GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/953, 25/954, 25/955 en 25/956
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] (Filipijnen),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 mei 2025, nummers BRE 24/5642 tot en met 24/5645, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht om teruggaaf van loonbelasting ingehouden in 2023. De inspecteur heeft dat verzoek opgevat als bezwaar en het niet-ontvankelijk verklaard voor zover het ging over de in januari tot en met november 2023 ingehouden loonbelasting en het ongegrond verklaard voor zover het ging over de in december 2023 ingehouden loonbelasting.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen bij mondelinge uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch, op verzoek van belanghebbende en met instemming van de inspecteur remote via Microsoft Teams met beeld- en geluidverbinding, alsmede, in verband met technische problemen aan de kant van belanghebbende, via een telefoonverbinding. Aldus zijn verschenen de belanghebbende en tot zijn bijstand [naam] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende heeft de inspecteur op 21 januari 2024 per e-mail verzocht om teruggaaf van de loonbelasting die in 2023 door het ABP en de SVB was ingehouden op respectievelijk zijn Nederlandse ambtenarenpensioen en zijn AOW-uitkering.
De inspecteur heeft dat verzoek opgevat als een bezwaarschrift tegen die inhoudingen en heeft belanghebbende op 30 januari 2024 per e-mail bericht dat bezwaren per e-mail niet in behandeling kunnen worden genomen. Hij heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven zijn bezwaren alsnog binnen vier weken op papier in te dienen en daarbij toegezegd dat als de inspecteur het bezwaarschrift aldus alsnog ‘op de juiste wijze’ zou ontvangen, als datum van binnenkomst de datum van belanghebbendes e-mail van 21 januari 2024 zou gelden.
Op 1 februari 2024 heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaarschrift tegen de in 2023 op het ABP-pensioen en de AOW-uitkering ingehouden loonbelasting alsnog op papier ontvangen.
Bij brieven van 6 mei 2024 heeft de inspecteur (i) het bezwaar voor zover gericht tegen de in januari tot en met november 2023 op het ABP-pensioen en de AOW-uitkering ingehouden loonbelasting niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en (ii) het bezwaar voor zover gericht tegen de in december 2023 ingehouden loonbelasting op het ABP-pensioen en de AOW-uitkering tijdig, maar ongegrond verklaard omdat het belastingverdrag met de Filipijnen het heffingsrecht daarover zijns inziens aan Nederland toewijst.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar op 18 juli 2024 via Zivver (beveiligde e-mailverbinding) beroepen ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen bij één mondelinge uitspraak van 28 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift voor de rechtbank onder meer opgemerkt:
“Een gebruikelijkere route om aan te geven dat Nederland geen heffingsrecht zou hebben over een bepaald inkomensbestanddeel, is het indienen van een aangifte inkomstenbelasting waarin vermeld wordt dat Nederland niet heffingsbevoegd is. Een dergelijke aangifte geldt dan gelijk voor bijvoorbeeld het gehele jaar 2023. Ik wil belanghebbende hiermee op een alternatieve - mijns inziens voor alle partijen eenvoudigere - rechtsingang wijzen, maar merk wel met nadruk op dat ik een aangifte waarin zou worden vermeld dat Nederland niet heffingsbevoegd is over het ABP-pensioen en/of de AOW-uitkering onjuist acht (…).”
Op 1 december 2025 heeft belanghebbende in hoger beroep een nader stuk ingediend dat onder meer het volgende vermeldt:
“2,1 Ik heb op het advies van de Belastingdienst aangifte gedaan over de jaren 2019 tot en met 2024. Tot mijn grote verbazing en verrassing ontving ik allereerst een voorlopige aanslag over de jaren 2023 en 2024 In beide voorlopige aanslagen werd mij teruggave
gegeven van de betaalde/ingehouden Loonheffingen 2023 en 2024. Een definitieve aanslag is vreemd genoeg tot op heden door mij nog niet ontvangen.
