ECLI:NL:GHSHE:2026:222

ECLI:NL:GHSHE:2026:222

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 20-000677-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:1143

Samenvatting

Bedreiging en belaging. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het klachtvereiste. Het hof spreekt de verdachte integraal vrij en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-237265-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘belaging’ (feiten 2 en 3), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en haar veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit, bijzondere voorwaarden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [benadeelde partij] en een locatieverbod voor de straat waar [benadeelde partij] woonachtig is. De rechtbank heeft deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de benadeelde partij daarbij veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren – telkens in de vorm van het alleen plegen van de feiten – en de verdachte te dien aanzien te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf dienen volgens de advocaat-generaal bijzondere voorwaarden te worden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, diagnostiek en ambulante behandeling. Voorts heeft de advocaat-generaal het hof verzocht een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen, te weten in de vorm van een contactverbod met [benadeelde partij] en een locatieverbod voor de straat waar [benadeelde partij] woonachtig is, voor de duur van 5 jaren en daarbij te bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat de verdachte het verbod overtreedt, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden. De advocaat-generaal heeft tevens gerekwireerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, doch dat het hof ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 2.500,00 dient op te leggen.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van het onder feit 3 tenlastegelegde. Voorts heeft de raadsman integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat de schadevergoedingsmaatregel niet opgelegd dient te worden, dan wel het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding aanzienlijk dient te worden gematigd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging en aldus de grondslag van het onderzoek is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.zij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 26 augustus 2022 tot en met 19 september 2022 te Oudelande, gemeente Borsele, en/of Ellewoutsdijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] (per e-mail) dreigend de woorden toe te voegen:

- “ O en die meid kies ik nu zelf wel een mooi momend voor. Zorg ik er voor dat zei langzaam kapot zal gaan bij jouw. Schreeuwen van de pijn. Allemaal dankzei jouw en ook speciaal voor jouw!”

- “ Die meid die je de schult hebt gegeven die zal binnen kort dood of net niet dood bij het werk of jouw liggen. Mooi als zei nog schreeuw van de pijn om hulp”

- “ Je cadeau (zei dood) zal komen spesiaal voor jouw liefje”

- “ Misschien kunnen we dan ook je vrouwtje nog een keertje doen. Dan heb ik je weer helemal voor mij”

- “ We hebbe je wijfje al gevonde hoor dus die houde we ook in de gaaten”

- “ Eerst die meid voor je kapot maaken en dan je [betrokkene] . We kijke nu al uit naar wat je er van vint. Misschien laaten we zei nog wel kapot gaan voor je oogen. Kan je nog doei zegge”,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.zij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 26 augustus 2022 tot en met 19 september 2022 te Oudelande, gemeente Borsele en/of Ellewoutsdijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] door die [benadeelde partij] (telkens) ongevraagd en/of tegen zijn wil (veelvuldig) berichten te sturen (per e-mail) met een dwingende en/of intimiderende en/of beledigende en/of dreigende inhoud met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3.zij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 20 september 2018 tot en met 15 februari 2019 te Oudelande, gemeente Borsele en/of Ellewoutsdijk, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] door die [benadeelde partij] (telkens) ongevraagd en/of tegen zijn wil (veelvuldig) berichten te sturen (per e-mail) met een dwingende en/of intimiderende en/of beledigende en/of dreigende inhoud met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van het onder feit 3 tenlastegelegde, nu door [benadeelde partij] niet tijdig een klacht strekkende tot vervolging van de verdachte is ingediend.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ter zake van dit feit, nu er door [benadeelde partij] aangifte is gedaan van belaging over één gehele periode die door het Openbaar Ministerie als twee afzonderlijke periodes en aldus afzonderlijke feiten ten laste zijn gelegd. [benadeelde partij] heeft daarbij uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij vervolging van de verdachte wenste. De advocaat-generaal heeft daarbij verwezen naar de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 24 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:667).

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Belaging ex artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is een absoluut klachtdelict, hetgeen betekent dat het Openbaar Ministerie alleen tot vervolging van de verdachte kan overgaan als door het slachtoffer (of de klachtgerechtigde) een klacht is ingediend tegen de verdachte. Een klacht moet hier begrepen worden als een verzoek tot het instellen van strafrechtelijke vervolging. Gelet op het bepaalde in artikel 66, eerste lid, Sr dient die klacht te worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde strafbare feit.

