-001902-21 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een

gevangenisstraf voor de duur van 76 (zesenzeventig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,

en op 27 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.C.C. van de Schepop
  • mr. S.V. Pelsser
  • mr. J.J. Peters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?