ECLI:NL:GHSHE:2026:2283

ECLI:NL:GHSHE:2026:2283

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 20-001895-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van overtreding van artikel 6 WVW, omdat het hof van oordeel is dat geen sprake is geweest van verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam gedrag van de verdachte en dus van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Wel acht het hof bewezen dat de verdachte zich als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt (artikel 5 WVW). De verdachte is, rijdende over een weg zonder afgescheiden rijbanen binnen de bebouwde kom, een bij een bushalte op die weg stilstaande lijnbus alsmede twee achter die lijnbus stilstaande voertuigen gepasseerd zonder daarbij rekening te houden met eventueel overstekende passagiers van die lijnbus en zonder zijn snelheid, gelet op de verkeerssituatie ter plaatse, voldoende te matigen. Tijdens het passeren van de voertuigen heeft de verdachte met zijn auto aan de voorzijde van de lijnbus het aldaar overstekende slachtoffer aangereden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 9 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-241259-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het aan hem primair tenlastegelegde feit, het subsidiair tenlastegelegde feit bewezenverklaard, dat feit gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte te dier zake strafbaar verklaard en aan de verdachte opgelegd een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en aan de verdachte zal opleggen een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte integraal vrij te spreken van de aan hem primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en daarmee de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd. Dat laat onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de inhoud van het vonnis waarvan beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 augustus 2026 – tenlastegelegd dat:

primair hij op of omstreeks 27 februari 2024 te Bergeijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig , daarmede rijdende over de weg, [locatie 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten schedelfracturen en/of hersenletsel en/of verlamming van de rechterzijde van zijn lichaam, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair hij op of omstreeks 27 februari 2024 te Bergeijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [locatie 1] ,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 februari 2024 te Bergeijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [locatie 1] ,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Operationele Samenwerking, Afdeling Infrastructuur, Team Verkeer Opsporing Team Verkeer Oost Brabant, registratienummer PL2100-2024043654, gesloten d.d. 9 juli 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 58). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 8 juli 2024, elektronisch ondertekend op 9 juli 2024, pagina’s 4 tot en met 10, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Locatie ongeval

Datum: 27 februari 2024

Omstreeks: 16:49 uur

Adres: [locatie 1]

Plaats: Bergeijk

Soort weg: Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Bebouwde kom: Binnen

Bijzonderheden: Bushalte

Maximum snelheid: 50 km per uur

Vermoedelijke toedracht

Betrokkene 1: [verdachte] , bestuurder, personenauto, BMW, [kenteken 1]

Betrokkene 2: [slachtoffer] , voetganger

Betrokkene 1 reed op de [locatie 1] te Bergeijk, komende uit de richting van de [locatie 2] te Bergeijk. Een lijnbus stopte aan de rechterzijde van de rijbaan bij een bushalte op de [locatie 1] te Bergeijk. Een bestelauto en 2 personenauto’s stopten achter de lijnbus. Betrokkene 1 haalde vervolgens de 2 personenauto’s, de bestelbus en de lijnbus aan linkerzijde in. Betrokkene 2, die in de lijnbus zat, stapte aan de rechtervoorzijde uit de lijnbus en stak voor de lijnbus de straat over. Vervolgens reed Betrokkene 1 met de rechtervoorzijde van zijn voertuig tegen betrokkene 2 aan.

Verdachte

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedag] 2004

2. Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict d.d. 15 mei 2024, pagina’s 11 tot en met 26 , voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Aanleiding onderzoek

Op 27 februari 2024 omstreeks 16:49 uur had er op [locatie 1] te Bergeijk een

verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een overstekende voetganger. De onderzoekslocatie was op de [locatie 1] , gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Bergeijk in de gemeente Bergeijk.

Aangetroffen situatie

Wij hoorden van de politieambtenaren die als eerste ter plaatse waren dat:

- de lijnbus aan de rechterzijde bij de bushalte stil stond;

- achter de lijnbus een bestelauto en 2 personenauto’s stilstonden;

- een zwarte BMW de bestelauto, de personenauto’s en de lijnbus aan de linkerzijde voorbij reed;

- een passagier/voetganger aan de rechter voorzijde uit de bus stapte;

- de voetganger in een vlot tempo liep en zonder te stoppen langs de voorzijde van de bus, schuin de rijbaan overstak;

- de zwarte BMW in botsing kwam met de overstekende voetganger.

Wegsituatie

Wij zagen dat de [locatie 1] (rijrichting BMW):

- bestemd was voor verkeer in tegengestelde richtingen;

- op de plaats van het verkeersongeval een recht verloop had;

- de rijbaan aan de linkerzijde werd begrensd door een trottoir, voortuinen en panden;

- de rijbaan aan de rechterzijde werd begrensd door een parkeerhaven, voortuinen en panden;

- rechts van de rijbaan een bushalte was gesitueerd ter hoogte van [adres 2] .