Het hof overweegt dat bij het bepalen van het aanvangsmoment van de termijn waarbinnen de klachtgerechtigde een klacht moet indienen, gekeken dient te worden naar het moment dat de belaging tot een einde is gekomen (HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:13). Ook wanneer een kortere periode bewezen is verklaard dan in de aangiftes is vermeld, kan bij de beoordeling of de klacht tijdig is ingediend worden uitgegaan van de in de aangifte vermelde einddatum (HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667).

Het hof stelt op grond van het politiedossier vast dat aangever [benadeelde partij] op 31 januari 2019 melding heeft gedaan bij de politie van de berichten die zijn ontvangen vanaf 20 september 2018. Vervolgens heeft [benadeelde partij] op 6 september 2022 aangifte gedaan van bedreiging in de periode van 26 augustus 2022 tot en met 6 september 2022. Op 14 oktober 2022 heeft [benadeelde partij] in een aanvullend verhoor te kennen gegeven ook aangifte te willen doen van stalking door de verdachte in de periode van september 2018 tot en met september 2022. [benadeelde partij] wenste daarbij dat de verdachte hiervoor wordt vervolgd en heeft daartoe tevens op 14 oktober 2022 een klacht ingediend. Gelet op de datum van de aangifte en de daarin vermelde einddatum van de belaging, is het hof van oordeel dat ook ten aanzien van de belaging in de tenlastegelegde periode van 20 september 2018 tot en met 15 februari 2019 tijdig aan het klachtvereiste is voldaan.

Het hof is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde.

Integrale vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof dat de partner van de verdachte, de heer [medeverdachte] , op 20 februari 2025 tijdens een politieverhoor heeft verklaard dat hij de berichten in 2022 naar [benadeelde partij] heeft gestuurd. Daarbij is [medeverdachte] tevens als verdachte aangemerkt in zaken die in diezelfde periode met betrekking tot aangever [benadeelde partij] hebben gespeeld en heeft [medeverdachte] tevens diverse latere op [benadeelde partij] betrekking hebbende feiten, welke niet aan de verdachte ten laste worden gelegd, bekend. Daaronder vallen onder meer het spuiten van graffiti op een verkeersremmer, het lek steken van de autobanden van de vader van [benadeelde partij] en het sturen van e-mails vanaf het e-mailadres [e-mailadres] . Ten slotte lijkt de inhoud van de berichten in de eerste drie gedachtestreepjes onder de in feit 1 tenlastegelegde bedreiging er op te wijzen dat deze berichten juist niet van de verdachte afkomstig zijn.

Gelet op dit alles heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat (ook) de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging en de onder feit 2 tenlastegelegde belaging in de periode van 26 augustus 2022 tot en met 19 september 2022, hetgeen tot vrijspraak van deze feiten dient te leiden.

Zowel los van het vorenstaande als in het verlengde daarvan bestaat er bij het hof tevens te veel twijfel om de overtuiging te bekomen dat de verdachte de belaging in de periode van 20 september 2018 tot en met 15 februari 2019 wel zou hebben gepleegd. De verdachte heeft dit feit steeds ontkend, het hof heeft geen kennis kunnen nemen van de inhoud van het door de politie met haar gevoerde stopgesprek en er bestaat veel onduidelijkheid over een eventueel motief. Bij deze stand van zaken dient de verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen, zodat zij ook van het onder feit 3 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft in de vordering tot schadevergoeding geen bedrag genoemd.

De rechtbank heeft de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft schriftelijk te kennen gegeven de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven. Bij brief d.d. 13 maart 2025 heeft de advocaat van de benadeelde partij namens deze in hoger beroep een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade gevorderd en is het hof verzocht aan het slachtoffer [benadeelde partij] de schadevergoedingsmaatregel voor datzelfde bedrag op te leggen.

Nu aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering niet worden ontvangen. Derhalve ziet het hof ook geen aanleiding om aan het slachtoffer [benadeelde partij] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partij zal daarbij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. J.J. Peters, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,

en op 27 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?