Over de jaren 2019, 2020 2021 en 2022 heb ik al wel een definitieve aanslag
ontvangen inhoudende teruggave van alle ingehouden en betaalde Loonheffingen over mijn aanvullende pensioenuitkeringen ABP. Over alle eerdergenoemde jaren zijn er geen heffingskortingen toegekend. Zelfs niet de alleenstaande ouderenkortingen.
Voor het lopende jaar 2025 heb ik in september 2025 een voorlopige aanslag ingediend en tot mijn verrassing werd deze toegekend en werd mijn ingehouden en betaalde Loonheffing op pensioenuitkering ABP toegekend en inmiddels ook uitbetaald, (…).
(…).
Onder verwijzing naar bovenstaande moge duidelijk zijn, dat ik enigszins in verwarring ben
geraakt door mijn opvolgen van het advies om aangifte te doen en vervolgens te zien dat de Belastingdienst mijn aangiftes ongewijzigd vaststelt. Ik mag er dan ook van uitgaan dat de Belastingdienst accepteert en akkoord gaat met het feit dat mijn pensioenuitkering van ABP privaatrechterlijk van aard is en wel vanaf 1 januari 2012 zoals ik dat vanaf 2012 al vertel en dus niet-belastbaar is in Nederland. (…).”
3. Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of de rechtbank belanghebbendes beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Zo neen, dan is in geschil of de inspecteur terecht belanghebbendes bezwaar tegen de inhouding van loonbelasting in januari t/m november 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard en zijn bezwaar tegen de inhouding van loonbelasting in december 2023 ongegrond heeft verklaard.
Is zijn bezwaar tegen de inhouding in januari t/m november 2023 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, dan is ook over die maanden in geschil of het belastingverdrag met de Filipijnen Nederland toestond om belasting te heffen over belanghebbendes ambtenarenpensioen en AOW-uitkering.
Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkheid van zijn bezwaren en beroepen en tot teruggave van de in 2023 van hem ingehouden loonbelasting. Subsidiair concludeert hij tot het alsnog toekennen van heffingskortingen.
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van belanghebbendes hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat aan belanghebbende over 2019, 2020, 2021 en 2022 definitieve aanslagen zijn opgelegd overeenkomstig diens standpunt dat zijn ambtenarenpensioen en zijn AOW-uitkering niet belastbaar zijn in Nederland. Hij heeft ook bevestigd dat aan belanghebbende over 2023, 2024 en 2025 voorlopige aanslagen zijn opgelegd overeenkomstig dat standpunt. De inspecteur heeft verklaard dat die aanslagen automatisch zijn opgelegd, dat zij onjuist zijn en dat zij gecorrigeerd zullen worden. Specifiek ter zake van 2023 heeft hij een definitieve aanslag aangekondigd waarin belanghebbendes ambtenarenpensioen en AOW-uitkering alsnog in de Nederlandse inkomstenbelastingheffing betrokken zullen worden. Belanghebbende heeft aangekondigd daartegen in bezwaar en beroep te zullen gaan.
Belanghebbende heeft zijn hoger beroep als volgt gemotiveerd:
“Er is naar mijn mening geen sprake van overschrijding indienen (…) beroepstermijn. Het besluit (beslissing op bezwaarschrift) is 8 mei 2024. Verstuurd op 9 mei 2024 per post naar mijn postadres [postadres] Centrale Post kantoor [plaats] . Door mij opgehaald op 20 en 22 juni 2024. Termijn 6 weken eindigt dan op 2 Augustus 2024. Datum hoger beroep ingesteld op 14 en 18 juli 2024. De blauwe enveloppen met datum ontvangen door Post-kantoor zitten in het dossier en zijn ontvangen door rechtbank. Derhalve is het besluit om mij niet ontvankelijk te verklaren onjuist.”
Belanghebbende gaat er aldus van uit dat de beroepstermijn begint te lopen op het moment waarop hij zijn postbus in [plaats] leegt en daarin een uitspraak op bezwaar aantreft. Aldus heeft hij ook meermalen ter zitting verklaard.
Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken beloopt. Die termijn begint volgens artikel 6:8 Awb te lopen op de dag na de voorgeschreven bekendmaking. Die voorgeschreven bekendmaking is volgens artikel 3:41, lid 1, Awb bij tot bepaalde belanghebbenden gerichte besluiten: toezending of uitreiking aan die belanghebbende(n). Voor uitspraken op bezwaren van belastingplichtigen is de voorgeschreven wijze van bekendmaking dus verzending per post.
Niet in geschil is dat de inspecteur de bestreden uitspraken op bezwaar tussen 6 en 9 mei 2024 ter post heeft bezorgd en gericht heeft aan het correcte, door belanghebbende opgegeven postadres in [plaats] . De beroepstermijn verliep dan volgens de wet uiterlijk 20 juni 2024. Het beroepschrift, gedagtekend 14 juli 2024, is volgens belanghebbende per beveiligde e-mail (Zivver) ingediend en is door de rechtbank ontvangen op 18 juli 2024. Uit het bovenstaande volgt dat, anders dan belanghebbende stelt, dat dat buiten de wettelijke termijn is, die op 20 juni 2024 afliep.
Dan rijst de vraag naar mogelijke verschoonbaarheid van belanghebbendes termijnoverschrijding. Hij heeft verklaard op 20 en/of 22 juni 2024 kennis te hebben genomen van de uitspraken op bezwaar (zie 4.2 hierboven). Hij stelt op 14 en 18 juli 2024 per Zivver beroep ingesteld te hebben, dat volgens het stempel van de rechtbank op 18 juli 2024 is ontvangen. Tussen zijn kennisneming van de uitspraken en zijn per Zivver ingestelde beroep zaten dus 22 tot 28 dagen.
Op 5 april 2024 heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld in een zaak over een ruim na de afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift:
“4.2.3 Volgens artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In geval van indiening van een beroepschrift is daarvan sprake indien:(i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een beroepschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens(ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.1
Voor zover het omstandigheden betreft die de belanghebbende persoonlijk betreffen, is er geen reden artikel 6:11 Awb te beperken tot de gevallen waarin de betrokkene feitelijk niet in staat is geweest het rechtsmiddel tijdig aan te wenden. Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, zal per geval moeten worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. Aan de belanghebbende van wie in redelijkheid niet kan worden gevergd om dit zelf te doen, kan niet zonder meer worden tegengeworpen dat hij iemand anders had kunnen verzoeken hem hierin bij te staan of te vertegenwoordigen, of dat hij binnen de termijn had kunnen volstaan met het indienen van een beroepschrift waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen (een zogenoemd pro-formaberoepschrift). Ook met betrekking tot zulke maatregelen komt het erop aan of zij van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid konden worden gevergd.2
Verder moet ook de vraag of het beroepschrift na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarvoor een termijn van ten minste veertien dagen moet worden gegund.3 De ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak geven de Hoge Raad aanleiding nu te bepalen dat deze termijn in beginsel verstrijkt zes weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet.4
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
1 Vgl. HR 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462, rechtsoverweging 3.3, en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078, rechtsoverweging 3.2.
2 Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 3.2.
3 Zie HR 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462, rechtsoverweging 3.3, en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078, rechtsoverweging 3.2.
4 Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 4.2.”
Op 19 april 2024 heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld over een niet-ontvankelijkverklaring wegens beroepstermijnoverschrijding door een omzetbelastingplichtige die wel binnen de beroepstermijn had gevraagd om toezending van een afschrift van een uitspraak op bezwaar en pas na termijnverloop beroep instelde omdat hij meende dat alleen beroep kon worden ingesteld onder bijvoeging van zo’n afschrift:
“3.2.4. Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.2
Verder biedt de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 Awb het bestuursorgaan en de bestuursrechter enige ruimte om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen factoren zoals de hoedanigheid en de mate van deskundigheid van de indiener een rol spelen, en kan ook betekenis toekomen aan andere factoren zoals de informatie die het bestuursorgaan aan de indiener heeft verstrekt en de voortvarendheid waarmee de betrokkene alsnog bezwaar of beroep heeft ingesteld.3
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
2 Vgl. HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, rechtsoverweging 4.2.4.
3 Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 3.3.”