Aangetroffen sporen/schade personenauto

Ter plaatse zagen wij dat de BMW lichte schade had op de voorbumper rechts, vegen op de motorkap en een beschadigde voorruit, ter hoogte van de rechter A-stijl. Het is passend dat de BMW met de voorzijde rechts in botsing was gekomen met de overstekende voetganger, die gezien de rijrichting van de BMW van rechts naar links de rijbaan overstak.

Zicht vanuit de personenauto

Het zicht voor de bestuurder van de BMW en de overstekende voetganger ten opzichte van elkaar werd belemmerd door de lijnbus.

Veiligstellen camerabeelden/dashcam

Uit onderzoek bleek dat een (beveiligings)camera van [adres 3] de situatie kort voor de plaats van het verkeersongeval had vastgelegd. De camera van een deurbel van [adres 4] had de situatie kort na het verkeersongeval vastgelegd. De botsing was niet op de camerabeelden te zien.

Op de beelden van de camera van [adres 3] was te zien dat de lijnbus voorbijreed met hierachter een bestelauto en 2 personenauto’s. Ter hoogte van de bushalte stopten de voertuigen. De BMW haalde kort hierna de 2 personenauto’s, de bestelauto en de lijnbus aan de linkerzijde in.

Op de beelden van de camera van [adres 4] was de botsing tussen de BMW en de overstekende voetganger niet te zien maar de uitloop. De BMW vertraagde/remde en kwam tot stilstand. De voetganger werd weggeworpen en kwam met de achterzijde van het hoofd/lichaam op de rijbaan en bleef liggen op de rijbaan.

Indicatieve snelheid BMW

Aan de hand van de camerabeelden van [adres 3] (het hof merkt op: een pand, gezien vanuit de rijrichting van de BMW, gelegen nog vóór de bushalte) met 2 zichtlijnen en het aantal frames van de camerabeelden heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , de indicatieve gemiddelde gereden snelheid van de BMW berekend op een afstand van 41 meter. Voor de berekening van de gemiddelde indicatieve snelheid heb ik gebruik gemaakt van de formule van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Hierbij heb ik de afstand, het aantal frames en het aantal frames per seconde ingevoerd. Hieruit bleek dat de BMW reed met een eenparige gemiddelde snelheid van 33 km/h (afgerond).

Positie personenauto/voetganger

Het is aannemelijk dat de bestuurder van de BMW de overstekende voetganger op het laatste moment waarnam, in botsing kwam met de voetganger en een (nood) remming maakte.

Toedracht

De lijnbus stopte aan de rechterzijde van de rijbaan bij een bushalte. Een bestelauto en 2 personenauto’s stopten achter de lijnbus. Kort hierna haalde de BMW de stilstaande bestelauto, personenauto’s en lijnbus aan de linkerzijde in. De voetganger, die in de lijnbus zat, stapte aan de rechter voorzijde uit de lijnbus en stak voor de lijnbus (schuin) de rijbaan over. De BMW botste met de voorzijde rechts tegen de overstekende voetganger. De voetganger werd opgeduwd/weggeworpen en belandde op de rijbaan.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 februari 2024, pagina’s 51 tot en met 53, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Ter plaatse zag ik, verbalisant, aan een woning, in de [locatie 1] , een camera,

gericht naar de openbare weg staan. Ik vroeg de bewoner, [getuige 1] , van [adres 3]

naar de beelden van de camera. De eigenaar van de beelden gaf aan deze direct met mij te willen delen via een bestandsuitwisseling. Op 27 februari 2024 te 18:44 uur ontving ik dan ook een bestand.

Camerabeelden

Ik zag, bij het opstarten van de camerabeelden, rechtsboven in beeld: 27-02-2024 16:48:11. Ik zag dat de beelden vanaf de [locatie 1] in het verlengde en in de richting van de bushalte werden opgenomen. Ik herken de locatie als de [locatie 1] te Bergeijk, Gemeente Eersel.

16:48:11 uur zie ik een Stadsbus van Bravo van vanuit rechts (naar links) in beeld komen.

16:48:12 uur zie ik achter de genoemde stadsbus een witte Mercedes-Benz Sprinter

Rijden.

16:48:12 uur zie ik dat de remverlichting van de stadsbus begint te branden.

16:48:16 uur zie ik een zwarte Peugeot stationwagon achter de witte Sprinter komen

rijden.

16:48:19 uur zie ik een grijze kleine Chevrolet of Deawoo achter de donkere Peugeot komen rijden.

16:48:24 uur zie ik dat de Peugeot rechts in een parkeervak parkeert. Tevens zie ik

dat de witte Sprinter stil staat en de grijze Chevrolet achter de Sprinter aansluit.

16:48:29 uur zie ik een zwarte BMW 1-serie vanuit rechts in beeld komen. Ik zie dat

deze BMW in de richting van de Chevrolet reed.

16:48:33 uur zie ik dat de BMW de Chevrolet en de Sprinter passeerde. De Sprinter en de Chevrolet stonden stil op de rijbaan.

16:48:35 uur zie ik dat de BMW uit beeld reed, links op de weg van de [locatie 1] te Bergeijk.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2024, pagina’s 27 tot en met 30, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :

[getuige 5] verklaarde het volgende:

Ik was vandaag, 27 februari 2024, naar school geweest en was onderweg naar huis met de bus. De bus stopte bij de bushalte in de [locatie 1] , te Bergeijk en ik stapte op dat moment uit de bus. Voor mij zag ik een jongen met een capuchon lopen. Ik zag dat hij voor de bus langs liep, dit was ongeveer 1 meter voor de neus van de bus. Ik zag dat hij met een versnelde looppas voor de bus langs ging. Op dat moment zag ik dat er een auto de bus inhaalde en dat de jongen tegen de rechtervoorkant van het voertuig klapte. Daarna zag ik dat de auto de jongen schepte en dat de jongen in de lucht werd gelanceerd.

[getuige 3] (buschauffeur) verklaarde het volgende:

Ik stopte bij de bushalte in de [locatie 1] , te Bergeijk. Ik had met mijn rechter

richtingaanwijzer aangegeven dat ik wilde gaan stoppen bij de bushalte. Vervolgens

heb ik beide deuren open gedaan, zodat de passagiers uit de bus konden stappen. Ik

zag dat er ongeveer 7 à 8 personen uit de bus stapte. Een jongen, met een capuchon op, passeerde als eerste de bus. Ongeveer 1 meter vanaf de neus van de bus stak de

jongen over. Ik zag dat de jongen wat sneller liep dan een gemiddelde looppas. Ik zag in mijn linker buitenspiegel dat er een auto de bus aan het inhalen was. Ik zag dat dit met een rotgang gebeurde. Ik denk dat de auto met ongeveer 50 km/u de bus

inhaalde. Ik zag vervolgens, dat de auto die de bus inhaalde, de jongen schepte. Ik zag dat de jongen gelanceerd werd in de lucht.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 februari 2024, pagina’s 31 tot en met 33, voor zover inhoudende als de verklaring van [getuige 2] :

Ik ben getuige geweest van een aanrijding dat op 27 februari 2024 omstreeks 16.45 uur heeft plaatsgevonden. Het incident heeft plaatsgevonden op de [locatie 1] te Bergeijk. Ik reed met mijn voertuig voorzien van kenteken [kenteken 2] , Mercedes Sprinter achter de stadsbus. Ik zag dat de stadsbus stopte om mensen uit het voertuig te laten. Ik wachtte achter de bus en stond stil. Ik zag vervolgens een voertuig, een zwarte BMW, met snelheid mijn voertuig, het voorstaande voortuig en de stadsbus inhalen. Ik schat zo in dat dit voertuig rond de 50 km/uur reed.

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 maart 2024, pagina’s 44 tot en met 50, voor zover inhoudende als de verklaring van [verdachte] :

O: We willen u de gelegenheid geven uw eigen verklaring te geven over hoe het ongeluk op 27-02-2024 omstreeks 16.49 uur op de [locatie 1] in Bergeijk gebeurd is.

V: Wat is er allemaal precies gebeurd?

A: Ik reed over de [locatie 1] . Ik zag ongeveer 150 meter voor mij een lijnbus. Ik zag dat 2 of 3 auto’s achter de bus stil stonden. Ik heb mijn gas losgelaten en kwam dichterbij de bus. Ik besloot de bus te passeren. Ik haalde bus in en zag een tegenligger, een auto, in de verte aankomen rijden. Ik denk dat de auto misschien nog wel 200 meter van mij verwijderd was. Ik zag vanuit min positie van rechts een

voetganger. Ik zag een been en een capuchon en vrijwel op hetzelfde moment raakte ik de voetganger ter hoogte van zijn knie. Ik heb vervolgens geremd en mijn auto aan de linkerzijde van de weg stilgezet.

V: Wat was uw precieze plaats op de weg, ten tijde van het ongeval?

A: Aan de linkerzijde van de weg op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer.

V: Wat voor snelheid reed u ten tijde van het ongeval?

A: Gevoelsmatig heb ik mijn snelheid aangepast tot ongeveer 30 a 50 kilometer per

uur.

O: Je verklaarde eerder dat tijdens het inhalen er iemand voor de bus liep, ook zag je dat deze persoon haast had doordat deze een snellere looppas had dan normaal.