De vraag is dus of van belanghebbende in zijn omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen, met name of de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van zijn beroepschriften zodanig gering is dat de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen.
Belanghebbende heeft zowel in bezwaar als in beroep verklaard er al jaren mee bekend te zijn dat post vanuit Nederland, aangetekend of niet, gericht aan het door hem opgegeven adres in [plaats] doorgaans minstens zes weken onderweg is. Zo berichtte hij de inspecteur op 30 april 2024 per e-mail onder meer:
“(…). Er is echter 1 probleem (…) omdat in referte vermeld staat dat mijn verzoek binnen
30 dagen na afloop van het kalenderjaar moet worden ingediend. Daar ik in [plaats] , Filipijnen woon lukt dat simpelweg niet omdat de briefpost ook aangetekende minimaal 6 weken onderweg is en dus ruim na de 30 dagen termijn bij u arriveert. (…).”
In zijn repliek op het verweerschrift van de inspecteur in hoger beroep verklaart belanghebbende onder meer als volgt over het verloop van de zitting van de rechtbank:
“4.1. (…). Op de vraag of het juist is dat de post vanuit Nederland er zo lang over doet heb ik geantwoord: “ja, het duurt minimaal 4-6 weken, Soms zelfs nog langer.” Op de vraag waarom ik geen (post)adres in Nederland heb opgegeven/genomen was mijn antwoord: “ik heb niemand in Nederland en de Belastingdienst heeft daarom ook nooit gevraagd of iets over gezegd.
(…).
ik voldoende verschoonbare redenen heb aangedragen. Zoals daar dus zijn
a) ik heb geen contacten inNederland die ik met mijn privézaken moet lastig vallen;
b) ik de Inspecteur al jaren heb verteld dat post er lang over doet
c) ik daarom juist een postbus heb genomen.”
Ook ter zitting van het hof heeft belanghebbende meermalen verklaard dat al sinds 2014 bekend is dat post vanuit Nederland, aangetekend of niet, gericht aan zijn huisadres er doorgaans minstens acht weken over doet, en gericht aan zijn – aan de Belastingdienst opgegeven - postbusadres in [plaats] doorgaans minstens zes weken onderweg is, zodat hij altijd buiten de wettelijke termijn van zes weken valt. De inspecteur heeft bij verweer en ter zitting verklaard dat de Belastingdienst verplicht is om uitspraken op bezwaar per post te verzenden, maar dat als belanghebbende verzocht zou hebben om digitale verzending, de uitspraken hem (ook) digitaal toegezonden hadden kunnen worden.
Op de ook ter zitting van het hof gestelde vraag waarom belanghebbende pas na daarop gewezen te zijn door de rechtbank een postadres bij – kennelijk – een familielid in Nederland heeft aangewezen, antwoordde hij dat anderen niet belast behoren te worden met zijn privé-aangelegenheden zoals zijn correspondentie met de Belastingdienst, dat de Belastingdienst dienstbaar aan de belastingplichtige behoort te zijn en dat iemand die in Nederland woont ook wel eens niet thuis is.
Het hof meent dat onder deze omstandigheden de overschrijding van de beroepstermijn bij de rechtbank aan belanghebbende kan worden toegerekend. Hij heeft er ondanks zijn al lang daarvóór bestaande bekendheid met de te lange duur van postverkeer naar het door hem opgegeven postadres in de Filipijnen voor gekozen om geen postadres in Nederland aan te wijzen en kennelijk geen berichtenbox in mijnoverheid.nl te openen of op andere wijze te verzekeren dat wettelijk correct aan het door hem opgegeven postadres bekendgemaakte uitspraken op zijn bezwaren hem tijdig zouden kunnen bereiken.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof ziet geen redenen voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door P.J. Wattel, voorzitter, J.M. van der Vegt en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers P.J. Wattel
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.