V: Wat heeft u vervolgens gedaan om een verkeersongeval te voorkomen, bijvoorbeeld door te sturen, remmen of ontwijken?

A: Ik heb het slachtoffer in een flits van een seconde gezien. Op het moment dat hij al tegen mijn auto zat zag ik zijn been en een capuchon maar niet zijn gezicht. Ik heb geremd als reactie en verderop mijn auto stil gezet en uitgestapt en naar de

man toe gegaan.

V: Heeft u nog voor de botsing geremd, of pas er na?

A: Op het moment dat ik de man raakte heb ik geremd.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Inleiding

Op 27 februari 2024 heeft op de [locatie 1] te Bergeijk een verkeersongeval plaatsgevonden tussen de personenauto waarin de verdachte reed en een voetganger, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Omstreeks 16:49 uur haalde de verdachte met zijn auto een bij de bushalte op de [locatie 1] (aan de rechterzijde van de weg) stilstaande lijnbus alsmede twee daarachter stilstaande voertuigen in. Op het moment dat de verdachte de voorzijde van de lijnbus passeerde, stak het slachtoffer, nadat hij als passagier van de lijnbus aan de rechterzijde van de bus was uitgestapt, aan de voorzijde van de lijnbus de straat over. Daarop botste de personenauto van de verdachte tegen het slachtoffer. Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer drie weken in coma gelegen, meerdere schedelfracturen en hersenletsel opgelopen en is hij aan de rechterzijde van zijn lichaam verlamd geraakt waardoor het slachtoffer niet meer zelfstandig kan zitten en staan. Ook is het slachtoffer verward en is zijn kortetermijngeheugen aangetast.

De verdachte wordt primair verweten dat hij zich op 27 februari 2024 te Bergeijk als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW 1994).

Standpunt van de advocaat-generaal

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 augustus 2026 heeft de advocaat-generaal, op de gronden zoals in het schriftelijk requisitoir nader verwoord, betoogd dat het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de advocaat-generaal allereerst aangevoerd dat het slachtoffer door het hiervoor beschreven verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verdachte in strijd heeft gehandeld met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990), dat bepaalt dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, het overige verkeer voor moeten laten gaan. De inhaalmanoeuvre van de verdachte dient volgens de advocaat-generaal gekwalificeerd te worden als een bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 RVV 1990, zodat de verdachte het slachtoffer voorrang had moeten verlenen. Daar komt bij dat de verdachte, bij het inhalen van de lijnbus en de achter deze lijnbus stilstaande voertuigen, beducht had moeten zijn op de reële mogelijkheid dat aan de voorzijde van de lijnbus passagiers van de lijnbus en/of andere voetgangers de straat zouden oversteken richting het trottoir aan de linkerzijde van de straat, omdat aan de rechterzijde van de [locatie 1] , met uitzondering van het gebied bij de bushalte, zich geen trottoir bevindt. Door desalniettemin zijn snelheid van circa 33 kilometer per uur niet te minderen, heeft de verdachte, gelet op de verkeerssituatie ter plaatse, aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 augustus 2026 heeft de raadsman van de verdachte, op de gronden zoals in de pleitnota nader verwoord, betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem primair tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het verkeersongeval op 27 februari 2024 op de [locatie 1] te Bergeijk geen verkeersregels heeft overtreden. Op de [locatie 1] , ter hoogte van de bushalte, bevindt zich geen voetgangersoversteekplaats, zodat de verdachte niet kon of hoefde te verwachten dat aldaar (een) voetganger(s) de straat zou(den) oversteken. Bovendien reed de verdachte tijdens het inhalen van de lijnbus slechts circa 30 à 33 kilometer per uur, een stuk minder hard dan de ter plekke toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Al met al is geen sprake geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de zijde van de verdachte. Ten aanzien van het verkeersongeval dat op 27 februari 2024 op de [locatie 1] te Bergeijk heeft plaatsgevonden, kan de verdachte dan ook geen (strafrechtelijk) verwijt worden gemaakt, aldus de raadsman.

Daarenboven heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 augustus 2026 aangevoerd – zoals hij tijdens de politieverhoren op 27 februari 2024 en 12 maart 2024 ook reeds heeft verklaard – dat hij in het geheel niet had verwacht dat, toen hij de lijnbus inhaalde, (een) voetganger(s) de straat zou(den) oversteken, aangezien de deuren van de lijnbus op dat moment net open gingen en er, als gezegd, ter plekke geen voetgangersoversteekplaats was. De verdachte heeft verder aangevoerd dat hij voorafgaand en tijdens het inhalen goed zicht had op de linkerzijde van de rijbaan, die op dat moment vrij was van verkeer, en dat hij zijn snelheid had gematigd. Een en ander maakte dat de verdachte de situatie als veilig om in te halen heeft ingeschat. Tot slot voerde de verdachte aan dat hij, mede gelet op het voorgaande, niet heeft kunnen anticiperen op het slachtoffer dat vanachter de bus vandaan kwam en – kennelijk zonder (goed) naar links te kijken – de straat overstak.

Oordeel van het hof

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel in het algemeen een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 kan bestaan in verschillende gradaties: van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld. Om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid bij de verdachte. Het komt er daarbij op aan of de verdachte minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mens in het algemeen, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Verder verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hiervoor bedoelde zin.

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 27 februari 2024 omstreeks 16:49 uur heeft op de [locatie 1] te Bergeijk een verkeersongeval plaatsgevonden tussen de personenauto waarin de verdachte reed (een BMW) en het slachtoffer.

De [locatie 1] is een voor het openbaar verkeer openstaande weg binnen de bebouwde kom van Bergeijk, bestaande uit één rijbaan bestemd voor verkeer in tegengestelde richtingen met aan weerszijden van de rijbaan onderbroken (suggestie)strepen. Ter plaatse geldt een toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. De linkerzijde van de rijbaan, kijkende vanuit de richting van de [locatie 2] , wordt begrensd door een trottoir. Aan de rechterzijde van de rijbaan bevindt zich een parkeerstrook die direct grenst aan de aan de [locatie 1] gelegen percelen/tuinen. Aan de rechterzijde van de rijbaan, ter hoogte van [adres 2] , is een (ter plaatse iets verhoogde) bushalte gesitueerd.

Op 27 februari 2024 omstreeks 16:48 uur stopte een lijnbus bij de bushalte aan de [locatie 1] . Achter deze lijnbus reden achtereenvolgens een bestelbus (Mercedes-Benz Sprinter) en twee personenauto’s (een Peugeot en een Chevrolet of Daewoo) die eveneens stopten (achter de lijnbus), waarna één van de personenauto’s (de Peugeot) in een parkeervak aan de rechterzijde van de straat werd geparkeerd. Enkele seconden later passeerde de verdachte met zijn auto de achter de lijnbus stilstaande voertuigen en de lijnbus. Het slachtoffer was inmiddels uit de bus gestapt en liep met versnelde pas en capuchon op richting de voorzijde van de lijnbus alwaar hij vlak voor de lijnbus schuin de rijbaan overstak, richting het trottoir aan de linkerzijde van de weg. Door de lijnbus werd het zicht van de verdachte en het slachtoffer ten opzichte van elkaar belemmerd. De verdachte zag het slachtoffer, dat zelf – blijkens de verklaring van getuige [getuige 4] – niet naar links of rechts had gekeken om na te gaan of de rijbaan vrij was van verkeer, dan ook te laat, waarop de verdachte met zijn auto tegen het slachtoffer aan reed, vervolgens op de rem trapte en de auto aan de linkerzijde van de rijbaan tot stilstand bracht.

Het hof stelt vast dat op grond van het dossier, in het bijzonder de camerabeelden in het dossier, en het verhandelde ter terechtzitting niet exact kan worden vastgesteld op welke tijdstippen de lijnbus tot stilstand kwam, de deur(en) van de lijnbus opengingen en de passagiers uitstapten. Evenmin kan exact worden vastgesteld op welke tijdstippen de verdachte met zijn auto de lijnbus inhaalde en de botsing met het slachtoffer plaatsvond. Een en ander is op de camerabeelden in het dossier immers niet te zien. Wel stelt het hof op grond van het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden afkomstig van het pand aan [adres 3] vast dat de remverlichting van de lijnbus om 16:48:12 uur ging branden en dat om 16:48:24 uur de bestelbus achter de lijnbus stilstond. Getuige [getuige 2] (de bestuurder van de bestelbus) heeft verklaard dat hij zag dat de lijnbus stopte om mensen uit het voertuig te laten, dat hij achter de lijnbus wachtte en stilstond. Uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen in combinatie met de verklaring van getuige [getuige 2] leidt het hof af dat om 16:48:24 uur de lijnbus in elk geval stilstond. Voorts stelt het hof op grond van voornoemd proces-verbaal van bevindingen vast dat om 16:48:33 uur de verdachte met zijn auto de (achter de lijnbus) stilstaande Chevrolet/Daewoo en bestelbus passeerde. De lijnbus is op de beelden niet te zien. Om 16:48:35 uur verdwijnt de auto van de verdachte links uit beeld. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte na 16:48:35 uur met zijn auto de lijnbus is gepasseerd.

Het hof stelt verder vast dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet exact kan worden vastgesteld hoe hard de verdachte reed voorafgaand aan en ten tijde van de botsing met het slachtoffer. Wel heeft de politie aan de hand van de in het dossier aanwezige camerabeelden afkomstig van het pand aan [adres 3] berekend dat de verdachte, voorafgaand aan de botsing, over een afstand van 41 meter heeft gereden met een eenparige gemiddelde snelheid van 33 kilometer per uur (afgerond). De verdachte heeft zelf verklaard dat hij zijn snelheid bij het inhalen van de voertuigen had aangepast tot ongeveer 30 à 50 kilometer per uur. Getuigen [getuige 3] (de buschauffeur) en [getuige 2] hebben de snelheid waarmee de verdachte de lijnbus inhaalde, ingeschat op circa 50 kilometer per uur.

De politie heeft ten aanzien van de auto waarin de verdachte ten tijde van het verkeersongeval reed, geen gebreken geconstateerd die van invloed zouden hebben kunnen zijn op het ontstaan of het verloop van het ongeval.

Toepassing juridisch kader op de feiten en omstandigheden

Uit het hiervoor uiteengezette juridisch kader met betrekking tot artikel 6 WVW 1994 volgt dat, om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van schuld in de zin van dit artikel, in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid bij de verdachte. Het komt er daarbij op aan of de verdachte minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mens in het algemeen, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Het hof is van oordeel dat de verdachte in de onderhavige zaak niet verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of onoplettend heeft gehandeld, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte schuld als bedoeld in artikel 6 van de WVW 1994 heeft gehad aan het op 24 februari 2027 te Bergeijk plaatsgevonden verkeersongeval.

Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

Allereerst is het hof, met de rechtbank en de verdediging, maar anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het verkeersongeval geen verkeersregels heeft overtreden. Tijdens de inhaalactie van de verdachte had de stilstaande lijnbus zijn linker richtingaanwijzer niet aanstaan en was de linkerzijde van de rijbaan over een grote afstand vrij van tegemoetkomend verkeer. Voorts was er geen doorgetrokken markering op de weg. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de stilstaande lijnbus en de daarachter stilstaande voertuigen mocht inhalen. Daar komt bij dat de verdachte niet harder heeft gereden dan ter plekke was toegestaan.

Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat artikel 54 RVV 1990 niet van toepassing is op de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak. Het links passeren van verkeersdeelnemers (voertuigen) die op dat moment op de weg stilstaan, is geen zodanig bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 RVV 1990 dat bestuurders die op een plek waar geen voetgangersoversteekplaats gesitueerd is één of meer stilstaande (doch niet geparkeerde) voertuigen passeren, daarbij voorrang moeten verlenen aan overstekende voetgangers. Het hof acht in dat verband de artikelen 4 lid 1 en 49 lid 2 RVV 1990 van belang. Artikel 4 lid 1 RVV 1990 bepaalt dat voetgangers het trottoir of het voetpad gebruiken en artikel 49 lid 2 RVV 1990 luidt als volgt: “Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.” Uit deze beide artikelen kan mede worden afgeleid dat bestuurders voetgangers die de straat oversteken op een plek waar geen voetgangersoversteekplaats gesitueerd is, in beginsel niet voor hoeven te laten gaan.

Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte ook anderszins niet zodanig tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid dat gesproken kan worden van een handelen als bedoeld in artikel 6 WVW 1994.

Conclusie

Alles overziend, is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam gedrag van de verdachte en dus van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan de verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 WVW kan worden gemaakt, is het hof niet gebleken.

Het hof acht derhalve het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte van dat feit zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van subsidiair tenlastegelegde feit

Aan de verdachte is subsidiair tenlastegelegd dat hij zich op 27 februari 2024 te Bergeijk als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd (artikel 5 WVW 1994).

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde feit.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 augustus 2026 heeft de raadsman van de verdachte, op de gronden zoals in de pleitnota nader verwoord, betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem subsidiair tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het verkeersongeval op 27 februari 2024 op de [locatie 1] te Bergeijk geen verkeersregels heeft overtreden. Evenmin heeft de verdachte ander gedrag vertoond waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt. Ten aanzien van het verkeersongeval dat heeft plaatsgevonden, kan de verdachte dan ook geen enkel (strafrechtelijk) verwijt worden gemaakt, aldus de raadsman.

Het hof wijst verder op hetgeen de verdachte dienaangaande heeft aangevoerd, zoals hiervoor ten aanzien van het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit onder “Standpunt van de verdediging” reeds is beschreven.

Oordeel van het hof

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg, zoals bedoeld in artikel 5 WVW, sprake dient te zijn van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag dat de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf op de weg veroorzaakt. Bij de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om de gedraging in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval. Het enkel schenden van een gedragsregel in het verkeer levert dus niet zonder meer het veroorzaken van gevaar of hinder op als hiervoor bedoeld. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen het in concreto veroorzaken van gevaar kan worden afgeleid.

Feiten en omstandigheden

Voor de feiten en omstandigheden verwijst het hof naar hetgeen daarover ten aanzien van het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit is uiteengezet.

Toepassing juridisch kader op de feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van het aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde feit acht het hof met name de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op de plek op de [locatie 1] te Bergeijk waar de verdachte de stilstaande lijnbus en de daarachter stilstaande voertuigen is gepasseerd, is de rijbaan, zeker het gedeelte naast de stilstaande lijnbus, vrij smal, zoals goed te zien is op de in de bewijsmiddelen opgenomen foto van de wegsituatie ter plekke. Doordat achter de lijnbus twee andere voertuigen waren gestopt, was de afstand die de verdachte bij het inhalen over de linkerzijde van de rijbaan, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte, diende af te leggen, bovendien relatief lang. Aan de rechterzijde van de rijbaan bevindt zich, naast de bushalte, geen trottoir. Aan de voor- en achterzijde van de bushalte zijn parkeervakken gesitueerd. Aan de linkerzijde van de rijbaan bevindt zich wel een trottoir. Een en ander is goed te zien op de in de bewijsmiddelen opgenomen foto van de wegsituatie ter plekke. Door de stilstaande lijnbus had de verdachte, rijdende ter hoogte van de lijnbus, nauwelijks tot geen zicht op eventueel uitstappende passagiers en andere voetgangers. Voorts hadden eventueel aan de voorzijde van de lijnbus overstekende passagiers/voetgangers nauwelijks tot geen zicht op verkeer dat via de linkerzijde van de rijbaan de stilstaande lijnbus passeert.

De verdachte heeft verklaard dat, op het moment dat hij de lijnbus passeerde, de deuren van de bus net open gingen. Het hof overweegt in dat verband het volgende.

Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de lijnbus om 16:48:24 uur in elk geval stilstond bij de bushalte en dat de verdachte na 16:48:35 uur met zijn auto de lijnbus is gepasseerd. Dit betekent dat vanaf het tijdstip waarop de lijnbus in elk geval stilstond, er ongeveer 11 seconden zijn verstreken voordat de verdachte met zijn auto de lijnbus passeerde. Doorgaans worden de deuren van een lijnbus, wanneer deze stopt bij een bushalte, binnen luttele seconden nadat de bus stilstaat, geopend om passagiers uit te laten stappen. Noch uit de verklaring van de buschauffeur, noch uit de verklaringen van de passagiers die als getuigen zijn gehoord, blijkt dat het in dit geval ongebruikelijk lang heeft geduurd voordat de deuren van de lijnbus werden geopend. Naar het oordeel van het hof is het dan ook niet aannemelijk dat de deuren van de lijnbus pas open gingen op het moment dat de verdachte met zijn auto de bus passeerde. Ware dat anders geweest, dan laat zich de mogelijkheid van een botsing zoals die zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan, niet goed denken. In dat geval zou de verdachte de bus immers al voorbij zijn gereden voordat het slachtoffer, nadat deze eerst een deel van de zij- en daarna de voorkant van de bus was gepasseerd, de straat overstak.

Gelet op het tijdsverloop tussen het stoppen van de lijnbus en het passeren van de lijnbus door de verdachte (circa 11 seconden), bestond er ten tijde van het passeren door de verdachte naar het oordeel van het hof een verhoogd risico op overstekende passagiers. Die kans werd vergroot door het gegeven dat het trottoir op dat deel van de [locatie 1] zich niet bevindt aan de zijde van de straat waar passagiers de bus uit kunnen stappen, maar enkel aan de overzijde van deze straat. Daar komt bij dat het bepaald niet ondenkbaar is dat passagiers minder alert zijn op eventueel verkeer dat op de weghelft rijdt waar normaliter het tegemoetkomend verkeer rijdt, nog afgezien van het feit van algemene bekendheid dat passagiers, zoals jonge kinderen, momenten kunnen hebben van verminderde concentratie/oplettendheid. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, rekening had moeten houden met het scenario/risico dat tijdens het passeren van de lijnbus, die op dat moment al ongeveer 11 seconden stilstond, aan de voorzijde van de lijnbus passagiers, die kort daarvoor uit de lijnbus waren gestapt, de rijbaan zouden oversteken richting het trottoir aan de linkerzijde van de [locatie 1] . Onder deze omstandigheden had van de verdachte verwacht mogen worden dat hij zijn snelheid zodanig zou matigen dat hij, ingeval er aan de voorzijde van de lijnbus (een) passagier(s) de rijbaan zou oversteken, tijdig zou kunnen afremmen, zodat zijn auto deze passagier(s) niet zou raken en al helemaal niet in de mate waarin dat is gebeurd. In dat verband acht het hof voorts van belang op te merken dat op de plek van passeren de rijbaan slechts zeer beperkt ruimte biedt om uit te wijken voor (onverwachts) overstekende passagiers.

Hoewel op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet exact kan worden vastgesteld hoe hard de verdachte bij het passeren van de lijnbus en ten tijde van de botsing met het slachtoffer reed, kan wel worden vastgesteld dat de verdachte, voorafgaand aan die botsing, over een afstand van 41 meter heeft gereden met een eenparige gemiddelde snelheid van 33 kilometer per uur (afgerond). Ook kan worden vastgesteld dat de verdachte pas remde op het moment dat zijn auto het slachtoffer raakte. Het hof is van oordeel dat de verdachte zijn snelheid onvoldoende heeft gematigd c.q. onvoldoende afstand heeft gehouden om op een veilige manier de lijnbus te kunnen inhalen. Bij een verhoogd risico past verhoogde voorzichtigheid en daarvan is niet gebleken. Daarmee heeft de verdachte naar het oordeel van het hof concreet en evident gevaarlijk rijgedrag vertoond, welk rijgedrag de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf in het leven heeft geroepen. Deze schade heeft zich in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk verwezenlijkt.

Conclusie

Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 27 februari 2024 te Bergeijk als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt, zodat het aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt verworpen.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt. De verdachte is, rijdende over een weg zonder afgescheiden rijbanen binnen de bebouwde kom van Bergeijk, een bij een bushalte op die weg stilstaande lijnbus alsmede twee achter die lijnbus stilstaande voertuigen gepasseerd zonder daarbij rekening te houden met eventueel overstekende passagiers van die lijnbus en zonder zijn snelheid, gelet op de verkeerssituatie ter plaatse, voldoende te matigen. Tijdens het passeren van de voertuigen heeft de verdachte met zijn auto aan de voorzijde van de lijnbus het aldaar overstekende slachtoffer aangereden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer drie weken in coma gelegen, meerdere schedelfracturen en hersenletsel opgelopen en is hij aan de rechterzijde van zijn lichaam verlamd geraakt waardoor het slachtoffer niet meer zelfstandig kan zitten en staan. Ook is het slachtoffer verward en is zijn kortetermijngeheugen aangetast. Het ongeval heeft het leven van het slachtoffer alsmede dat van zijn naasten voorgoed veranderd. Het hof heeft hier oog voor.

Het ongeval is de verdachte ook niet in de koude kleren gaan zitten. Uit het dossier blijkt dat de verdachte enige tijd na het ongeval via de politie heeft geïnformeerd naar (de toestand van) het slachtoffer, waarop de familie van het slachtoffer geantwoord heeft dat zij geen enkele vorm van contact met de verdachte wenst. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 7 augustus 2026 heeft de verdachte verklaart dat hij sinds het ongeval (nog) alerter is in het verkeer, in het bijzonder in verkeerssituaties als die in de onderhavige zaak. Dit kwam op het hof oprecht over.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte begin 2025 een eigen bedrijf in het schoonmaken van voertuigen heeft opgericht en dat dit bedrijf goed loopt. De verdachte heeft geen anderen in loondienst en is voor de werkzaamheden binnen het bedrijf afhankelijk van zijn rijbewijs. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij nog bij zijn ouders woont en een relatie heeft.

Het hof is zich ervan bewust dat geen enkele straf het leed van het slachtoffer en zijn naasten zal wegnemen. Bij het bepalen van de op te leggen straf is evenwel van belang dat de verdachte is vrijgesproken van het aan hem primair tenlastegelegde feit, te weten het zich als bestuurder van een personenauto zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht (artikel 6 WVW 1994). Waar overtreding van artikel 6 WVW 1994 op grond van artikel 175 WVW 1994 als een misdrijf kwalificeert, kwalificeert het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feit, te weten het zich als bestuurder van een personenauto zodanig gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt (artikel 5 WVW 1994), op grond van artikel 177 lid 1 WVW 1994 als een overtreding. Dit zal tot uitdrukking worden gebracht in de aan de verdachte op te leggen straf.

Alles afwegende, acht het hof in de onderhavige zaak passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ter bescherming van de verkeersveiligheid ziet het hof aanleiding om daarnaast aan de verdachte op te leggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Gelet op het gegeven dat de verdachte voor de werkzaamheden binnen zijn bedrijf afhankelijk is van zijn rijbewijs, zal het hof de rijontzegging geheel voorwaardelijk opleggen. Met oplegging van deze voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. H.A.T.G. Koning en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,

en op 21 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.F. Koolen
  • mr. H.A.T.G. Koning
  • mr. J.C. Gillesse

Griffier

  • mr. S. Kerssies

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand